Abrahams Kuyper en zijn redevoering bij de oprichting van de Vrije Universiteit
Zie ook: https://ortogonaal.nl/soevereiniteit-in-eigen-kring/
Voorwoord
De tekst die in deze uitgave gepresenteerd wordt, is in woordkeus en spelling identiek aan de eerste druk van de redevoering van Abraham Kuyper, waar dit essay over gaat, Souvereiniteit in Eigen Kring, uitgegeven door J.H. Kruyt te Amsterdam in 1880, in een oplage van 650 exemplaren.
Kuyper’s rede bevat beelden en polemiek van de negentiende eeuw. Voor de toehoorders waren zijn verwijzingen naar filosofen, politici, kerkelijke geschilpunten en maatschappelijke debatten direct herkenbaar. Voor ons, anderhalve eeuw later, is dat minder het geval. Daarom is aan deze uitgave een uitvoerig notenapparaat toegevoegd. Niet om de tekst te moderniseren dus, maar om u in staat te stellen om ‘te horen wat zijn toehoorders toen hoorden’.
Deze kritische heruitgave wil een brug slaan tussen verleden en heden. Kuyper heeft het over de functie van geloof in de samenleving, over de plaats van wetenschap in de samenleving en over het staatsgezag. Deze onderwerpen zijn historisch van belang, maar zijn ook vandaag de dag nog steeds actueel.
Abraham Kuyper was theoloog, predikant, journalist, hoofdredacteur, hoogleraar en politicus. En een begaafd redenaar. Rector-magnificus van de Vrije Universiteit Amsterdam, lid van de Tweede kamer en Minister-president. Hij was onverzettelijk. Een geweldenaar.
Kuyper had veel invloed op de Nederlandse politiek. Dit wordt meestal onderschat. Wellicht is dit omdat men hem vaak ziet als ‘slechts’ de vertegenwoordiger van een niet zo grote, rechtlijnige, calvinistische stroming, die beschouwd werd als beginselvast en werd weggezet als bekrompen. Dit klopte weliswaar voor sommige gereformeerde huisgezinnen, ouderlingen en kerkgangers, maar uit zijn inaugurele rede blijkt dat Kuyper zelf absoluut niet van bekrompenheid kan worden beticht.
Kuypers visie op de verhouding tussen kerk en samenleving, zijn steevaste pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting en voor de vrijheid van onderwijs en vrijheid van wetenschap, zijn opvattingen over enerzijds de noodzakelijke functie van de staat maar anderzijds het gevaar van een overheid die de vrijheid van burgers beknot en zich onrechtmatig bemoeit met kringen waarin zij niets te zoeken heeft, toont een denker die verrassend modern aandoet. De naam ‘Vrije Universiteit’ koos hij omdat hij had besloten dat zijn universiteit vrij moest zijn van overheidsbemoeienis.
Kuyper benadrukte dat er soevereiniteit in eigen kring moet gelden: mensen en gemeenschappen (kringen) moeten vrij zijn om hun eigen geloof of politieke overtuiging te kiezen, zonder inmenging van de staat of van andere kringen. Voor Kuyper was die soevereiniteit onwrikbaar gefundeerd in de soevereiniteit van God. Maar ook lezers die dit religieuze fundament niet delen, zullen moeten erkennen dat de kern van zijn argumentatie, dat ieder individu van nature aanspraak maakt op soevereiniteit, nog steeds verrassend actueel en relevant is. En daarom beschouw ik Kuypers Soevereiniteit in eigen Kring als één van de belangrijkste redevoeringen uit de politieke geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden.
Veel dank verschuldig aan Yvonne Kilian voor de niet aflatende inspanning de teksten beter te maken en door het stellen van kritische vragen de auteur trachten te behoeden voor uitgleiders.
Dick H. Ahles
Inleiding
De hier voorliggende redevoering Souvereiniteit in eigen kring, uitgesproken door Abraham Kuyper op 20 oktober 1880 in het koor van de Nieuwe Kerk te Amsterdam bij de inwijding van de Vrije Universiteit, vormt een uniek document in de Nederlandse politieke en intellectuele geschiedenis. Toen de rede werd uitgesproken, was het koor van de Nieuwe Kerk gevuld met allerlei vertegenwoordigers uit kerk, wetenschap, politiek, journalistiek en bestuur. De lange lijst van hooggeplaatste aanwezigen in de aanhef van de tekst en de uitgebreide dankbetuigingen tonen dat dit geen besloten academische ceremonie was, maar een publieke gebeurtenis van nationaal belang. De rede werd bovendien direct erna in druk verspreid, zodat de toehoorders haar onmiddellijk konden nalezen en verder verspreiden. Daarmee kreeg de tekst van de redevoering een groot publiek gewicht
Deze kritische uitgave presenteert de tekst in de oorspronkelijke spelling, voorzien van een notenapparaat en deze inleidende bespreking, plus een eigentijdse versie van de tekst.Kuyper liet een immense hoeveelheid geschriften na, waarin zijn gedachten zich ontwikkelden en mogelijk ook nuanceerden. Maar wat er in dit essay over Kuyper’s beginsel wordt gezegd, is strikt gebaseerd op de inhoud van deze redevoering. Deze rede van 1880 moet dus worden gelezen als een momentopname, een helder en samenhangend overzicht van zijn visie op dat moment. Dat neemt niet weg dat de redevoering zelf van uitzonderlijk gewicht is.
In 1880 was Kuyper uitgegroeid tot de charismatische voorman van de kleine luyden, de gereformeerden die zich achtergesteld voelden tegenover de liberale elite. Als predikant in Beesd, later in Utrecht en vanaf 1870 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, had hij een grote schare volgelingen aan zich weten te binden. Maar Kuyper bleef niet op de kansel: hij werd journalist en daarna hoofdredacteur van dagblad De Standaard, hij was de oprichter en partijleider van de Anti-Revolutionaire Partij en later zelfs Minister-president. Hij was de architect van de emancipatie van zijn gemeenschap en wilde deze een volwaardige plaats in de samenleving geven, met een netwerk van kerk, eigen scholen, een eigen krant, een eigen partij en een eigen universiteit. Met de plechtigheid van 20 oktober 1880 onderstreepte hij dat ideaal.
Wie de rede leest, merkt dat zij veel meer beoogt dan het openen van een universiteit. Kuyper grijpt de inauguratie aan om een alomvattend beginsel uiteen te zetten, namelijk dat elk levensgebied, elke kring — gezin, kerk, school, wetenschap, kunst, arbeid, staat — een eigen soevereiniteit bezit, en dat geen enkele kring zeggenschap heeft over een andere. De universiteit was dus eigenlijk slechts een voorbeeld; het ging hem om de structuur van de samenleving als geheel.
Kuyper’s uitgangspunt was, dat soevereiniteit uiteindelijk alleen aan God toekomt: “God Drieënig moet ook Uw ziel als éénig absoluut Souverein proclameeren… Mits men er bij erkenne, dat deze hooge Souverein zijn gezag overdroeg en overdraagt aan menschelijke per-sonen.” (p.12-13). Ofwel: Geen enkele instantie, kerk of staat, kan zich absolute macht toeëigenen, want de soevereiniteit is aan de mensen overgedragen, niet aan de kerk of de staat. Mensen zijn dus niet tot onderwerping veroordeeld. Integendeel: ieder individu ontvangt van God zelf een eigen vrijheid, en Kuyper formuleert dat radicaal: “…en een iegelijk vrij moet zijn door de voordeur uit te gaan, om op eigen beginsel een huis te bouwen.” (p.16).
Kuyper’s antirevolutionaire houding (zijn veroordeling van de uitkomsten van de Franse Revolutie) is geen kwestie van vijandschap tegenover individuele vrijheid. Integendeel, hij verdedigde juist, met kracht, de vrijheid van ieder mens en iedere gemeenschap om eigen kringen te vormen – zolang in deze kringen de vrijheid van de anderen wederkerig werd erkend en gerespecteerd. Hij was fel gekant tegen de absolute macht van de staat die door deze revolutie was voortgebracht, die in chaos en terreur ontaardde.
In zijn visie neemt de staat wel een bijzondere plaats in: de staat is zelf ook een kring, namelijk een kring met de opdracht om recht te handhaven en om de vrijheid en de soevereiniteit van de andere kringen te waarborgen. Want: “Niet het leven te beklemmen noch de vrijheid te binden, maar vrije levensbeweging voor en in elk dier kringen mogelijk te maken, is het… ideaal.” (p.19). De overheid is dus geen meester maar beschermer, scheidsrechter in plaats van heerser.
Wanneer de andere kringen de overheid toestaan om interne aangelegenheden van kerk, gezin, universiteit of andere verbanden te beheersen, wordt de kern van de vrijheid van kringen, en dus die van iedereen, aangetast. Dit klonk bijzonder scherp door in Kuyper’s beschouwingen over de wetenschap. Juist bij de stichting van een universiteit benadrukte hij dat de wetenschap een zelfstandige soevereiniteit bezit, onafhankelijk van kerk én staat: “…dat nooit de Kerk van Christus haar overhoogheid aan de wetenschap mag opdringen… de wetenschap… de haar toekomende Souvereiniteit op eigen erf handhave en leve bij de gratie Gods.” (p.32). Hier liet Kuyper er geen twijfel over bestaan: de Vrije Universiteit mocht geen kerkelijke instelling zijn, maar moest vrij zijn. Vrij van de staat én van de kerk. Hij vond niet dat er zoiets bestond als een “gereformeerde wiskunde”, maar wel was hij van mening dat elke wetenschapper — liberaal, katholiek, joods, socialistisch, gereformeerd — zijn verklaringen en onderzoeksvragen moest kiezen vanuit de diepere beginselen die hem drijven.
Wetenschap is nooit volledig neutraal, is altijd geworteld in beleden overtuigingen, en daarom, stelde hij, is het juist goed dat er verschillende wetenschappelijke kringen naast elkaar bestaan. Pluriformiteit schept een evenwicht. En in dat licht wees hij ook de gedachte af dat een gereformeerde universiteit door de staat zou moeten worden gefinancierd. Want dan zouden ook joden, rooms-katholieken of liberalen verplicht worden te betalen voor een wetenschapsbeoefening op een manier die niet de hunne was. Vrijheid moest tot in de uiterste consequentie worden doorgevoerd: een universiteit die werkelijk vrij is, is ook in haar financiering, vrij van de staat.. En dus werd de Vrije Universiteit vanaf het begin door de eigen gereformeerde achterban bekostigd.
Waar Kuyper zijn publiek raakte met bijbelteksten, zoekt onze tijd symbolische kracht in gehet gedachtegoed van historische denkers die autoriteit vertegenwoordigen. In plaats van ‘Mozes bij de brandende braamstruik’ halen wij Spinoza aan, die vrijheid definieerde als: geleid worden door de rede. Waarbij Kuyper wel het voordeel had dat de de inhoud van de bijbel, in tegenstelling tot de ideeën van de filosofen nu, breed werd gedeeld.
De inauguratierede was niet louter een theoretische verhandeling: Kuyper wist zijn beginselen ook in praktijk te brengen. In de decennia die volgden, kregen gereformeerden, naast katholieken, hervormden, socialisten en liberalen, eindelijk een volwaardige plaats in de Nederlandse samenleving. Het resultaat was een vreedzaam en stabiel bestel, dat later bekend zou worden als het verzuilde Nederland: een samenleving waarin onderscheiden gemeenschappen naast elkaar bestonden, elk op eigen grondslag, en waarin samenwerking was gebaseerd op wederzijds respect. Hierin ligt de blijvende betekenis van zijn rede, die dus niet alleen een gereformeerde verantwoording is, maar ook en vooral een algemeen schema van vrijheid en pluraliteit, bruikbaar voor elke gemeenschap, van welke overtuiging dan ook. Zij laat zien dat een samenleving alleen beklijft wanneer men de soevereiniteit van de ander erkent en respecteert.
Vooral in de huidige tijd wordt artikel 1 van de Grondwet, het verbod op discriminatie, beschouwd als het fundament van onze samenleving. Maar, hoe edel dit ook klinkt, het roept wel de vraag op: wie bepaalt wanneer er sprake is van discriminatie? De overheid? Of vrije mensen en gemeenschappen die elkaars soevereiniteit erkennen? In beide gevallen zal of iets onder discriminatie valt, mede worden bepaald door de heersende (politieke) opvattingen, waardoor er altijd meningsverschillen zullen ontstaan. De fundamentele keuze is, volgens Kuyper’s soevereiniteitsbeginsel, dat de beoordeling of iets al dan niet onder discriminatie valt, ligt bij individuen en gemeenschappen die elkaars opvattingen respecteren. Want hierin ligt de ware basis van het recht. En daarom verdient deze indrukwekkende rede, meer dan anderhalve eeuw na dato, nog steeds onze volledige aandacht.
Dick Ahles
Enkhuizen, september 2025