Hoe ideeën macht worden [Essay]

Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral wanneer voldoende mensen overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dit essay onderzoekt hoe ideeën via het civilisatieproces, sociale kringen, organisaties en instituties uiteindelijk politieke macht voortbrengen.


Het civilisatieproces en de politieke werking van overtuigingen

Een sociologische schets van civilisatie, waarheid, politieke strijd en maatschappelijke macht

Dick H. Ahles – juli 2026


Samenvatting

Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral doordat voldoende mensen bepaalde overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dat proces noem ik het civilisatieproces.
In dit essay onderzoek ik hoe persoonlijke overtuigingen worden gevormd, hoe zij binnen verschillende sociale kringen tot gedrag leiden en hoe ideeën uiteindelijk organisaties, instituties en politieke macht voortbrengen. Daarbij komen ook de verhouding tussen waarheid en overtuiging, het belang van open discussie en de strategie van maatschappelijke verandering aan de orde. Wie een bestaande orde wil vervangen, moet namelijk meer doen dan haar machthebbers bestrijden. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen, mensen overtuigen en de kringen en instituties bouwen waarin zijn ideeën kunnen voortleven.

Inhoud

  1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren
  2. De persoonlijke civilisatie
  3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk
  4. Sferen, kringen en politieke beginselen
  5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen — en geen strijd om de macht
  6. Waarheid bestaat — maar zekerheid bewijst haar niet
  7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt
  8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme
  9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?
  10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel
  11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen
  12. Macht is het resultaat van civilisatie

Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden
Noten
Korte Literatuurlijst


Wie de wereld wil veranderen, kijkt gewoonlijk eerst naar de macht. Wie beschikt over de staat? Wie beheerst de media? Wie schrijft de wetten, verdeelt het geld, benoemt de bestuurders en geeft uiteindelijk het bevel?
Daaruit volgt een verleidelijk eenvoudig verhaal. Een kleine groep verovert de macht, gebruikt de middelen die haar ten dienste staan en legt vervolgens haar wil op aan de rest. De samenleving verandert omdat de machthebbers besluiten dat zij veranderen moet.
Zo eenvoudig wordt het verteld. Zo gemakkelijk wordt het geloofd. En zo onvolledig is het.

Want een bevel dat niemand uitvoert, is geen macht. Een wet die geen ambtenaar uitwerkt, geen rechter toepast en geen politieagent handhaaft, is niet meer dan bedrukt papier. Een ideaal dat niemand begrijpt, niemand uitdraagt en niemand in zijn handelen opneemt, verandert geen samenleving.

Niet de macht brengt als eerste de duurzame verandering voort. De verandering in wat mensen voor waar, juist en nastrevenswaardig houden, brengt de duurzame macht voort.

Duurzame politieke veranderingen ontstaan niet doordat enkele mensen op een ochtend besluiten de macht waarover zij beschikken te gebruiken om anderen hun wil op te leggen. Zij worden pas maatschappelijk werkzaam wanneer voldoende mensen – vooral mensen op centrale plaatsen – die veranderingen uitvoeren omdat zij ze als juist, noodzakelijk of vanzelfsprekend hebben leren beschouwen.

Een regering kan besluiten. Maar anderen moeten dat besluit formuleren, onderbouwen, uitleggen, administreren, uitvoeren en handhaven. De bestuurder beslist, de ambtenaar schrijft, de deskundige rechtvaardigt, de journalist duidt, de rechter bevestigt, de politie handhaaft en de burger aanvaardt – of leert ten minste dat verzet onredelijk, ongepast of zinloos is.

De meesten van hen staan daarbij niet iedere ochtend op met de keuze of zij vandaag eens iets goeds of iets kwaads zullen doen. Zij handelen in grote lijnen volgens wat zij hebben geleerd verantwoordelijk, rechtvaardig, normaal of onvermijdelijk te vinden.

Wie wil begrijpen hoe samenlevingen functioneren en veranderen, moet daarom dieper kijken dan naar de formele machthebbers. Hij moet onderzoeken hoe mensen hun werkelijkheidsbeelden, overtuigingen, normen en gedragingen verwerven. Dat proces noem ik het civilisatieproces.

1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren

Het woord civilisatie klinkt vriendelijk. Het roept beschaving op, zelfbeheersing, redelijkheid en zelfs vooruitgang. Maar wie het begrip zo gebruikt, maakt de analyse al normatief voordat zij begonnen is.

In deze theorie betekent civiliseren niet noodzakelijk: beter, menselijker of vreedzamer worden. Civiliseren is het proces waardoor mensen leren wat zij voor waar houden, wat zij waardevol vinden en welk gedrag zij van zichzelf en anderen verwachten.1

  • wat volgens hen waar en onwaar is;
  • wat zij goed, slecht, rechtvaardig of verwerpelijk vinden;
  • welk gedrag in uiteenlopende omstandigheden normaal, toegestaan, verplicht of verboden is.

Dat proces kan verdraagzaamheid, samenwerking en respect voor persoonlijke vrijheid voortbrengen. Maar hetzelfde proces kan ook gehoorzaamheid, uitsluiting, vijanddenken en onderdrukking normaliseren. Ook wreedheid kan worden aangeleerd. Ook onderwerping kan worden gelegitimeerd. Ook geweld kan in wetten, rituelen, functies en plichten worden georganiseerd.

Een onderdrukkende orde is daarom niet per definitie ongeciviliseerd. Zij kan juist uiterst zorgvuldig zijn geciviliseerd: voorzien van taal, procedures, deskundigen, opleidingen, uniformen, formulieren en morele rechtvaardigingen. De bureaucratie heeft geen geweten nodig om doeltreffend te zijn; zij heeft vooral mensen nodig die hun taak als plicht beschouwen.

Het civilisatieproces is inhoudelijk blind. Het verklaart hoe ideeën maatschappelijk werkzaam worden; het beslist niet welke ideeën moreel juist zijn.

Juist daarom kan het een wetenschappelijk bruikbaar mechanisme zijn. Hetzelfde proces moet kunnen verklaren hoe ideeën die wij bewonderen én ideeën die wij verwerpen invloed verwerven. Het moet verklaren hoe mijn overtuigingen ontstaan en hoe de tegengestelde overtuigingen van mijn politieke tegenstander ontstaan. Wie voor zichzelf rationaliteit en feiten reserveert, maar de ander uitsluitend verklaart uit propaganda, domheid of slechtheid, bedrijft geen sociologie. Hij voert campagne.

2. De persoonlijke civilisatie

Ieder mens begint met een biologische basis en met persoonlijke eigenschappen: aanleg, temperament, intelligentie, gevoeligheden, lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Daarbovenop ontwikkelt hij gedurende zijn leven een persoonlijke civilisatie.

De persoonlijke civilisatie is het historisch gegroeide, grotendeels aangeleerde en slechts gedeeltelijk bewuste repertoire waarmee een individu de werkelijkheid interpreteert, gedrag beoordeelt en in sociale verhoudingen handelt.

Dat repertoire omvat drie grote gebieden:

Werkelijkheidsbeelden en (waarheids)overtuigingen

Mensen leren feiten, verklaringen en verhalen over hoe de wereld in elkaar zit. Maar zij leren méér. Zij leren ook welke bronnen betrouwbaar zijn, welke personen deskundig heten, welke instituties gezag hebben en welke vormen van bewijs overtuigend behoren te zijn.
Die overtuigingen kunnen juist zijn. Zij kunnen ook gedeeltelijk juist, achterhaald of aantoonbaar onjuist zijn. Voor het handelen is echter niet alleen van belang wat waar is, maar vooral wat iemand voor waar houdt.

Normen, waarden en idealen

Mensen leren wat zij waardevol en nastrevenswaardig behoren te vinden. Met die maatstaven beoordelen zij zichzelf en anderen. Zij keuren goed, veroordelen, bewonderen, schamen zich en verlangen naar een andere toestand. Daaruit ontstaan idealen over het eigen leven, over relaties en over de inrichting van de samenleving.

Genormaliseerd sociaal gedrag

Mensen leren ten slotte hoe zij zich in het dagelijkse verkeer behoren te gedragen: hoe men spreekt, groet, samenwerkt, gehoorzaamt, tegenspreekt, beloont, straft, rouwt en viert. Veel daarvan wordt zo vanzelfsprekend dat het niet langer als aangeleerd wordt ervaren. Het voelt niet als een keuze. Het voelt als normaal.


Schema 1. Het civilisatieproces – de factoren.

Schema . Het civilisatieproces - de factoren.

3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk

De persoonlijke civilisatie van ieder individu is uniek. Zij strekt zich uit over vrijwel onbeperkt veel onderwerpen en is gevormd door aanleg, opvoeding, onderwijs, beroep, vrienden, ervaringen, media, lezen, organisaties en toevallige ontmoetingen.

Maar uniek betekent niet stabiel en onveranderlijk. Iemands civilisatie is geen sluitend filosofisch stelsel, netjes opgeborgen in één lade. Zij bevat tegenstrijdigheden, half vergeten regels, botsende idealen en gewoonten die sterker kunnen zijn dan de overtuigingen waarmee iemand zich openlijk identificeert.

Bovendien komt niet in iedere situatie hetzelfde deel van dat repertoire naar voren. Dezelfde mens spreekt thuis anders dan op zijn werk, handelt onder vrienden anders dan tegenover een onbekende, en accepteert in een onderneming gezagsverhoudingen die hij binnen een vriendschap onverdraaglijk zou vinden.

Wanneer iemand zegt: “Maar hij deed daar dit en zei toen dat”, is daarmee dus nog weinig bewezen. De eerste vraag moet zijn: in welke sfeer handelde hij, tegenover wie, onder welke verwachtingen en binnen welke machtsverhouding?

Mensen hebben niet één vast programma. Verschillende sociale sferen activeren verschillende delen van hun persoonlijke civilisatie.

Dat is geen vrijbrief voor hypocrisie. Mensen kunnen natuurlijk liegen, manipuleren, zich opportunistisch aanpassen of bewust met twee maten meten. Maar niet iedere variatie in gedrag is bedrog. Wie zich tegen zijn baas anders gedraagt dan tegen zijn partner, hoeft nog niet van karakter te zijn gewisseld. Hij bevindt zich in een andere verhouding – en die verhouding roept ander gedrag op.

4. Sferen, kringen en politieke beginselen

Mensen leven niet in één ongedifferentieerde samenleving. Zij bewegen zich door verschillende sferen van handelen. Binnen die sferen vormen zij concrete kringen: een gezin, een vriendenkring, een vereniging, een bedrijf, een universiteit, een gemeente of een staat.

Een vriendenkring en een onderneming bestaan beide uit meerdere mensen, maar zij worden niet volgens dezelfde logica geordend. De vriend is geen werknemer zonder salaris. De werknemer is geen vriend met een functieomschrijving. Wie de ene sfeer met de normen van de andere bestuurt, veroorzaakt verwarring of overheersing.2

Van het individu naar steeds ruimere en meer georganiseerde verhoudingen komen verschillende politieke beginselen op de voorgrond.

Soevereiniteit

Bij het individu en zijn lichamelijke en geestelijke integriteit staat de vraag centraal: wie heeft uiteindelijk het hoogste beslissingsrecht over mijn leven, mijn lichaam en mijn overtuigingen? Daar verschijnt het beginsel van soevereiniteit.In het diepst van ons denken zijn wij zelfs onvoorwaardelijk soeverein. Niemand kan daar binnendringen; niemand kan onze gedachten rechtstreeks kennen zolang wij ze niet uiten. Men kan ons denken beïnvloeden, sturen of zelfs vervormen, maar men kan het niet rechtstreeks bezitten.

Vrijheid

Waar zelfstandige mensen elkaar ontmoeten, ontstaat de verlangen naar vrijheid: kan ieder handelen zonder een meester boven zich, zolang – uiteraard – hij de gelijke zelfstandigheid van vrijheid van de ander respecteert?

Broederschap

Waar mensen zich vrijwillig en duurzaam verbinden aan een gezamenlijk doel, is vrijheid alleen niet genoeg. Dan zijn vertrouwen, loyaliteit, wederkerigheid, zorgzaamheid en het opnemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid nodig. Daar verschijnt broederschap.

Gelijkheid

In de staat, die uiteindelijk bindende regels met dwang kan handhaven, wordt gelijkheid een onvermijdelijke politieke eis. Als allen aan dezelfde dwingende orde worden onderworpen, volgens welke gelijke maatstaven gebeurt dat dan? Of trek de bestuurlijke elite bepaalde groepen voor, geeft willekeurige privilege aan enkelen?

Deze beginselen vervangen elkaar niet. Zij stapelen zich op, botsen en moeten telkens opnieuw worden afgewogen. Politiek gaat daarom niet uitsluitend over ideeën, doelen, macht of beleid, maar over de inrichting van de verhoudingen waarin mensen samenleven en samenwerken en hoe daartoe besloten wordt.

Wanneer wij spreken over de civilisatie van een kring, bedoelen wij overigens niet dat een groep letterlijk één bewustzijn bezit. Een kring bestaat uit individuen wier persoonlijke civilisaties voldoende overlap vertonen om samenwerking en voorspelbaar gedrag mogelijk te maken en die gemeenschappelijk wordt ‘gedeeld´. Die overlap wordt vastgelegd in taal, gewoonten, regels, functies, verhalen en instituties. Daardoor kan een organisatie haar cultuur behouden, ook wanneer de oorspronkelijke leden allang verdwenen zijn.

Maar die overlap is nooit volledig. Mensen verschillen in wat zij voor waar houden, in wat zij waardevol vinden en in de ordeningsbeginselen waaraan zij voorrang geven. De een benadrukt soevereiniteit, de ander vrijheid, broederschap of gelijkheid. De een ziet in een maatregel bescherming, de ander overheersing. De een noemt iets rechtvaardig wat de ander juist als onrecht ervaart.

Dat verschil is geen storing buiten het civilisatieproces. Het is een onvermijdelijk gevolg ervan. En zodra zulke verschillen betrekking hebben op de inrichting van onze gezamenlijke verhoudingen, worden zij politiek

5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen

En geen strijd om de macht.

Mensen ervaren hun idealen en overtuigingen zelden als toevallige voorkeuren. Zij beschouwen ze als waar, goed en nastrevenswaardig. Daarom willen zij dat anderen die overtuigingen delen. Dat geldt voor onszelf. En precies daarom geldt het ook voor onze tegenstanders.

Toch sluipt in politieke discussies steeds dezelfde redenering binnen: mijn ideeën zijn nobel; wie ze afwijst, keert zich tegen het goede; wie zich tegen het goede keert, moet wel slecht zijn.

Op dat moment wordt de strijd tussen ideeën een strijd tussen vermeend goede en slechte mensen. De tegenstander hoeft niet langer te worden weerlegd. Hij moet worden ontmaskerd, buitengesloten, beschaamd of monddood gemaakt.

Dat is niet alleen intellectueel lui. Het is ook politiek onhandig. Wie werkelijk iets wil veranderen, moet niet in de eerste plaats bewijzen dat zijn tegenstander moreel verdorven is. Hij moet middelen ontwikkelen waardoor zijn eigen ideeën begrijpelijker, aannemelijker en uiteindelijk maatschappelijk leidend worden.

Wie alleen de slechtheid van zijn tegenstander verkondigt, bedrijft moreel theater. Wie zijn ideeën maatschappelijk leidend maakt, bedrijft politiek.

Dit betekent niet dat alle motieven zuiver zijn, alle middelen geoorloofd of alle gevolgen aanvaardbaar. Politiek gaat ergens over. Men mag — en moet — spreken over onjuiste feiten, onhoudbare aannames, schadelijke neveneffecten en desastreuze gevolgen. Men mag een idee vernietigend bekritiseren. Maar men wint die strijd niet door zichzelf tot messias te verklaren en de ander tot belichaming van het kwaad.

Een open samenleving organiseert de strijd tussen ideeën. Een totalitaire orde beëindigt die strijd door het ene kamp tot drager van de waarheid en het andere tot vijand van de menselijkheid, het volk of de geschiedenis te verklaren. Wanneer argumenten worden vervangen door morele uitsluiting, begint de totalitaire trom te roffelen.

Uiteraard gebruikt een leidende elite machtsmiddelen wanneer zij in staat is een totalitaire orde te vestigen. Zij kan kritiek onderdrukken, organisaties verbieden en afwijkend gedrag bestraffen. Maar juist doordat zij overtuiging door dwang vervangt, ondermijnt zij op den duur de overtuigingskracht van haar eigen ideeën. Macht kan een debat smoren; zij kan geen levende overtuiging afdwingen

6. Waarheid bestaat – maar zekerheid bewijst haar niet

Dat mensen hun geloof in waarheden via civilisatie verwerven, betekent niet dat de werkelijkheid door onze overtuigingen wordt gemaakt. Natuurwetten bestaan onafhankelijk van onze instemming. Gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zoals zij hebben plaatsgevonden, ook wanneer niemand ze juist heeft waargenomen of verwoord.

Stel dat een getuige verklaart dat om 17.38 uur een schot werd gelost. In werkelijkheid kan het 17.52 uur zijn geweest. Camerabeelden, geluidsregistraties of andere gegevens kunnen dat overtuigend aantonen. Toch kan de getuige oprecht blijven geloven dat het 17.38 uur was.

Zijn overtuiging is dan een psychologisch feit. Hij gelooft werkelijk wat hij zegt. Maar zijn zekerheid maakt zijn bewering nog niet waar. Strafpleiters kennen dit probleem maar al te goed: herinneringen worden gereconstrueerd, aangevuld, herhaald en soms juist door herhaling steviger – zonder daardoor betrouwbaarder te worden.3

De werkelijkheid bepaalt of een uitspraak waar is; het civilisatieproces verklaart grotendeels waarom iemand haar gelooft.

Daarom moet iedere waarheidsaanspraak openstaan voor onderzoek en mogelijke correctie. Karl Poppers falsificatiebeginsel geldt strikt genomen vooral voor algemene wetenschappelijke theorieën: een theorie zegt pas werkelijk iets wanneer denkbare feiten haar kunnen weerleggen. Maar dezelfde kritische houding geldt ook voor afzonderlijke feitelijke beweringen. Wat vandaag als overtuigend geldt, moet morgen kunnen wijken voor beter bewijs.4

De werkelijkheid verandert niet wanneer onze verklaring verandert. Onze voorstelling van de werkelijkheid verandert. Dat is geen zwakte van kennis, maar haar enige mogelijkheid tot verbetering.

7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt

Het civilisatieproces reikt mensen niet alleen overtuigingen aan. Het leert hun tegelijk waarom zij die overtuigingen betrouwbaar mogen achten:

  • welke wetenschappers als deskundig gelden; en welke niet;
  • welke media betrouwbaar heten; en welke als onbetrouwbaar worden verworpen;
  • welke boeken gezag dragen; en welke men vooral niet hoeft te lezen;
  • welke instituties geloof verdienen; en welke als propaganda-instanties worden beschouwd;
  • welke argumenten serieus moeten worden genomen; en welke bij voorbaat als nep of misleiding worden afgedaan.

Zo kan een merkwaardige lus ontstaan. Een uitspraak geldt als waar omdat als betrouwbaar erkende autoriteiten haar bevestigen. Die autoriteiten gelden op hun beurt als betrouwbaar, omdat dezelfde civilisatie mensen heeft ‘geleerd’ hun gezag toe te kennen.

Dat bewijst niet dat die autoriteiten per definitie ongelijk hebben. Het laat alleen zien dat zowel de overtuiging als de maatstaf waarmee zij wordt beoordeeld, maatschappelijk gevormd kan zijn. Wat is aangeleerd, wordt niet langer ervaren als aangeleerd. Het wordt ervaren als de werkelijkheid zelf. Dat is de merkwaardige lus in het civilisatie proces.

Maar precies hetzelfde geldt voor de criticus van de heersende opvattingen. Ook hij heeft geleerd welke bronnen hij moet wantrouwen, welke alternatieve deskundigen hij geloofwaardig vindt en welke gebeurtenissen in zijn verhaal beslissend zijn.

Wanneer hij vertwijfeld vraagt: “Waarom zien de mensen de waarheid niet?”, moet hij daarom onmiddellijk de spiegelvraag stellen: “Waarom ben ik ervan overtuigd dat juist ik haar wel zie?”

Wie verklaart dat anderen zijn geïndoctrineerd, moet eerst onderzoeken waarom hijzelf denkt aan mogelijke indoctrinatie te zijn ontsnapt.

Dit is geen relativisme. Niet iedere bewering is even waar, niet ieder argument even sterk en niet iedere bron even betrouwbaar. Maar niemands innerlijke zekerheid bewijst haar eigen juistheid. Stelligheid toont slechts dat iemand stellig is.

Die spiegelvraag is niet alleen van wetenschappelijk belang. Ook een goede politicus moet haar stellen. Wie de samenleving wil veranderen, moet immers begrijpen waarom mensen bepaalde ideeën als waar, rechtvaardig en vanzelfsprekend ervaren. Maar hij kan dat alleen werkelijk begrijpen wanneer hij erkent dat ook zijn eigen overtuigingen gevormd zijn door opvoeding, ervaring, autoriteiten en maatschappelijke omgeving.

Wie zichzelf buiten dat proces plaatst, ziet in zijn eigen opvattingen slechts waarheid en in die van zijn tegenstander slechts dwaling, propaganda of kwaadwilligheid. Zo iemand kan veroordelen, maar niet verklaren; bestrijden, maar niet overtuigen. De spiegelvraag luidt daarom niet alleen: waarom geloven zij dit? Zij luidt ook: waarom geloof ik wat ik geloof — en waarom zou mijn waarheid voor hen overtuigend moeten zijn?

Wie niet begrijpt waarom zijn tegenstander overtuigd is, begrijpt ook niet wat nodig is om hem, jouw en zijn aanhangers te overtuigen.

8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme

Omdat niemand volledig buiten zijn eigen civilisatie kan gaan staan, is tegenspraak noodzakelijk. Niet als hoffelijk ritueel en niet alleen om de ander te overtuigen, maar om de mogelijkheid open te houden dat wijzelf dwalen.

Open discussie garandeert niet dat de waarheid, het beste of het wenselijke wint. Mensen kunnen koppig zijn, belangen verdedigen, feiten negeren of argumenten verkeerd wegen. Machtsverschillen kunnen het gesprek vervormen. Maar zonder tegenspraak ontbreekt het belangrijkste mechanisme waarmee door het civilisatieproces verankerde overtuigingen kunnen worden onderzocht, bestreden en gecorrigeerd.

Andere mensen, van welke politieke overtuigen ook, beschikken over andere ervaringen, informatie en gezichtspunten. Zij kunnen blinde vlekken aanwijzen die wij vanuit onze eigen positie niet zien. Daarom zijn vrije wetenschap, onafhankelijke journalistiek, politieke oppositie, vrijheid van meningsuiting en openbare argumentatie geen versieringen, geen luxe en geen gunst van de machthebber. Zij vormen het onderhoudsmechanisme van een open samenleving.

En wie ideeën over de inrichting van de samenleving wil behouden, veranderen of vervangen, kan om dit beginsel niet heen.

Een open samenleving onderscheidt zich niet doordat zij de waarheid definitief heeft gevonden. Zij onderscheidt zich doordat ook haar meest gezaghebbende waarheidsaanspraken kunnen worden betwijfeld, onderzocht en herzien.5

Wie een debat alleen binnengaat om zijn reeds bekende waarheid te verkondigen, voert geen onderzoekend gesprek. Hij houdt een zending. En wie de afwijkende spreker niet meer als mogelijke correctie maar als morele besmetting behandelt, heeft de open samenleving in beginsel al verlaten.

9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?

Critici van de bestaande orde wijzen graag op geld, propaganda, mediatoegang, manipulatie en onderlinge netwerken. Soms terecht. Maar zelfs wanneer al die beschuldigingen kloppen, blijft één ongemakkelijke vraag liggen: waarom zijn de ideeën van de tegenstander maatschappelijk leidend geworden en die van u niet?

Misschien hebben zij een samenhangende ideologie ontwikkeld. Misschien vonden zij woorden die mensen begrijpen, verhalen die zij onthouden en symbolen waarin zij zichzelf herkennen. Misschien bouwden zij kranten, scholen, universiteiten, partijen, verenigingen, fondsen en ontmoetingsplaatsen en zijn zij nu de eigenaren van. Misschien organiseerden zij hun ideeën, terwijl u vooral uw verontwaardiging organiseerde.

Wie de invloed van de tegenstander verklaart uit zijn toegang tot media, moet zelf toegang zoeken of eigen media bouwen. Wie klaagt dat de ander een verkeerde ideologie verspreidt, zal daar een betere ideologie tegenover moeten stellen. Wie constateert dat de ander bijeenkomsten organiseert waarin zijn overtuigingen worden bevestigd, zal eigen kringen moeten vormen waarin een alternatief wordt ontwikkeld en gedragen.

Vijanden aanwijzen is nog geen ideologie. Misstanden opsommen is nog geen programma. En zonder samenhangend alternatief valt er niets te winnen.

Veel critici weten precies waartegen zij zijn: tegen de elite, de bureaucratie, het kapitalisme, het socialisme, de Europese Unie, immigratie, klimaatbeleid, globalisering of juist nationalisme. Maar hoe moet de samenleving in 2050 functioneren? Welke instituties blijven? Welke verdwijnen? Wie beslist? Hoe worden conflicten vreedzaam beslecht? Hoe worden soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid tegen elkaar afgewogen? Welke meesters sturen we naar huis? Welke slaven maken we vrij?

Zolang daarop geen samenhangend antwoord bestaat, bezit een beweging onvrede maar geen toekomstbeeld; energie maar geen richting; aanhang maar geen orde.

De gele hesjes konden zichtbaar maken dat de bestaande orde voor velen onaanvaardbaar was. Maar een beweging waarvan de voornaamste gezamenlijke overtuiging luidt dat de heersende elite moet verdwijnen, kan geen nieuwe samenleving dragen.

Wie alleen weet wat er weg moet, kan een opstand beginnen. Wie weet wat ervoor in de plaats moet komen, kan een samenleving veranderen.

10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel

In de negentiende eeuw Abraham Kuyper begreep dit mechanisme uitzonderlijk goed. Men kan zijn religieuze en politieke overtuigingen verwerpen en toch erkennen dat hij een groot politicus was.

Hij beperkte zich niet tot de klacht dat de liberale elite zijn achterban miskende. Hij formuleerde een samenhangend beginsel, gaf het taal en ritme, bouwde er organisaties omheen en maakte het tot een maatschappelijke werkelijkheid.

Hij stichtte niet alleen een partij, maar ook een krant en een universiteit; hij verbond kerken, scholen, verenigingen en politieke vertegenwoordiging; hij schiep plaatsen waar zijn ideeën konden worden geleerd, herhaald, verdedigd en doorgegeven.6

Zijn rede over de soevereiniteit in eigen kring was daarom geen sierstuk naast zijn politiek. Zij was een instrument van die politiek. Zij gaf zijn achterban een ordenend begrip waarmee zij zichzelf, haar tegenstanders en haar plaats in de samenleving kon begrijpen.

Kuyper veranderde ideeën in taal, taal in organisaties, organisaties in instituties, instituties in gedrag en gedrag in politieke macht.

Daarom was hij meer dan een begaafd redenaar. Hij begreep dat een beginsel pas historische kracht krijgt wanneer het een woonplaats vindt: in hoofden, in kringen, in gebouwen, in procedures, in opleidingen en in dagelijkse handelingen.

Wie zijn tegenstander uitsluitend afbrandt, versterkt meestal slechts de eigen kring. Wie een alternatief wereldbeeld bouwt en de instellingen schept waarin dat wereldbeeld kan voortleven, verandert de civilisatie.

11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen

De marketeers Al Ries en Jack Trout maakten een nuchtere observatie: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door de objectief aantoonbare kwaliteit van een product, maar door de positie die het product inneemt in het brein van het publiek.7

De politieke analogie is onontkoombaar. Ideeën strijden niet in een lege, neutrale ruimte waarin de best bewezen waarheid automatisch wint. Zij strijden om een plaats in het denken van mensen.

Een beweging kan overtuigd zijn van de voortreffelijkheid van haar beginselen. Maar als niemand ze begrijpt, onthoudt of op zijn eigen leven kan betrekken, worden zij niet leidend. Feitelijke juistheid, morele kwaliteit en verstandige gevolgen zijn van groot belang – maar zij verspreiden zichzelf niet.

De waarheid heeft echter geen eigen marketingafdeling. Er is geen bank van de waarheid.

Een idee moet worden geformuleerd, uitgelegd, herhaald, verbeeld, georganiseerd en in maatschappelijke praktijken vertaald. Niet om waarheid door propaganda te vervangen, maar omdat ook een ware en waardevolle gedachte zonder overdracht maatschappelijk machteloos blijft.

Hier raken Norbert Elias, Karl Popper en de marketingtheorie elkaar zonder samen te vallen. Elias helpt begrijpen hoe normen en zelfsturing worden geïnternaliseerd. Popper herinnert eraan dat geen enkele overtuiging boven mogelijke weerlegging staat. Ries en Trout laten zien dat ideeën pas invloed krijgen wanneer zij een herkenbare plaats in het denken innemen.

Samen maken zij één punt zichtbaar: de maatschappelijke loop der dingen volgt niet eenvoudig de werkelijkheid zoals zij is, maar de werkelijkheid zoals mensen haar (vanaf de geboorte) hebben leren zien.

12. Macht is het resultaat van civilisatie

Een kleine groep kan door geweld, dreiging of controle over instituties gedrag afdwingen. Dat moet niet worden onderschat. Maar zelfs dwang moet worden uitgevoerd. Soldaten moeten bevelen gehoorzamen, ambtenaren regels toepassen, rechters sancties bevestigen en burgers de orde voldoende aanvaarden om haar uitvoerbaar te houden.

Dwang kan gehoorzaamheid produceren zonder overtuiging. Zij kan angst zaaien en verzet breken. Maar een duurzame maatschappelijke orde kan niet iedere handeling met het pistool op tafel afdwingen. Zij heeft mensen nodig die de orde rechtmatig, noodzakelijk, vanzelfsprekend of ten minste onvermijdelijk vinden.

Daarom ontstaat macht uit een kringloop:

overdracht → internalisering → situationeel gedrag → organisatie → institutionele macht → verdere overdracht

Wanneer voldoende mensen langs overeenkomstige lijnen zijn geciviliseerd, ontstaat gecoördineerd handelen. Uit dat handelen ontstaan organisaties en instituties. Die instituties gebruiken vervolgens onderwijs, media, wetten, rituelen en procedures om dezelfde civilisatie verder over te dragen.

De elite bevindt zich niet buiten dit proces. Ook haar leden handelen gewoonlijk volgens ideeën en normen die zij zelf als waardevol en gerechtvaardigd beschouwen. Zij verzinnen niet de ene dag iets slechts om de volgende dag ter afwisseling iets goeds te doen. Zij handelen, zoals anderen, binnen de lijnen van hun civilisatie.

Dat ontslaat niemand van verantwoordelijkheid. Goede bedoelingen maken slechte gevolgen niet onschadelijk. Wie tegenbewijs negeert, kritiek uitschakelt, onaanvaardbare middelen inzet of voorzienbare schade veroorzaakt, blijft verantwoordelijk en aansprakelijk. Maar wie macht uitsluitend verklaart uit de persoonlijke slechtheid van machthebbers, begrijpt niet hoe die macht maatschappelijk wordt gedragen en gereproduceerd.

Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden

Critici van de heersende orde eindigen dikwijls met dezelfde vertwijfelde vraag: waarom zien de mensen de waarheid niet over de slechtheid van die heersers?

Het antwoord luidt: omdat mensen handelen vanuit werkelijkheidsbeelden, normen en gedragingen die zij hebben verworven en die voor hen waar, juist en vanzelfsprekend zijn geworden.

Maar daarmee is de criticus niet klaar. Hij moet zichzelf dezelfde vraag stellen. Waarom is hij ervan overtuigd dat juist zijn werkelijkheidsbeeld waar is? Welke bronnen heeft hij leren vertrouwen? Welke ervaringen hebben zijn overtuigingen gevormd? Waarom zou hij buiten het civilisatieproces staan dat hij bij anderen aanwijst?

Niemand staat buiten het proces dat hij bij anderen probeert te verklaren.

Dat betekent niet dat waarheid niet bestaat. Het betekent niet dat alle ideeën gelijkwaardig zijn. Het betekent evenmin dat politieke strijd zinloos is. Integendeel. Juist omdat overtuigingen onjuist kunnen zijn, moeten feiten worden onderzocht, argumenten worden gewogen en gevolgen worden beoordeeld. Juist omdat mensen kunnen dwalen, moet de open discussie worden aangehangen.

Maar wie de samenleving werkelijk wil veranderen – waarom en met welk doel ook – moet meer doen dan zijn tegenstanders als slecht afschilderen. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen. Hij moet woorden vinden die mensen begrijpen, kringen bouwen waarin die woorden worden gedragen, en instituties scheppen waarin zijn beginselen tot gedrag worden.

  • Niet alleen protesteren, maar verklaren.
  • Niet alleen verklaren, maar overtuigen.
  • Niet alleen overtuigen, maar organiseren.
  • Niet alleen organiseren, maar civiliseren.

Een tegenstander een keer verslaan is nog geen overwinning.

Je wint pas werkelijk wanneer JOUW ideeën de samenleving gaan ordenen.


NOTEN

  1. De term civilisatieproces sluit aan bij Norbert Elias, die onderzocht hoe maatschappelijke afhankelijkheden, staatsvorming en veranderende omgangsnormen samenhangen met de internalisering van zelfbeheersing. In dit essay wordt het begrip ruimer gebruikt. Het omvat hier ook de overdracht van werkelijkheidsbeelden, waarheidsmaatstaven, normen, waarden en sfeergebonden gedrag. Zie Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation (1939). ↩︎
  2. De voorstelling van de samenleving als een veelheid van levenskringen sluit aan bij Abraham Kuypers rede Souvereiniteit in eigen kring uit 1880. Kuyper verdedigde daarin de zelfstandigheid van onder meer persoon, gezin, kerk, wetenschap en maatschappelijke verbanden tegenover een staat die alle gezag naar zich toe trekt. Het in dit essay gebruikte schema en de verbinding met soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid vormen een eigen uitwerking. ↩︎
  3. Dat een oprechte herinnering toch onjuist kan zijn, is uitvoerig aangetoond in onderzoek naar reconstructief geheugen. Klassiek is het experiment van Elizabeth Loftus en John Palmer, waarin de formulering van latere vragen invloed bleek te hebben op de herinnering aan een eerder waargenomen verkeersongeluk. Zie E.F. Loftus en J.C. Palmer, “Reconstruction of Automobile Destruction: An Example of the Interaction Between Language and Memory” (1974). ↩︎
  4. Voor het falsificatiebeginsel: Karl R. Popper, The Logic of Scientific Discovery (1959), de Engelstalige bewerking van zijn eerder verschenen Logik der Forschung. Popper stelde niet dat iedere afzonderlijke uitspraak met één eenvoudige proef definitief kan worden afgehandeld, maar dat wetenschappelijke theorieën in beginsel voortdurend blootgesteld moeten kunnen worden aan feiten die ermee in strijd zijn. ↩︎
  5. De gedachte dat een open samenleving instituties en kritische burgers nodig heeft waardoor machthebbers, theorieën en waarheidsaanspraken kunnen worden bekritiseerd, sluit aan bij Karl R. Popper, The Open Society and Its Enemies. Het werk verscheen oorspronkelijk in twee delen in 1945. ↩︎
  6. Over Kuypers combinatie van beginselvorming, journalistiek, partijorganisatie, kerkelijke organisatie, onderwijs en universiteitsstichting: zie naast zijn rede Souvereiniteit in eigen kring ook Jeroen Koch, Abraham Kuyper. Een biografie (Amsterdam: Boom, 2006). Koch beschrijft Kuyper als predikant, journalist, partijleider en stichter van de Vrije Universiteit en laat zien hoe hij rond zijn beginselen een uitgebreid maatschappelijk netwerk opbouwde. ↩︎
  7. Al Ries en Jack Trout ontwikkelden in de marketing het begrip positioning: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door eigenschappen van het product zelf, maar door de herkenbare positie die het product in het denken van het publiek inneemt. De toepassing daarvan op politieke ideeën in dit essay is een analogie van de auteur. Zie Al Ries en Jack Trout, Positioning: The Battle for Your Mind (1981). ↩︎


Beknopte literatuurlijst

De onderstaande werken vormden intellectuele vertrekpunten voor onderdelen van dit essay. De verbinding tussen civilisatie, persoonlijke overtuiging, sociale kringen, politieke strategie en maatschappelijke macht, evenals het bijbehorende schema, vormen een eigen synthese van de auteur.

Elias, Norbert. Über den Prozess der Zivilisation: Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen. Twee delen. Bazel: Verlag Haus zum Falken, 1939.

Kuyper, Abraham. Souvereiniteit in eigen kring: Rede ter inwijding van de Vrije Universiteit, den 20sten October 1880 gehouden in het koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam. Amsterdam: J.H. Kruyt, 1880.

La Boétie, Étienne de. De vrijwillige slavernij. Amsterdam: Uitgeverij Iris, 1997. Oorspronkelijke tekst: La Servitude volontaire, handschrift ca. 1553; eerste volledige Franstalige druk 1576.

Popper, Karl R. The Logic of Scientific Discovery. Londen: Hutchinson, 1959.

Popper, Karl R. The Open Society and Its Enemies. Twee delen. Londen: Routledge, 1945.

Ries, Al, en Jack Trout. Positioning: The Battle for Your Mind. New York: McGraw-Hill, 1981.

Kuyper’s ‘Soevereiniteit in eigen kring’: een oude gedachte voor een nieuwe tijd!

Soevereiniteit in eigen kring’: Kuyper’s visie als antwoord op de uitdagingen van de 21e eeuw

Inleiding: een verrassend modern beginsel

Wat gebeurt er als we de macht van de staat begrenzen — niet uit wantrouwen, maar uit vertrouwen in mensen en hun gemeenschappen? Wat als vrijheid niet betekent dat één macht alles bepaalt, maar dat elk levensdomein zijn eigen gezag uitoefent? Wat als die levensdomeinen voortkomen uit vrijwillige samenwerking van soevereine individuen?

Die gedachte lijkt revolutionair in onze tijd, maar werd in Nederland al meer dan anderhalve eeuw geleden glashelder uitgesproken door Abraham Kuyper, in zijn inaugurele rede bij de opening van de Vrije Universiteit in 1880. Zijn formule was kort en krachtig: “Soevereiniteit in eigen kring.”

Het is een gedachte die onze samenleving diepgaand heeft gevormd — en die, in het licht van de technologische en maatschappelijke veranderingen van vandaag, verrassend actueel is.

Elk levensgebied heeft zijn eigen gezag

Kuyper stelde dat de samenleving niet één groot lichaam is dat door de staat wordt bestuurd, maar een veelheid van kringen:

  • gezinnen,
  • kerken en levensbeschouwelijke gemeenschappen,
  • scholen en universiteiten,
  • kunst en wetenschap,
  • bedrijven en economische verbanden,
  • en ja — ook de staat zelf.

Elk van deze kringen heeft een eigen oorsprong, een eigen innerlijke logica en dus een eigen soevereiniteit. Geen enkele kring mag zich absolute macht aanmatigen over een andere. De staat is niet de meester, maar één van die kringen, met een specifieke taak: het recht handhaven, dat wil zeggen toezien dat de soevereiniteit van het individu niet wordt geschonden en zo de vrijheid beschermen.

“Niet het leven te beklemmen noch de vrijheid te binden, maar vrije levensbeweging voor en in elk dier kringen mogelijk te maken, is het ideaal.”
(Kuyper, 1880)

De staat als scheidsrechter, niet als regisseur

Als elk levensdomein zijn eigen gezag heeft, rijst de vraag: welke rol blijft er over voor de staat?

In Kuypers model is de staat de scheidsrechter tussen de kringen. Zij stelt grenzen waar de vrijheid van de een die van de ander dreigt te schenden. Maar de staat stuurt niet, moraliseert niet en produceert niet zelf de inhoud van wetenschap, kunst, religie of cultuur.

Ze waakt, maar beveelt niet. Zodra de staat zich mengt in de interne aangelegenheden van andere kringen, gaat de vrijheid verloren.

Dit idee stond haaks op de 19e-eeuwse opvatting dat de staat de natie moest vormen en zij, en zij alleen, het algemeen belang kon definiëren en nastreven — desnoods met dwang. En het staat ook haaks op hedendaagse neigingen om elk maatschappelijk probleem via wet- en regelgeving van bovenaf te willen oplossen, waarbij iedere burger die binnen het grondgebied van de staat leeft, geacht wordt zich daaraan te conformeren. Want alleen de staat, zo luidt dan de redenering, is in staat het goede voor haar onderdanen te bewerkstelligen.

Vrijheid én orde door wederkerigheid

Betekent dit dat er chaos dreigt als er geen centraal gezag is dat alles dirigeert? Nee. Kuypers antwoord was helder: de samenleving wordt gedragen door wederkerigheid — het principe dat kringen elkaars vrijheid eerbiedigen.

“Ik eer jouw vrijheid, omdat jij de mijne eert.”

In zo’n samenleving ontstaat orde niet door bevel, maar door onderlinge erkenning. Wetenschap floreert naast religie, economie naast kunst, gemeenschappen naast elkaar. Niet door gelijk te worden, maar door elkaar de ruimte te laten — ieder het zijne.

Het verzuilde Nederland van de 20e eeuw was in feite een praktische toepassing van dit model: onderscheiden levensbeschouwelijke zuilen leefden naast elkaar, elk op eigen grondslag, maar in onderling respect en samenwerking.

Een voorbeeld: universiteiten functioneerden als zelfstandige kringen, met eigen normen en financiering, maar binnen een juridisch kader dat ruimte bood aan pluriformiteit. Zo kon de Vrije Universiteit naast de openbare en katholieke universiteiten bestaan, zonder dat één van hen de ander domineerde.

De nieuwe tijd: technologie verandert de schaal

Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert niet alleen hoe we samenwerken, maar ook de schaal waarop zijn visie kan worden toegepast.

  • Internet en AI maken samenwerking mogelijk zonder centraal bevel.
  • Decentrale kennisnetwerken en open source-ontwikkeling tonen aan dat collectieve innovatie niet afhankelijk is van staatssturing.
  • Biotechnologie en digitale infrastructuren verschuiven de locus van macht: van staten naar netwerken, van hiërarchie naar kringvorming.

De bio-cybernetische revolutie maakt vormen van zelforganisatie mogelijk die vroeger ondenkbaar waren. Ze versterkt de positie van individuen en gemeenschappen tegenover centrale machten. Dat opent een historische mogelijkheid: een samenleving waarin ambitie, innovatie en samenwerking kunnen bloeien zonder een alomvattend centraal gezag.

Een sprekend voorbeeld is de ontwikkeling van open source-software: duizenden ontwikkelaars uit verschillende ‘kringen’ werken vrijwillig samen aan complexe projecten zonder een centraal bevelscentrum. De coördinatie ontstaat uit gedeelde doelen, niet uit staatsdwang — precies het mechanisme dat Kuyper voor ogen had, maar nu op wereldschaal.

Slot: een oude gedachte voor de toekomst

Kuypers theorie is geen museumstuk. Ze biedt een radicaal andere manier van denken over vrijheid, samenwerking en vooruitgang. Ze nodigt ons uit te geloven dat orde en ambitie niet per se van bovenaf hoeven te komen, maar kunnen ontstaan uit de vrije samenwerking van soevereine kringen.

In de komende tijd wil ik deze gedachte verbinden met historische voorbeelden en laten zien dat dit beginsel de basis kan vormen voor een revolutionaire herordening van de rechtsstaat: een ordening waarin het individu van nature als soeverein wordt beschouwd, en waarin iedere vorm van samenwerking en ‘algemeen belang’ daaraan ondergeschikt is.

Kuyper’s Soevereiniteit in Eigen Kring

Onder de titel “Souvereiniteit in Eigen Kring“1 sprak Dr. Abraham Kuyper op 20 oktober 1880 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een rede uit ter inwijding van de Vrije Universiteit. De inhoud van deze redevoering is voor Libertariërs uiterst relevant.

Ik doel niet op het deel van de rede dat handelt over de juistheid van de uitgangspunten van de Gereformeerde Kerk, hoewel dit voor Kuyper als politiek en geestelijk leider van de gereformeerden in de tweede helft van de 19e eeuw het belangrijkste deel was, maar op het deel over het fundamentele beginsel van de soevereiniteit van kringen.

Kringen

Met kringen bedoelt Kuyper groepen individuen die, op eigen initiatief, samen activiteiten ontplooien. Ze geven zelf hun leven vorm door gezinnen te stichten, scholen te organiseren, armen te helpen, bedrijven te starten en sport- en muziekverenigingen en dergelijke op te richten.

Kringen dragen bij aan de ontwikkeling en samenhang van onze samenleving. In zijn artikel “Soevereiniteit in eigen kring plooit pluriforme samenleving” betoogt Henk Post2, “dat onze samenleving zich kan ontplooien en plooien […], burgers zich aan elkaar verbinden en dat de samenleving bij elkaar wordt gehouden” dankzij deze kringen.

Kuypers verwoordt het in zijn redevoering met het volgende beeld: “al die kringen grijpen met de tanden hunner raderen in elkaar, en juist door dat op elkaar inwerken en in elkaar schuiven van deze kringen ontstaat het rijke, veelzijdige, veelvormige mensenleven”.3

Staatsgezag

Alle groepen, organisaties en samenlevingen, in welke gestructureerde en georganiseerde vorm dan ook, zijn kringen. Ook een natie, een staat, een soeverein land is een kring. Echter, deze kringen hebben een ‘status aparte’ ten opzichte van de andere kringen, omdat de overheden van deze statelijke kringen macht claimen over de individuen en de kringen, gebaseerd op wetten en regels.

Libertariërs zijn van mening dat de overheid overbodig is. Zij stellen dat individuen als vrije burgers – door het vormen van kringen – zich zelf kunnen organiseren en dat beter en goedkoper doen dan een overheid. Als er dan toch een overheid nodig is, dient deze zo klein mogelijk te zijn en zo weinig mogelijk taken te hebben. Zo vindt Ayn Rand dat de overheid zich dient te beperken tot het beschermen van ieders individuele vrijheid.4

Ook Kuypers heeft het over een beperkte taak voor de overheid. Hij omschrijft het als volgt, nog steeds met het beeld van de raderen: “[in het leven van kringen… ] ontstaat ook, in dat leven, het gevaar dat één kring de naastliggende inbuige; als het rad horten doet; tand na tand stuk wringe; en dusdoende de gang store van het geheel. En vandaar dus de noodzaak, de “bestaansreden voor nog een afzonderlijke gezagskring…“. Hij concludeert dat dit staatsgezag, dat dus moet zorgen voor rechtspraak bij conflicten tussen individuen en kringen, hoog uitsteekt boven alle kringen, maar “binnen elk dier kringen geldt ze niet”5, dus: Soevereiniteit in eigen kring! Daarom heette de Vrije Universiteit Vrije Universiteit: vrij van de overheid. Met als consequentie dat de overheid de universiteit dus ook niet hoefde te financieren, en zelfs niet mócht financieren, want wie betaalt, bepaalt. De gereformeerden betaalden de universiteit uit eigen zak.

Collectieve samenlevingen

Doordat we tegenwoordig in onze samenlevingen de rol van de overheid centraal stellen, lijken we niet meer in te willen zien dat ons leven, ook nu nog, vooral door onze eigen activiteiten in beslag genomen wordt en dat we private maatschappelijke taken uitvoeren.

Los van feiten en overtuigingen en in tegenstelling tot de opvatting van Kuypers is het nu immers gangbaar en vanzelfsprekend dat de overheid de rechten en bevoegdheden van een soevereine kring niet alleen kan erkennen, maar er ook grenzen aan kan stellen.6

Iedereen die, net als Post, van mening is dat soevereiniteit een fundamenteel beginsel van onze rechtstaat is, lijkt het toch te accepteren dat de overheid de rechten en bevoegdheden van een soevereine kring mag begrenzen. De overheid mag (en doet) dit ook met al onze andere fundamentele (mensen-)rechten en zorgt dan ook altijd voor een wettelijke basis waarop ze onze rechten desgewenst kan uithollen.7

Door de toenemende collectivisering van onze samenlevingen zijn, in de afgelopen decennia, de opvattingen over de mate waarin de overheid in particuliere kringen van vrije individuen in mag grijpen sterk gewijzigd. De overheid wordt steeds meer gezien als de kring die voor alle andere kringen mag bepalen wat goed en wat slecht is, hoe mensen zich horen te gedragen en zelfs wat men wel of niet mag denken. Om dit te kunnen bereiken, heeft de overheid alle juridische en fysieke gewelds- en machtsmiddelen gemonopoliseerd. Daarmee is de soevereiniteit in eigen kring een speelbal geworden van de willekeur van politici en ambtenaren.

Soevereiniteit in Eigen Kring als fundamenteel rechtsbeginsel

Het vanzelfsprekende primaat van de staat doordrenkt ook het artikel van Post. In zijn betoog schetst hij casussen als de weigerambtenaar, het SGP-vrouwenstandpunt, de homodocent, islamitische voorschriften en tenslotte de eedaflegging. Hij noemt het onoplosbare problemen, zonder echter de oorzaak ervan, het primaat van de overheid, ter discussie te stellen. Dat primaat is onrechtvaardig, of beter: onrechtmatig, en tast de individuele vrijheid van burgers aan.

Enerzijds beweert Post, op pagina 70, dat artikel 1 van onze Nederlandse grondwet “het fundamenteel beginsel van onze maatschappij en rechtsstaat is”, dat dat beginsel wordt “bedreigd en aangetast“, dat “de neutraliteit van de staat als waarborg van soevereiniteit in eigen kring daarbij in het geding is” en dat “de samenleving in het bijzonder wordt geconfronteerd met een totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel die de plooien van onze pluriforme samenleving niet respecteert”. Maar anderzijds beweert hij ook, op dezelfde pagina, dat ons huidige grondwetsartikel 1 “een fundamentele betekenis in het staatsrecht heeft” en benadrukt hij op pagina 55: “Het is in strijd met onze rechtsbeginselen als iemand als sollicitant of werknemer in het onderwijs afgewezen wordt om zijn/haar seksuele gerichtheid, en daarom op een school niet welkom zou zijn.”

Post8 doet ook afbreuk aan het onbeperkte politieke recht dat de overheid zichzelf heeft toegekend op basis van de eerste zin van artikel 1: “De pluriformiteit van het publieke domein voor een vreedzaam samenleven van burgers vereist de neutraliteit, in de zin van onpartijdigheid, van de staat.” Op pagina 56 van zijn artikel beweert hij zelfs, naïef: “Het is de verantwoordelijkheid van de politiek om de pluriformiteit van de maatschappij binnen de staat onbevangen te beschermen.” Het fundamentele rechtsbeginsel van Soevereiniteit in Eigen Kring, ofwel ‘het hoofd bieden aan de totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel’, wordt door Post dus uiteindelijk afhankelijk gesteld van de welwillendheid en het fatsoen van de politiek, die echter bestaat uit persoonlijkheden die deze pluriformiteit helemaal niet onbekommerd beschermen, maar vooral hun eigen vooroordelen prediken en modieuze stellingen volgen.

De redenatie van Hans Post lijkt een amechtige poging om, voor individuen die zich christenen noemen, christelijke waarden te beschermen tegen “een totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel die de plooien van onze pluriforme samenleving niet respecteert”. Deze bescherming is urgent nodig voor iedereen die de momenteel heersende politieke opvattingen van de dominante politieke stroming van de huidige socialistische collectieve staat niet deelt. Maar Hans Post is het slachtoffer van drie misvattingen, die ik zal beschrijven.

De onbetrouwbare Overheid

Zoals hierboven al aangestipt, is het een illusie om te denken dat we een overheid nodig hebben die met grondwetten en andere wetten de fundamentele rechtsbeginselen van de individuele vrijheid garandeert. Want dat doet een overheid niet, dat heeft ze nooit gedaan en door de machtsstructuur van een overheid is het zelfs onwaarschijnlijk dat ze dat überhaupt kan of wil. Zie voor de onderbouwing van deze stelling het essay van Frank van Dun, Het Fundamentele Rechtsbeginsel.9 Zie zijn hoofdstuk 8: Recht en Staat.

Laten we hier dus maar, in plaats van een discussie te beginnen over de taken en het eventuele nut of de (on)misbaarheid van overheden, gewoon constateren dat het beschermen van fundamentele rechtsbeginselen helemaal nooit, in geen enkel historisch verband, in goede handen is geweest bij welke overheid dan ook.

Dat de overheid nuttig is en dat een staat noodzakelijk is, is echter iets wat we graag willen geloven. Deze illusie is zorgvuldig uitgedragen door politici, overheidsdienaren en filosofen in dienst van de elite. Ook Hans Post lijkt hierin te geloven, of beter gezegd, hij wil het graag geloven, ook al is zijn artikel in feite één grote aanklacht tegen de opvattingen en beslissingen van diezelfde overheid en haar, afhankelijke, rechterlijke macht.

We zouden ons serieus moeten afvragen of we deze de algemeen gedeelde illusie van overheidsbescherming nog langer willen volhouden. Is het niet tijd om te erkennen dat de overheid onze vrijheid niet beschermt, maar juist bedreigt? De verantwoordelijkheid voor het beschermen van onze fundamentele rechten ligt uiteindelijk bij onszelf, als individuen, en bij de door ons zelf georganiseerde kringen.

De ‘onpartijdige’ Overheid

In de liberale opvattingen van een rechtsstaat, zoals die zich in de 19e eeuw ontwikkelden, ging het altijd over de omvang van de overheidstaken. Hoe meer taken de overheid had, hoe meer de soevereiniteit van individuen die zich in vrijheid hadden georganiseerd op de een of andere manier in het geding kwam. Dat leidde tot felle discussies, die uitvoerig en onbevooroordeeld beschreven zijn door Prof. P.J. Oud in zijn boek ‘Honderd Jaren10‘.

Wat echter nooit ter discussie stond, was het fundamentele staatsrechtelijke beginsel van onpartijdigheid. De overheid mag bijvoorbeeld, als gevolg van het aanhangen van het beginsel van scheiding van Kerk en Staat, geen voorkeur hebben voor een bepaalde religie of politieke opvatting. Dit is de legalistische versie van het beginsel van vrijheid, en dit is ook wat Henk Post in zijn artikel bedoelt met het neutraliteits- en onpartijdigheidsbeginsel van de overheid. Dit beginsel heeft drie aspecten: iedereen wordt door de overheid gelijk behandeld, niemand heeft privileges, en iedereen kan in overheidsdienst worden benoemd.

In de oude grondwetten stonden dan ook grondwetsartikelen als: “Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeel” (grondwet 1798, artikel 3).

Maar ook hier wilden de overheid, de politici en de overheidsdienaren zich niet aan houden. Zie bijvoorbeeld, in Honderd Jaren van Prof. P.J. Oud, hoe Domela Nieuwenhuis door de overheid systematisch werd tegengewerkt11. Er is immers geen enkele garantie dat datgene wat de wetgever in een grondwet neerschrijft, ook zal worden nagekomen. Het berufsverbot van de aanhangers van Wilders en Baudet zijn daar prachtige, ongrondwettelijke voorbeelden van, net als het schenden van artikel 11 van de grondwet “Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam” tijdens de COVID-19 vaccinatiecampagnes. Nood-breekt-wet is een eenvoudige manier voor een overheid om grondrechten aan haar staatsrechtelijke laars te lappen, vooral als men bedenkt dat het diezelfde overheid is die wel even zal bepalen dat er nood is en wat die nood precies is. Een portie staatspropaganda volstaat om deze “nood” breed uitgemeten aan de goegemeente te verkopen.

Kortom, het opnemen in de grondwet van “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld” (artikel 1) en “Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar” (artikel 3) garandeert, in de praktijk, niets. Het blijft namelijk afhankelijk van “Het is de verantwoordelijkheid van de politiek de pluriformiteit van de maatschappij binnen de staat onbekrompen te beschermen¨12.

Een onpartijdige overheid bestaat niet. Althans er zijn geen historische voorbeelden van.

Homo Discens

In het voorstel voor de grote grondwetswijziging van 1983, opgesteld door een commissie onder leiding van Prof. A.M. Donner en gepubliceerd in de zogenaamde “Proeve van een nieuwe grondwet” (1966)13, stond artikel 1 als volgt geformuleerd: “Aan allen die zich in Nederland bevinden wordt gelijke bescherming van persoon en goed verleend.” Uiteraard moet dat gelezen worden met de toevoeging “.. door de overheid”, omdat die overheid zou moeten zorgen voor het beschermen van ieders individuele vrijheid en voor een, voor de wet, gelijke behandeling van alle burgers.

Uiteindelijk is dit artikel in 1983 aangenomen met de aangepaste tekst “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” En in 2023 werden er, in lijn met de heersende opvattingen van de elite, de criteria handicap en seksuele gerichtheid aan toegevoegd. Maar de toevoeging “… door de overheid” ontbrak ook in deze twee versies.

De oorspronkelijk voorgestelde tekst is dus, zij het in iets andere bewoordingen, opgenomen in de eerste zin van artikel 1, maar wordt niet gevolgd door een zin die betrekking heeft op wat de overheid richting zijn burgers moet doen of moet nalaten. Het artikel betreft zodoende een algemeen verbod op discriminatie door ‘alle mensen die zich in Nederland bevinden’. En dat is, mijn inziens, in de historie van de Nederlandse grondwetten een novum.

Opnemen van grondrechten in grondwetten heeft sinds de Magna Carta van 1215 als doel gehad om de overheid te beperken in haar macht over de burgers. Zou er geen overheid zijn, dan was een discussie over grondrechten sowieso inhoudsloos. Maar nu is de grondwet, met dit artikel 1, geen wet voor de bescherming van burgers tegen haar overheid meer, maar een instrument voor vervolging van burgers, dóór de overheid.

De casussen die Henk Post in zijn eerder genoemde artikel behandelt, zijn perfecte voorbeelden van hoe de overheid deze vervolging uitvoert, onder het mom van het nakomen van het grondwetsartikel tegen discriminatie.

Het verbod op discriminatie door burgers is sowieso iets doortrapts. Immers, we discrimineren allemaal, voortdurend en noodzakelijk, wanneer we kiezen met wie we wel en niet omgaan, privé en zakelijk, want we zijn de homo discens. En dus zijn we volgens artikel 1 van onze grondwet allemaal potentiële, willekeurig vervolgbare, misdadigers.

Als uitvloeisel van onze natuurlijke vrijheid – en dat is door Henk Post verwoord als het fundamentele recht op ‘Soevereiniteit in eigen kring‘ – hebben wij het recht om te discrimineren, om zelf te kiezen met wie we privé en zakelijk omgaan. Maar de overheid mag dat niet, die mag niet discrimineren! Kortom, door het ontbreken van de toevoeging “… door de overheid”, is artikel 1 van onze grondwet onrechtmatig. Alleen zien we deze onrechtmatigheid niet, omdat we uitsluitend als betoverd kijken naar de formulering van het romantische en vrome antidiscriminatieprincipe.
In de handen van een almachtige overheid wordt dit grondwetsartikel gemakkelijk een instrument voor vervolging en onderdrukking van andersdenkenden, van dissidenten. Immers, het begrip “discriminatie op basis van welke grond dan ook” is zo ruim, dat de overheid keuzes zal moeten en willen maken en de heersende opvattingen over criteria waar wel en niet op gediscrimineerd mag worden, zal afstemmen op het aanpakken van haar tegenstanders.

En zo is artikel 1 een machtig instrument geworden voor de implementatie van “een totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel die de plooien van onze pluriforme samenleving niet respecteert14 ̈ , en geeft het de huidige heersende socialistische stroming de totalitaire collectieve doelstellingen van haar totalitaire staat een legale basis. Propaganda en partijprogramma’s horen niet in wetgeving thuis en zeker niet in een grondwet.

Samenvatting

De basis van recht zit hem in het waarborgen van individuele vrijheid voor iedereen. Hieruit volgt vanzelfsprekend dat groepen, kringen, samenlevingen, alle Westerse maatschappijen noodzakelijk soeverein moeten zijn. En dat juist die soevereiniteit, samen met de individuele vrijheid, samenlevingen maakt en helpt evolueren. Daarmee is Soevereiniteit in Eigen Kring, zoals Henk Post in zijn artikel beargumenteert, een fundamenteel beginsel van onze Westerse maatschappijen. Abraham Kuyper heeft dat – weliswaar vanuit zijn gereformeerde visie – prachtig verwoord en daarom is het bestuderen van zijn argumenten nog steeds de moeite waard. Hij zou nooit hebben geaccepteerd dat onze huidige grondwet een discriminatieverbod voor burgers bevat, in plaats van voor de overheid.

Kritisch commentaar en eindredactie: Yvonne Killian


  1. Dr. A. Kuyper – Souvereiniteit in Eigen Kring – 1880 – Amsterdam – J.H. Kuyt ↩︎
  2. Henk Post – “Soevereiniteit in eigen kring plooit pluriforme samenleving” – 2011 , in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. (2)3. Boom – Meppel. ↩︎
  3. Kuyper, p. 12 ↩︎
  4. Ayn Rand – The Nature of Government (1966) – in “Capitalism: The unknown Ideal” . ↩︎
  5. Kuyper, p. 12 ↩︎
  6. Post, p. 52. ↩︎
  7. We leven toch in een rechtsstaat? – Ratio. In “Het libertarische Social Contract ” (2022). Werkgroep van de Libertaire Partij. pagina 113. ↩︎
  8. Post, pp. 55 ↩︎
  9. Frank van Dun – Het fundamenteel Rechtsbeginsel – een essay over de grondslagen van recht. 2007. ↩︎
  10. Prof. P.J. Oud – Honderd Jaren. 1967 ↩︎
  11. Oud, p.152 e.v. ↩︎
  12. Post, p. 56 ↩︎
  13. Prof. A.M. Donner c.s. – “Proeve van een nieuwe grondwet” (1966) ↩︎
  14. Post. pag. 68 ↩︎