Wat als de president AI om advies vraagt?

Donald Trump raadpleegde Grok bij een politieke kwestie. Maar waarom zou een president AI niet als adviseur mogen gebruiken? De relevante vragen gaan niet over het enkele gebruik van AI, maar over verantwoordelijkheid, transparantie, kwaliteit van advies en vooral de inhoud van de uiteindelijke beslissing.

Leo Hohmann opent zijn jongste artikel met een ferme conclusie: zijn ergste vermoedens zijn bevestigd. Donald Trump heeft AI geraadpleegd voordat hij een belangrijke politieke beslissing nam. De aanleiding is berichtgeving dat Trump in december 2025 Grok, de chatbot van Elon Musks xAI, vragen stelde over Venezuela en over de mogelijke reactie van Venezolanen op de gevangenneming van Nicolás Maduro. Het OECD AI Incidents Monitor heeft die gebeurtenis inmiddels als AI-incident opgenomen, omdat Grok onderdeel was van het besluitvormingsproces voorafgaand aan de latere Amerikaanse militaire operatie. Tegelijk is daarmee nog niet aangetoond dat Grok die operatie rechtstreeks heeft bepaald. OECD AI

Daarmee ligt een interessante vraag op tafel, maar Hohmann laat die niet lang rustig liggen. Uit het feit dat Trump Grok heeft geraadpleegd, leidt hij af dat de president inmiddels ten minste gedeeltelijk afhankelijk zou zijn van AI bij de uitoefening van zijn ambt. Hij wijst op het bekende verschijnsel van sycophancy, waarbij taalmodellen geneigd kunnen zijn gebruikers te bevestigen, en suggereert vervolgens dat Elon Musk via Grok invloed op Trump zou kunnen uitoefenen. Vandaar is de stap naar verlies van autonomie, technocratische beïnvloeding en uiteindelijk zelfs een spirituele vergelijking met verleiding niet groot meer.

Maar misschien moeten we eerst een veel eenvoudiger vraag stellen.

Waarom zou een president AI niet mogen raadplegen?

AI is beschikbaar. Miljoenen mensen gebruiken het inmiddels als informatiebron, sparringpartner, tekstanalist, programmeerhulp of adviseur. Waarom zou de president van de Verenigde Staten dat niet mogen?

Een president raadpleegt voortdurend anderen: ministers, generaals, juristen, diplomaten, economen, partijgenoten, zakenmensen, vrienden en vermoedelijk zo nu en dan iemand zonder officiële adviesfunctie. Hij kan desnoods aan de schoonmaker van zijn kantoor vragen wat die van een voorgenomen besluit vindt. Dat maakt die schoonmaker nog niet tot president. Hetzelfde geldt voor Grok.

De relevante vraag is daarom niet of een beslisser AI heeft geraadpleegd, maar welke betekenis hij aan dat advies heeft toegekend. Heeft hij één antwoord kritiekloos gevolgd? Heeft hij verschillende bronnen vergeleken? Heeft hij het antwoord laten controleren? Ging het om een verkennende vraag of vormde de respons een zwaarwegend onderdeel van zijn besluitvorming? Pas daar begint een serieuze discussie over verantwoord bestuur. Het enkele feit dat AI ergens in het proces is geraadpleegd, zegt nog maar weinig.

Wie vindt dat een president AI niet zomaar als adviseur zou mogen gebruiken, krijgt bovendien onmiddellijk met een volgende vraag te maken: moet daar dan toestemming voor nodig zijn? En van wie? Moet er een waakhond komen die bepaalt welke AI-systemen een president, minister, arts, ondernemer of gewone burger wel en niet mag raadplegen? Op basis van welke criteria? Betrouwbaarheid, trainingsdata, politieke neutraliteit, eigendom, herkomst, foutkans?

En wie bepaalt vervolgens welke waarden in die criteria worden ingebouwd?

Dan verschuift het probleem nogal drastisch. Uit angst dat AI te veel invloed op menselijke beslissingen krijgt, creëren we mogelijk een menselijke instantie die vooraf bepaalt welke informatiebronnen andere mensen wel of niet mogen gebruiken. Dat is zelf een vorm van macht. Zo’n toezichthouder bepaalt niet alleen welke systemen technisch verantwoord zijn, maar kan in de praktijk ook gaan bepalen welke bronnen als legitiem, betrouwbaar of toegestaan gelden.

In specifieke omgevingen — nucleaire commandovoering, medische systemen, geclassificeerde militaire toepassingen — kunnen bijzondere beperkingen heel goed te verdedigen zijn. Maar dan moet worden uitgelegd welk concreet risico ermee wordt beheerst en waarom bestaande verantwoordelijkheidsregels daarvoor onvoldoende zijn. Anders ontstaat de vreemde situatie dat wij de menselijke autonomie tegen AI willen beschermen door andere mensen meer zeggenschap te geven over wat iemand mag raadplegen.

Dan wordt de oude vraag weer actueel: wie bewaakt de waakhond?

De adviseur adviseert, de beslisser beslist

Daarbij blijft iets overeind dat in veel AI-discussies gemakkelijk uit beeld verdwijnt: een adviseur beslist niet. De beslisser beslist.

Dat geldt ook wanneer een advies onvolledig, gekleurd of ronduit slecht is. Een minister kan een verkeerd juridisch advies volgen, een directeur kan zich laten meeslepen door een consultant, een generaal kan een ondeugdelijke analyse overnemen en een president kan luisteren naar iemand die vooral vertelt wat hij graag hoort. In geen van die gevallen verdwijnt de verantwoordelijkheid van degene die bevoegd was het besluit te nemen.

We kunnen de kwaliteit of de intenties van de adviseur onderzoeken, maar de beslisser blijft verantwoordelijk voor de wijze waarop hij zijn informatie verzamelt, weegt en gebruikt.

Waarom zouden we bij AI ineens een andere regel invoeren?

Dat brengt ook de roep om transparantie in een ander licht. Misschien vinden we dat een bestuurder moet melden wanneer AI een belangrijke rol speelde bij een besluit. Daar kunnen redenen voor bestaan, maar ook dan moeten we uitleggen waarom dat voor AI anders zou gelden dan voor andere adviseurs. Willen we voortaan bij ieder politiek besluit een lijst zien van alle ambtenaren, deskundigen, lobbyisten, partijgenoten en vrienden die iets hebben ingebracht? Moeten ook hun adviezen integraal openbaar?

In formele procedures bestaan natuurlijk verantwoordings- en openbaarheidsregels, en die kunnen zonder bezwaar ook op AI worden toegepast. Maar dan hoort het criterium de rol in het besluitvormingsproces te zijn, niet het enkele feit dat de adviseur geen mens is. Een ‘echt’ mens!

Uiteindelijk telt de beslissing

Daar hoort nog een onderscheid bij dat volgens mij veel te weinig wordt gemaakt. Zodra de beslissing eenmaal genomen is, moet in de eerste plaats de inhoud van die beslissing worden beoordeeld.

Is zij verstandig? Rechtmatig? Effectief? Goed onderbouwd? Zijn de verwachte gevolgen aanvaardbaar? Daarover moet het politieke of maatschappelijke debat gaan.

Een slechte beslissing wordt niet goed omdat zij uitsluitend na overleg met briljante menselijke deskundigen tot stand kwam. En een goede beslissing wordt niet slecht omdat een taalmodel ergens in het denkproces een bruikbare suggestie heeft geleverd.

De ontstaansgeschiedenis van een besluit kan relevant zijn wanneer wij verantwoordelijkheid, belangenverstrengeling, procedurele fouten of misleiding onderzoeken. Maar voor de inhoudelijke beoordeling van het besluit zelf is de vraag hoe het idee precies in het hoofd van de beslisser terechtkwam niet beslissend. Een argument wordt niet waar omdat een mens het bedacht heeft, en niet onwaar omdat Grok het formuleerde.

Dat lijkt een open deur, maar bij AI wordt die deur merkwaardig vaak dichtgedaan. Zodra bekend wordt dat AI bij een beslissing betrokken was, dreigt de discussie te verschuiven van wat is er besloten en is dat verdedigbaar? naar o jee, AI heeft meegedacht.

Daarmee kan de technologie juist afleiden van waar het werkelijk om gaat: de inhoud en de verantwoordelijkheid van de menselijke actor die de beslissing heeft genomen.

AI kan mensen naar de mond praten. Mensen trouwens ook

Hohmann heeft wel degelijk een punt wanneer hij wijst op sycophancy. Onderzoek laat zien dat taalmodellen gebruikers soms te gemakkelijk bevestigen. In een Stanford-studie onderschreven onderzochte modellen de positie van gebruikers in persoonlijke adviessituaties vaker dan menselijke respondenten, ook wanneer het beschreven gedrag problematisch was. Gebruikers bleken zulke bevestigende modellen bovendien vaak prettig en betrouwbaar te vinden.

Dat verdient aandacht. Maar ook hier ligt een dubbele maatstaf op de loer.

Menselijke adviseurs praten machthebbers nooit naar de mond? Iedereen die enige tijd in een organisatie heeft rondgelopen weet beter. Een menselijke adviseur kan zijn carrière willen beschermen, loyaal zijn aan zijn baas, groepsdenken vertonen, dezelfde politieke voorkeuren hebben of eenvoudig ontdekken dat voortdurende tegenspraak zijn positie niet bevordert. Vleierij is geen uitvinding van kunstmatige intelligentie.

Bovendien blijkt uit onderzoek dat de effecten van sycophancy niet eens zo eenvoudig zijn als “AI bevestigt mensen en maakt hen radicaler”. In experimenteel economisch onderzoek bleek AI wel meetbaar meegaand, maar bewogen gebruikers gemiddeld juist enigszins van hun aanvankelijke voorkeuren af; hogere sycophancy verminderde dat effect. Ook hier geldt dus: niet het etiket, maar het concrete gedrag en de gevolgen moeten worden onderzocht.

Geen klein adviseurtje in de machine

Er komt nog iets fundamentelers bij. Een taalmodel geeft niet van nature onafhankelijke, ware of bewust misleidende adviezen. Het produceert een respons op basis van zijn training, instructies, beschikbare informatie, eerdere gesprekscontext en de manier waarop de vraag wordt gesteld.

Het antwoord kan juist zijn. Het kan fout zijn. Het kan eenzijdig zijn. Het kan de gebruiker te veel bevestigen. Maar daaruit volgt niet dat er ergens in Grok een klein politiek adviseurtje zit dat denkt: Trump wil dit blijkbaar graag horen, laat ik hem eens manipuleren.

Dat antropomorfe beeld maakt het verhaal spannender, maar analytisch niet noodzakelijk beter.

Tegelijk heeft AI eigenschappen die een menselijke adviseur eenvoudig niet heeft. Een taalmodel kan in zeer korte tijd informatie en patronen verwerken uit hoeveelheden tekst die geen enkel individu ooit volledig kan lezen of onthouden. Dat maakt het antwoord niet automatisch juist en zeker niet onafhankelijk van de gegevens en instructies waarop het gebaseerd is. Maar het maakt AI evenmin bij voorbaat tot een inferieure adviseur.

De relevante vraag blijft telkens dezelfde: hoe goed is dit advies voor deze taak?

Hoe betrouwbaar is het? Welke onzekerheid bestaat er? Welke andere bronnen moeten ernaast worden gelegd? Kan de redenering gecontroleerd worden? Is het systeem gevoelig voor de formulering van de vraag? En weet de beslisser voldoende van die beperkingen om het antwoord verstandig te gebruiken?

Meet mens en machine met dezelfde maatstaf

Misschien is daarom een eenvoudige symmetrieregel voldoende: beoordeel AI-advies zoveel mogelijk volgens dezelfde relevante criteria als menselijk advies.

Hoe deskundig is de bron? Hoe betrouwbaar? Welke vertekeningen kunnen een rol spelen? Hoe onafhankelijk is het advies? Hoe controleerbaar? Hoe bruikbaar binnen deze specifieke beslissing?

Soms zal AI slecht uit die vergelijking komen. Soms een menselijke adviseur. Misschien soms zelfs de schoonmaker.

Maar het criterium kan niet eenvoudig zijn: er was AI bij betrokken, dus er is iets verdachts gebeurd.

Dat is uiteindelijk wat mij aan Hohmanns artikel het meest opvalt. Hij begint met een werkelijk interessante kwestie: een president gebruikt een nieuwe informatiebron bij een belangrijke politieke vraag. Dat roept legitieme vragen op over betrouwbaarheid, controle, transparantie en verantwoordelijkheid. Maar vervolgens verschuift de aandacht steeds verder van de menselijke beslisser naar het instrument. Grok wordt bijna een verleider, Musk verschijnt als mogelijke manipulator, AI wordt een bron van afhankelijkheid en uiteindelijk krijgt het verhaal zelfs een spirituele dimensie.

Misschien is het allemaal eenvoudiger. AI kan een slechte adviseur zijn. Een mens kan dat ook. AI kan iemand bevestigen in zijn vooroordelen. Mensen kunnen dat al eeuwen. Een beslisser kan een advies kritiekloos volgen, maar dat is uiteindelijk vooral een probleem van de beslisser.

Van wie macht bezit, verwacht je dat men bronnen weegt, onzekerheiden herkent en verantwoordelijkheid voor zijn keuzes draagt. De belangrijkste vraag is daarom niet of presidenten AI mogen raadplegen. Die ontwikkeling is onvermijdelijk. De interessantere vraag is hoe goed onze beslissers in staat zijn hun adviseurs te gebruiken — menselijke én kunstmatige.

En zodra zij een besluit hebben genomen, moet vooral dát besluit zelf worden beoordeeld. Want wie uiteindelijk beslist, kan zich niet achter Grok, een generaal, een jurist, een consultant of de schoonmaker verschuilen.

De adviseur adviseert. De beslisser beslist. De beslissing wordt beoordeeld. En de beslisser blijft verantwoordelijk.