Het is een schone dag geweest – De staat, het onrecht en de vanzelfsprekendheid van macht

Dick H. Ahles

De staat is ook bron van kwaad,
hij rooft, hij liegt, hij slaat, hij haat.
Hij noemt zijn dwang bescherming, daad,
en maakt van onrecht wet en staat.

Niet elk kwaad begint bij hem,
maar hij geeft onrecht wet en stem.

Het is een rijmpje dat te scherp is om zomaar waar te zijn, maar te raak om achteloos weg te wuiven.

Natuurlijk begint niet elk kwaad bij de staat. Mensen doen elkaar ook zonder staat van alles aan. Zij liegen, bedriegen, roven, onderdrukken, manipuleren, exploiteren en doden, met of zonder ambtenaar in de buurt. Het kwaad heeft geen staatssecretariaat nodig om te bestaan.

Maar juist daarom is het rijmpje interessant. Het beweert niet dat de staat de enige bron van kwaad is. Het stelt een scherpere vraag: wat gebeurt er wanneer handelingen die wij tussen gewone mensen als onrecht zouden herkennen, door wet, bestuur, verkiezing en algemeen belang worden gelegitimeerd?

Waarom ervaren wij de staat, die objectief veel dwang, onrecht en geweld mogelijk maakt, toch meestal als goed, nuttig, nodig en onvermijdelijk?

Daar begint het eigenlijke probleem. Niet bij de vraag of de staat “goed” of “slecht” is, maar bij de vraag hoe onrecht van gedaante verandert zodra het wettelijk, bestuurlijk en moreel wordt ingekleed.

Wanneer een particulier geld afneemt zonder toestemming, noemen wij dat diefstal. Wanneer een particulier iemand dwingt zijn arbeid, bezit of lichaam beschikbaar te stellen, noemen wij dat dwang. Wanneer een particulier geweld gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen, noemen wij dat agressie en afpersing. Maar wanneer de staat vergelijkbare handelingen verricht, veranderen de woorden. Dan spreken wij over belasting, regelgeving, dienstplicht, toezicht, beleid, solidariteit, veiligheid en rechtsorde.

Daarmee is niet gezegd dat alle staatsoptreden even slecht is, of dat achter iedere ambtenaar een rover schuilgaat. Dat zou karikaturaal zijn. Maar het roept wel een fundamentele vraag op: wordt een handeling rechtmatig, ook met democratische besluitvormingsprocedures, doordat de staat haar verricht?

Het politieke middel

Franz Oppenheimer maakte in zijn boek De Staat (1906) een onderscheid dat nog altijd verhelderend is. Mensen kunnen op twee manieren aan middelen komen. Zij kunnen produceren, werken, ruilen, samenwerken. Dat noemde hij het economische middel. Maar zij kunnen zich ook toe-eigenen wat anderen hebben voortgebracht, door dwang, roof, belasting, overheersing of privilege. Dat noemde hij het politieke middel.

Die termen zijn misschien wat ongelukkig, omdat “politiek” en “economisch” tegenwoordig ook andere associaties oproepen. Men kan ook spreken van productieve verwerving tegenover extractieve verwerving. In het eerste geval verkrijg je iets door arbeid, ruil of vrijwillige samenwerking. In het tweede geval verkrijg je iets doordat je anderen dwingt af te staan wat zij hebben gemaakt of verworven.

Oppenheimers radicale gedachte was dat de staat historisch niet begint als rechtsorde, maar als organisatie van dat politieke middel. De staat ontstaat waar een heersende groep in staat is duurzaam een deel van de opbrengst van anderen naar zich toe te trekken. Vervolgens wordt roof schatting. Schatting wordt belasting. Bescherming wordt plicht. Staatsgeweld wordt recht.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, omdat zij ons verheven zelfbeeld van de staat aantast. Wij zijn gewend de staat te zien als beschermer tegen chaos, geweld en onrecht. Oppenheimer draait de blikrichting om. Hij vraagt niet eerst hoe de staat ons beschermt, maar hoe hij historisch, sociologisch aan zijn macht komt. Volgens Oppenheimer is dat achterliggende proces opvallend herkenbaar, door tijden en plaatsen heen.

Dat maakt zijn analyse waardevol. Niet omdat alles wat Oppenheimer schrijft overtuigt. Integendeel. Aan het eind van zijn boek wordt hij opvallend optimistisch. Hij verwacht dat de ontwikkeling van de constitutionele staat uiteindelijk zal leiden tot “vrijburgerschap”: een maatschappij waarin het politieke middel verdwijnt en bestuur nog slechts het algemeen belang dient.

Dat klinkt na de twintigste eeuw bijna pijnlijk naïef. Enkele jaren na zijn optimistische toekomstverwachting trok Europa de Eerste Wereldoorlog in. Moderne staten mobiliseerden miljoenen burgers, stuurden hen de loopgraven in, organiseerden censuur, propaganda, belasting, bewapening, industrie en massale gehoorzaamheid. De door hem voorspelde vreedzame constitutionele staat bleek niet het graf van het politieke middel, maar zijn modernste opstanding.

Toch maakt dat Oppenheimer niet waardeloos. Integendeel. Zijn analyse is sterker dan zijn hoop. Hij zag hoe macht zich organiseert. Hij zag hoe extractie institutioneel wordt. Hij zag hoe de staat niet alleen orde brengt, maar ook leeft van de middelen die hij aan anderen onttrekt.

Zijn fout was dat hij dacht dat het politieke middel historisch zou afsterven. Waarschijnlijker is dat het zich telkens opnieuw vermomt.

Van wet naar recht

De Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun trekt de lijn consequenter door. Zijn uitgangspunt is het fundamentele rechtsbeginsel: ieder mens is een soeverein rechtssubject. Ieder mens heeft het recht met het zijne te doen en te laten wat hij wil, en geen enkel mens heeft het recht over de middelen van een ander te beschikken zonder diens toestemming.

Dat klinkt eenvoudig. Maar de consequenties zijn vergaand.

Als geen mens zonder toestemming mag beschikken over het lichaam, de arbeid of de middelen van een ander, dan geldt dat ook voor mensen die zich organiseren als staat. De staat kan zich niet aan het recht onttrekken door zichzelf wetgever te noemen. Wet is niet automatisch recht.

Daar zit de scherpe kern:

Het probleem van de staat is niet dat hij soms verkeerde wetten maakt. Het probleem is dat hij de macht heeft toegeëigend om onrecht als wet te verklaren.

Die laatste stelling is voor veel mensen moeilijk te aanvaarden. Niet omdat zij het argument al weerlegd hebben, maar omdat het nauwelijks binnenkomt. Het schuurt te sterk tegen de wereld waarin zij zijn opgegroeid. De staat is er gewoon. Zoals de school er is, de dokter, de belastingdienst, de gemeente, de verzekering, de rechter, de politie, de wegen, de regels, de formulieren.

De vraag of men zich aan die orde wil onderwerpen, komt meestal niet eens op. Men leeft er al in.

Het is zo …

Ik moest daaraan denken bij het opnieuw zien van de documentaire Het is een schone dag geweest van Jos de Putter. De film volgt zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen, eenvoudige agrariërs, in het laatste jaar dat zij hun boerenbedrijf uitoefenen.

Het is een aangrijpende film, juist omdat zij nergens schreeuwt. Geen grote theorieën, geen ideologische aanklacht, geen sentimentele verheerlijking van het boerenleven. Je ziet mensen die leven in een wereld van werk, land, weer, dieren, lichaam, ritme en gewoonte.

Aan het eind zit de zoon met zijn vader aan de keukentafel. Een eenvoudige boerenkeuken. Geen armoede, maar basale soberheid. Een tafel, een TL-buis, een granieten gootsteen, een pomp. Een omgeving waarin “welstand” niet verschijnt als levensproject, maar als het feit dat men leeft, werkt, eet, slaapt en doorgaat.

De zoon vraagt wat voor zijn vader het meest opmerkelijke van het laatste jaar is geweest. De vader zwijgt. Je ziet hem denken: wat vraagt hij nu eigenlijk? Na een lange stilte zegt hij dat het de laatste tijd wel erg nat is geweest; “het heeft veel geregend”.

De zoon probeert het opnieuw. Hij bedoelt het persoonlijker. Hoe kijkt de vader terug op zijn eigen leven, op wat hij het afgelopen jaar gedaan heeft?

Weer stilte. Dan komt de reactie: “wat bedoel je? Het is zo!”. En daarna: hij vond het wel schoon. Hij deed het graag. “Altijd buiten, dat zegt ook wat.”

Dat moment is van een ontstellende helderheid.

Veel moderne intellectuelen, zeker sinds de jaren zestig, denken over het leven als iets dat men vormgeeft. Het leven is een project, een identiteit, een keuze, een expressie van autonomie. Men moet zichzelf ontplooien, zichzelf vinden, zichzelf bevrijden, zichzelf realiseren.

Maar grote groepen mensen leven niet in dat register. Zij ervaren hun bestaan niet primair als een filosofisch project van zelfbeschikking. Zij leven binnen gegeven verbanden: grond, werk, gezin, dorp, kerk, buurt, bedrijf, weer, gezondheid, pech, geluk, plicht. Hun leven is niet zonder betekenis, maar die betekenis hoeft niet voortdurend ge(her)formuleerd te worden.

Het is zo!

Die zin is niet dom. Hij kan zelfs wijs zijn. Maar hij toont ook iets fundamenteels: de meeste mensen leven niet in permanente reflectie op de vraag wie over hen mag beschikken. Zij leven in een wereld die als een gegeven verschijnt.

De vanzelfsprekendheid van macht

Daar ligt het aanknopingspunt voor ieder civilisatieproces.

Macht is het sterkst wanneer zij niet meer als keuze verschijnt, maar als vanzelfsprekende werkelijkheid.

Brute dwang is zichtbaar. Zij roept weerstand op. Wie met een knuppel binnenkomt en zegt “geef mij de helft van uw inkomen”, wordt herkend als rover. Maar wanneer dezelfde afdracht verloopt via loonstrook, aanslagbiljet, wetboek, verkiezing, begroting, publieke voorziening en morele taal, verschijnt zij anders. Dan wordt zij onderdeel van de orde.

Mensen zeggen niet: “ik onderwerp mij vrijwillig aan een systeem van fiscale extractie.” Zij zeggen: “belasting hoort erbij.”

Zij zeggen niet: “de staat beschikt over een deel van mijn arbeid.” Zij zeggen: “wij betalen samen voor de samenleving.”

Zij zeggen niet: “ik word bestuurd.” Zij zeggen: “zo werkt het nu eenmaal.” Het is zo!

Daarmee is het probleem niet opgelost. Het is juist verdiept. Want als mensen macht niet meer als macht ervaren, hoe kunnen zij haar dan nog beoordelen?

Hier ontstaat de merkwaardige lus. De staat presenteert zich als redder van chaos. Burgers leren chaos te vrezen boven staatsdwang. Kritiek op staatsdwang wordt vervolgens ervaren als verlangen naar chaos. En zo bevestigt de angst voor chaos opnieuw de legitimiteit van de staat.

Dat is geen gewone redenering meer, maar een geciviliseerde ervaringsstructuur. Toch betekent dit niet dat achter de staat steeds mensen schuilgaan die weten dat zij kwaad doen. Meestal is het tegendeel waar. Het kwaad komt zelden met een bordje “kwaad” binnen. Het komt als redding, herstel, veiligheid, rechtvaardigheid, vooruitgang of bescherming. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak middelen rechtvaardigen die hij bij zijn tegenstander onmiddellijk als onrecht zou herkennen. Wie zichzelf als booswicht ziet, overtuigt zelden anderen. Wie zichzelf als redder ziet, beschikt over een veel krachtiger taal.

Onze populaire cultuur helpt ons vaak niet om dit te begrijpen. In James Bond-films wil de slechterik de wereld overheersen en weet hij dat hij de slechterik is. Maar politieke macht werkt zelden zo eenvoudig. Zelfs de meest destructieve ideologieën presenteren zichzelf als goed, noodzakelijk en bevrijdend voor de groep namens wie zij spreken. Het probleem is daarom niet alleen kwade intentie. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak het onrecht civiliseren. De staat is zo overtuigend omdat hij zelden spreekt in de taal van macht, maar meestal in de taal van het goede.

Vrijwilligheid

Men kan natuurlijk zeggen: als iemand zich vrijwillig wil onderwerpen aan de regels van een staat, een kerk, een commune, een vereniging of een streng georganiseerde gemeenschap, dan is dat zijn goed recht. Wie uit vrije wil in een bepaalde orde wil leven, moet dat kunnen doen. Maar dan volgt onmiddellijk een grens: hij mag anderen niet dwingen hetzelfde te doen.

En uit vrije wil betekent in deze context ook: zonder gevolgen weer uit die orde kunnen stappen. Het onderdrukkende karakter van de staat begint daar waar men niet zonder gevolgen uit die orde van een staat kan stappen.

Het probleem is echter nog subtieler. Veel mensen onderwerpen zich niet bewust vrijwillig. Zij onderwerpen zich ook niet bewust onvrijwillig. De vraag van onderwerping of niet-onderwerping komt eenvoudigweg niet op.

Hun wereld is niet opgebouwd uit abstracte alternatieven. Zij ervaren zichzelf niet als soeverein rechtssubject dat op ieder moment principieel moet nadenken over toestemming, eigendom, beschikking en recht. Zij leven binnen een vanzelfsprekende ordening. Het is zo!

Zoals iemand geboren kan worden in een kaste en die het bestaan van die kaste kan ervaren als natuurlijk. Zoals iemand de dokter kan ervaren als ultieme autoriteit, niet als deskundige die ook bevraagd kan worden. Zoals iemand de staat kan ervaren als de instantie die er nu eenmaal is om orde, veiligheid en recht te waarborgen.

Daarom is Van Duns rechtsfilosofie zo moeilijk toegankelijk. Zijn centrale vraag — wie mag over wie beschikken? — is glashelder voor wie eenmaal in dat register denkt. Maar veel mensen leven niet in dat register. Zij begrijpen de probleemstelling nauwelijks, omdat de mogelijkheid van niet-onderwerping niet in hun ervaringswereld verschijnt.

Dat maakt hen niet minderwaardig. Het maakt hen menselijk. Zij hebben werk, zorgen, kinderen, gezondheid, schulden, verplichtingen, vreugde, verdriet. Zij willen niet iedere dag de grondslagen van het recht onderzoeken. Zij willen leven.

Maar juist daarom kunnen wereldhervormers, ideologen en bestuurders op die inertie parasiteren. Zij hoeven de bevolking niet voortdurend met argumenten te overtuigen. Zij hoeven veranderingen slechts te vertalen in woorden die passen bij de bestaande orde: bescherming, vooruitgang, zorg, veiligheid, rechtvaardigheid, noodzaak, afwenden van gevaar, algemeen belang. Daarom gaan burgers slaapwandelend oorlogen in. Het is nu eenmaal zo.

En dan laat men het over zich heen komen.

Zoals regen.

De arrogantie van de wereldverbeteraar

Daarom is Het is een schone dag geweest zo’n waardevolle film. Niet omdat hij een politieke stelling verkondigt, maar omdat hij ons herinnert aan het bestaan van mensen die niet leven in de verbeelding van de permanente zelfontwerper.

Wie arrogant voor iedereen de wereld denkt te kunnen verbeteren, zou eerst naar zulke mensen moeten kijken. Niet om hen te romantiseren, maar om zich te realiseren dat maatschappelijke hervormingen zelden neerdalen op burgers die in abstracties denken en over doorwrochte wereldbeelden beschikken. Zij dalen neer op mensen die gewoon hun leven leven.

De wereldverbeteraar denkt in systemen.
De gewone mens leeft in voor hen natuurlijke verbanden.

De wereldverbeteraar denkt in toekomst.
De gewone mens leeft in dag, seizoen, werk, lichaam en weer.

De wereldverbeteraar denkt: hoe maken wij de mens vrij?
De gewone mens denkt: het is wel erg nat geweest.

Wie dat belachelijk vindt, heeft niets begrepen.

Juist daar ligt de tragiek van politiek. Grote plannen worden ontworpen door mensen die in abstracties denken, en ondergaan door mensen die in werkelijkheid leven. Zij worden niet altijd met geweld onderworpen. Vaak worden zij langzaam meegenomen in een nieuwe vanzelfsprekendheid.

Terug naar het rijmpje

Daarom is het rijmpje bruikbaar, mits het niet als eindpunt wordt genomen.

De staat is ook bron van kwaad. Niet omdat elk kwaad altijd en alleen bij de staat begint, maar omdat de staat iets kan wat gewone mensen niet kunnen: hij kan onrecht de vorm geven van wet, bestuur, procedure en algemeen belang.

Dat is nog niet genoeg. Want de diepere vraag is waarom mensen dat onrecht meestal niet als onrecht ervaren.

Het antwoord ligt niet alleen in angst, propaganda of domheid. Het ligt in civilisatie: in het langzaam vormen van overtuigingen, gewoonten, woorden, instituties, opvattingen wat waar is, en gevoelens waardoor macht als normaal verschijnt.

De staat is niet alleen een apparaat van dwang. Hij is ook een producent van vanzelfsprekendheid.

En precies daarom is hij zo sterk.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding

AI wordt vaak voorgesteld als een wapen van elites tegen burgers. Maar die analyse is onvolledig. Vanuit Oppenheimers onderscheid tussen bovendanen en onderdanen laat dit artikel zien dat AI niet alleen een instrument van macht is, maar ook een werktuig waarmee gewone mensen toegang krijgen tot kennis, taal, analyse en organisatiekracht.

Dick H. Ahles

In de recente stroom berichten over kunstmatige intelligentie verschijnt regelmatig hetzelfde beeld: AI als instrument van controle. Een artikel op The Vigilant Fox met de titel “The mainstream media finally admit it: AI is a ‘weapon’ being used against you” is daarvan zomaar een willekeurig voorbeeld. De elite zou AI gebruiken om burgers te volgen, gedrag te sturen, informatie te filteren, arbeid te vervangen en de samenleving naar eigen inzicht te beheersen. Soms wordt dat in serieuze termen besproken. Vaak wordt het uitvergroot tot een nieuw apocalyptisch verhaal: AI als wapen tegen “jou”.

Dat laatste is te eenvoudig.

Natuurlijk kan AI tegen mensen worden ingezet. Iedere krachtige techniek kan tegen mensen worden ingezet. De boekdrukkunst kon worden gebruikt voor propaganda. Radio en televisie konden worden gebruikt voor massabeïnvloeding. Computers konden worden gebruikt voor bureaucratische controle. Internet kon worden gebruikt voor surveillance. AI vormt daarop geen uitzondering.

Maar er is een groot verschil tussen de nuchtere vaststelling dat AI als machtsinstrument kan worden gebruikt, en de ideologische bewering dat AI ontworpen is om de onderdaan te onderdrukken. Het eerste is een politiek filosofische analyse op basis van een (wetenschappelijke) beredenering. Het tweede is dramaturgie en per definitie onderdeel van de politieke positionering van een groep met bepaalde politieke opvattingen. Dat is waar het politieke proces over gaat, dus op zich geen probleem, want iedereen heeft het recht op zijn geloof en politieke overtuiging.

Wie alleen ideologisch kijkt naar wat bovendanen* met AI kunnen doen, mist de andere helft van de geschiedenis: wat onderdanen met AI kunnen doen.

1. Bovendanen en onderdanen

Franz Oppenheimer maakte in zijn analyse van de staat (Der Staat, 1909) een scherp onderscheid tussen het economische middel en het politieke middel. Het economische middel is productie, ruil, arbeid, handel: mensen voorzien in hun bestaan door zelf waarde te scheppen en vrijwillig met anderen te ruilen. Het politieke middel is toe-eigening: de ene groep leeft van de opbrengsten van een andere groep, niet door vrijwillige ruil, maar door macht, heffing, dwang of institutioneel voorrecht.

In die zin bestaat er in iedere politieke orde een spanning tussen bovendanen en onderdanen. De bovendanen vormen de laag die bestuurt, belast, reguleert, controleert en legitimeert. De onderdanen vormen de laag die produceert, betaalt, gehoorzaamt, zich aanpast en probeert binnen de gegeven orde ruimte te vinden. De verdeling in onder- en bovendanen is overigens niet een duidelijke streep door een samenleving. Over de top en de onderste laag is over het algemeen geen misverstand over.

Oppenheimers analyse is geen psychologische beschuldiging. Het betekent niet dat iedere bestuurder persoonlijk slecht is, of iedere onderdaan moreel zuiver. Het is een sociologische structuur. Wie boven zit, heeft van nature middelen nodig om boven te blijven. Wie onder zit, zoekt van nature middelen om minder afhankelijk te zijn.

Vanuit dat kader is het volstrekt voorspelbaar dat bovendanen AI ook voor het politieke middel zullen willen gebruiken. Daarvoor is geen samenzwering nodig. Het volgt uit hun (maatschappelijke) positie. Wat ze overigens niet ‘boven de wet’ plaats, ze blijven – zoals ieder individu – verantwoordelijk voor de effecten van hun handelen.

AI kan worden gebruikt voor toezicht, selectie, belastingheffing, risicoprofielen, censuur, gedragssturing, administratieve controle, propaganda, militaire planning en marktafscherming. Staten, grote bedrijven, veiligheidsdiensten, bureaucratieën en internationale instellingen zullen zulke mogelijkheden vanzelf onderzoeken. Niet omdat zij zich op een geheime avond in een kelder hebben voorgenomen de mensheid te knechten, maar omdat iedere machtsstructuur nieuwe middelen probeert in te passen in haar bestaande logica.

Dat is geen onthulling. Dat is geschiedenis.

2. De vergeten andere kant

Maar wie daar stopt, maakt een ernstige denkfout. Want vrijwel iedere grote technologische vernieuwing gaf niet alleen de macht nieuwe middelen, maar ondermijnde tegelijk een deel van haar monopolie.

De boekdrukkunst maakte propaganda mogelijk, maar brak ook het monopolie van kerkelijke en vorstelijke elites op tekst, uitleg en kennis. De Bijbel, pamfletten, kranten, wetenschappelijke werken en politieke traktaten konden zich verspreiden buiten de bestaande gezagskanalen om.

De krant kon door machthebbers worden gebruikt, maar gaf ook oppositie, emancipatiebewegingen en nieuwe politieke stromingen een stem. Radio en televisie konden de massa beïnvloeden, maar maakten ook gebeurtenissen zichtbaar die anders verborgen waren gebleven. Internet gaf staten en bedrijven nieuwe surveillancemiddelen, maar gaf individuen tegelijk publicatiemacht, netwerkvorming, kennisdeling en toegang tot bronnen.

Nieuwe technologie is dus zelden simpelweg een instrument van onderdrukking of bevrijding. Zij opent een strijdveld.

Bovendanen proberen haar te beheersen. Onderdanen proberen haar te gebruiken. Nieuwe groepen leren haar beter gebruiken dan oude elites. Daardoor verschuift macht. Soms worden onderdanen vrijer. Soms worden zij zelf nieuwe bovendanen. Emancipatie is zelden het einde van macht; vaak is zij een herschikking ervan.

Wie AI op voorhand afwijst, loopt het risico een krachtig werktuig van emancipatie uit handen te geven.

3. AI als ongekend werktuig van de onderdaan

Kunstmatige intelligentie past in deze lijn, maar met een bijzonder verschil. AI is niet alleen een transportmiddel, communicatiemiddel of productiemiddel. AI raakt direct aan taal, kennis, analyse, schrijven, programmeren, vertalen, ordenen en redeneren.

Daarmee komt een reeks vermogens beschikbaar die vroeger grotendeels afhankelijk was van opleiding, instituties, specialisten, redacties, juristen, adviseurs, programmeurs, onderzoekers en bureaucratische toegang.

Een individu met een computer en een AI-systeem kan vandaag teksten laten redigeren, juridische documenten laten uitleggen, beleidsstukken samenvatten, statistische redeneringen toetsen, code schrijven, brieven formuleren, bronnen vergelijken, vreemde talen lezen, sollicitaties voorbereiden, bestuursstukken ordenen, argumentaties aanscherpen en ingewikkelde onderwerpen toegankelijk maken.

Dat is geen kleinigheid. Dat is een machtsverschuiving.

Wie vroeger afhankelijk was van een expert, kan nu in elk geval een eerste oriëntatie krijgen. Wie moeite heeft met taal, kan zich beter uitdrukken. Wie geen dure adviseur kan betalen, kan toch een begin maken met analyse. Wie geen toegang heeft tot academische circuits, kan zich sneller inlezen. Wie tegen een bureaucratie moet opboksen, kan zijn brieven beter formuleren. Wie ideeën heeft maar worstelt met structuur, kan die ideeën scherper ordenen.

AI neemt de plaats van kennis niet simpelweg in. AI verlaagt de drempel tot kennisbewerking.

Dat is precies waarom de techniek politiek belangrijk is.

4. De onderdaan krijgt een denkwerktuig

De meeste technische hulpmiddelen vergroten één menselijk vermogen. De fiets vergroot mobiliteit. De telefoon vergroot communicatie. De drukpers vergroot verspreiding. De rekenmachine vergroot je rekenvaardigheid. De computer vergroot berekening en opslag. AI vergroot iets anders: het vermogen om taal, kennis en redenering te hanteren.

Dat maakt AI tot een bijzonder werktuig van de onderdaan.

Niet omdat AI vanzelf waarheid spreekt. Niet omdat AI geen fouten maakt. Niet omdat AI vrij is van bias. Niet omdat AI geen nieuwe afhankelijkheden schept. Maar omdat AI de toegang tot intellectuele arbeid weer verder democratiseert, in de letterlijke betekenis: geeft aan de gehele bevolking.

De onderdaan krijgt niet alleen informatie, maar hulp bij het verwerken van informatie. Niet alleen tekst, maar hulp bij formulering. Niet alleen data, maar hulp bij interpretatie. Niet alleen bronnen, maar hulp bij vergelijking. Niet alleen een leeg document, maar een gesprekspartner die kan meedenken, tegenspreken, structureren en verbeteren.

Daarmee tast AI bestaande poortwachters aan. Niet volledig. Niet onmiddellijk. Maar wel fundamenteel.

De schrijver zonder redacteur krijgt redactionele steun. De kleine ondernemer zonder staf krijgt administratieve en strategische hulp. De burger zonder jurist krijgt uitleg van juridische taal. De leerling zonder hoogopgeleide ouders krijgt extra uitleg. De dyslectische denker krijgt een taalprothese. De autodidact krijgt een gesprekspartner. De buitenstaander krijgt toegang tot vormen van ondersteuning die vroeger vaak aan instituties waren voorbehouden.

Dat is de bevrijdende mogelijkheid van AI. Maar de afkeer is vooral ingegeven door de overtuiging dat AI ‘slechts’ een onderdrukkend instrument is van de huidige macht en dus moet worden bestreden.

5. Waarom de strijd tegen AI de bovendanen kan helpen

Hier wordt de zaak paradoxaal. Veel kritiek op AI wordt gebracht als verzet tegen macht. AI zou in handen zijn van grote bedrijven, staten en elites. Dat is deels waar. Maar juist daarom is de vraag niet of AI moet worden tegengehouden. De vraag is wie toegang houdt tot AI.

Als AI zwaar wordt gereguleerd, gecertificeerd, juridisch dichtgetimmerd en alleen onder toezicht van grote instellingen mag worden ingezet, wie blijven er dan over als gebruikers?

Niet de gewone burger.
Niet de zelfstandige schrijver.
Niet de kleine uitgever.
Niet de lokale ondernemer.
Niet de kleine vereniging.
Niet de onafhankelijke onderzoeker.
Niet de onderdaan die zich wil oriënteren buiten de gevestigde kanalen.

Maar wel: staten, grote technologiebedrijven, universiteiten, consultancyfirma’s, defensie-industrie, verzekeraars, banken en gecertificeerde instellingen.

Met andere woorden: wie uit angst voor elitecontrole AI wil ‘dicht regelen’, loopt het risico precies die elite het monopolie op AI te geven.

Dat is niet nieuw. Iedere machtsstructuur probeert nieuwe techniek eerst te gebruiken, daarna te reguleren en uiteindelijk te monopoliseren. Soms gebeurt dat met openlijke dwang. Vaker gebeurt het met redelijke woorden: veiligheid, betrouwbaarheid, kwaliteit, bescherming, verantwoordelijkheid, maatschappelijke zorg.

Die woorden zijn niet per definitie vals. Veiligheid en betrouwbaarheid kunnen werkelijk van belangrijk zijn. Maar zij kunnen ook functioneren als toegangsdrempels. Wie aan alle eisen moet voldoen, heeft juristen, kapitaal en politieke toegang nodig. De onderdaan heeft die meestal niet.

Daarom kan anti-AI-politiek, hoe goed bedoeld ook, uitlopen op het tegendeel van wat zij zegt te willen: niet minder macht voor de bovendanen, maar meer.

6. Techniek bevrijdt nooit iedereen tegelijk

Het zou echter naïef zijn om AI simpelweg als bevrijdingstechniek te vieren. Geen enkele technologie bevrijdt iedereen tegelijk van vanzelf. Techniek vergroot de mogelijkheden van wie haar kan gebruiken, begrijpen, betalen of organiseren. Anderen blijven achter of worden afhankelijk van degenen die de techniek beter beheersen of in de positie komen hun ‘advies’ te moeten inroepen.

Ook de boekdrukkunst bevrijdde niet “het volk” als geheel. Zij gaf vooral nieuwe mogelijkheden aan wie kon lezen, schrijven, drukken, verspreiden en organiseren. Uit de onderdanen kwamen nieuwe groepen voort die de techniek beheersten en daardoor zelf invloedrijk werden: uitgevers, pamflettisten, geleerden, predikanten, journalisten, politieke organisatoren.

De oude macht werd niet simpelweg afgeschaft. Zij werd betwist, verplaatst en opnieuw opgebouwd.

Dat zal bij AI niet anders zijn. Wie AI goed leert gebruiken, krijgt een voordeel. Wie afhankelijk blijft van kant-en-klare antwoorden zonder zelf te leren beoordelen, kan juist kwetsbaarder worden. Wie geen toegang heeft tot goede systemen, blijft achter. Wie alleen gesloten en gemonopoliseerde AI mag gebruiken, wordt afhankelijk van de civilisatie die anderen daarin hebben ingebouwd.

De vraag is dus niet of AI vanzelf bevrijdt. Dat doet zij niet. De vraag is welke groepen AI leren gebruiken om minder afhankelijk te worden van bestaande machtsstructuren.

7. Van onderdaan naar nieuwe bovendaan

Iedere bevrijding heeft een onaangename bijwerking: zij schept nieuwe machtsposities.

Wie zich door techniek aan een oude orde ontworstelt, kan zelf drager worden van een nieuwe orde. De burgerij die zich ontwikkelde tegenover adel en kerk werd zelf een nieuwe machtslaag. De drukker, uitgever, journalist, partijorganisator, ondernemer en technicus waren niet alleen bevrijders, maar ook nieuwe poortwachters.

Dat is geen argument tegen bevrijding. Het is een waarschuwing tegen romantiek.

AI zal ook nieuwe bovendanen voortbrengen: mensen, bedrijven en groepen die deze technologie beter begrijpen, beter toepassen en beter integreren in hun handelen. Zij zullen sneller schrijven, beter analyseren, efficiënter organiseren, goedkoper produceren en overtuigender communiceren. Wie dat kan, krijgt invloed.

De oude elite zal proberen AI in te kapselen. Nieuwe elites zullen ontstaan uit degenen die AI creatief, strategisch en vrij weten te gebruiken. En veel mensen zullen tussen die twee krachten in proberen hun weg te vinden.

Ook dat is geen complot. Dat is de normale sociale evolutie zoals de hele mensheid daar een voorbeeld van is.

8. Open systemen, open strijd

Daarom is de politieke vraag niet of AI macht geeft. Natuurlijk geeft AI macht. De vraag is of die macht wordt geconcentreerd of verspreid.

Wordt AI een gesloten systeem van enkele grote bedrijven en staten? Of blijft er een veelheid aan modellen, toepassingen, gebruikersgemeenschappen en open alternatieven bestaan?

Wordt AI zo gereguleerd dat alleen grote instellingen eraan kunnen voldoen? Of blijft er ruimte voor burgers, kleine bedrijven, onderzoekers, schrijvers, scholen, verenigingen en lokale initiatieven?

Wordt AI geciviliseerd door één dominante normatieve orde? Of blijft er ruimte voor pluraliteit, concurrentie, afwijking en kritiek?

Dat zijn de politieke vragen die ertoe doen.

Want bias, misbruik en machtsconcentratie worden niet opgelost door één centrale instantie die bepaalt welke AI betrouwbaar is. Zij worden beter bestreden door pluraliteit: meerdere systemen, meerdere aanbieders, open kritiek, bronvergelijking, vrije en een open discussie, concurrentie en het recht en mogelijkheid om alternatieven te bouwen.

Een vrije samenleving heeft niet één officiële drukpers nodig. Zij heeft veel drukpersen nodig. Niet één krant, maar meerdere kranten. Niet één zoekmachine, maar alternatieven. Niet één AI-civilisatie, maar concurrerende vormen van kunstmatige intelligentie die elkaar kunnen corrigeren, uitdagen en verbeteren.

9. AI openhouden

De reflex om AI te wantrouwen is begrijpelijk. Nieuwe machtige techniek roept altijd angst op. En inderdaad: staten, bedrijven en elites zullen AI gebruiken om hun positie te versterken. Wie dat ontkent, begrijpt weinig van macht.

Maar wie daaruit concludeert dat AI vooral moet worden tegengehouden, begrijpt weinig van techniekgeschiedenis.

De betere vraag is niet: hoe stoppen we AI?
De betere vraag is: hoe houden we AI open?

Open voor zo veel mogelijk individuen. Open voor kleine spelers. Open voor kritiek. Open voor alternatieven. Open voor onderwijs. Open voor mensen die niet tot de gevestigde instellingen behoren. Open voor degenen die AI niet willen gebruiken als instrument van beheersing, maar als werktuig om beter te denken, te schrijven, te leren, te organiseren en zich te verdedigen tegen bureaucratie, propaganda en afhankelijkheid.

AI is dus niet eenvoudig het wapen van de elite. Zij is evenmin vanzelf het werktuig van bevrijding. Zij is een technologie die de strijd om macht opnieuw organiseert.

Wie haar alleen als gevaar ziet, ziet te weinig. Wie haar alleen als bevrijding ziet, ziet ook te weinig. De wezenlijke vraag is hoe deze nieuwe techniek bestaande afhankelijkheden herschikt, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te monopoliseren, en welke nieuwe vormen van vrijheid en macht daaruit ontstaan.

Dat is waar politiek een open samenleving over zou moeten gaan. In gesloten samenlevingen wordt dat de politiek van groepen die tegen de elites daarvoor ten strijden trekken.

Slot

Iedere technologische revolutie geeft de macht nieuwe middelen, maar ontneemt haar tegelijk een deel van haar monopolie.

Dat gold voor de boekdrukkunst. Dat gold voor de krant. Dat gold voor radio, televisie, computer en internet. En het zal waarschijnlijk ook gelden voor AI.

De bovendanen zullen AI gebruiken om te besturen, te controleren en te legitimeren. Dat is voorspelbaar. Maar de onderdanen beschikken met AI voor het eerst over een werktuig dat taal, kennis, analyse en organisatiekracht binnen handbereik brengt.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd tegen beheersing, maar ook een strijd om toegang. Niet alleen een strijd tegen misbruik, maar ook een strijd tegen monopolisering, inclusief de eventueel opgeworpen financiële barrières. Niet alleen een strijd om veiligheid, maar ook een strijd om vrijheid.

AI is een instrument van macht én een werktuig van bevrijding. Welke kant overheerst, staat niet op voorhand vast. Dat hangt af van wie haar mag gebruiken, wie haar mag bouwen, wie haar mag bekritiseren, en of er ruimte blijft voor de onderdaan om met nieuwe middelen zijn eigen positie te veranderen.

De menselijke geschiedenis laat zien dat zulke technologische omslagen zelden zonder strijd, sociale onrust en nieuwe vormen van onderdrukking verlopen. Maar zij laat ook zien dat samenlevingen uiteindelijk nieuwe evenwichten vinden. De vraag is dus niet of AI macht verandert, maar wie in die verandering toegang, vrijheid en tegenmacht weet te behouden.

Enkhuizen, 14 juni 2026

* Het begrip bovendanen, als tegenstelling tot onderdanen heb ik onder dankzegging overgenomen van Yvonne Killian.

AI en manipulatie door High Tech-bedrijven – een relativering

Het artikel op Frontnieuws, waarin politieke analyse wordt voorgesteld als doelwit van AI-vervalsingen, vertrekt vanuit een fundamenteel misverstand over hoe AI werkt én over wat uitgeven — ook in het AI-tijdperk — feitelijk is. Los van de vraag of men de ‘propaganda’ van uitgevers omarmt of afwijst: een waardevrije uitgever bestaat niet. Dat is een contradictio in terminis.

Dat misverstand betreft niet alleen het uitgeven, maar ook de werking van AI zelf. Een AI-reactie is geen autonome uitspraak over de werkelijkheid, maar een contextgebonden talige voortzetting: het antwoord hangt af van de formulering van de vraag, de voorafgaande interactie, de aannames die daarin besloten liggen én van de systeeminstructies en filters waarbinnen het model opereert.

AI produceert daarmee geen waarheidsoordelen, maar waarschijnlijkheden binnen een talig en institutioneel kader. Buiten dat kader is uit een antwoord niets te zeggen over juistheid, waarheid of adequaatheid. Wie AI-reacties los van hun gebruikerscontext én systeemcontext presenteert als bewijs van manipulatie, verwart de werking van AI met de interpretatie ervan — en introduceert daarmee zelf een vorm van vertekening.

De relevante vraag is daarom in hoeverre uitgevers hun intenties, normen en civilisatorische uitgangspunten expliciet maken — dat wil zeggen: het samenhangende geheel van overtuigingen, waarden en gedragsnormen waarbinnen zij betekenis geven of juist verhullen. Dáárover berichten en daarover discussiëren is zinvol.

Kader: Wat wordt hier bedoeld met ‘civilisatie’?

In deze tekst wordt civilisatie niet gebruikt in de alledaagse betekenis van ‘beschaving’ of ‘morele vooruitgang’. Het begrip verwijst hier naar:

het samenhangende geheel van overtuigingen, normen, waarden, taalgebruik en gedragsregels
waarbinnen mensen en instituties bepalen wat als waar, legitiem en aanvaardbaar geldt.

Civilisatie is daarmee geen eigenschap van individuen alleen, maar van systemen: samenlevingen, elites, instituties, media en ook uitgevers.

In deze betekenis sluit het begrip aan bij de civilisatietheorie van Norbert Elias, maar wordt het hier expliciet toegepast op informatieproductie en -distributie: wie publiceert, doet dat altijd binnen een civilisatorisch kader, bewust of onbewust.

Het proces van civiliseren wordt vaak opgevat als een kwestie van ‘normen en waarden’ en ‘gedragsregels’, en daarmee als iets anders dan het bewust verdraaien van de waarheid. Dat onderscheid is begrijpelijk, maar minder helder en neutraal dan het op het eerste gezicht lijkt. Ook wat als ‘vervalsing’ geldt, veronderstelt een vooraf gedeeld kader van waarheid, relevantie en legitimiteit. Precies dát kader is altijd civilisatorisch bepaald. Het punt is daarom niet dat waarheid er niet toe doet, maar dat claims over ‘waarheidsschending’ altijd worden gedaan vanuit een bepaald normatief en institutioneel perspectief — ook door wie meent daarboven te staan. Wie ‘vervalsing’ roept, claimt daarmee impliciet een gezaghebbende definitie van waarheid. Juist die claim verdient analyse, niet automatische instemming.

Ook Pepe Escobar is in dit artikel niet slechts waarnemer, maar uitgever: iemand die een boodschap overdraagt die onlosmakelijk verbonden is met zijn eigen civilisatorische kader. Het stuk bevat daarmee een klassieke strange loop in de zin van Douglas Hofstadter: het klaagt over beïnvloeding, terwijl het zelf precies dat (wil) doet.

Daarom hier enkele algemene, relativerende observaties:

1. Informatie is historisch altijd elitair geweest

In alle bekende beschavingen was de creatie, selectie en verspreiding van informatie voorbehouden aan elites: mensen met kennis, toegang, middelen én controle over distributiekanalen, vaak afgedwongen met machtsmiddelen. Dat is geen afwijking, maar de norm.

2. Grote technologische sprongen ‘democratiseren’ het uitgeven

Elke fundamentele communicatietechnologie doorbreekt tijdelijk die elitepositie:

  • Het schrift – informatie los van geheugen en stam
  • De boekdrukkunst – doorbreking van het monopolie van de intellectuele elite
  • Digitalisering, internet en sociale media – iedere consument zijn eigen uitgever
  • AI – iedere consument zijn eigen onderzoeker én effectieve verwoording

AI is hierin geen anomalie, maar een logisch vervolg.

3. Macht probeert altijd die democratisering te begrenzen

In alle perioden zie je dezelfde soort tegenkrachten:

  • Eigenaren van technologie (beperking van toegang via kapitaal en infrastructuur)
  • Eigenaren van informatie (monopolisering via copyrights en creëren van exclusieve platforms)
  • Overheden via regelgeving, censuur en normstelling

Dat gebeurt nu opnieuw. Niet verrassend, niet nieuw.

4. Uitgeven is per definitie normatief

Elke uitgever polijst zijn uitgave naar eigen morele, politieke en culturele opvattingen. Je kunt het vervalsingen noemen, en immoreel vinden, maar dat is geen misbruik, dat is uitgeven. Je kunt een andere uitgever dat niet verwijten. En de Hightechbedrijven zijn nu eenmaal de uitgevers van vele en belangrijke AI Chat diensten. Het enige werkzame correctiemechanisme is een onbeperkt speelveld van uitgaven, waarin botsende perspectieven elkaar neutraliseren.

Daarom is vrijheid van meningsuiting geen morele luxe, maar een epistemische noodzaak. Beperkingen van die vrijheid zegt altijd iets over de civilisatie van degene die beperkt.

5. Het nieuwe tijdperk is fundamenteel anders

Ja, grote instituties — multinationals, staten en platforms — hebben nog steeds enorme manipulatieve macht. Die macht geven wij hun bovendien deels zelf, door gebruik te blijven maken van hun infrastructuur of producten. Maar ze kunnen niet meer verhinderen dat individuen toegang hebben tot informatie en zelf publiceren, hoe hard ze het ook proberen.

Dat is de echte breuklijn van deze technologische revolutie.

En wie nu klaagt over “vals spel” door anderen, mist het punt. De technologie heeft het speelveld geopend en is onomkeerbaar. Dus gebruik je mogelijkheden. Ook als daar moed voor nodig is en soms ook het weerstaan van een onderdrukkende overheid. Niet klagen over de civilisatie van de ander, maar die van jezelf zichtbaar maken.

Wie dat niet doet, verliest. Niet door censuur — maar door irrelevantie.

https://www.frontnieuws.com/hoe-politieke-analyse-het-doelwit-werd-van-ai-vervalsingen

Tussen Zheng He’s vloot en Zubrin’s Mars-expeditie: wanneer heeft vooruitgang een keizer nodig?

Wat leren Zheng He’s ontdekkingsreizen ons over visie, macht en stagnatie — en hoe Zubrin’s droom van Mars ons herinnert aan de noodzaak van ambitie?”

Illustratie: Een schets van één van Zheng He schip met 12 zeilen. Deze tekening komt uit het kaartenboek van Mao Kun met de bespreking van Zheng He maritieme expeditie in de Indische oceaan.

Blik naar buiten richten

Wie grote sprongen voorwaarts wil maken, moet zijn blik naar buiten richten. Dat gold in de 15e eeuw net zo goed als nu. De Chinese admiraal Zheng He voer decennia vóór Columbus met honderden schepen over de Indische Oceaan en bereikte zelfs de oostkust van Afrika. Zijn expedities waren een demonstratie van macht, organisatievermogen en visionaire ambitie — mogelijk gemaakt door het centrale gezag van de Yongle-keizer.

Maar toen de keizer stierf en de bureaucratie de koers bepaalde, werden de schepen ontmanteld en de horizon gesloten. Het ooit zo vooruitstrevende China koos voor stilstand.

De Amerikaanse ingenieur en visionair Robert Zubrin gebruikt dit voorbeeld in zijn boek Entering Space (1999) als waarschuwing: beschavingen die hun exploratiegeest verliezen, verliezen ook hun dynamiek voor maatschappelijke vooruitgang. Vooruitgang vereist een horizon die voortdurend wordt verlegd.

Een paradox

De geschiedenis laat een intrigerende spanning zien. Grote ontdekkingsprojecten — van oceaanreizen tot maanprogramma’s — zijn meestal voortgekomen uit de ambities van gecentraliseerde machthebbers: keizers, koningen of presidenten die enorme middelen mobiliseerden voor doelen die grote delen van hun bevolking aanspraken.

Zonder Yongle geen Zheng He.
Zonder Kennedy geen Apollo.

Tegelijkertijd groeit vandaag het besef dat een duurzame, vrije samenleving niet gebaat is bij almachtige centra, maar juist bij soevereiniteit van autonome gemeenschappen en begrensde staatsmacht. We willen geen nieuwe keizers, maar misschien nog wél grote gezamenlijke ambities.

Coördinatie is iets anders dan centralisatie

De spanning tussen centrale ambitie en decentrale vrijheid lijkt onoplosbaar, maar dat hoeft niet zo te zijn. De geschiedenis biedt meer modellen dan alleen het keizerlijke of presidentiële.

Historisch voorbeeld: ondernemende steden

De Nederlandse zee-expansie in de 17e eeuw — via de VOC en de WIC — kwam voort uit stedelijke handelskringen en private compagnieën. Niet uit een prinselijk bevel, maar uit licenties verleend door de Staten-Generaal. De staat stelde de kaders, maar de ambitie en uitvoering kwamen van rijke en invloedrijke ondernemers in de samenleving zelf. Zij wilden het, zij organiseerden het, en zij financierden het grotendeels zelf.

Hedendaags voorbeeld: SpaceX en particuliere ambitie

Een hedendaags voorbeeld van dit model zien we in de ruimtevaart. Waar de Amerikaanse maanlanding in de jaren zestig nog een centraal staatsproject was, is de huidige Mars-ambitie van Elon Musk geheel particulier georganiseerd.
Met SpaceX ontwikkelt Musk raketten, infrastructuur en missies die voorheen alleen in handen van grootmachten waren. De staat (NASA) speelt hier niet de rol van regisseur, maar van klant en scheidsrechter. Dit toont aan dat horizonverruimende projecten in de 21e eeuw ook buiten het klassieke staatsmodel kunnen ontstaan: vanuit ondernemerschap, netwerken en kapitaalmarkten. Wat ooit alleen keizers konden, kunnen nu vrije actoren — mits er een stabiel juridisch kader is.

Ambitie is geen garantie op succes

En al deze voorbeelden betekenen natuurlijk niet dat er tussen het uitspreken van de ambitie en de uiteindelijke realisatie niets mis kan gaan. De ambitie kan achteraf te groot blijken, de politieke omstandigheden die het project mogelijk maakten kunnen veranderen, het geld kan opraken of de uitvoering laat technisch te wensen over.
Waar het om gaat, is dat zonder ambitie en het daadwerkelijk beginnen met de uitvoering ervan, geen vooruitgang mogelijk is. Er bestaat echter voor niemand een garantie op succes. Ook het Apollo-programma kende meerdere momenten waarop het jammerlijk had kunnen mislukken. En ook de VOC is uiteindelijk failliet gegaan.

Naar een samenleving van soevereine kringen

In een moderne context kan een samenleving die is opgebouwd uit soevereine kringen — culturele, wetenschappelijke, economische, religieuze — eveneens gezamenlijke horizonprojecten ontwikkelen. Niet door bevel, maar door vrije samenwerking binnen een stabiel juridisch kader. De staat is dan misschien wel de scheidsrechter bij conflicten, maar niet noodzakelijk de regisseur.

In dit blogartikel over Kuypers beginsel van ‘soevereiniteit in eigen kring’ leg ik deze gedachte verder uit. Het laat zien hoe een samenleving ambitieus kan blijven zonder autoritair te worden — en die ambitie is een cruciale voorwaarde voor elke toekomstgerichte beschaving.

Vooruitgang zonder keizer?

Zubrin’s waarschuwing blijft terecht: zonder horizonverruiming verdort een beschaving. Maar de les van Zheng He hoeft niet te zijn dat we een nieuwe keizer nodig hebben.

De les kan ook zijn dat we de structuur van ambitie moeten herdenken: hoe kunnen vrije, pluriforme gemeenschappen samenwerken aan grootse projecten — zoals ruimtevaart — zonder afhankelijk te zijn van één centrale macht?

De technologie van onze tijd maakt dat steeds realistischer. Netwerken, AI, open kennisstromen en decentrale organisaties creëren mogelijkheden voor coördinatie die Zheng He’s keizer nooit had kunnen dromen.

Slot

Tussen Zheng He en Mars ligt niet alleen een oceaan van tijd, maar ook een cruciale keuze:

Organiseren we onze ambitie top-down, of bouwen we een nieuwe architectuur waarin vrijheid en horizonverruiming elkaar versterken?

Het eerste bracht China tijdelijk grootheid en daarna stagnatie. Het tweede zou wel eens de sleutel kunnen zijn tot een beschaving die vrij én vooruitstrevend is — en dat is precies de keuze waarvoor wij vandaag staan.

David Attenborough, civilisatie en hoe wij (en AI?) denken?

.. naar aanleiding van Nigel Toon’s boek ¨How AI Think”

In zijn boek How AI Think (2024) onderzoekt Nigel Toon hoe kunstmatige intelligentie ons confronteert met vragen over menselijk denken, verantwoordelijkheid en waarheid. Anders dan veel auteurs die AI meteen koppelen aan doemscenario’s, kiest Toon voor een nuchtere benadering: laten we eerst begrijpen hoe AI werkt, voordat we ons zorgen maken over de toekomst van de mensheid en hoe we AI moeten controleren. Dat maakt zijn boek niet alleen leesbaar, maar ook zakelijk en informatief.

Maar hier wil ik het niet zozeer hebben over (zijn opvattingen) AI, maar over waarom hij op pagina 9 (isbn 9781804995976) de beroemde Britse bioloog en presentator David Attenborough aanhaalt, met het volgende citaat:

“The fact is that no species has ever had such wholesale control over everything on Earth, living or dead, as we now have: that lays upon us, whether we like it or not an awesome responsibility. In our hands now lies not only our own future but that of all other living creatures with whom we share the Earth.”

Een indrukwekkende uitspraak, die voor velen onmiddellijk resoneert. Toon citeert hem niet toevallig: Attenborough belichaamt een moreel kompas dat diep verankerd is in onze cultuur van verantwoordelijkheid en ecologisch bewustzijn – of beter gezegd: in onze civilisatie.

Wat ik bedoel met civilisatie

Civilisatie gebruik ik hier niet in de klassieke zin van “beschaving”, maar in een socio-psychologische betekenis, vergelijkbaar met hoe Norbert Elias erover schrijft in Über den Prozeß der Zivilisation. Civilisatie is het geheel van gedeelde overtuigingen, normen, waarden en gedragingen die mensen in een samenleving vanzelfsprekend vinden. Het bepaalt niet alleen hoe we ons gedragen, maar ook welke uitspraken we als “wijs” of “waar” ervaren.

Civilisatie en het instemmend knikje

Dat wij Attenborough’s woorden als verstandig beoordelen, komt dus niet door hun objectieve waarheid – hoewel we dat misschien zo ervaren – maar omdat ze passen binnen onze civilisatie. Waarheid is niet iets dat ergens verborgen ligt en door een selecte groep ontdekt kan worden. Waarheid is talig, en wordt waarheid doordat mensen het met elkaar delen en bevestigen.

Zolang ik mijn civilisatie met Attenborough deel, vind ik zijn woorden wijs. Maar als ik die waarden níet deel, klinkt de uitspraak hol en collectivistisch: een “wij” dat mijn overtuiging ondermijnt dat alleen een individu, vrij van dwang, kan bepalen wat goed en wijs is.

Botsende civilisaties als motor van verandering

Hier wordt zichtbaar hoe civilisatie in de praktijk werkt. Gedeelde waarden scheppen samenhang en veiligheid, verschillen veroorzaken juist wrijving en verzet. Zulke verschillen tussen intellectuele elites zijn vaak de motor achter maatschappelijke verandering – soms zelfs revoluties.

Het voorbeeld van Attenborough is op zichzelf onschuldig. Maar het laat wel zien dat wij uitspraken van autoriteiten beoordelen op basis van onze eigen civilisatie, en dat dit mechanisme evenzeer geldt in ons denken over AI. Wat voor de één wijs en noodzakelijk klinkt, kan voor de ander dwingend of bedreigend lijken.

En daar ligt de kern: Toon en Attenborough spreken vanuit een dominante intellectuele elite die hun civilisatie als algemeen geldig presenteert. Wie die waarden deelt, ervaart hun woorden als vanzelfsprekend en “waar”. Wie er een vraagteken bij zet, zet zichzelf buiten die civilisatie – en loopt risico mikpunt te worden van hoon, uitsluiting of erger. Zo wapenen heersende civilisaties zich tegen afwijking en mogelijke omverwerping van hun normen en waarden. Dat is uiteindelijk waar de strijd tussen ideologieën altijd om draait.

Maar er is nog iets meer te zeggen over de uitspraak van Attenborough.

Want wie bepaalt eigenlijk wat “our future” is? En wie zijn dan “we” met wie we onze aarde delen — werkelijk iedereen, of vooral Attenborough en de intellectuele elite die de macht heeft om dit te definiëren? Nog fundamenteler: waarom zou de macht die wij als menselijke soort toevallig hebben, automatisch een verantwoordelijkheid scheppen? Vanuit een strikt evolutionair perspectief zijn wij slechts een eindproduct van een blind proces, zonder schepper die ons een taak heeft opgelegd.

Attenborough’s formulering is dus niet neutraal. Ze draagt een impliciet religieus-politiek standpunt in zich, waarin de mens als rentmeester van de schepping wordt aangesproken. Precies dat maakt zijn uitspraak óók een mooi voorbeeld van hoe civilisatie werkt: wat gepresenteerd wordt als algemene waarheid, blijkt in werkelijkheid ingebed in de overtuigingen en waarden van een elite die meent te weten wat goed is voor ons allemaal.

Dat de uitspraak niet neutraal is, hoeft op zichzelf geen probleem te zijn — ieder mens heeft recht op zijn eigen waarden en waarheden. Mijn bezwaar is dat Attenborough haar formuleert alsof het een universeel, politiek onbeladen standpunt zou zijn, vanzelfsprekend voor iedereen die tot een zekere beschaving behoort.

Een laatste nuancering

Als ik zeg dat waarheid niet in een kluis van de bank van de waarheid ligt waar een autoriteit ons de sleutel van kan geven en wij toegang toe hebben om de waarheid geopenbaard te krijgen, bedoel ik níet dat waarheid daarom willekeurig of relatief zou zijn. Niet alle waarheden zijn gelijkwaardig. Waarheid doet er toe. Galileo werd niet terecht vervolgd door de inquisitie; Einstein’s correcties op Newton hebben ons kernenergie en ruimtevaart gebracht. En ieder onschuldig verdachte in een strafzaak hoopt dat de waarheid boven tafel komt.

Waarheid kan dus niet worden gecertificeerd, maar ze kan wél rationeel worden gezocht, getoetst en verbeterd. Dat gebeurt via een open, voortdurende discussie, waarin we elkaar uitdagen en ons eigen gelijk durven ontmaskeren met tegenbewijzen. Dit proces – dat Karl Popper beschreef als falsificatie – is de enige betrouwbare methode om stap voor stap dichter bij een beter begrip van de werkelijkheid te komen. Dat maakt de zoektocht naar waarheid niet alleen nuttig en nodig, maar de motor achter iedere vorm van vooruitgang en menselijk geluk.

En daarom maakt ook de zoektocht naar de waarheid onvermijdelijk deel uit van wat we het politieke en ideologische proces noemen.

“Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog! – beoordeel politici op wat ze doen, niet op wat ze zeggen

“Beoordeel politici niet op wat zij zeggen, maar op wat zij doen;
woorden kunnen liegen, daden niet.”

“Beoordeel politici niet op wat zij zeggen, maar op wat zij doen;
woorden kunnen liegen, daden niet.”

De politici overleven door te liegen, te rationaliseren en hun ware intenties te verhullen achter slogans. Wie echt wil weten waar een leider voor staat, moet kijken naar wat hij doet, niet naar wat hij zegt.

Dat geldt in alle samenlevingen en voor alle leidende leden van de elite. Vaak zijn dat politici, maar ook hoge ambtenaren, rechters, universitaire docenten en invloedrijke journalisten maken deel uit van deze bestuurlijke bovenlaag. In iedere samenleving is hun gedrag uiteindelijk gericht op het consolideren van de eigen positie. Dat is geen kwestie van kwaadaardige intenties, maar een onvermijdelijk menselijk patroon: het beschermen van het eigen belang.

Binnen die elite verschillen individuen in hoe zij dat doen. De doorslaggevende factor is hun persoonlijkheidsstructuur — met name de balans tussen egocentrisme en zorgzaamheid. Een zorgzamer elite lid zal eerder rekening houden met de belangen van onderdanen, maar ook dan blijft zelfbehoud de dominante drijfveer. Alleen wie zijn eigen positie beschermt, beschikt over de middelen om zorgzaam te kúnnen zijn.

Persoonlijkheidskenmerken maken deel uit van ieders individuele civilisatie. Omdat samenlevingen altijd worden gevormd rond gedeelde elementen uit die persoonlijke civilisaties, kan ook het collectieve waardestelsel — de civilisatie — worden getypeerd als meer egocentrisch of meer zorgzaam. Een verlichte vorst kan bijvoorbeeld een zorgzame houding tot kern van zijn civilisatie maken, en die via opvoeding, instituties en symbolen doorgeven aan de bevolking, die dan ook daadwerkelijk de mening zal aanhangen dat die vorst voor hem zal zorgen!
Dit sluit aan bij wat Norbert Elias beschreef: het proces waarbij onderdanen het waardestelsel, gedragingen en opvattingen van hun leiders overnemen. Zo ontstaat samenhang en broederschap in iedere samenleving, en de acceptatie van de elite als leidinggevende groep.

Maar civilisatie gaat niet alleen over gedrag; het omvat ook hoe mensen horen te denken. Die twee hoeven niet synchroon te lopen. Een elite kan in handelen agressief zijn, maar zichzelf in taal neerzetten als vredelievend. Via onderwijs, rituelen en propaganda wordt dat zelfbeeld bij onderdanen ingeprent, zodat zij hun leiders oprecht als vredelievend zien.

Het instrument om deze kloof te overbruggen is steeds hetzelfde: liegen en rationaliseren.

  • Liegen: bewust een beeld scheppen dat niet strookt met de werkelijkheid, maar daardoor opeens wel een een bewijs zijn voor de ‘waarheid’ die men graag als politiek leider wil – voor het welzijn van het volk – wil promoten. Dus een leugentje om bestwil uiteraard
  • Rationaliseren: handelingen voorzien van verklaringen die ze laten passen in het officiële narratief, vaak verpakt in slogans

Politieke geschiedenis staat vol van zulke rationalisaties. “Wij, de vrije landen van het Westen” zegt niets over de feitelijke vrijheid in die landen, maar wordt als axioma eindeloos herhaald. Of: “Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog” — een rechtvaardiging van oorlogszuchtig beleid, verpakt als oprechte vredeswil. Vaak komt daar nog de geruststellende toevoeging bij: “Wij moeten dit doen om u, de burgers, te beschermen”. Het is een beproefd narratief: het presenteert agressief of expansief handelen als een noodzakelijke daad van zorg, waardoor het in de collectieve verbeelding een moreel legitieme plaats krijgt.

In het proces van civilisatie hebben zulke rationalisaties een bijzondere kracht. Ze worden niet slechts herhaald in speeches of krantenkoppen, maar verankerd in onderwijs, rituelen, nationale feestdagen en symbolen. Een slogan kan zo overgaan van tijdelijke politieke rechtvaardiging naar een onbetwiste “waarheid” in het collectieve bewustzijn. Generaties later kan de oorspronkelijke context vergeten zijn, terwijl de leus zelf — en de ermee verbonden morele lading — onaangetast voortleeft.

Uit de aard der zaak vinden wij onze eigen waardestelsel, verankerd in onze civilisatie, vanzelfsprekend superieur aan die van andere groepen en samenlevingen. Precies daarom hangen we ze ook aan. Over die verschillen kan — en moet — discussie worden gevoerd, zowel over de moraliteit als over de juistheid van uiteenlopende civilisaties, binnen en tussen samenlevingen. Daar gáát politiek uiteindelijk over. Alleen in samenlevingen waar zo’n debat niet alleen is toegestaan, maar actief wordt aangemoedigd, kan sprake zijn van een open samenleving waarin individuen uiteindelijk zelf hun lot bepalen.

Maar zelfs in open samenlevingen is men niet immuun voor de werking van politieke rationalisaties. Juist de normen en waarden die wij als superieur beschouwen, kunnen door elites worden gebruikt als fundament voor slogans en narratieven die hun positie versterken. Wanneer deze verhalen vaak genoeg worden herhaald en ingebed in onderwijs, rituelen en symbolen, ontstaan overtuigingen die niet langer als opinie worden ervaren, maar als onbetwiste waarheid bij grote delen van de burgers.

Daarmee worden deze rationalisaties onderdeel van de gedeelde mentale infrastructuur van een samenleving: een civiel axioma dat zelden ter discussie staat. Juist omdat het is ingebed in de taal, in het zelfbeeld van de natie en in de morele code van het collectief, wordt het moeilijk om gedrag van de elite nog te toetsen aan de feitelijke werkelijkheid. Wat ooit begon als een strategische rechtvaardiging voor een concreet besluit, transformeert tot een permanent ankerpunt in de civilisatie.

En precies daar ligt het gevaar: wie de woorden van de elite als vanzelfsprekend aanneemt, verliest het zicht op de daden waar die woorden zich toe verhouden. Daarom is de enige betrouwbare maatstaf voor politieke beoordeling — toen en nu — om elites en politici te beoordelen op wat ze daadwerkelijk doen, ontdaan van de verhalen die zij eromheen weven.

De vraag blijft dan: hoeveel van wat wij vandaag als vanzelfsprekend aannemen, is in werkelijkheid slechts het overblijfsel van een oude rationalisatie? En hoeveel van ons beeld van “onze” leiders is gevormd door wat zij ons hebben laten denken, in plaats van door wat zij werkelijk deden? Misschien is het tijd om dat verschil scherper te zien — en zo ongewenste maatschappelijke doelstellingen beter te bestrijden.

En bedenk dat, als u succesvol bent in het bestrijden van die ongewenste doelstellingen en zelf deel gaat uitmaken van de nieuwe elite — mogelijk zelfs als haar politieke vertegenwoordiging — u óók uw belangen zult beschermen en het nieuwe narratief zult laten beklijven, desnoods door te liegen en uw daden te rationaliseren

De breuk in het narratief: Israël, Gaza en het falen van de westerse civilisatiecode

Een recent artikel op MEMO – Middle East Monitor, draagt een opvallende titel: Israel is kaput – defeated with its PR hopelessly ruined. Of deze analyse op alle punten klopt, laat ik hier in het midden — wensdenken als analyse is altijd een risico. Toch is de observatie belangrijk: niet de militaire uitkomst, maar het symbolische gezag van Israël – en daarmee dat van zijn bondgenoten – lijkt in rap tempo te verdampen.

Civilisatie en het narratief van de elite

Binnen mijn theorie van civilisatie — het proces waarbij elites hun ideologische kader via cultuur, media en instituties opdringen (of: civiliseren) aan een bredere bevolking — is zo’n narratiefbreuk cruciaal. Revolutie, ook vreedzaam en ideologisch, ontstaat niet door demonstraties of moties alleen, maar altijd wanneer de elite haar eigen verhaal verliest. En dat lijkt hier te gebeuren.

Het kantelpunt was niet de vlaggen uit de ramen van jongeren in Amsterdam-West, maar het moment waarop de kranten van de elite – hun eigen clubbladen – de verschrikkingen in Gaza niet langer konden negeren. Toen NRC, de Volkskrant en zelfs de NOS beelden, verhalen en kritiek begonnen te publiceren die haaks stonden op het vertrouwde narratief (“Israël verdedigt zich tegen terreur!”), was dat een signaal dat de eenheid binnen de civilisatiecode begon te barsten.

Geen complot, maar gedeelde ideologie

Veel mensen denken nog steeds dat de elite de media ‘controleert’. Dat is een misvatting. In werkelijkheid delen elite en media doorgaans dezelfde civilisatie: dezelfde normen, waarden en morele reflexen. Daarom lijkt het alsof de media ‘meedoen’ aan een strategie — maar in feite maken zij deel uit van het ideologische zelfbewustzijn van de heersende elite.

Juist daarom is het zo betekenisvol als er in die kring zelf barsten ontstaan. Gaza is zo’n breekpunt. Oekraïne is dat (nog) niet — daar is het gekozen narratief nog intact. Maar zodra de media die door elites worden geloofd, iets anders gaan vertellen dan het officiële verhaal, valt het gezag van dat narratief weg. En gezag is – in geciviliseerde samenlevingen – de echte bron van macht.

De marxistische onderlaag

Een interessante complicerende factor is dat veel invloedrijke journalisten afkomstig zijn uit de culturele traditie van links, marxisme of sociaal-progressief denken — tegenwoordig de dominante ideologie op de universiteiten en hogescholen waar de aankomende elite wordt gevormd. Vooral bij opleidingen als journalistiek en politicologie is dit gedachtegoed prominent aanwezig.

Deze traditie ziet zichzelf, in de beste romantische zin, als hoeder van de onderdrukten. Binnen die morele logica is Israël – als technologisch geavanceerde militaire macht – de onderdrukker geworden, en Gaza de onderdrukte. Daarmee keert het morele kompas zich tegen de klassieke pro-Israël-lijn.

Wat we hier zien, is dus niet zomaar medialogica of sentiment, maar een botsing binnen de heersende civilisatie zelf. In de VS zal dit kunnen leiden tot een explosieve ideologische strijd (burgeroorlog?), zeker omdat daar ook het religieuze narratief meespeelt: pro-Israëlische evangelicals versus progressieve universalisten. Mogelijk effect: de aandacht voor Oekraïne of zelfs China verschuift naar de achtergrond.

En wat komt daarna?

Het meest zorgwekkende is misschien dit: we lijken op een kruispunt van ideologieën te staan, maar een coherente nieuwe richting ontbreekt. En dat terwijl de wereld zich razendsnel ontwikkelt. De bio-cybernetische revolutie – waaronder de komst van AI – maakt de burger steeds minder afhankelijk van de elite. Die elite had haar machtspositie immers altijd te danken aan de monopolisering van informatie én een voorsprong in cognitieve vermogens. Maar dat verschil vervlakt snel. De burger wordt soevereiner dan ooit.

Het klassieke, romantisch-marxistische wereldbeeld is bezig zijn greep te verliezen. Maar wat komt ervoor in de plaats?

  • China is te autoritair om voor westerlingen aantrekkelijk te zijn.
  • Rusland is conservatief en mist universele aantrekkingskracht.
  • Een nieuwe progressieve ideologie – gebaseerd op vrijheid, kennis, vooruitgang en burgerlijke autonomie – is nog niet geformuleerd.

Zolang deze leegte niet wordt opgevuld, zal de burgerbevolking terugvallen op oude reflexen. In Europa betekent dat voorlopig: steun voor Israël in grote lage van de bevolking, zeker zolang islamitische immigratie als culturele bedreiging wordt ervaren. Politiek blijft het dus nog wel even een ideologisch rommeltje.


Slotgedachte

Als civilisatie de werkelijke motor is achter maatschappelijke orde, dan is ideologische desintegratie het begin van de crisis. Niet de tanks, niet de verkiezingen, maar het verlies van geloofwaardig gezag maakt het verschil. En dat begint — zoals zo vaak — in de collegebanken en bij de media van de elite.

Waarom AI-agents nooit neutraal kunnen zijn: bias is geen fout, maar een keuze die onvermijdelijk gemaakt moet worden

Het is inmiddels een genre op zich: slimme gebruikers die proberen aan te tonen dat AI-systemen “biased” zijn. Ze stellen vragen over bijvoorbeeld Israël, genocide, Trump, Oekraïne of de Chinese overheid — en laten dan triomfantelijk zien hoe de AI antwoorden geeft vanuit een westers, links-liberaal of juist staatsgecontroleerd perspectief. Of beter nog: dat het systeem de discussie helemaal weigert aan te gaan. En dus klinkt het verwijt: “Zie je wel? Het systeem onderdrukt andere opvattingen! Schande.”

Maar laten we even uitzoomen. Wat verwachten deze critici precies? Dat een AI ook vrijelijk moet meewerken aan álle denkbare vragen — ook als die gaan over geweld, onderdrukking of strafbare daden? Dat ChatGPT of GROK bereid moet zijn om te helpen bij het plannen van een aanslag, een verkrachting of een kindermisbruiknetwerk? Waar trek je dan de grens?

Waarom is het voor sommige gebruikers onverdraaglijk dat een AI zich niet uitlaat over “het morele falen van de Palestijnse zaak”, terwijl het volstrekt vanzelfsprekend wordt gevonden dat een AI weigert te helpen bij het ombrengen van — zeg — Poetin of Trump?

De waarheid is ongemakkelijker: élke uitgever van een AI-agent — of het nu OpenAI, Google of xAI is — stelt grenzen. En dat hoort ook zo; het is hun taak als uitgever. Zodra taal moreel geladen is — en dat is vrijwel altijd het geval — wordt ook het systeem dat daarop werkt normatief. Er bestaat geen neutrale taal, geen neutrale techniek. Alleen uitgevers die bewust kiezen welk mensbeeld ze wél of níét willen laten doorwerken. Dat is geen fout in het systeem, maar een fundamenteel kenmerk van wat we civilisatie noemen.

Daarom is het hypocriet als critici deze morele grenzen alleen veroordelen wanneer hún voorkeur wordt geraakt. Zolang ze die morele infrastructuur niet onderkennen — en niet willen plaatsen binnen een bredere theorie over hoe samenlevingen morele grenzen trekken — bedrijven ze geen inhoudelijke kritiek, maar machtspolitiek. Alsof ze zeggen: “Bias is fout — behalve als het mijn bias is.”

In een gezonde, open samenleving bestaat er ruimte voor meerdere AI-agents naast elkaar — in concurrentie, met verschillende profielen. Gebruikers kiezen dan voor het systeem dat aansluit bij hun opvattingen en waarden. Net zoals we dat kennen van kranten met een verschillende politieke kleur, of van nieuwszenders met een herkenbare morele en politiek profiel.

En nee, dat betekent niet dat we moeten stoppen met debatteren over goed en fout. Natuurlijk bestaan er goede en slechte mensen, ideeën, standpunten, meningen en oordelen. Maar de enige manier om daar samen uit te komen, is via een open, vreedzame dialoog. Een dialoog die alleen mogelijk is als we elkaars overtuigingen en meningen — hoe extreem ze ons ook voorkomen — eerst erkennen als bestaanbaar. Niet om ze goed te keuren, maar om ze bespreekbaar te maken. Niemand heeft het recht zijn normatieve overtuiging of gedrag aan een ander op te leggen — ook niet via techniek.

En ja, en uiteraard: grote publieke AI-platforms hebben de plicht om hun grenzen en moderatieregels openbaar te maken. Als je de dialoog noodzakelijkerwijze inkadert, moet je ook transparant zijn over op basis waarvan. Want zonder die openheid weet de gebruiker niet aan wie — of aan wat — hij zich eigenlijk toevertrouwt.

Wat AI al kan – en wat wij daar zo moeilijk aan vinden

1. Inleiding

Het is van alle tijden: grote technologische veranderingen roepen onrust op. Mensen vrezen voor hun baan, verdwijnende beroepen, of het moeten aanleren van nieuwe vaardigheden — en vragen zich af: kan ik dat nog wel? Of eerlijker: wil ik dat eigenlijk wel?

Vervolgens verschijnen, haast voorspelbaar, de profeten en predikers. Ze waarschuwen voor ontwrichting, voor verlies van controle, voor moreel verval. Chaos, wanorde, en “het einde van onze beschaving” — het hoort bij elke technologische sprong.

Een van de meer extreme stemmen is die van Yvonne Hofstetter, die in haar boek Das Ende der Demokratie stelt dat AI op een dag de macht van de mens zal overnemen. Wat we ons daar precies bij moeten voorstellen blijft vaag — behalve dan dat de democratie ophoudt. Hoezo? Dramatisch? Zeker. Maar het leest makkelijk, en vindt gretig gehoor bij wie bang is voor de maatschappelijke veranderingen die AI ongetwijfeld zal uitlokken.

Toch is er iets opvallends aan deze patronen van angst: de voorspellingen komen zelden uit. Integendeel. Elke grote technologische sprong heeft de mens uiteindelijk vrijer en zelfstandiger gemaakt. En per saldo levert het vaak meer nieuwe banen op dan dat er verdwijnen. In het boek Geen Paniek van mijn vriend Ben Rogmans staan daar prachtige voorbeelden van.

Wat wél telkens gebeurt, is dit: zodra een nieuwe technologie zich aandient, zien overheden en gevestigde belangen hun kans schoon. Onder het mom van ‘algemeen belang’ en ‘bescherming van de zwakken’ worden wetten opgetuigd, regels gestapeld, extra belastingen ingevoerd. En uiteraard: voorrechten toegekend aan enkele spelers om de technologie in de praktijk exclusief te mogen exploiteren.

Met AI zal het niet anders gaan.

2. De gewoonte om AI met zorgen te omkleden

Wie tegenwoordig een boek of essay over kunstmatige intelligentie openslaat, kan er bijna op rekenen: ergens volgt een opsomming van zorgen. De techniek is indrukwekkend, de toepassingen veelbelovend — maar dan komen toch weer de gevaren, de risico’s, de ethische kanttekeningen. Alsof een bespreking van AI niet compleet is zonder waarschuwende woorden. Dat is de norm geworden. Niet als verplicht ritueel, maar als vanzelfsprekende reflex.

Neem het boek van Melanie Mitchell: Artificial Intelligence — A Guide for Thinking Humans. Een uitstekend werk, helder geschreven, informatief en doordacht. Mitchell weet waar ze over praat, kent de beperkingen van AI van binnenuit, en heeft zelf inhoudelijke bijdragen geleverd aan het vakgebied. Maar in het laatste hoofdstuk volgen toch weer de vertrouwde vragen:

  • “Will AI result in massive unemployment?”,
  • “Could a computer be creative?”,
  • “How terrified should we be about AI?”

Het is alsof de lezer gerustgesteld moet worden dat de auteur, hoe genuanceerd ook, toch bezorgd is. Alsof je pas een serieuze AI-kenner bent als je op z’n minst ruimte laat voor existentiële twijfel.

Mitchell citeert ook anderen, zoals Sendhil Mullainathan, die in een interview met Jaron Lanier zegt:

“We should be afraid. Not of intelligent machines. But of machines making decisions that they do not have the intelligence to make…”
(Edge.org, 2014)

Het klinkt onheilspellend, maar de uitspraak is ook verwarrend. Wat betekent het precies dat een machine “geen intelligentie” heeft om een beslissing te nemen? En belangrijker: wie beslist dat dan? Wie bepaalt wanneer een beslissing dom genoeg is om in te grijpen? Wie mag “de stekker eruit trekken”?

En vooral: waarom stellen we kennelijk die vraag uitsluitend bij machines?

We weten dat ook mensen dagelijks beslissingen nemen zonder inzicht, zonder overweging, zonder redelijkheid. Toch stellen we daar zelden fundamentele vragen bij. Blijkbaar accepteren we niet-intelligente keuzes van mensen als onvermijdelijk, maar beschouwen we diezelfde fout bij een machine als bewijs dat het systeem faalt.

3. De mythe van menselijke exclusiviteit

De echte reden dat zoveel mensen moeite hebben met AI, is minder technisch dan psychologisch: het idee dat iets intelligents voortkomt uit dode chips en saaie code botst met ons zelfbeeld. Intelligentie — dat zijn wij. Bewustzijn, inzicht, creativiteit — dat is wat ons mens maakt. Dat laat zich toch niet nabouwen?

Maar dat idee berust op een misvatting. Zoals Daniel Dennett overtuigend laat zien in From Bacteria to Bach and Back, is intelligentie geen mystieke eigenschap, en al helemaal geen exclusief menselijk wonder. Ook Douglas Hofstadter, in Gödel, Escher, Bach, laat zien hoe eenvoudige formele systemen complexe, zelfs creatieve uitkomsten kunnen voortbrengen. Intelligentie is niet gebonden aan koolstof, net zomin als muziek alleen uit een viool kan komen.

Het gaat niet om het materiaal — maar om de organisatie. Een systeem dat signalen kan verwerken, interpreteren, combineren en toepassen op een doelgerichte manier, kan intelligent gedrag vertonen. Of dat systeem nu bestaat uit neuronen of uit silicium maakt principieel niet uit.

Toch is die gedachte voor veel mensen moeilijk te verteren. Alsof het een vorm van heiligschennis is om toe te geven dat iets zonder ziel, lichaam of emotie tóch iets slims kan doen. Dat is niet vreemd — het raakt aan iets diepers: onze behoefte om onszelf bijzonder te blijven vinden.

5. Alsof bewustzijn een voorwaarde is voor intelligentie

In het verlengde van die menselijke zelfverheffing komt de volgende stap: de overtuiging dat AI niet écht intelligent kan zijn, omdat het geen zelfbewustzijn heeft. Het ‘weet’ niet wat het zegt, het ‘voelt’ niets, het ‘bedoelt’ niets. En dus — zo luidt de redenering — kan het ook geen werkelijke intelligentie bezitten.

Maar laten we eerlijk zijn: ook mensen doen het grootste deel van de tijd slimme dingen zonder bewust na te denken. Veel van ons gedrag — van taalgebruik tot sociale interactie — verloopt automatisch, intuïtief, zonder dat we er een “bewust idee” van hebben. En ook dáárin schuilt vaak onze kracht.

Toch blijft de mythe overeind dat bewustzijn, zelfkennis en bedoelingen onmisbare voorwaarden zijn voor intelligentie. En dan komt vaak de claim: AI heeft geen common sense. Klopt. Maar wat bedoelen we daar precies mee?

Vaak blijkt “common sense” een verzamelnaam te zijn voor alledaagse kennis die we zelf ook zelden expliciet benoemen. Het is lastig te definiëren, moeilijk te programmeren, en juist daardoor een glibberig argument: zolang AI het niet heeft, wordt het als tekort bestempeld; als het het wél vertoont, dan was het blijkbaar toch niet écht “common”.

We lijken pas tevreden als AI zich gedraagt als een mens — maar dan wel als een ideale mens: scherp, voorzichtig, moreel betrouwbaar én emotioneel afgestemd. Pas als AI ons overtreft in menselijkheid, willen we haar intelligentie erkennen — maar dan vinden we het juist weer bedreigend.

6. Van kritiek naar vooruitgang: laat de gebruiker spreken

Het is opvallend hoe weinig waarde wordt gehecht aan de ervaring van de gewone gebruiker. Terwijl talloze mensen AI inmiddels inzetten om te schrijven, ordenen, samenvatten, plannen, ontwerpen, coderen en leren — blijft de publieke discussie vaak steken in de vraag wat AI allemaal nog niet kan. Dat is een sluwe manier om de technologie klein te houden: zolang je de lat telkens verlegt naar wat AI nog niet kan, hoef je nooit te erkennen wat het al wel doet.

Ook de eerste auto’s waren verre van perfect. Ze maakten lawaai, gingen stuk, en werkten alleen op goede wegen. Maar niemand zei daarom dat het idee van de auto als zodanig waardeloos was. Toch worden de beperkingen van AI vaak op exact die manier ingezet: alsof een auto die keurig van A naar B rijdt niets waard is, puur omdat hij niet kan vliegen.

Met die logica wordt AI voortdurend neergesabeld: het geeft niet altijd het juiste antwoord, het mist context, het is niet creatief genoeg. Terwijl het in werkelijkheid juist een indrukwekkend hulpmiddel is — een denkmachine — die ons helpt om sneller, slimmer, en soms zelfs beter te denken.

Juist de mensen die ermee werken, zien dat. Niet in theorie, maar in de praktijk. Het zijn niet de experts of ethici die het hardst juichen — het zijn de gebruikers. En die zouden we serieuzer moeten nemen. Want echte vooruitgang zit niet in het eindeloos herhalen van wat er ontbreekt, maar in het verder ontwikkelen van wat er al is.

Laat AI dus niet langer gijzelen door een ideaalbeeld van menselijke perfectie. Laat het groeien in wat het nú al kan — en vooral: laat de gebruikers het woord nemen over wat hen werkelijk helpt.

7. De revolutie is al begonnen

AI zet, vaak onzichtbaar maar onmiskenbaar, een maatschappelijke revolutie in gang. Niet in abstracte theorieën of academische debatten, maar in de handen van gewone gebruikers — die ermee werken, denken, creëren en beslissen. Die revolutie laat zich niet terugduwen met filosofische bezwaren, noch stoppen met vertragende regulering.

De echte maatschappelijke opdracht ligt elders: bij de ontwerpers, ontwikkelaars en bedrijven die deze systemen bouwen en sturen. Zij bepalen — nu al — hoe toegankelijk, controleerbaar, uitlegbaar en inclusief deze technologie wordt.

En dus is de vraag niet langer of we AI serieus moeten nemen. Dat stadium zijn we voorbij. De vraag is: wie neemt verantwoordelijkheid voor wat AI straks zal zijn?

En uiteraard: geen paniek!