Dick H. Ahles
De staat is ook bron van kwaad,
hij rooft, hij liegt, hij slaat, hij haat.
Hij noemt zijn dwang bescherming, daad,
en maakt van onrecht wet en staat.
Niet elk kwaad begint bij hem,
maar hij geeft onrecht wet en stem.
Het is een rijmpje dat te scherp is om zomaar waar te zijn, maar te raak om achteloos weg te wuiven.
Natuurlijk begint niet elk kwaad bij de staat. Mensen doen elkaar ook zonder staat van alles aan. Zij liegen, bedriegen, roven, onderdrukken, manipuleren, exploiteren en doden, met of zonder ambtenaar in de buurt. Het kwaad heeft geen staatssecretariaat nodig om te bestaan.
Maar juist daarom is het rijmpje interessant. Het beweert niet dat de staat de enige bron van kwaad is. Het stelt een scherpere vraag: wat gebeurt er wanneer handelingen die wij tussen gewone mensen als onrecht zouden herkennen, door wet, bestuur, verkiezing en algemeen belang worden gelegitimeerd?
Waarom ervaren wij de staat, die objectief veel dwang, onrecht en geweld mogelijk maakt, toch meestal als goed, nuttig, nodig en onvermijdelijk?
Daar begint het eigenlijke probleem. Niet bij de vraag of de staat “goed” of “slecht” is, maar bij de vraag hoe onrecht van gedaante verandert zodra het wettelijk, bestuurlijk en moreel wordt ingekleed.
Wanneer een particulier geld afneemt zonder toestemming, noemen wij dat diefstal. Wanneer een particulier iemand dwingt zijn arbeid, bezit of lichaam beschikbaar te stellen, noemen wij dat dwang. Wanneer een particulier geweld gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen, noemen wij dat agressie en afpersing. Maar wanneer de staat vergelijkbare handelingen verricht, veranderen de woorden. Dan spreken wij over belasting, regelgeving, dienstplicht, toezicht, beleid, solidariteit, veiligheid en rechtsorde.
Daarmee is niet gezegd dat alle staatsoptreden even slecht is, of dat achter iedere ambtenaar een rover schuilgaat. Dat zou karikaturaal zijn. Maar het roept wel een fundamentele vraag op: wordt een handeling rechtmatig, ook met democratische besluitvormingsprocedures, doordat de staat haar verricht?
Het politieke middel
Franz Oppenheimer maakte in zijn boek De Staat (1906) een onderscheid dat nog altijd verhelderend is. Mensen kunnen op twee manieren aan middelen komen. Zij kunnen produceren, werken, ruilen, samenwerken. Dat noemde hij het economische middel. Maar zij kunnen zich ook toe-eigenen wat anderen hebben voortgebracht, door dwang, roof, belasting, overheersing of privilege. Dat noemde hij het politieke middel.
Die termen zijn misschien wat ongelukkig, omdat “politiek” en “economisch” tegenwoordig ook andere associaties oproepen. Men kan ook spreken van productieve verwerving tegenover extractieve verwerving. In het eerste geval verkrijg je iets door arbeid, ruil of vrijwillige samenwerking. In het tweede geval verkrijg je iets doordat je anderen dwingt af te staan wat zij hebben gemaakt of verworven.
Oppenheimers radicale gedachte was dat de staat historisch niet begint als rechtsorde, maar als organisatie van dat politieke middel. De staat ontstaat waar een heersende groep in staat is duurzaam een deel van de opbrengst van anderen naar zich toe te trekken. Vervolgens wordt roof schatting. Schatting wordt belasting. Bescherming wordt plicht. Staatsgeweld wordt recht.
Dat is een ongemakkelijke gedachte, omdat zij ons verheven zelfbeeld van de staat aantast. Wij zijn gewend de staat te zien als beschermer tegen chaos, geweld en onrecht. Oppenheimer draait de blikrichting om. Hij vraagt niet eerst hoe de staat ons beschermt, maar hoe hij historisch, sociologisch aan zijn macht komt. Volgens Oppenheimer is dat achterliggende proces opvallend herkenbaar, door tijden en plaatsen heen.
Dat maakt zijn analyse waardevol. Niet omdat alles wat Oppenheimer schrijft overtuigt. Integendeel. Aan het eind van zijn boek wordt hij opvallend optimistisch. Hij verwacht dat de ontwikkeling van de constitutionele staat uiteindelijk zal leiden tot “vrijburgerschap”: een maatschappij waarin het politieke middel verdwijnt en bestuur nog slechts het algemeen belang dient.
Dat klinkt na de twintigste eeuw bijna pijnlijk naïef. Enkele jaren na zijn optimistische toekomstverwachting trok Europa de Eerste Wereldoorlog in. Moderne staten mobiliseerden miljoenen burgers, stuurden hen de loopgraven in, organiseerden censuur, propaganda, belasting, bewapening, industrie en massale gehoorzaamheid. De door hem voorspelde vreedzame constitutionele staat bleek niet het graf van het politieke middel, maar zijn modernste opstanding.
Toch maakt dat Oppenheimer niet waardeloos. Integendeel. Zijn analyse is sterker dan zijn hoop. Hij zag hoe macht zich organiseert. Hij zag hoe extractie institutioneel wordt. Hij zag hoe de staat niet alleen orde brengt, maar ook leeft van de middelen die hij aan anderen onttrekt.
Zijn fout was dat hij dacht dat het politieke middel historisch zou afsterven. Waarschijnlijker is dat het zich telkens opnieuw vermomt.
Van wet naar recht
De Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun trekt de lijn consequenter door. Zijn uitgangspunt is het fundamentele rechtsbeginsel: ieder mens is een soeverein rechtssubject. Ieder mens heeft het recht met het zijne te doen en te laten wat hij wil, en geen enkel mens heeft het recht over de middelen van een ander te beschikken zonder diens toestemming.
Dat klinkt eenvoudig. Maar de consequenties zijn vergaand.
Als geen mens zonder toestemming mag beschikken over het lichaam, de arbeid of de middelen van een ander, dan geldt dat ook voor mensen die zich organiseren als staat. De staat kan zich niet aan het recht onttrekken door zichzelf wetgever te noemen. Wet is niet automatisch recht.
Daar zit de scherpe kern:
Het probleem van de staat is niet dat hij soms verkeerde wetten maakt. Het probleem is dat hij de macht heeft toegeëigend om onrecht als wet te verklaren.
Die laatste stelling is voor veel mensen moeilijk te aanvaarden. Niet omdat zij het argument al weerlegd hebben, maar omdat het nauwelijks binnenkomt. Het schuurt te sterk tegen de wereld waarin zij zijn opgegroeid. De staat is er gewoon. Zoals de school er is, de dokter, de belastingdienst, de gemeente, de verzekering, de rechter, de politie, de wegen, de regels, de formulieren.
De vraag of men zich aan die orde wil onderwerpen, komt meestal niet eens op. Men leeft er al in.
Het is zo …
Ik moest daaraan denken bij het opnieuw zien van de documentaire Het is een schone dag geweest van Jos de Putter. De film volgt zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen, eenvoudige agrariërs, in het laatste jaar dat zij hun boerenbedrijf uitoefenen.
Het is een aangrijpende film, juist omdat zij nergens schreeuwt. Geen grote theorieën, geen ideologische aanklacht, geen sentimentele verheerlijking van het boerenleven. Je ziet mensen die leven in een wereld van werk, land, weer, dieren, lichaam, ritme en gewoonte.
Aan het eind zit de zoon met zijn vader aan de keukentafel. Een eenvoudige boerenkeuken. Geen armoede, maar basale soberheid. Een tafel, een TL-buis, een granieten gootsteen, een pomp. Een omgeving waarin “welstand” niet verschijnt als levensproject, maar als het feit dat men leeft, werkt, eet, slaapt en doorgaat.
De zoon vraagt wat voor zijn vader het meest opmerkelijke van het laatste jaar is geweest. De vader zwijgt. Je ziet hem denken: wat vraagt hij nu eigenlijk? Na een lange stilte zegt hij dat het de laatste tijd wel erg nat is geweest; “het heeft veel geregend”.
De zoon probeert het opnieuw. Hij bedoelt het persoonlijker. Hoe kijkt de vader terug op zijn eigen leven, op wat hij het afgelopen jaar gedaan heeft?
Weer stilte. Dan komt de reactie: “wat bedoel je? Het is zo!”. En daarna: hij vond het wel schoon. Hij deed het graag. “Altijd buiten, dat zegt ook wat.”
Dat moment is van een ontstellende helderheid.
Veel moderne intellectuelen, zeker sinds de jaren zestig, denken over het leven als iets dat men vormgeeft. Het leven is een project, een identiteit, een keuze, een expressie van autonomie. Men moet zichzelf ontplooien, zichzelf vinden, zichzelf bevrijden, zichzelf realiseren.
Maar grote groepen mensen leven niet in dat register. Zij ervaren hun bestaan niet primair als een filosofisch project van zelfbeschikking. Zij leven binnen gegeven verbanden: grond, werk, gezin, dorp, kerk, buurt, bedrijf, weer, gezondheid, pech, geluk, plicht. Hun leven is niet zonder betekenis, maar die betekenis hoeft niet voortdurend ge(her)formuleerd te worden.
Het is zo!
Die zin is niet dom. Hij kan zelfs wijs zijn. Maar hij toont ook iets fundamenteels: de meeste mensen leven niet in permanente reflectie op de vraag wie over hen mag beschikken. Zij leven in een wereld die als een gegeven verschijnt.
De vanzelfsprekendheid van macht
Daar ligt het aanknopingspunt voor ieder civilisatieproces.
Macht is het sterkst wanneer zij niet meer als keuze verschijnt, maar als vanzelfsprekende werkelijkheid.
Brute dwang is zichtbaar. Zij roept weerstand op. Wie met een knuppel binnenkomt en zegt “geef mij de helft van uw inkomen”, wordt herkend als rover. Maar wanneer dezelfde afdracht verloopt via loonstrook, aanslagbiljet, wetboek, verkiezing, begroting, publieke voorziening en morele taal, verschijnt zij anders. Dan wordt zij onderdeel van de orde.
Mensen zeggen niet: “ik onderwerp mij vrijwillig aan een systeem van fiscale extractie.” Zij zeggen: “belasting hoort erbij.”
Zij zeggen niet: “de staat beschikt over een deel van mijn arbeid.” Zij zeggen: “wij betalen samen voor de samenleving.”
Zij zeggen niet: “ik word bestuurd.” Zij zeggen: “zo werkt het nu eenmaal.” Het is zo!
Daarmee is het probleem niet opgelost. Het is juist verdiept. Want als mensen macht niet meer als macht ervaren, hoe kunnen zij haar dan nog beoordelen?
Hier ontstaat de merkwaardige lus. De staat presenteert zich als redder van chaos. Burgers leren chaos te vrezen boven staatsdwang. Kritiek op staatsdwang wordt vervolgens ervaren als verlangen naar chaos. En zo bevestigt de angst voor chaos opnieuw de legitimiteit van de staat.
Dat is geen gewone redenering meer, maar een geciviliseerde ervaringsstructuur. Toch betekent dit niet dat achter de staat steeds mensen schuilgaan die weten dat zij kwaad doen. Meestal is het tegendeel waar. Het kwaad komt zelden met een bordje “kwaad” binnen. Het komt als redding, herstel, veiligheid, rechtvaardigheid, vooruitgang of bescherming. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak middelen rechtvaardigen die hij bij zijn tegenstander onmiddellijk als onrecht zou herkennen. Wie zichzelf als booswicht ziet, overtuigt zelden anderen. Wie zichzelf als redder ziet, beschikt over een veel krachtiger taal.
Onze populaire cultuur helpt ons vaak niet om dit te begrijpen. In James Bond-films wil de slechterik de wereld overheersen en weet hij dat hij de slechterik is. Maar politieke macht werkt zelden zo eenvoudig. Zelfs de meest destructieve ideologieën presenteren zichzelf als goed, noodzakelijk en bevrijdend voor de groep namens wie zij spreken. Het probleem is daarom niet alleen kwade intentie. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak het onrecht civiliseren. De staat is zo overtuigend omdat hij zelden spreekt in de taal van macht, maar meestal in de taal van het goede.
Vrijwilligheid
Men kan natuurlijk zeggen: als iemand zich vrijwillig wil onderwerpen aan de regels van een staat, een kerk, een commune, een vereniging of een streng georganiseerde gemeenschap, dan is dat zijn goed recht. Wie uit vrije wil in een bepaalde orde wil leven, moet dat kunnen doen. Maar dan volgt onmiddellijk een grens: hij mag anderen niet dwingen hetzelfde te doen.
En uit vrije wil betekent in deze context ook: zonder gevolgen weer uit die orde kunnen stappen. Het onderdrukkende karakter van de staat begint daar waar men niet zonder gevolgen uit die orde van een staat kan stappen.
Het probleem is echter nog subtieler. Veel mensen onderwerpen zich niet bewust vrijwillig. Zij onderwerpen zich ook niet bewust onvrijwillig. De vraag van onderwerping of niet-onderwerping komt eenvoudigweg niet op.
Hun wereld is niet opgebouwd uit abstracte alternatieven. Zij ervaren zichzelf niet als soeverein rechtssubject dat op ieder moment principieel moet nadenken over toestemming, eigendom, beschikking en recht. Zij leven binnen een vanzelfsprekende ordening. Het is zo!
Zoals iemand geboren kan worden in een kaste en die het bestaan van die kaste kan ervaren als natuurlijk. Zoals iemand de dokter kan ervaren als ultieme autoriteit, niet als deskundige die ook bevraagd kan worden. Zoals iemand de staat kan ervaren als de instantie die er nu eenmaal is om orde, veiligheid en recht te waarborgen.
Daarom is Van Duns rechtsfilosofie zo moeilijk toegankelijk. Zijn centrale vraag — wie mag over wie beschikken? — is glashelder voor wie eenmaal in dat register denkt. Maar veel mensen leven niet in dat register. Zij begrijpen de probleemstelling nauwelijks, omdat de mogelijkheid van niet-onderwerping niet in hun ervaringswereld verschijnt.
Dat maakt hen niet minderwaardig. Het maakt hen menselijk. Zij hebben werk, zorgen, kinderen, gezondheid, schulden, verplichtingen, vreugde, verdriet. Zij willen niet iedere dag de grondslagen van het recht onderzoeken. Zij willen leven.
Maar juist daarom kunnen wereldhervormers, ideologen en bestuurders op die inertie parasiteren. Zij hoeven de bevolking niet voortdurend met argumenten te overtuigen. Zij hoeven veranderingen slechts te vertalen in woorden die passen bij de bestaande orde: bescherming, vooruitgang, zorg, veiligheid, rechtvaardigheid, noodzaak, afwenden van gevaar, algemeen belang. Daarom gaan burgers slaapwandelend oorlogen in. Het is nu eenmaal zo.
En dan laat men het over zich heen komen.
Zoals regen.
De arrogantie van de wereldverbeteraar
Daarom is Het is een schone dag geweest zo’n waardevolle film. Niet omdat hij een politieke stelling verkondigt, maar omdat hij ons herinnert aan het bestaan van mensen die niet leven in de verbeelding van de permanente zelfontwerper.
Wie arrogant voor iedereen de wereld denkt te kunnen verbeteren, zou eerst naar zulke mensen moeten kijken. Niet om hen te romantiseren, maar om zich te realiseren dat maatschappelijke hervormingen zelden neerdalen op burgers die in abstracties denken en over doorwrochte wereldbeelden beschikken. Zij dalen neer op mensen die gewoon hun leven leven.
De wereldverbeteraar denkt in systemen.
De gewone mens leeft in voor hen natuurlijke verbanden.
De wereldverbeteraar denkt in toekomst.
De gewone mens leeft in dag, seizoen, werk, lichaam en weer.
De wereldverbeteraar denkt: hoe maken wij de mens vrij?
De gewone mens denkt: het is wel erg nat geweest.
Wie dat belachelijk vindt, heeft niets begrepen.
Juist daar ligt de tragiek van politiek. Grote plannen worden ontworpen door mensen die in abstracties denken, en ondergaan door mensen die in werkelijkheid leven. Zij worden niet altijd met geweld onderworpen. Vaak worden zij langzaam meegenomen in een nieuwe vanzelfsprekendheid.
Terug naar het rijmpje
Daarom is het rijmpje bruikbaar, mits het niet als eindpunt wordt genomen.
De staat is ook bron van kwaad. Niet omdat elk kwaad altijd en alleen bij de staat begint, maar omdat de staat iets kan wat gewone mensen niet kunnen: hij kan onrecht de vorm geven van wet, bestuur, procedure en algemeen belang.
Dat is nog niet genoeg. Want de diepere vraag is waarom mensen dat onrecht meestal niet als onrecht ervaren.
Het antwoord ligt niet alleen in angst, propaganda of domheid. Het ligt in civilisatie: in het langzaam vormen van overtuigingen, gewoonten, woorden, instituties, opvattingen wat waar is, en gevoelens waardoor macht als normaal verschijnt.
De staat is niet alleen een apparaat van dwang. Hij is ook een producent van vanzelfsprekendheid.
En precies daarom is hij zo sterk.

