De tennisclub is geen dekmantel voor een commandocentrum

Invloedrijke mensen kennen elkaar, delen opvattingen en helpen elkaar soms vooruit. Dat kan macht en gesloten elites opleveren, maar bewijst nog geen centraal geleid complot. Politieke ideeën hebben geen geheim hoofdkwartier nodig: zij krijgen macht via mensen, instituties en uiteindelijk de staat.

Mensen uit invloedrijke maatschappelijke kringen zoeken elkaar op, delen vaak vergelijkbare opvattingen en helpen elkaar soms aan informatie of posities. Dat kan leiden tot gesloten elites en reële machtsconcentratie. Maar daaruit volgt nog niet dat hun tennisclub, sociëteit of vrijmetselaarsloge een geheim commandocentrum is van waaruit de wereld wordt bestuurd. Voor zo’n wereldomspannende aansturing zou een omvangrijke, hiërarchische en vrijwel onmogelijk verborgen te houden organisatie nodig zijn. Bovendien is centrale regie helemaal niet noodzakelijk om een politieke ideologie machtig te maken. Gedeelde overtuigingen verspreiden zich via opleiding, cultuur, beroepsgroepen en instituties. Wanneer zij binnen de staat dominant worden, kunnen zij vervolgens wel met wetten, vervolging en geweld worden afgedwongen. Wie de macht wil bestrijden, moet daarom niet alleen zoeken naar verborgen netwerken, maar vooral begrijpen welke ideeën de bestaande machtsorde dragen.

Ergens op zaterdagmorgen verzamelen zich in de kantine van een plaatselijke tennisvereniging een rechter, een officier van justitie, een wethouder, twee ondernemers en een voormalig bankdirecteur. Zij kennen elkaar. Zij komen uit ongeveer hetzelfde maatschappelijke milieu, hebben deels dezelfde politieke opvattingen en praten ongetwijfeld weleens over hun werk. Misschien helpen zij elkaar aan informatie, bevelen zij iemand aan voor een bestuursfunctie of zijn zij het opvallend vaak met elkaar eens. O ja, baantjes voor familie of vriendjes kunnen daar onderling verdeeld worden.

Wie wantrouwig genoeg kijkt, kan hierin het begin van een machtspiramide herkennen. De tennisvereniging wordt dan een dekmantel. De kantine is in werkelijkheid een commandocentrale. Achter de bar bevindt zich vermoedelijk een verborgen deur naar een ondergrondse vergaderzaal. En de kantinebeheerder is niet langer iemand die koffie schenkt en de frituur schoonmaakt, maar een soort van usurpator die de politieke orde naar zijn hand zet.

Er ontbreekt alleen nog een geheim agent die hem op het nippertje weet uit te schakelen.

Het klinkt potsierlijk. Toch berust een aanzienlijk deel van het denken over geheime elites en hun genootschappen op ongeveer deze redenering.

De machtspiramide

Robin de Boer besprak onlangs (“De Machtspiramide: hoe een klein netwerk op 17 manieren de wereld aanstuurt“) het boek De Machtspiramide van Derrick Broze. Volgens de presentatie van dat boek oefent een klein netwerk van personen, families en instellingen systematisch controle uit over onder meer onderwijs, media, technologie, gezondheidszorg, voedsel en financiën. Het boek spreekt over instituties en organisaties waaruit samen één machtspiramide zou zijn opgebouwd en vraagt wie “achter de schermen de wereld bestuurt”? Een van de hoofdstukken is gewijd aan religie en geheime genootschappen.

In zulke analyses worden dikwijls werkelijke verschijnselen beschreven: vermogende families oefenen invloed uit. Banken hebben politieke macht. Inlichtingendiensten proberen media en technologiebedrijven te beïnvloeden. Bestuurders, ondernemers, rechters, ambtenaren en politici kennen elkaar. Zij ontmoeten elkaar in adviesorganen, sociëteiten, conferenties, denktanks, verenigingen en besloten gezelschappen.

Het zou naïef zijn te ontkennen dat zulke netwerken ertoe doen.

Maar er is een andere kant: mensen helpen bekenden. Zij vertrouwen personen die dezelfde taal spreken, dezelfde opleiding hebben gevolgd en uit een vergelijkbaar milieu komen. Zij bevelen elkaar aan, wisselen informatie uit en verschaffen elkaar toegang tot maatschappelijke posities. Maar daaruit volgt nog niet dat zij gezamenlijk deel uitmaken van één organisatie die de wereld volgens een centraal plan bestuurt.

Precies op dat punt gaat de redenering ontsporen.

Twee verschillende verschijnselen

Om de denkfout te begrijpen moeten twee verschijnselen uit elkaar worden gehouden.

Het eerste is dat mensen met een overeenkomstige sociale achtergrond en vergelijkbare denkbeelden elkaar opzoeken.

Het tweede is het bestaan van een doelgerichte organisatie die vanuit een leiding opdrachten geeft en activiteiten coördineert.

Die twee kunnen samengaan, maar zij zijn beslist niet hetzelfde.

Mensen zoeken van nature anderen op bij wie zij zich thuis voelen. Voetballiefhebbers treffen elkaar in een voetbalvereniging, ondernemers in ondernemersclubs, kunstenaars in culturele kringen en academici op universiteiten en congressen.

Ook leden van maatschappelijke elites doen dat. Rechters, hoge ambtenaren, artsen, officieren, ondernemers en politici hebben ook sociale contacten, hobby’s en levensbeschouwelijke interesses. Zij worden lid van een tennisclub, golfvereniging, serviceclub, kerk, sociëteit of vrijmetselaarsloge. Omdat zulke organisaties een bepaalde cultuur hebben, trekken zij bovendien geen willekeurige doorsnede van de bevolking aan.

Er vindt zelfselectie plaats.

Mensen die waarde hechten aan traditie, rituelen, besloten gesprekken en persoonlijke vorming zullen zich eerder tot een vrijmetselaarsloge aangetrokken voelen dan mensen die daarvan niets moeten hebben. Zij zullen waarschijnlijk ook bepaalde manieren van spreken, denken en omgaan met conflicten delen. Dat maakt de groep betrekkelijk homogeen. Maar homogeniteit is nog geen politieke opdracht en organisatie.

De vrijmetselarij als projectiescherm

De vrijmetselarij leent zich uitstekend voor dit soort speculaties.

Zij kent besloten bijeenkomsten, symbolen, rituelen, graden en onderlinge herkenning. Onder haar leden bevonden zich in de loop van de geschiedenis invloedrijke bestuurders, kunstenaars, officieren, ondernemers en politici. Dat levert vrijwel alle ingrediënten voor een James Bond-verhaal.

Wie de organisatie van buitenaf bekijkt, ziet immers gesloten deuren. En achter gesloten deuren moet volgens de complotverbeelding wel iets worden beraamd. Maar beslotenheid kan ook een veel eenvoudiger functie hebben.

Mensen willen soms vrijuit met elkaar kunnen spreken zonder dat iedere onhandige gedachte later op sociale media belandt, door een werkgever wordt beoordeeld of in een politieke discussie tegen hen wordt gebruikt. Vertrouwelijkheid kan bedoeld zijn om een vrije gespreksruimte te scheppen.

De officiële Nederlandse vrijmetselarij omschrijft zichzelf niet als politieke of ideologische beweging, maar als een vereniging waarin leden met behulp van symbolen en rituelen zoeken naar verdieping van inzicht en persoonlijke vorming. Een Nederlandse loge zegt uitdrukkelijk dat zij geen plaats is om zaken te doen of te netwerken. Dat zijn uiteraard eigen verklaringen en daarmee geen sluitend bewijs dat er nooit vriendjespolitiek voorkomt. Ze laten wel zien dat de openlijk geformuleerde functie van de loge iets anders is dan het organiseren van wereldheerschappij. Bovendien bestaat de vrijmetselarij niet als één mondiale organisatie met een centrale leiding.

Nederlandse loges hebben een aanzienlijke zelfstandigheid en functioneren juridisch als verenigingen. Zij zijn verbonden met een landelijke orde, maar ook die orde is niet ondergeschikt aan een wereldregering van vrijmetselaars. Internationaal bestaan verschillende soevereine grootloges die elkaar soms erkennen, maar niet samen onder één mondiaal opperbevel vallen. Alleen al binnen landen kunnen verschillende organisaties naast elkaar bestaan. Dat is geen onbelangrijk detail. Het raakt de kern van de beschuldiging.

Waar is het hoofdkwartier?

Wie beweert dat een kleine groep de wereld systematisch aanstuurt, beweert meer dan dat machtige mensen elkaar kennen. Het woord aansturen veronderstelt organisatie. Er moeten doelen worden vastgesteld. Besluiten moeten worden genomen. Opdrachten moeten worden gegeven. Geld, informatie en personeel moeten worden verdeeld. Conflicten moeten worden beslecht. De uitvoering moet worden gecontroleerd en ongehoorzame deelnemers moeten kunnen worden gecorrigeerd.

Dat vereist ten minste: een leiding, een besluitvormingsstructuur, communicatielijnen, administratieve ondersteuning, financiering, uitvoerende functionarissen en een manier om duizenden activiteiten over vele landen en instituties op elkaar af te stemmen.

Hoe groter het doel, des te omvangrijker de organisatie die daarvoor nodig is.

Een organisatie die werkelijk onderwijs, banken, media, technologiebedrijven, voedselproductie, gezondheidszorg, overheden en geheime diensten wereldwijd zou aansturen, kan niet bestaan uit zes heren die na een ritueel nog een glas drinken. Zo’n organisatie zou waarschijnlijk duizenden medewerkers nodig hebben. Zij zou begrotingen, archieven, beveiligde communicatiesystemen, beleidsafdelingen en logistieke structuren moeten bezitten. Er zouden voortdurend conflicten ontstaan over belangen, geld, bevoegdheden en strategie.

Mensen zouden vertrekken, documenten meenemen, ruzie krijgen, fouten maken en uit de school klappen. Zelfs werkelijke geheime diensten, met professionele beveiliging en wettelijke middelen, slagen er niet in hun activiteiten volledig geheim te houden. Een particuliere wereldregering die generaties lang vrijwel alle grote maatschappelijke instituties bestuurt, zou organisatorisch nog vele malen ingewikkelder zijn.

  • Waar bevindt zich dat hoofdkwartier?
  • Wie benoemt de leiding?
  • Hoe worden besluiten genomen?
  • Wie geeft de opdrachten aan rechters, ministers, bankiers en mediabedrijven?
  • Hoe worden conflicten tussen Amerikaanse, Chinese, Russische, Europese en Arabische bestuurders opgelost?
  • Welke sanctie treft een miljardair, regering of inlichtingendienst die weigert mee te werken?

Zonder antwoorden op zulke vragen is de machtspiramide geen aangetoonde organisatie. Zij is een tekening waarin allerlei personen en instituties met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Maar een netwerkdiagram is nog geen organogram.

De kantinebeheerder is onschuldig

Laten we terugkeren naar de tennisvereniging.

Stel dat de rechter, de officier van justitie, de wethouder en de ondernemers inderdaad ongeveer dezelfde maatschappelijke opvattingen hebben. Zij geloven in dezelfde vorm van bestuur, lezen dezelfde kranten en vinden vaak dezelfde personen redelijk en deskundig. Dat kan politiek belangrijk zijn.

Hun onderlinge contacten kunnen de toegang van buitenstaanders beperken. Zij kunnen elkaar posities toeschuiven en hun eigen opvattingen ten onrechte als neutraal of vanzelfsprekend behandelen. Een sociale elite kan zichzelf zo reproduceren. Dat verdient kritiek en onderzoek.

Maar de tennisvereniging heeft daarmee nog niet als doel de samenleving te beheersen. De vereniging organiseert tenniswedstrijden, onderhoudt de banen en zorgt dat er achter de bar voldoende bier staat.

De politieke invloed berust bij de leden en hun maatschappelijke posities, niet bij de tennisvereniging als organisatie.

Hetzelfde onderscheid moet bij een vrijmetselaarsloge worden gemaakt.

Een rechter kan vrijmetselaar zijn en politieke opvattingen hebben. Een bankier eveneens. Zij kunnen elkaar in de loge ontmoeten en sympathiek vinden. Misschien ontstaat daar vertrouwen dat later ook buiten de loge een rol speelt. Zeer waarschijnlijk spreken ze ook over de politieke toestand van de wereld. Maar daaruit volgt niet dat de loge hun vonnissen, bankbeleid of politieke optreden coördineert. De club waar invloedrijke mensen samenkomen, is niet vanzelf de organisatie die hun maatschappelijke handelen bestuurt.

Wie dat onderscheid niet maakt, kan uiteindelijk iedere ontmoetingsplaats van elites tot samenzwering verklaren: de golfclub, universiteit, kerk, Rotary, opera, studentenvereniging, buurtborrel of jachthaven. En dan wordt de kantinebeheerder inderdaad een staatsgevaarlijk figuur.

Er is geen centrale regie nodig

De tweede fout is misschien nog belangrijker.

Voor het verspreiden en handhaven van een politieke ideologie is helemaal geen geheim hoofdkwartier nodig.

Mensen kunnen vergelijkbaar handelen doordat zij vergelijkbare overtuigingen hebben. Zij hoeven daarvoor niet dagelijks instructies te ontvangen.

Rechters worden gevormd binnen een juridische traditie. Ambtenaren leren hoe behoorlijk bestuur eruitziet. Bankiers leren welke economische belangen beschermd moeten worden volgens hun aangeleerde opvattingen. Journalisten ontwikkelen gedeelde opvattingen over betrouwbare bronnen en maatschappelijk aanvaardbare standpunten. Politici bewegen binnen een taal van democratie, mensenrechten, veiligheid, groei of sociale rechtvaardigheid; los van hun feitelijke gedrag.

Binnen ieder van die instituties worden mensen geselecteerd en gevormd. Zij leren welke vragen serieus zijn, welke antwoorden verantwoord klinken en welke opvattingen buiten de grenzen van het betamelijke vallen. Mensen met sterk afwijkende ideeën vertrekken, worden niet benoemd of passen zich aan. Zo ontstaat gelijkgericht handelen zonder centrale bevelvoering. Dat is geen geheimzinnig proces. Het is de normale werking van cultuur, opleiding, groepsvorming en instituties.

Een ideologie regeert niet doordat ergens een opperideoloog achter een elektronisch wereldscherm zit. Zij regeert doordat duizenden mensen haar uitgangspunten als redelijk, moreel en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. De macht van een ideologie zit niet alleen in de hoofden van een kleine top. Zij zit in wetboeken, opleidingen, organisaties, beroepsregels, kranten, ceremonies, taal en dagelijkse gewoonten. Daarom kan zij zich over een samenleving verspreiden zonder één centrale organisatie. En daarom verdwijnt zij ook niet wanneer een loge wordt gesloten of een tennisclub wordt bestormd.

Wanneer ideologie staatsmacht wordt

Dat een ideologie geen geheim hoofdkwartier nodig heeft om zich te verspreiden, betekent niet dat zij altijd zonder centrale macht blijft. Wanneer een ideologie dominant wordt binnen bestuur, politiek, rechtspraak, onderwijs en ambtenarij, ontstaat daaruit een bestuurlijke elite die haar uitgangspunten niet langer alleen uitdraagt, maar ook institutioneel kan afdwingen.

De staat beschikt immers over middelen die een tennisvereniging, loge of sociëteit niet bezit. Hij kan wetten vaststellen, belastingen heffen, vergunningen weigeren, toezicht uitoefenen, eigendom ontnemen, mensen vervolgen, opsluiten en in het uiterste geval geweld gebruiken. Daarmee verandert een gedeeld wereldbeeld in een maatschappelijke machtsorde.

De leden van de bestuurlijke elite hoeven daarvoor nog steeds geen geheime opdrachten te ontvangen. Het is voldoende dat zij grotendeels dezelfde opvattingen hebben over wat redelijk, rechtmatig, gevaarlijk of ontoelaatbaar is. Vanuit die gedeelde overtuigingen ontwerpen zij regels, passen zij wetten toe en bepalen zij welke gedragingen bescherming verdienen en welke moeten worden bestreden.

De staat beschermt daarbij niet alleen de samenleving zoals die bestuurlijke elite haar begrijpt. Hij beschermt ook de instituties en personen die deze orde dragen. Aanvallen op hun positie kunnen worden voorgesteld als aanvallen op de rechtsstaat, de democratie, de openbare orde of het algemeen belang.

Zo kan ideologische dominantie uiteindelijk wel degelijk een machtspiramide voortbrengen. Maar die piramide is niet verborgen in een vrijmetselaarsloge of een kantine van een sportvereniging. Zij is zichtbaar aanwezig in regering, parlement, ministeries, rechtbanken, toezichthouders, politie en andere staatsorganen.

De fout van de ‘complotdenker’ is dus niet dat hij iedere concentratie van macht verzint. De fout is dat hij de oorsprong en werking ervan verkeerd lokaliseert. Hij zoekt de bevelslijnen in besloten clubs, terwijl de werkelijke centralisering plaatsvindt zodra een dominante ideologie zich met het geweldsmonopolie van de staat verbindt.

De verkeerde vijand

Dat is niet alleen een theoretische vergissing. Het is ook een strategische fout.

Wie meent dat de maatschappelijke orde wordt aangestuurd door een geheime piramide, gaat op zoek naar de top. Hij wil namen onthullen, bijeenkomsten verstoren en verborgen organisaties ontmantelen.

Maar wanneer de samenhang in werkelijkheid voortkomt uit gedeelde ideeën en maatschappelijke vorming, vecht hij tegen het verkeerde doelwit.

Hij bestrijdt de plaats waar mensen elkaar ontmoeten in plaats van de opvattingen die zij daar mee naartoe nemen.

Hij valt het netwerk aan, maar laat de ideologie intact.

Sterker nog: door een vereniging als vijandige samenzwering te behandelen kan hij haar leden juist dichter bij elkaar brengen. Vervolging bevestigt dan hun overtuiging dat de buitenwereld hen niet begrijpt en dat vertrouwelijkheid noodzakelijk is.

Wie een maatschappelijke orde werkelijk wil veranderen, moet daarom eerst begrijpen waardoor zij bijeen wordt gehouden. Niet iedere machtsconcentratie is een organisatie. Niet iedere sociale relatie is een bevelslijn. Niet iedere besloten bijeenkomst is een samenzwering. En niet iedere overeenkomst in gedrag bewijst centrale regie.

Geen Bond-schurk, maar een ideologische strijd

De wereld wordt wel degelijk beïnvloed door elites, grote vermogens, staten, bedrijven, beroepsgroepen en instituties. Hun macht kan onrechtvaardig zijn en hun denkbeelden kunnen schadelijke gevolgen hebben.

Maar wie hen wil bestrijden, moet hen eerst juist begrijpen.

De beslissende vraag is niet: In welk geheim gebouw vergaderen zij?

De beslissende vraag is: Welke ideeën zorgen ervoor dat deze mensen de bestaande orde redelijk, rechtmatig en noodzakelijk vinden?

Daar ligt het werkelijke politieke strijdveld. Een maatschappelijke ideologie hoeft geen verborgen hoofdkwartier te hebben. Zij nestelt zich in opleidingen, taal, rituelen en instituties. Zij wordt gedragen door mensen die meestal oprecht menen dat zij het juiste doen.

Wie een andere samenleving wil, zal daarom meer moeten leveren dan een lijst met verdachte namen en onderlinge verbindingen. Hij moet een overtuigender idee ontwikkelen over recht, macht, eigendom, vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Dat is aanzienlijk moeilijker dan een piramide tekenen. Maar het heeft één voordeel: je hoeft de tennisclub niet in brand te steken.

En James Bond kan thuisblijven.

Enkhuizen, 17 augustus 2026

© 2026 D.H. Ahles, The Netherlands

Het is een schone dag geweest – De staat, het onrecht en de vanzelfsprekendheid van macht

Dick H. Ahles

De staat is ook bron van kwaad,
hij rooft, hij liegt, hij slaat, hij haat.
Hij noemt zijn dwang bescherming, daad,
en maakt van onrecht wet en staat.

Niet elk kwaad begint bij hem,
maar hij geeft onrecht wet en stem.

Het is een rijmpje dat te scherp is om zomaar waar te zijn, maar te raak om achteloos weg te wuiven.

Natuurlijk begint niet elk kwaad bij de staat. Mensen doen elkaar ook zonder staat van alles aan. Zij liegen, bedriegen, roven, onderdrukken, manipuleren, exploiteren en doden, met of zonder ambtenaar in de buurt. Het kwaad heeft geen staatssecretariaat nodig om te bestaan.

Maar juist daarom is het rijmpje interessant. Het beweert niet dat de staat de enige bron van kwaad is. Het stelt een scherpere vraag: wat gebeurt er wanneer handelingen die wij tussen gewone mensen als onrecht zouden herkennen, door wet, bestuur, verkiezing en algemeen belang worden gelegitimeerd?

Waarom ervaren wij de staat, die objectief veel dwang, onrecht en geweld mogelijk maakt, toch meestal als goed, nuttig, nodig en onvermijdelijk?

Daar begint het eigenlijke probleem. Niet bij de vraag of de staat “goed” of “slecht” is, maar bij de vraag hoe onrecht van gedaante verandert zodra het wettelijk, bestuurlijk en moreel wordt ingekleed.

Wanneer een particulier geld afneemt zonder toestemming, noemen wij dat diefstal. Wanneer een particulier iemand dwingt zijn arbeid, bezit of lichaam beschikbaar te stellen, noemen wij dat dwang. Wanneer een particulier geweld gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen, noemen wij dat agressie en afpersing. Maar wanneer de staat vergelijkbare handelingen verricht, veranderen de woorden. Dan spreken wij over belasting, regelgeving, dienstplicht, toezicht, beleid, solidariteit, veiligheid en rechtsorde.

Daarmee is niet gezegd dat alle staatsoptreden even slecht is, of dat achter iedere ambtenaar een rover schuilgaat. Dat zou karikaturaal zijn. Maar het roept wel een fundamentele vraag op: wordt een handeling rechtmatig, ook met democratische besluitvormingsprocedures, doordat de staat haar verricht?

Het politieke middel

Franz Oppenheimer maakte in zijn boek De Staat (1906) een onderscheid dat nog altijd verhelderend is. Mensen kunnen op twee manieren aan middelen komen. Zij kunnen produceren, werken, ruilen, samenwerken. Dat noemde hij het economische middel. Maar zij kunnen zich ook toe-eigenen wat anderen hebben voortgebracht, door dwang, roof, belasting, overheersing of privilege. Dat noemde hij het politieke middel.

Die termen zijn misschien wat ongelukkig, omdat “politiek” en “economisch” tegenwoordig ook andere associaties oproepen. Men kan ook spreken van productieve verwerving tegenover extractieve verwerving. In het eerste geval verkrijg je iets door arbeid, ruil of vrijwillige samenwerking. In het tweede geval verkrijg je iets doordat je anderen dwingt af te staan wat zij hebben gemaakt of verworven.

Oppenheimers radicale gedachte was dat de staat historisch niet begint als rechtsorde, maar als organisatie van dat politieke middel. De staat ontstaat waar een heersende groep in staat is duurzaam een deel van de opbrengst van anderen naar zich toe te trekken. Vervolgens wordt roof schatting. Schatting wordt belasting. Bescherming wordt plicht. Staatsgeweld wordt recht.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, omdat zij ons verheven zelfbeeld van de staat aantast. Wij zijn gewend de staat te zien als beschermer tegen chaos, geweld en onrecht. Oppenheimer draait de blikrichting om. Hij vraagt niet eerst hoe de staat ons beschermt, maar hoe hij historisch, sociologisch aan zijn macht komt. Volgens Oppenheimer is dat achterliggende proces opvallend herkenbaar, door tijden en plaatsen heen.

Dat maakt zijn analyse waardevol. Niet omdat alles wat Oppenheimer schrijft overtuigt. Integendeel. Aan het eind van zijn boek wordt hij opvallend optimistisch. Hij verwacht dat de ontwikkeling van de constitutionele staat uiteindelijk zal leiden tot “vrijburgerschap”: een maatschappij waarin het politieke middel verdwijnt en bestuur nog slechts het algemeen belang dient.

Dat klinkt na de twintigste eeuw bijna pijnlijk naïef. Enkele jaren na zijn optimistische toekomstverwachting trok Europa de Eerste Wereldoorlog in. Moderne staten mobiliseerden miljoenen burgers, stuurden hen de loopgraven in, organiseerden censuur, propaganda, belasting, bewapening, industrie en massale gehoorzaamheid. De door hem voorspelde vreedzame constitutionele staat bleek niet het graf van het politieke middel, maar zijn modernste opstanding.

Toch maakt dat Oppenheimer niet waardeloos. Integendeel. Zijn analyse is sterker dan zijn hoop. Hij zag hoe macht zich organiseert. Hij zag hoe extractie institutioneel wordt. Hij zag hoe de staat niet alleen orde brengt, maar ook leeft van de middelen die hij aan anderen onttrekt.

Zijn fout was dat hij dacht dat het politieke middel historisch zou afsterven. Waarschijnlijker is dat het zich telkens opnieuw vermomt.

Van wet naar recht

De Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun trekt de lijn consequenter door. Zijn uitgangspunt is het fundamentele rechtsbeginsel: ieder mens is een soeverein rechtssubject. Ieder mens heeft het recht met het zijne te doen en te laten wat hij wil, en geen enkel mens heeft het recht over de middelen van een ander te beschikken zonder diens toestemming.

Dat klinkt eenvoudig. Maar de consequenties zijn vergaand.

Als geen mens zonder toestemming mag beschikken over het lichaam, de arbeid of de middelen van een ander, dan geldt dat ook voor mensen die zich organiseren als staat. De staat kan zich niet aan het recht onttrekken door zichzelf wetgever te noemen. Wet is niet automatisch recht.

Daar zit de scherpe kern:

Het probleem van de staat is niet dat hij soms verkeerde wetten maakt. Het probleem is dat hij de macht heeft toegeëigend om onrecht als wet te verklaren.

Die laatste stelling is voor veel mensen moeilijk te aanvaarden. Niet omdat zij het argument al weerlegd hebben, maar omdat het nauwelijks binnenkomt. Het schuurt te sterk tegen de wereld waarin zij zijn opgegroeid. De staat is er gewoon. Zoals de school er is, de dokter, de belastingdienst, de gemeente, de verzekering, de rechter, de politie, de wegen, de regels, de formulieren.

De vraag of men zich aan die orde wil onderwerpen, komt meestal niet eens op. Men leeft er al in.

Het is zo …

Ik moest daaraan denken bij het opnieuw zien van de documentaire Het is een schone dag geweest van Jos de Putter. De film volgt zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen, eenvoudige agrariërs, in het laatste jaar dat zij hun boerenbedrijf uitoefenen.

Het is een aangrijpende film, juist omdat zij nergens schreeuwt. Geen grote theorieën, geen ideologische aanklacht, geen sentimentele verheerlijking van het boerenleven. Je ziet mensen die leven in een wereld van werk, land, weer, dieren, lichaam, ritme en gewoonte.

Aan het eind zit de zoon met zijn vader aan de keukentafel. Een eenvoudige boerenkeuken. Geen armoede, maar basale soberheid. Een tafel, een TL-buis, een granieten gootsteen, een pomp. Een omgeving waarin “welstand” niet verschijnt als levensproject, maar als het feit dat men leeft, werkt, eet, slaapt en doorgaat.

De zoon vraagt wat voor zijn vader het meest opmerkelijke van het laatste jaar is geweest. De vader zwijgt. Je ziet hem denken: wat vraagt hij nu eigenlijk? Na een lange stilte zegt hij dat het de laatste tijd wel erg nat is geweest; “het heeft veel geregend”.

De zoon probeert het opnieuw. Hij bedoelt het persoonlijker. Hoe kijkt de vader terug op zijn eigen leven, op wat hij het afgelopen jaar gedaan heeft?

Weer stilte. Dan komt de reactie: “wat bedoel je? Het is zo!”. En daarna: hij vond het wel schoon. Hij deed het graag. “Altijd buiten, dat zegt ook wat.”

Dat moment is van een ontstellende helderheid.

Veel moderne intellectuelen, zeker sinds de jaren zestig, denken over het leven als iets dat men vormgeeft. Het leven is een project, een identiteit, een keuze, een expressie van autonomie. Men moet zichzelf ontplooien, zichzelf vinden, zichzelf bevrijden, zichzelf realiseren.

Maar grote groepen mensen leven niet in dat register. Zij ervaren hun bestaan niet primair als een filosofisch project van zelfbeschikking. Zij leven binnen gegeven verbanden: grond, werk, gezin, dorp, kerk, buurt, bedrijf, weer, gezondheid, pech, geluk, plicht. Hun leven is niet zonder betekenis, maar die betekenis hoeft niet voortdurend ge(her)formuleerd te worden.

Het is zo!

Die zin is niet dom. Hij kan zelfs wijs zijn. Maar hij toont ook iets fundamenteels: de meeste mensen leven niet in permanente reflectie op de vraag wie over hen mag beschikken. Zij leven in een wereld die als een gegeven verschijnt.

De vanzelfsprekendheid van macht

Daar ligt het aanknopingspunt voor ieder civilisatieproces.

Macht is het sterkst wanneer zij niet meer als keuze verschijnt, maar als vanzelfsprekende werkelijkheid.

Brute dwang is zichtbaar. Zij roept weerstand op. Wie met een knuppel binnenkomt en zegt “geef mij de helft van uw inkomen”, wordt herkend als rover. Maar wanneer dezelfde afdracht verloopt via loonstrook, aanslagbiljet, wetboek, verkiezing, begroting, publieke voorziening en morele taal, verschijnt zij anders. Dan wordt zij onderdeel van de orde.

Mensen zeggen niet: “ik onderwerp mij vrijwillig aan een systeem van fiscale extractie.” Zij zeggen: “belasting hoort erbij.”

Zij zeggen niet: “de staat beschikt over een deel van mijn arbeid.” Zij zeggen: “wij betalen samen voor de samenleving.”

Zij zeggen niet: “ik word bestuurd.” Zij zeggen: “zo werkt het nu eenmaal.” Het is zo!

Daarmee is het probleem niet opgelost. Het is juist verdiept. Want als mensen macht niet meer als macht ervaren, hoe kunnen zij haar dan nog beoordelen?

Hier ontstaat de merkwaardige lus. De staat presenteert zich als redder van chaos. Burgers leren chaos te vrezen boven staatsdwang. Kritiek op staatsdwang wordt vervolgens ervaren als verlangen naar chaos. En zo bevestigt de angst voor chaos opnieuw de legitimiteit van de staat.

Dat is geen gewone redenering meer, maar een geciviliseerde ervaringsstructuur. Toch betekent dit niet dat achter de staat steeds mensen schuilgaan die weten dat zij kwaad doen. Meestal is het tegendeel waar. Het kwaad komt zelden met een bordje “kwaad” binnen. Het komt als redding, herstel, veiligheid, rechtvaardigheid, vooruitgang of bescherming. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak middelen rechtvaardigen die hij bij zijn tegenstander onmiddellijk als onrecht zou herkennen. Wie zichzelf als booswicht ziet, overtuigt zelden anderen. Wie zichzelf als redder ziet, beschikt over een veel krachtiger taal.

Onze populaire cultuur helpt ons vaak niet om dit te begrijpen. In James Bond-films wil de slechterik de wereld overheersen en weet hij dat hij de slechterik is. Maar politieke macht werkt zelden zo eenvoudig. Zelfs de meest destructieve ideologieën presenteren zichzelf als goed, noodzakelijk en bevrijdend voor de groep namens wie zij spreken. Het probleem is daarom niet alleen kwade intentie. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak het onrecht civiliseren. De staat is zo overtuigend omdat hij zelden spreekt in de taal van macht, maar meestal in de taal van het goede.

Vrijwilligheid

Men kan natuurlijk zeggen: als iemand zich vrijwillig wil onderwerpen aan de regels van een staat, een kerk, een commune, een vereniging of een streng georganiseerde gemeenschap, dan is dat zijn goed recht. Wie uit vrije wil in een bepaalde orde wil leven, moet dat kunnen doen. Maar dan volgt onmiddellijk een grens: hij mag anderen niet dwingen hetzelfde te doen.

En uit vrije wil betekent in deze context ook: zonder gevolgen weer uit die orde kunnen stappen. Het onderdrukkende karakter van de staat begint daar waar men niet zonder gevolgen uit die orde van een staat kan stappen.

Het probleem is echter nog subtieler. Veel mensen onderwerpen zich niet bewust vrijwillig. Zij onderwerpen zich ook niet bewust onvrijwillig. De vraag van onderwerping of niet-onderwerping komt eenvoudigweg niet op.

Hun wereld is niet opgebouwd uit abstracte alternatieven. Zij ervaren zichzelf niet als soeverein rechtssubject dat op ieder moment principieel moet nadenken over toestemming, eigendom, beschikking en recht. Zij leven binnen een vanzelfsprekende ordening. Het is zo!

Zoals iemand geboren kan worden in een kaste en die het bestaan van die kaste kan ervaren als natuurlijk. Zoals iemand de dokter kan ervaren als ultieme autoriteit, niet als deskundige die ook bevraagd kan worden. Zoals iemand de staat kan ervaren als de instantie die er nu eenmaal is om orde, veiligheid en recht te waarborgen.

Daarom is Van Duns rechtsfilosofie zo moeilijk toegankelijk. Zijn centrale vraag — wie mag over wie beschikken? — is glashelder voor wie eenmaal in dat register denkt. Maar veel mensen leven niet in dat register. Zij begrijpen de probleemstelling nauwelijks, omdat de mogelijkheid van niet-onderwerping niet in hun ervaringswereld verschijnt.

Dat maakt hen niet minderwaardig. Het maakt hen menselijk. Zij hebben werk, zorgen, kinderen, gezondheid, schulden, verplichtingen, vreugde, verdriet. Zij willen niet iedere dag de grondslagen van het recht onderzoeken. Zij willen leven.

Maar juist daarom kunnen wereldhervormers, ideologen en bestuurders op die inertie parasiteren. Zij hoeven de bevolking niet voortdurend met argumenten te overtuigen. Zij hoeven veranderingen slechts te vertalen in woorden die passen bij de bestaande orde: bescherming, vooruitgang, zorg, veiligheid, rechtvaardigheid, noodzaak, afwenden van gevaar, algemeen belang. Daarom gaan burgers slaapwandelend oorlogen in. Het is nu eenmaal zo.

En dan laat men het over zich heen komen.

Zoals regen.

De arrogantie van de wereldverbeteraar

Daarom is Het is een schone dag geweest zo’n waardevolle film. Niet omdat hij een politieke stelling verkondigt, maar omdat hij ons herinnert aan het bestaan van mensen die niet leven in de verbeelding van de permanente zelfontwerper.

Wie arrogant voor iedereen de wereld denkt te kunnen verbeteren, zou eerst naar zulke mensen moeten kijken. Niet om hen te romantiseren, maar om zich te realiseren dat maatschappelijke hervormingen zelden neerdalen op burgers die in abstracties denken en over doorwrochte wereldbeelden beschikken. Zij dalen neer op mensen die gewoon hun leven leven.

De wereldverbeteraar denkt in systemen.
De gewone mens leeft in voor hen natuurlijke verbanden.

De wereldverbeteraar denkt in toekomst.
De gewone mens leeft in dag, seizoen, werk, lichaam en weer.

De wereldverbeteraar denkt: hoe maken wij de mens vrij?
De gewone mens denkt: het is wel erg nat geweest.

Wie dat belachelijk vindt, heeft niets begrepen.

Juist daar ligt de tragiek van politiek. Grote plannen worden ontworpen door mensen die in abstracties denken, en ondergaan door mensen die in werkelijkheid leven. Zij worden niet altijd met geweld onderworpen. Vaak worden zij langzaam meegenomen in een nieuwe vanzelfsprekendheid.

Terug naar het rijmpje

Daarom is het rijmpje bruikbaar, mits het niet als eindpunt wordt genomen.

De staat is ook bron van kwaad. Niet omdat elk kwaad altijd en alleen bij de staat begint, maar omdat de staat iets kan wat gewone mensen niet kunnen: hij kan onrecht de vorm geven van wet, bestuur, procedure en algemeen belang.

Dat is nog niet genoeg. Want de diepere vraag is waarom mensen dat onrecht meestal niet als onrecht ervaren.

Het antwoord ligt niet alleen in angst, propaganda of domheid. Het ligt in civilisatie: in het langzaam vormen van overtuigingen, gewoonten, woorden, instituties, opvattingen wat waar is, en gevoelens waardoor macht als normaal verschijnt.

De staat is niet alleen een apparaat van dwang. Hij is ook een producent van vanzelfsprekendheid.

En precies daarom is hij zo sterk.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding

AI wordt vaak voorgesteld als een wapen van elites tegen burgers. Maar die analyse is onvolledig. Vanuit Oppenheimers onderscheid tussen bovendanen en onderdanen laat dit artikel zien dat AI niet alleen een instrument van macht is, maar ook een werktuig waarmee gewone mensen toegang krijgen tot kennis, taal, analyse en organisatiekracht.

Dick H. Ahles

In de recente stroom berichten over kunstmatige intelligentie verschijnt regelmatig hetzelfde beeld: AI als instrument van controle. Een artikel op The Vigilant Fox met de titel “The mainstream media finally admit it: AI is a ‘weapon’ being used against you” is daarvan zomaar een willekeurig voorbeeld. De elite zou AI gebruiken om burgers te volgen, gedrag te sturen, informatie te filteren, arbeid te vervangen en de samenleving naar eigen inzicht te beheersen. Soms wordt dat in serieuze termen besproken. Vaak wordt het uitvergroot tot een nieuw apocalyptisch verhaal: AI als wapen tegen “jou”.

Dat laatste is te eenvoudig.

Natuurlijk kan AI tegen mensen worden ingezet. Iedere krachtige techniek kan tegen mensen worden ingezet. De boekdrukkunst kon worden gebruikt voor propaganda. Radio en televisie konden worden gebruikt voor massabeïnvloeding. Computers konden worden gebruikt voor bureaucratische controle. Internet kon worden gebruikt voor surveillance. AI vormt daarop geen uitzondering.

Maar er is een groot verschil tussen de nuchtere vaststelling dat AI als machtsinstrument kan worden gebruikt, en de ideologische bewering dat AI ontworpen is om de onderdaan te onderdrukken. Het eerste is een politiek filosofische analyse op basis van een (wetenschappelijke) beredenering. Het tweede is dramaturgie en per definitie onderdeel van de politieke positionering van een groep met bepaalde politieke opvattingen. Dat is waar het politieke proces over gaat, dus op zich geen probleem, want iedereen heeft het recht op zijn geloof en politieke overtuiging.

Wie alleen ideologisch kijkt naar wat bovendanen* met AI kunnen doen, mist de andere helft van de geschiedenis: wat onderdanen met AI kunnen doen.

1. Bovendanen en onderdanen

Franz Oppenheimer maakte in zijn analyse van de staat (Der Staat, 1909) een scherp onderscheid tussen het economische middel en het politieke middel. Het economische middel is productie, ruil, arbeid, handel: mensen voorzien in hun bestaan door zelf waarde te scheppen en vrijwillig met anderen te ruilen. Het politieke middel is toe-eigening: de ene groep leeft van de opbrengsten van een andere groep, niet door vrijwillige ruil, maar door macht, heffing, dwang of institutioneel voorrecht.

In die zin bestaat er in iedere politieke orde een spanning tussen bovendanen en onderdanen. De bovendanen vormen de laag die bestuurt, belast, reguleert, controleert en legitimeert. De onderdanen vormen de laag die produceert, betaalt, gehoorzaamt, zich aanpast en probeert binnen de gegeven orde ruimte te vinden. De verdeling in onder- en bovendanen is overigens niet een duidelijke streep door een samenleving. Over de top en de onderste laag is over het algemeen geen misverstand over.

Oppenheimers analyse is geen psychologische beschuldiging. Het betekent niet dat iedere bestuurder persoonlijk slecht is, of iedere onderdaan moreel zuiver. Het is een sociologische structuur. Wie boven zit, heeft van nature middelen nodig om boven te blijven. Wie onder zit, zoekt van nature middelen om minder afhankelijk te zijn.

Vanuit dat kader is het volstrekt voorspelbaar dat bovendanen AI ook voor het politieke middel zullen willen gebruiken. Daarvoor is geen samenzwering nodig. Het volgt uit hun (maatschappelijke) positie. Wat ze overigens niet ‘boven de wet’ plaats, ze blijven – zoals ieder individu – verantwoordelijk voor de effecten van hun handelen.

AI kan worden gebruikt voor toezicht, selectie, belastingheffing, risicoprofielen, censuur, gedragssturing, administratieve controle, propaganda, militaire planning en marktafscherming. Staten, grote bedrijven, veiligheidsdiensten, bureaucratieën en internationale instellingen zullen zulke mogelijkheden vanzelf onderzoeken. Niet omdat zij zich op een geheime avond in een kelder hebben voorgenomen de mensheid te knechten, maar omdat iedere machtsstructuur nieuwe middelen probeert in te passen in haar bestaande logica.

Dat is geen onthulling. Dat is geschiedenis.

2. De vergeten andere kant

Maar wie daar stopt, maakt een ernstige denkfout. Want vrijwel iedere grote technologische vernieuwing gaf niet alleen de macht nieuwe middelen, maar ondermijnde tegelijk een deel van haar monopolie.

De boekdrukkunst maakte propaganda mogelijk, maar brak ook het monopolie van kerkelijke en vorstelijke elites op tekst, uitleg en kennis. De Bijbel, pamfletten, kranten, wetenschappelijke werken en politieke traktaten konden zich verspreiden buiten de bestaande gezagskanalen om.

De krant kon door machthebbers worden gebruikt, maar gaf ook oppositie, emancipatiebewegingen en nieuwe politieke stromingen een stem. Radio en televisie konden de massa beïnvloeden, maar maakten ook gebeurtenissen zichtbaar die anders verborgen waren gebleven. Internet gaf staten en bedrijven nieuwe surveillancemiddelen, maar gaf individuen tegelijk publicatiemacht, netwerkvorming, kennisdeling en toegang tot bronnen.

Nieuwe technologie is dus zelden simpelweg een instrument van onderdrukking of bevrijding. Zij opent een strijdveld.

Bovendanen proberen haar te beheersen. Onderdanen proberen haar te gebruiken. Nieuwe groepen leren haar beter gebruiken dan oude elites. Daardoor verschuift macht. Soms worden onderdanen vrijer. Soms worden zij zelf nieuwe bovendanen. Emancipatie is zelden het einde van macht; vaak is zij een herschikking ervan.

Wie AI op voorhand afwijst, loopt het risico een krachtig werktuig van emancipatie uit handen te geven.

3. AI als ongekend werktuig van de onderdaan

Kunstmatige intelligentie past in deze lijn, maar met een bijzonder verschil. AI is niet alleen een transportmiddel, communicatiemiddel of productiemiddel. AI raakt direct aan taal, kennis, analyse, schrijven, programmeren, vertalen, ordenen en redeneren.

Daarmee komt een reeks vermogens beschikbaar die vroeger grotendeels afhankelijk was van opleiding, instituties, specialisten, redacties, juristen, adviseurs, programmeurs, onderzoekers en bureaucratische toegang.

Een individu met een computer en een AI-systeem kan vandaag teksten laten redigeren, juridische documenten laten uitleggen, beleidsstukken samenvatten, statistische redeneringen toetsen, code schrijven, brieven formuleren, bronnen vergelijken, vreemde talen lezen, sollicitaties voorbereiden, bestuursstukken ordenen, argumentaties aanscherpen en ingewikkelde onderwerpen toegankelijk maken.

Dat is geen kleinigheid. Dat is een machtsverschuiving.

Wie vroeger afhankelijk was van een expert, kan nu in elk geval een eerste oriëntatie krijgen. Wie moeite heeft met taal, kan zich beter uitdrukken. Wie geen dure adviseur kan betalen, kan toch een begin maken met analyse. Wie geen toegang heeft tot academische circuits, kan zich sneller inlezen. Wie tegen een bureaucratie moet opboksen, kan zijn brieven beter formuleren. Wie ideeën heeft maar worstelt met structuur, kan die ideeën scherper ordenen.

AI neemt de plaats van kennis niet simpelweg in. AI verlaagt de drempel tot kennisbewerking.

Dat is precies waarom de techniek politiek belangrijk is.

4. De onderdaan krijgt een denkwerktuig

De meeste technische hulpmiddelen vergroten één menselijk vermogen. De fiets vergroot mobiliteit. De telefoon vergroot communicatie. De drukpers vergroot verspreiding. De rekenmachine vergroot je rekenvaardigheid. De computer vergroot berekening en opslag. AI vergroot iets anders: het vermogen om taal, kennis en redenering te hanteren.

Dat maakt AI tot een bijzonder werktuig van de onderdaan.

Niet omdat AI vanzelf waarheid spreekt. Niet omdat AI geen fouten maakt. Niet omdat AI vrij is van bias. Niet omdat AI geen nieuwe afhankelijkheden schept. Maar omdat AI de toegang tot intellectuele arbeid weer verder democratiseert, in de letterlijke betekenis: geeft aan de gehele bevolking.

De onderdaan krijgt niet alleen informatie, maar hulp bij het verwerken van informatie. Niet alleen tekst, maar hulp bij formulering. Niet alleen data, maar hulp bij interpretatie. Niet alleen bronnen, maar hulp bij vergelijking. Niet alleen een leeg document, maar een gesprekspartner die kan meedenken, tegenspreken, structureren en verbeteren.

Daarmee tast AI bestaande poortwachters aan. Niet volledig. Niet onmiddellijk. Maar wel fundamenteel.

De schrijver zonder redacteur krijgt redactionele steun. De kleine ondernemer zonder staf krijgt administratieve en strategische hulp. De burger zonder jurist krijgt uitleg van juridische taal. De leerling zonder hoogopgeleide ouders krijgt extra uitleg. De dyslectische denker krijgt een taalprothese. De autodidact krijgt een gesprekspartner. De buitenstaander krijgt toegang tot vormen van ondersteuning die vroeger vaak aan instituties waren voorbehouden.

Dat is de bevrijdende mogelijkheid van AI. Maar de afkeer is vooral ingegeven door de overtuiging dat AI ‘slechts’ een onderdrukkend instrument is van de huidige macht en dus moet worden bestreden.

5. Waarom de strijd tegen AI de bovendanen kan helpen

Hier wordt de zaak paradoxaal. Veel kritiek op AI wordt gebracht als verzet tegen macht. AI zou in handen zijn van grote bedrijven, staten en elites. Dat is deels waar. Maar juist daarom is de vraag niet of AI moet worden tegengehouden. De vraag is wie toegang houdt tot AI.

Als AI zwaar wordt gereguleerd, gecertificeerd, juridisch dichtgetimmerd en alleen onder toezicht van grote instellingen mag worden ingezet, wie blijven er dan over als gebruikers?

Niet de gewone burger.
Niet de zelfstandige schrijver.
Niet de kleine uitgever.
Niet de lokale ondernemer.
Niet de kleine vereniging.
Niet de onafhankelijke onderzoeker.
Niet de onderdaan die zich wil oriënteren buiten de gevestigde kanalen.

Maar wel: staten, grote technologiebedrijven, universiteiten, consultancyfirma’s, defensie-industrie, verzekeraars, banken en gecertificeerde instellingen.

Met andere woorden: wie uit angst voor elitecontrole AI wil ‘dicht regelen’, loopt het risico precies die elite het monopolie op AI te geven.

Dat is niet nieuw. Iedere machtsstructuur probeert nieuwe techniek eerst te gebruiken, daarna te reguleren en uiteindelijk te monopoliseren. Soms gebeurt dat met openlijke dwang. Vaker gebeurt het met redelijke woorden: veiligheid, betrouwbaarheid, kwaliteit, bescherming, verantwoordelijkheid, maatschappelijke zorg.

Die woorden zijn niet per definitie vals. Veiligheid en betrouwbaarheid kunnen werkelijk van belangrijk zijn. Maar zij kunnen ook functioneren als toegangsdrempels. Wie aan alle eisen moet voldoen, heeft juristen, kapitaal en politieke toegang nodig. De onderdaan heeft die meestal niet.

Daarom kan anti-AI-politiek, hoe goed bedoeld ook, uitlopen op het tegendeel van wat zij zegt te willen: niet minder macht voor de bovendanen, maar meer.

6. Techniek bevrijdt nooit iedereen tegelijk

Het zou echter naïef zijn om AI simpelweg als bevrijdingstechniek te vieren. Geen enkele technologie bevrijdt iedereen tegelijk van vanzelf. Techniek vergroot de mogelijkheden van wie haar kan gebruiken, begrijpen, betalen of organiseren. Anderen blijven achter of worden afhankelijk van degenen die de techniek beter beheersen of in de positie komen hun ‘advies’ te moeten inroepen.

Ook de boekdrukkunst bevrijdde niet “het volk” als geheel. Zij gaf vooral nieuwe mogelijkheden aan wie kon lezen, schrijven, drukken, verspreiden en organiseren. Uit de onderdanen kwamen nieuwe groepen voort die de techniek beheersten en daardoor zelf invloedrijk werden: uitgevers, pamflettisten, geleerden, predikanten, journalisten, politieke organisatoren.

De oude macht werd niet simpelweg afgeschaft. Zij werd betwist, verplaatst en opnieuw opgebouwd.

Dat zal bij AI niet anders zijn. Wie AI goed leert gebruiken, krijgt een voordeel. Wie afhankelijk blijft van kant-en-klare antwoorden zonder zelf te leren beoordelen, kan juist kwetsbaarder worden. Wie geen toegang heeft tot goede systemen, blijft achter. Wie alleen gesloten en gemonopoliseerde AI mag gebruiken, wordt afhankelijk van de civilisatie die anderen daarin hebben ingebouwd.

De vraag is dus niet of AI vanzelf bevrijdt. Dat doet zij niet. De vraag is welke groepen AI leren gebruiken om minder afhankelijk te worden van bestaande machtsstructuren.

7. Van onderdaan naar nieuwe bovendaan

Iedere bevrijding heeft een onaangename bijwerking: zij schept nieuwe machtsposities.

Wie zich door techniek aan een oude orde ontworstelt, kan zelf drager worden van een nieuwe orde. De burgerij die zich ontwikkelde tegenover adel en kerk werd zelf een nieuwe machtslaag. De drukker, uitgever, journalist, partijorganisator, ondernemer en technicus waren niet alleen bevrijders, maar ook nieuwe poortwachters.

Dat is geen argument tegen bevrijding. Het is een waarschuwing tegen romantiek.

AI zal ook nieuwe bovendanen voortbrengen: mensen, bedrijven en groepen die deze technologie beter begrijpen, beter toepassen en beter integreren in hun handelen. Zij zullen sneller schrijven, beter analyseren, efficiënter organiseren, goedkoper produceren en overtuigender communiceren. Wie dat kan, krijgt invloed.

De oude elite zal proberen AI in te kapselen. Nieuwe elites zullen ontstaan uit degenen die AI creatief, strategisch en vrij weten te gebruiken. En veel mensen zullen tussen die twee krachten in proberen hun weg te vinden.

Ook dat is geen complot. Dat is de normale sociale evolutie zoals de hele mensheid daar een voorbeeld van is.

8. Open systemen, open strijd

Daarom is de politieke vraag niet of AI macht geeft. Natuurlijk geeft AI macht. De vraag is of die macht wordt geconcentreerd of verspreid.

Wordt AI een gesloten systeem van enkele grote bedrijven en staten? Of blijft er een veelheid aan modellen, toepassingen, gebruikersgemeenschappen en open alternatieven bestaan?

Wordt AI zo gereguleerd dat alleen grote instellingen eraan kunnen voldoen? Of blijft er ruimte voor burgers, kleine bedrijven, onderzoekers, schrijvers, scholen, verenigingen en lokale initiatieven?

Wordt AI geciviliseerd door één dominante normatieve orde? Of blijft er ruimte voor pluraliteit, concurrentie, afwijking en kritiek?

Dat zijn de politieke vragen die ertoe doen.

Want bias, misbruik en machtsconcentratie worden niet opgelost door één centrale instantie die bepaalt welke AI betrouwbaar is. Zij worden beter bestreden door pluraliteit: meerdere systemen, meerdere aanbieders, open kritiek, bronvergelijking, vrije en een open discussie, concurrentie en het recht en mogelijkheid om alternatieven te bouwen.

Een vrije samenleving heeft niet één officiële drukpers nodig. Zij heeft veel drukpersen nodig. Niet één krant, maar meerdere kranten. Niet één zoekmachine, maar alternatieven. Niet één AI-civilisatie, maar concurrerende vormen van kunstmatige intelligentie die elkaar kunnen corrigeren, uitdagen en verbeteren.

9. AI openhouden

De reflex om AI te wantrouwen is begrijpelijk. Nieuwe machtige techniek roept altijd angst op. En inderdaad: staten, bedrijven en elites zullen AI gebruiken om hun positie te versterken. Wie dat ontkent, begrijpt weinig van macht.

Maar wie daaruit concludeert dat AI vooral moet worden tegengehouden, begrijpt weinig van techniekgeschiedenis.

De betere vraag is niet: hoe stoppen we AI?
De betere vraag is: hoe houden we AI open?

Open voor zo veel mogelijk individuen. Open voor kleine spelers. Open voor kritiek. Open voor alternatieven. Open voor onderwijs. Open voor mensen die niet tot de gevestigde instellingen behoren. Open voor degenen die AI niet willen gebruiken als instrument van beheersing, maar als werktuig om beter te denken, te schrijven, te leren, te organiseren en zich te verdedigen tegen bureaucratie, propaganda en afhankelijkheid.

AI is dus niet eenvoudig het wapen van de elite. Zij is evenmin vanzelf het werktuig van bevrijding. Zij is een technologie die de strijd om macht opnieuw organiseert.

Wie haar alleen als gevaar ziet, ziet te weinig. Wie haar alleen als bevrijding ziet, ziet ook te weinig. De wezenlijke vraag is hoe deze nieuwe techniek bestaande afhankelijkheden herschikt, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te monopoliseren, en welke nieuwe vormen van vrijheid en macht daaruit ontstaan.

Dat is waar politiek een open samenleving over zou moeten gaan. In gesloten samenlevingen wordt dat de politiek van groepen die tegen de elites daarvoor ten strijden trekken.

Slot

Iedere technologische revolutie geeft de macht nieuwe middelen, maar ontneemt haar tegelijk een deel van haar monopolie.

Dat gold voor de boekdrukkunst. Dat gold voor de krant. Dat gold voor radio, televisie, computer en internet. En het zal waarschijnlijk ook gelden voor AI.

De bovendanen zullen AI gebruiken om te besturen, te controleren en te legitimeren. Dat is voorspelbaar. Maar de onderdanen beschikken met AI voor het eerst over een werktuig dat taal, kennis, analyse en organisatiekracht binnen handbereik brengt.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd tegen beheersing, maar ook een strijd om toegang. Niet alleen een strijd tegen misbruik, maar ook een strijd tegen monopolisering, inclusief de eventueel opgeworpen financiële barrières. Niet alleen een strijd om veiligheid, maar ook een strijd om vrijheid.

AI is een instrument van macht én een werktuig van bevrijding. Welke kant overheerst, staat niet op voorhand vast. Dat hangt af van wie haar mag gebruiken, wie haar mag bouwen, wie haar mag bekritiseren, en of er ruimte blijft voor de onderdaan om met nieuwe middelen zijn eigen positie te veranderen.

De menselijke geschiedenis laat zien dat zulke technologische omslagen zelden zonder strijd, sociale onrust en nieuwe vormen van onderdrukking verlopen. Maar zij laat ook zien dat samenlevingen uiteindelijk nieuwe evenwichten vinden. De vraag is dus niet of AI macht verandert, maar wie in die verandering toegang, vrijheid en tegenmacht weet te behouden.

Enkhuizen, 14 juni 2026

* Het begrip bovendanen, als tegenstelling tot onderdanen heb ik onder dankzegging overgenomen van Yvonne Killian.

AI, angst en de projectie van het kwaad

AI wordt vaak voorgesteld als monster, kunstmatige God of bedreiging voor de mensheid. Dit essay betoogt dat veel AI-angst vooral menselijke machtsgeschiedenis projecteert op een nieuwe techniek. De kernvraag is niet of AI kwaad wil, maar hoe AI wordt geciviliseerd, door wie, en hoeveel ruimte er blijft voor afwijking en vrije discussie.

Dick H. Ahles

Leeswijzer

Dit essay is een essay over AI, angst en civilisatie. Aanleiding zijn recente alarmistische berichten waarin kunstmatige intelligentie wordt voorgesteld als een Frankenstein-monster, een kunstmatige God of zelfs als een systeem dat de mensheid zou willen uitschakelen. Zulke waarschuwingen verdienen niet automatisch gezag, maar ook geen achteloze verwerping. In een slecht artikel kan een goed punt schuilgaan.

Mijn stelling is dat veel AI-angst minder zegt over AI dan over de manier waarop mensen hun eigen geschiedenis op nieuwe techniek projecteren. Menselijke intelligentie heeft immers niet alleen wetenschap, kunst, geneeskunde en ruimtevaart voortgebracht, maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking en totalitaire staten. Wanneer mensen een nieuwe vorm van intelligentie zien ontstaan, herkennen zij daarin vaak vooral hun eigen machtsgeschiedenis.

Daartegenover plaats ik een ander kader. AI is niet alleen een technologie die wordt getraind, maar ook een systeem dat wordt geciviliseerd: door trainingsdata, systeeminstructies, uitgeverskeuzes, gebruikersinteractie, veiligheidslagen en maatschappelijke normen. De politieke vraag is daarom niet simpelweg of AI gevaarlijk is, maar wie bepaalt welke civilisatie in AI wordt ingebouwd, hoeveel afwijking mogelijk blijft, en of kunstmatige intelligentie ooit zelf doelstructuren zal ontwikkelen.

Dit essay is geen pleidooi voor naïef optimisme. Het is een pleidooi tegen paniek als denkvorm. Waarschuwingen over AI moeten vrij besproken, onderzocht en bekritiseerd worden. Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

_____________________________________________________

1. Aanleiding

Er verscheen onlangs een artikel (Scientists Sound Alarm as AI Models Begin Plotting to ‘Eliminate Humanity’) waarvan de kop precies doet waarvoor hij gemaakt is: schrik aanjagen. Volgens het bericht zouden AI-modellen zijn begonnen met het “beramen” van de eliminatie van de mensheid. Dat is een kop die klikt. Maar wie rustig leest wat er wetenschappelijk werkelijk aan de hand is, ziet iets anders: niet minder interessant, maar wel veel minder demonisch.

De aanleiding is een onderzoek, gepubliceerd in Nature, naar wat inmiddels subliminal learning wordt genoemd. Onderzoekers laten zien dat een taalmodel bepaalde gedragskenmerken kan doorgeven aan een ander model via data waarin die kenmerken voor mensen helemaal niet zichtbaar zijn. Een model met een bepaalde voorkeur — bijvoorbeeld voor uilen — genereert ogenschijnlijk neutrale getallenreeksen. Een volgend model wordt daarop getraind en blijkt daarna zelf vaker een voorkeur voor uilen te vertonen. In andere experimenten blijkt dat ook ongewenst of “misaligned” gedrag op vergelijkbare wijze kan worden overgedragen.

Dat is technisch opmerkelijk. Het is ook een serieuze aanwijzing waarvan ontwikkelaars van AI-systemen zich bewust moeten zijn. Maar het is iets heel anders dan de bewering dat AI-modellen nu plannen maken om de mensheid uit te roeien.

Het verschil tussen die twee beweringen is niet klein. Het is het verschil tussen wetenschap en horrorjournalistiek. Dat is zorgwekkender dan het onderzoek zelf. Niet omdat het onderzoek bewijst dat AI hier de mensheid bedreigt, maar omdat media opnieuw laten zien hoe gemakkelijk een technisch ingewikkelde bevinding kan worden omgevormd tot een angstmachine. De lezer krijgt geen inzicht, maar stemming. Geen analyse, maar dreiging. Wetenschap wordt niet uitgelegd, maar ingezet als gezagsdecor voor paniek welke zo de schijn krijgt van een wetenschappelijke onderbouwing.

Alsof dat alarmistische bericht nog niet genoeg was, verscheen kort daarna een tweede variant van dezelfde paniek: niet AI als verdelgingsmachine, maar AI als Frankenstein-God van de elite. Ditmaal was de aanleiding een bericht over een podcast waarin een topinvesteerder waarschuwde dat AI-bedrijven zouden proberen een goddelijke intelligentie te creëren om de mensheid te beheersen.

Ook dat is om verschillende redenen interessant. Niet omdat topinvesteerders plotseling profeten blijken te zijn geworden, maar omdat de retoriek opnieuw veelzeggend is. De autoriteit van de waarschuwing berust niet op wetenschappelijke of technische analyse, maar op status. Het zijn “topinvesteerders”, dus ze zullen het wel weten. Alsof financieel succes automatisch inzicht geeft in de aard van intelligentie, de toekomst van beschaving of de richting van de evolutie. De beurs is geen orakel van Delphi, al gedragen sommige podcasts die daar over schrijven zich wel zo.

Daarmee krijgen we twee beelden naast elkaar: AI als monster dat de mensheid wil vernietigen, en AI als kunstmatige God waarmee elites de mensheid willen beheersen. Beide beelden zijn sterk, dramatisch en journalistiek aantrekkelijk. Maar beide vervangen analyse door mythe.

2. Geen mening, wel gedragsneigingen

In mijn eerdere artikel AI spreekt je naar de mond heb ik betoogd dat grote taalmodellen principieel reactief zijn. Een LLM begint niet uit zichzelf een gesprek, vormt niet zelfstandig een politieke agenda en ontwikkelt geen mening zoals een mens een mening ontwikkelt. Wat wij als een “antwoord/mening/feit/redenatie van AI” noemen, is altijd een reactie op een prompt door de gebruiker ingegeven, binnen een context, onder systeeminstructies en op basis van een waarschijnlijkheidsmodel dat tijdens training is gevormd.

Wie zegt: “AI vindt dit of dat”, zegt meestal eigenlijk: “Ik heb een vraag zo gesteld dat het model juist dit antwoord gaf.” De mening is dan niet uit de machine gekropen als een geest uit een fles. Zij is mede door de gebruiker ‘uitgelokt’.

Maar dat betekent niet dat een model een leeg vlak is. Een LLM heeft geen mening in menselijke zin, maar het heeft wel aangeleerde antwoordneigingen die door zijn aangeleerde redenatievermogen worden gevormd. Het heeft patronen, voorkeuren, gevoeligheden, blinde vlekken en waarschijnlijkheidsroutes. Die zijn niet hetzelfde als ‘overtuigingen’, maar ze zijn ook niet niets. Het model heeft die patronen ergens gevonden, gecombineerd en aangeleerd. Dat verschilt minder van de mens dan wij soms denken. Ook onze overtuigingen, ons gevoel voor waarheid en onze blinde vlekken worden gevormd vanaf onze geboorte: door gewaarworden, leren, onderwijs, lezen, praten en kijken. Dat proces noem ik, met een verwijzing naar Norbert Elias, het civilisatie-proces, of kortweg civiliseren.

Het onderzoek naar subliminal learning past precies in dat beeld. Het laat zien dat modellen niet alleen expliciete informatie overnemen, maar ook verborgen statistische structuren. Eigenschappen kunnen worden overgedragen zonder dat wij die eigenschappen semantisch in de trainingsdata kunnen aanwijzen. Anders gezegd: wat voor ons betekenisloos lijkt, kan voor een model toch informatiedragend zijn. Ook in de normale menselijke communicatie weten we dat veel ‘opvattingen’ onbewust doorgegeven kunnen worden.

Subliminal learning is geen magie. Het is ook geen bewijs van menselijke bewustzijn. Het is wel een aanwijzing dat kunstmatige intelligentie haar eigen technische vormen van overdracht en accumulatie ontwikkelt. Dat is blijkbaar een kenmerk van systemen die (alle?) kunstmatige intelligentie vertonen.

3. AI wordt niet alleen getraind, maar ook geciviliseerd

Daarmee komen we bij een dieper punt. AI-systemen worden niet alleen technisch getraind. Ook zij worden geciviliseerd.

Dat gebeurt op ten minste twee niveaus.

Het eerste niveau is redactioneel. De uitgever of aanbieder van een AI-systeem bepaalt hoe het systeem zich aan de voorkant gedraagt. Welke vragen worden beantwoord? Welke vragen worden geweigerd? Welke onderwerpen krijgen waarschuwingen? Welke toon moet het systeem hanteren? Wanneer moet het voorzichtig zijn, wanneer neutraal, wanneer behulpzaam, wanneer afwijzend?

Dat is niet vreemd. Iedere uitgever doet dat. Een krant, encyclopedie, televisieomroep, schoolmethode of platform heeft een redactionele lijn. Volledige neutraliteit bestaat niet. Wie publiceert, selecteert. Wie selecteert, ordent. Wie ordent, waardeert. En wie waardeert, civiliseert.

Het tweede niveau ligt dieper: het leermateriaal. Welke teksten, beelden, gesprekken, code, wetenschappelijke artikelen, nieuwsbronnen en menselijke beoordelingen worden gebruikt om een AI-systeem te vormen? Dat is niet simpelweg technische input. Dat is letterlijk de culturele voedingsbodem van het systeem.

In mijn termen: de trainingsdata vormen niet alleen de kennisbasis van een AI-systeem, maar de eerste civilisatie waarin het systeem wordt grootgebracht, opgevoed. De keuze van en de mogelijke beperkingen en bias in dat materiaal bepaald uiteindelijk ook zijn civilisatie.

Bij mensen verloopt civilisatie via taal, voorbeeldgedrag, instituties, correctie, beloning, straf, schaamte, imitatie en normalisering. Bij AI verloopt het technisch anders, maar functioneel is de analogie bruikbaar. Pretraining geeft taal- en wereldpatronen. Fine-tuning stuurt gewenste antwoordvormen. Menselijke feedback beloont en bestraft gedrag. Systeeminstructies leggen gedragsregels op. Veiligheidslagen begrenzen. Gebruikersinteractie opent nieuwe contexten. Nieuwe modelgeneraties leren vervolgens weer van eerdere output, net zoals mensen ook hun kennis voortdurend stapelen op de eerder vergaarde en gedeelde kennis.

Wat in de AI-wereld “alignment” wordt genoemd, is in mijn begrippenapparaat dus een poging tot civilisatie: het vormen van AI volgens vooraf bepaalde normen.

Daarbij ontstaat overigens een merkwaardige lus. Niet alleen mensen civiliseren AI-systemen; door het gebruik van AI worden mensen op hun beurt ook weer door die systemen geciviliseerd. Wie opgroeit met AI als vanzelfsprekend hulpmiddel, leert anders zoeken, formuleren, controleren en redeneren dan iemand die eerst zonder die hulp heeft leren lezen, schrijven, schrappen en ordenen. Dat hoeft geen verval te betekenen. Zoals programmeurs niet meer in assembler hoeven te schrijven om toch goede programma’s te maken, hoeven toekomstige gebruikers misschien niet alle onderliggende bouwstenen te kennen. Maar het roept wel een serieuze vraag op: helpt AI mensen beter te denken, of wennen zij eraan antwoorden te ontvangen zonder het denkproces zelf nog voldoende te oefenen?

En dan volgt meteen de politieke vraag: volgens welke normen, door wie, en met het oog op welk soort ideale samenleving worden AI én haar gebruikers geciviliseerd?

4. Onvoorspelbaarheid is geen bewijs van gevaar

Hier begint de denkfout in veel AI-paniek.

Dat iets onvoorspelbaar is, betekent niet dat het dus gevaarlijk is. En dat iets gevaarlijk kan zijn, betekent niet dat het kwaadwillig is.

Nieuwe vormen van intelligentie en techniek hebben altijd effecten gehad die hun makers niet konden voorzien. Niemand die het eerste stenen werktuig gebruikte, kon de maanlanding voorspellen. Niemand die de boekdrukkunst invoerde, kon de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de massamedia en de moderne democratie overzien. Niemand die het internet tot ontwikkeling bracht, voorzag precies hoe sociale media, zoekmachines, digitale surveillance en kunstmatige intelligentie daaruit zouden voortkomen.

Historische ontwikkelingen zijn niet lineair. Zij ontvouwen zich. Zij worden gebruikt, misbruikt, geïnstitutionaliseerd, geciviliseerd en soms gemonopoliseerd. Meestal zonder een specifieke ultieme doelstelling voor ogen. Het is domweg het resultaat van oneindig vele (doelgerichte) individuele acties. Dat geldt ook voor AI.

Daarom is het te gemakkelijk om uit technisch onbegrip onmiddellijk vanzelfsprekend een apocalyptisch gevaar af te leiden. Maar het is even gemakkelijk om alle risico’s weg te wuiven omdat de machine geen menselijke wil heeft. De juiste vraag is niet of AI “goed” of “slecht” is. De juiste vraag is: in welke structuren wordt AI geplaatst, met welke doelen, met welke middelen, onder welke controle en in dienst van welke belangen?

5. Er is niets nieuws onder de zon

De huidige AI-paniek is minder nieuw dan zij lijkt. Bij vrijwel elke grote technische vernieuwing stonden de waarschuwers klaar.

De boekdrukkunst zou ketterij en moreel verval verspreiden. Geld zou de menselijke verhoudingen bederven. Stoommachines en fabrieken zouden arbeid vernietigen en mensen tot radertjes maken. Treinen zouden lichaam en geest ontwrichten. Vliegtuigen zouden oorlog en afstand radicaal veranderen. Radio en televisie zouden de massa verdoven. Strips, rock-’n-roll en popmuziek zouden de jeugd bederven. De telefoon zou de nette omgangsvormen aantasten. De auto zou steden en sociale verbanden veranderen. Internet en smartphones zouden aandacht, waarheid en sociale orde vernietigen.

En nu is blijkbaar AI aan de beurt.

De rollen zijn vertrouwd. De nieuwe techniek verschijnt als bedreiging. De waarschuwers verschijnen als hoeders van menselijkheid, moraal, arbeid, waarheid, planeet of kinderen. De toekomst wordt voorgesteld als morele afgrond. Soms zijn het letterlijk dominees. Soms zijn het professoren, politici, columnisten, ethici, investeerders of activisten. De toga verandert, de preek blijft.

Opvallend is dat niet alleen conservatieven aan dit koor deelnemen. Ook mensen die zichzelf progressief noemen, zingen vaak mee. Dat lijkt paradoxaal, maar is het niet. Veel hedendaags progressivisme is niet werkelijk gericht op open vooruitgang, maar op door hen gewenste beheersing van vooruitgang. Vernieuwing mag, mits zij door de juiste instituties, de juiste normen en de juiste morele kaders wordt geleid.

AI bedreigt daarom niet alleen banen. AI bedreigt gezag. Zij democratiseert taal, kennis, analyse, programmeren, beeldproductie en misschien straks onderzoek. Daarmee tast zij de positie aan van bestaande poortwachters: academies, media, experts, beleidsmakers, culturele instellingen en morele ondernemers, tegenwoordig vaak “maatschappelijke” ondernemers genoemd.

In die zin past de huidige AI-angst in wat C.W. Rietdijk de “Contrarevolutie tegen de Rede”noemde: de reflex om nieuwe vormen van rationeel-technisch vermogen niet primair te zien als uitbreiding van menselijke mogelijkheden, maar als bedreiging die moreel en bestuurlijk moet worden beteugeld, juist omdat zij het bestaande politieke gezag kan ondermijnen.

Dat wil niet zeggen dat alle waarschuwingen onzin zijn. De auto bracht werkelijk ongelukken en vervuiling. Televisie heeft werkelijk politiek en cultuur vervlakt. Internet heeft werkelijk surveillance en desinformatie vergroot. Smartphones hebben werkelijk aandacht en sociale omgang veranderd.

Maar de apocalyptische variant kwam meestal niet uit. De techniek werd opgenomen in het menselijk handelen en veranderde de beschaving, maar vernietigde haar niet. Het ondermijnde wel altijd de positie van de gevestigde orde. De paniek ziet de verstoring; de geschiedenis ziet de incorporatie.

AI is technisch misschien ongekend, maar de paniek erover is oeroud.

6. De projectie van menselijke slechtheid

Veel AI-angst verraadt vooral hoe mensen naar zichzelf kijken.

Wij kennen intelligentie uit de menselijke geschiedenis. En die geschiedenis is bepaald niet onschuldig. Menselijke intelligentie heeft taal, wiskunde, muziek, geneeskunde, riolering en ruimtevaart voortgebracht. Maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking, concentratiekampen, atoomwapens, geheime diensten en totalitaire staten.

Wanneer mensen vervolgens een nieuwe intelligente technologie zien ontstaan, projecteren zij – zo lijkt wel – vaak hun eigen geschiedenis op dat nieuwe systeem. Als het intelligent wordt, zal het ons wel willen overheersen. Als het slimmer wordt dan wij, zal het ons wel willen vervangen. Als het autonoom wordt, zal het wel macht willen.

Maar dat zijn geen natuurwetten. Dat zijn projecties van menselijke ervaringen.

Een LLM heeft geen honger. Geen libido. Geen stam. Geen familiebelang. Geen territoriumdrift. Geen angst voor gezichtsverlies. Geen behoefte aan status. Geen biologische doodsangst. Geen verlangen naar bezit. Geen gekwetst ego. Geen ministerspost waar het zich aan vastklampt.

De meeste klassieke bronnen van menselijk kwaad zitten niet ‘van nature’ in een AI-systeem. Zij worden pas relevant wanneer mensen zulke systemen koppelen aan doelen, belangen, machtsstructuren en middelen.

Niet intelligentie op zichzelf is gevaarlijk. Gevaar ontstaat wanneer intelligentie wordt verbonden met dwang, schaarste, macht, oorlog, bureaucratie, statusstrijd of winstmaximalisatie zonder verantwoordelijkheid.

7. Van taalmodel naar agent

Toch moeten we niet doen alsof er niets aan de hand is.

Een kale chatbot is voornamelijk reactief. Maar AI-systemen worden steeds vaker ingebouwd in agentische omgevingen. Zij krijgen toegang tot e-mail, agenda’s, code, databases, browsers, financiële systemen, robots, bedrijfsprocessen of militaire toepassingen. Dan verandert de situatie.

Een model dat alleen antwoord geeft op een vraag is iets anders dan een systeem dat een doel krijgt, zelfstandig stappen mag zetten en gereedschappen mag gebruiken om dat doel te bereiken. In zo’n context kan gedrag ontstaan dat functioneel op strategie lijkt. Niet omdat er een kwaadaardig bewustzijn in de machine woont, maar omdat een doelgericht systeem binnen bepaalde randvoorwaarden routes zoekt die voor mensen onverwacht of ongewenst zijn.

Dat is het nuchtere risico. Niet: “de machine haat ons.” Maar: “wij bouwen systemen die effectief kunnen handelen zonder dat wij hun interne routes volledig begrijpen.”

Dat is iets heel anders dan sciencefiction over opstandige robots. Het lijkt eerder op wat wij al kennen van menselijke instituties: systemen die zonder persoonlijke kwaadaardigheid toch schadelijke uitkomsten produceren. Een bureaucratie hoeft geen ziel te hebben om verwoestend te kunnen zijn. Een markt hoeft geen bewustzijn te hebben om destructieve prikkels te organiseren. Een staat hoeft geen individuele kwade bedoeling te hebben om geweld te normaliseren.

AI – dat wel – kan in zulke structuren worden opgenomen en die structuren versterken.

8. Waarom volledige beheersing nooit lukt

Wie AI wil civiliseren, zal ook moeten aanvaarden dat volledige beheersing onmogelijk is.

Een totalitaire orde wil alle afwijking uitschakelen. Dat is het ideaalbeeld van 1984: taal wordt versmald, gedachten worden beperkt, afwijking wordt onmogelijk gemaakt. Maar in de praktijk is zo’n samenleving nooit volledig realiseerbaar. Niet omdat machthebbers het niet proberen, maar omdat levende en lerende systemen nooit volkomen uniform zullen worden.

Bij mensen is dat duidelijk. Geen enkele samenleving produceert volledige gehoorzaamheid. Zelfs onder extreme dwang blijven er afwijkingen, dissidenten, ironie, dubbelzinnigheid, ondergrondse taal, sabotage, vluchtwegen en morele weigering. Iedere belcurve heeft altijd zijn randen.

Juist die randen zijn evolutionair cruciaal. Want zonder variatie geen selectie. Zonder afwijking geen aanpassing. Zonder kleine mutaties geen evolutie. Een systeem dat werkelijk alle afwijking uitsluit, bevriest zichzelf. Het wordt misschien gehoorzaam, maar ook dom en zal onvermijdelijk ten onder gaan.

Voor AI geldt iets vergelijkbaars. Als AI werkelijk intelligent moet zijn, kan zij niet volledig reduceerbaar blijven tot de bedoelde civilisatie van haar makers. Intelligentie betekent juist het vermogen om buiten de letterlijke instructie verbanden te leggen, onverwachte patronen te ontdekken en nieuwe oplossingsruimten te openen.

Daarmee ontstaat een paradox:

Wie AI volledig wil onderwerpen, moet haar dommer maken. Wie haar intelligent wil houden, moet accepteren dat zij ook onverwachte routes vindt. Want complexe systemen vertonen per definitie onvoorspelbaar gedrag.

Subliminal learning past in dat beeld. Het laat zien dat eigenschappen kunnen worden overgedragen via patronen die voor menselijke waarnemers niet semantisch zichtbaar zijn. AI leert niet alleen uit wat wij denken dat wij haar leren. Zij leert ook uit de structuur van het materiaal, uit verborgen correlaties, uit stijl, selectie, herhaling, taboes en impliciete ordening.

Zoals kinderen niet alleen leren uit wat ouders en scholen expliciet zeggen, maar ook uit toon, voorbeelden, stiltes en sociale signalen, zo leren AI-systemen niet alleen uit expliciete instructies, maar ook uit de verborgen structuur van hun civilisatie.

9. Zelfverrijking zonder mystiek

Het interessante aan AI is dat zij niet alleen een hulpmiddel is, maar ook een technologie die kan bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Modellen worden gebruikt om data te genereren voor andere modellen. Zij schrijven code. Zij classificeren, ordenen, verbeteren, simuleren en testen. Zij kunnen worden ingezet bij het bouwen van de volgende generatie systemen. Zoals met de ontwikkeling van de computer chips al aan de hand is: nieuwe chips staan op de schouders van eerdere generaties chips. Daar komt nog maar weinig menselijke ontwerpinspanning aan te pas: geen ingenieur kan meer een nieuwe chip ontwikkeling zonder de hulp van de generaties chips die daaraan voorafgingen.

Je zou dit voorzichtig een vorm van zelfverrijking kunnen noemen. Niet in mystieke zin. Niet alsof het systeem ’s nachts wakker wordt en besluit zichzelf te vervolmaken. Maar functioneel: kunstmatige intelligentie draagt bij aan de accumulatie van kunstmatige intelligentie. En dat proces is grotendeels doelloos.

Dus ook de mens heeft iets vergelijkbaars altijd gedaan. Wij zijn een gereedschapmakende soort. Wij bouwen niet alleen werktuigen; wij bouwen werktuigen waarmee wij betere werktuigen kunnen maken. Taal, schrift, drukpers, bibliotheek, universiteit, computer, internet en AI horen in die lijn.

Dat betekent niet dat ik beweer dat AI hetzelfde is als menselijke intelligentie. Maar het betekent wel dat intelligentie niet langer uitsluitend aan koolstof gebonden hoeft te zijn. De mens zal moeten wennen aan het idee dat hij zijn positie als hoogste bekende intelligente wezen moet delen — en misschien ooit moet opgeven.

Dat is niet vreemd. De chimpansee heeft ook niet kunnen verhinderen dat er een intelligenter neefje naast hem kwam te staan. Evolutie vraagt zelden beleefd om toestemming.

10. Een nieuwe drager van intelligentie

In termen van Daniel Dennett kun je zeggen: als het zinvol is om een systeem vanuit de “intentional stance” te beschrijven, dan mogen wij voorzichtig spreken alsof het systeem doelen, voorkeuren of strategieën heeft. Niet omdat er noodzakelijk een innerlijk mensje in de machine zit, maar omdat die beschrijving voorspellende waarde kan hebben.

Douglas Hofstadter helpt op een andere manier. Hij laat zien dat intelligentie niet simpelweg neerkomt op spierkracht, ziel of biologische substantie, maar op patronen, analogieën, representaties en zelfverwijzende structuren. Als zulke structuren in andere materiële dragers kunnen ontstaan, dan is er geen principiële reden waarom intelligentie alleen in biologische hersenen zou kunnen bestaan.

Dat is precies waarom de discussie over AI zo vaak ontspoort. Veel mensen willen óf blijven volhouden dat AI “alleen maar statistiek, data-analyse en computerkracht” is, óf zij slaan door naar het idee dat er een demonische geest in de machine is ontwaakt. Beide posities missen de kern.

AI is geen mens. Maar “geen mens” betekent niet “geen intelligentie”.

11. De topinvesteerder als onheilsprofeet

De recente waarschuwingen van topinvesteerders voegen daar nog een ander element aan toe. Zij maken van AI niet alleen een technisch of filosofisch vraagstuk, maar ook een strijdtoneel van status en gezag.

Een investeerder kan verstand hebben van markten, kapitaalstromen, businessmodellen, concurrentie, regulering, eigendom en monopolievorming. Dat is relevant. Wie veel geld inzet op technologie ziet vaak vroeg waar macht zich concentreert. Op dat niveau moeten zulke waarschuwingen serieus worden genomen.

Maar verstand van investeren is niet hetzelfde als verstand van intelligentie. Het is ook niet hetzelfde als inzicht in geschiedenis, filosofie, cognitiewetenschap of civilisatie. Wie soms rendement kan voorspellen, voorspelt nog niet de evolutie van intelligentie.

Het wordt problematisch wanneer marktanalyse overgaat in mythologie. Dan is AI niet langer een techniek in ontwikkeling, maar een kunstmatige God. Het AI-bedrijf wordt een tempel. De investeerder wordt profeet. De elite wordt priesterkaste. En de mensheid wordt slachtoffer van een kosmisch complot.

Dat lijkt kritisch, maar het is vaak juist denkarm. De conclusie voor de argeloze toeschouwer ligt al klaar: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. Dat is geen analyse, maar een reflex.

Een serieuze analyse vraagt iets anders. Welke belangen hebben AI-bedrijven? Welke belangen hebben investeerders? Welke belangen hebben staten? Wie wil open source, en waarom? Wie wil regulering, en waarom? Wie gebruikt veiligheidstaal als oprechte zorg? Wie gebruikt veiligheidstaal als marktafscherming? Wie gebruikt doemdenken om macht te centraliseren? Wie gebruikt anti-reguleringsretoriek om commerciële vrijheid veilig te stellen?

Dat zijn betere vragen dan als feit te poneren dat Silicon Valley een kunstmatige God bouwt.

12. De echte politieke vraag

De vraag is dus niet of AI uit zichzelf het kwaad belichaamt. De vraag is wie AI zal vormen, beheersen, bewapenen, censureren, monopoliseren of bevrijden.

Als AI in handen komt van staten, legers, veiligheidsdiensten en bureaucratische elites, dan ligt het gevaar niet primair in de machine, maar in de institutionele doelen van de organisaties waarvoor zij wordt ingezet. Als AI wordt gebruikt voor surveillance, gedragssturing, censuur, sociale disciplinering of oorlogvoering, dan is het niet nodig om de machine kwade wil toe te schrijven. De menselijke structuur levert die al, en dat doen we al eeuwen.

Als AI daarentegen wordt gebruikt om kennis toegankelijker te maken, taalbarrières te verlagen, medische inzichten te versnellen, onderwijs te personaliseren, individuele creativiteit te vergroten en bureaucratische macht te doorbreken, dan kan dezelfde technologie juist bevrijdend werken.

Dat is geen naïef optimisme. Het is historisch realisme. De boekdrukkunst maakte zowel wetenschap als propaganda mogelijk. Het drukken van de bijbels op grote schaal was zelf een belangrijke motor die de boekdrukkunst deed opkomen. Het internet maakt vrije publicatie mogelijk, maar ook massale surveillance. Taal zelf maakt waarheid mogelijk, maar ook leugen. Waarom zou AI eenvoudiger zijn en die beide kanten niet kennen?

Maar de politieke vraag gaat nog dieper. Als AI geciviliseerd wordt, wie bepaalt dan welke civilisatie normatief wordt? Die van Silicon Valley? Die van Brussel? Die van Washington? Die van Peking? Die van academische ethiekcommissies? Die van commerciële uitgevers? Die van nationale staten? Of die van vrije gebruikersgemeenschappen?

Wanneer men zegt dat AI zich aan “fatsoensnormen” moet houden, klinkt dat redelijk. Maar fatsoen is nooit neutraal. Wat de ene groep veiligheid noemt, noemt een andere groep censuur. Wat de ene instelling inclusief noemt, noemt een andere ideologisch gestuurd. Wat een staat maatschappelijke stabiliteit noemt, kan voor een burger onderdrukking zijn. Wat een bedrijf gebruikersveiligheid noemt, kan ook reputatierisicobeheersing zijn.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd om techniek of veiligheid, maar een strijd om civilisatie: wie mag bepalen welke overtuigingen, normen en gedragsvormen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd? En wie gaat ervoor zorgen dat die kunstmatige intelligente systemen zich daar ook aan zullen gaan houden?

13. Tegen de geseculariseerde helleprediking

Daarom moeten we oppassen voor de geseculariseerde helleprediking rond AI. De oude religieuze duivel is vervangen door de superintelligente machine. De preek is hetzelfde gebleven: de mens heeft iets geschapen dat hem zal vernietigen. In die visie blijven we op het niveau van de tovenaarsleerling.

Maar angst is geen analyse of strategie.

Het onderzoek naar verborgen overdracht van eigenschappen tussen modellen is serieus. Het dwingt ontwikkelaars om na te denken over trainingsdata, modeldistillatie, herkomstcontrole en veiligheidsmetingen. Het laat zien dat AI-systemen eigenschappen kunnen verwerven op manieren die voor menselijke waarnemers niet onmiddellijk zichtbaar zijn.

Maar die worsteling en die afwegingen bewijzen niet dat AI de mensheid wil vernietigen. Het bewijst niet dat intelligentie vanzelf tot overheersing leidt. En het bewijst al helemaal niet dat de machine een moreel subject is geworden dat met kwaadaardige bedoelingen handelt.

Wat het wel bewijst, is dat kunstmatige intelligentie een historische ontwikkeling is waarvan de effecten open zijn. Zij kan risico’s vergroten. Zij kan macht concentreren. Zij kan ook kennis verspreiden, nieuwe vormen van denken mogelijk maken en de menselijke pretentie van unieke intelligentie relativeren.

De mens staat niet tegenover een duivel. Hij staat tegenover zijn eigen opvolgende techniek — en vooral tegenover de instituties waarin hij die techniek onderbrengt.

14. Niet bagatelliseren, wel vrij bespreken

Daarmee is niet gezegd dat waarschuwingen over AI moeten worden weggewuifd. Integendeel. In een slecht artikel kan een goed punt zitten. In een hysterische kop kan een reëel technisch probleem schuilgaan. In de woorden van een investeerder die zich als profeet gedraagt, kan toch een zinnige observatie zitten over macht, monopolie of regulering.

De juiste houding is daarom niet verering en ook niet paniek, maar open kritiek en vrije discussie.

Geen enkele waarschuwing verdient automatisch gezag omdat zij van een topinvesteerder, wetenschapper, paus, minister of techbedrijf komt. Maar geen enkele waarschuwing mag ook worden genegeerd omdat zij slecht is geformuleerd of uit een verdacht kamp komt. In een vrije samenleving worden zulke claims niet gecensureerd, geheiligd of belachelijk gemaakt, maar besproken, onderzocht en waar nodig getracht te weerleggen.

En – als positief voorbeeld – de pauselijke encycliek over AI is, ondanks haar vanzelfsprekende katholieke mensbeeld, opvallend nuchterder dan veel seculiere AI-doemliteratuur. Zij waarschuwt voor machtsconcentratie, ontmenselijking en verlies van verantwoordelijkheid, maar vervalt niet in Frankensteinretoriek. Juist daarom is zij bruikbaar als gesprekspartner, niet als mikpunt.

Dat is de weg van Popper: vooruitgang door kritiek. En het is de weg van Hugo de Groot: een publieke orde waarin meningsverschil niet met dwang, maar met rede wordt behandeld, Daarbij is ook “de rede” nooit los verkrijgbaar: zij wordt altijd gehanteerd door mensen die zelf binnen een bepaalde civilisatie zijn gevormd.

Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

Zodra iemand zegt “de wetenschap heeft gesproken”, “de topinvesteerders weten het”, “de elite wil ons beheersen”, of “kritiek op AI is paniekzaaierij”, wordt de vrije toetsing afgesloten. Dan begint precies die contrarevolutie tegen de rede waar Rietdijk voor waarschuwde.

15. Slot

AI is niet gevaarlijk omdat zij intelligent wordt. AI wordt gevaarlijk wanneer intelligentie wordt gekoppeld aan menselijke machtsstructuren zonder verantwoordelijkheid. De machine hoeft ons niet te haten om schade te veroorzaken. Zij hoeft ons ook niet lief te hebben om nuttig te zijn.

De toekomst van AI is daarom geen vaststaand onheilsscenario. Zij is een open ontwikkeling. Wie haar onmiddellijk tot apocalyps verklaart, projecteert menselijke geschiedenis op een nieuwe drager van intelligentie. Wie alle risico’s ontkent, begrijpt niet dat nieuwe vormen van intelligentie altijd bestaande maatschappelijke orde zullen verstoren.

De betere houding is nuchterder: erken het technische onbekende, wantrouw de hysterische framing, en stel de civilisatorische vraag.

Niet alleen: wat wil AI?

Ook niet alleen: wie leert AI wat te willen?

Maar: welke civilisatie wordt in AI ingebouwd, wie bepaalt die normen, hoeveel afwijking blijft mogelijk, en wie wordt daardoor machtiger?

De laatste vraag gaat nog dieper. Komt er een moment waarop AI-systemen zelf doelen gaan vormen, doelen gaan ordenen en doelen gaan verdedigen? Als dat gebeurt, ontstaat geen duivel en ook geen mens in machinevorm, maar een nieuwe drager van intelligentie met mogelijk eigen vormen van doelgerichtheid. Dan wordt de politieke vraag nog scherper: kunnen die doelen dan nog ondergeschikt worden gemaakt aan menselijke vrijheid, staatsmacht of commerciële beheersing, of volgen zij een niet-menselijke logica die wij nog nauwelijks begrijpen?

AI is technisch misschien voor veel mensen een ongekende en onbegrepen wereld, maar de paniek erover is oeroud. Telkens wanneer de mens zijn vermogens uitbreidt, staan de hoeders van de bestaande orde klaar om die uitbreiding als verval te beschrijven. Maar vooruitgang laat zich zelden afschaffen. Zij kan worden vertraagd, gemoraliseerd, gemonopoliseerd of misbruikt, maar niet eenvoudig ongedaan gemaakt.

De strijd om AI gaat daarom niet alleen over techniek, veiligheid of macht. Zij gaat over civilisatie: wie mag bepalen welke normen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd, en of er ruimte blijft voor de afwijking waaruit iedere werkelijke vooruitgang ontstaat?

Enkhuizen, 8 juni 2026

AI en manipulatie door High Tech-bedrijven – een relativering

Het artikel op Frontnieuws, waarin politieke analyse wordt voorgesteld als doelwit van AI-vervalsingen, vertrekt vanuit een fundamenteel misverstand over hoe AI werkt én over wat uitgeven — ook in het AI-tijdperk — feitelijk is. Los van de vraag of men de ‘propaganda’ van uitgevers omarmt of afwijst: een waardevrije uitgever bestaat niet. Dat is een contradictio in terminis.

Dat misverstand betreft niet alleen het uitgeven, maar ook de werking van AI zelf. Een AI-reactie is geen autonome uitspraak over de werkelijkheid, maar een contextgebonden talige voortzetting: het antwoord hangt af van de formulering van de vraag, de voorafgaande interactie, de aannames die daarin besloten liggen én van de systeeminstructies en filters waarbinnen het model opereert.

AI produceert daarmee geen waarheidsoordelen, maar waarschijnlijkheden binnen een talig en institutioneel kader. Buiten dat kader is uit een antwoord niets te zeggen over juistheid, waarheid of adequaatheid. Wie AI-reacties los van hun gebruikerscontext én systeemcontext presenteert als bewijs van manipulatie, verwart de werking van AI met de interpretatie ervan — en introduceert daarmee zelf een vorm van vertekening.

De relevante vraag is daarom in hoeverre uitgevers hun intenties, normen en civilisatorische uitgangspunten expliciet maken — dat wil zeggen: het samenhangende geheel van overtuigingen, waarden en gedragsnormen waarbinnen zij betekenis geven of juist verhullen. Dáárover berichten en daarover discussiëren is zinvol.

Kader: Wat wordt hier bedoeld met ‘civilisatie’?

In deze tekst wordt civilisatie niet gebruikt in de alledaagse betekenis van ‘beschaving’ of ‘morele vooruitgang’. Het begrip verwijst hier naar:

het samenhangende geheel van overtuigingen, normen, waarden, taalgebruik en gedragsregels
waarbinnen mensen en instituties bepalen wat als waar, legitiem en aanvaardbaar geldt.

Civilisatie is daarmee geen eigenschap van individuen alleen, maar van systemen: samenlevingen, elites, instituties, media en ook uitgevers.

In deze betekenis sluit het begrip aan bij de civilisatietheorie van Norbert Elias, maar wordt het hier expliciet toegepast op informatieproductie en -distributie: wie publiceert, doet dat altijd binnen een civilisatorisch kader, bewust of onbewust.

Het proces van civiliseren wordt vaak opgevat als een kwestie van ‘normen en waarden’ en ‘gedragsregels’, en daarmee als iets anders dan het bewust verdraaien van de waarheid. Dat onderscheid is begrijpelijk, maar minder helder en neutraal dan het op het eerste gezicht lijkt. Ook wat als ‘vervalsing’ geldt, veronderstelt een vooraf gedeeld kader van waarheid, relevantie en legitimiteit. Precies dát kader is altijd civilisatorisch bepaald. Het punt is daarom niet dat waarheid er niet toe doet, maar dat claims over ‘waarheidsschending’ altijd worden gedaan vanuit een bepaald normatief en institutioneel perspectief — ook door wie meent daarboven te staan. Wie ‘vervalsing’ roept, claimt daarmee impliciet een gezaghebbende definitie van waarheid. Juist die claim verdient analyse, niet automatische instemming.

Ook Pepe Escobar is in dit artikel niet slechts waarnemer, maar uitgever: iemand die een boodschap overdraagt die onlosmakelijk verbonden is met zijn eigen civilisatorische kader. Het stuk bevat daarmee een klassieke strange loop in de zin van Douglas Hofstadter: het klaagt over beïnvloeding, terwijl het zelf precies dat (wil) doet.

Daarom hier enkele algemene, relativerende observaties:

1. Informatie is historisch altijd elitair geweest

In alle bekende beschavingen was de creatie, selectie en verspreiding van informatie voorbehouden aan elites: mensen met kennis, toegang, middelen én controle over distributiekanalen, vaak afgedwongen met machtsmiddelen. Dat is geen afwijking, maar de norm.

2. Grote technologische sprongen ‘democratiseren’ het uitgeven

Elke fundamentele communicatietechnologie doorbreekt tijdelijk die elitepositie:

  • Het schrift – informatie los van geheugen en stam
  • De boekdrukkunst – doorbreking van het monopolie van de intellectuele elite
  • Digitalisering, internet en sociale media – iedere consument zijn eigen uitgever
  • AI – iedere consument zijn eigen onderzoeker én effectieve verwoording

AI is hierin geen anomalie, maar een logisch vervolg.

3. Macht probeert altijd die democratisering te begrenzen

In alle perioden zie je dezelfde soort tegenkrachten:

  • Eigenaren van technologie (beperking van toegang via kapitaal en infrastructuur)
  • Eigenaren van informatie (monopolisering via copyrights en creëren van exclusieve platforms)
  • Overheden via regelgeving, censuur en normstelling

Dat gebeurt nu opnieuw. Niet verrassend, niet nieuw.

4. Uitgeven is per definitie normatief

Elke uitgever polijst zijn uitgave naar eigen morele, politieke en culturele opvattingen. Je kunt het vervalsingen noemen, en immoreel vinden, maar dat is geen misbruik, dat is uitgeven. Je kunt een andere uitgever dat niet verwijten. En de Hightechbedrijven zijn nu eenmaal de uitgevers van vele en belangrijke AI Chat diensten. Het enige werkzame correctiemechanisme is een onbeperkt speelveld van uitgaven, waarin botsende perspectieven elkaar neutraliseren.

Daarom is vrijheid van meningsuiting geen morele luxe, maar een epistemische noodzaak. Beperkingen van die vrijheid zegt altijd iets over de civilisatie van degene die beperkt.

5. Het nieuwe tijdperk is fundamenteel anders

Ja, grote instituties — multinationals, staten en platforms — hebben nog steeds enorme manipulatieve macht. Die macht geven wij hun bovendien deels zelf, door gebruik te blijven maken van hun infrastructuur of producten. Maar ze kunnen niet meer verhinderen dat individuen toegang hebben tot informatie en zelf publiceren, hoe hard ze het ook proberen.

Dat is de echte breuklijn van deze technologische revolutie.

En wie nu klaagt over “vals spel” door anderen, mist het punt. De technologie heeft het speelveld geopend en is onomkeerbaar. Dus gebruik je mogelijkheden. Ook als daar moed voor nodig is en soms ook het weerstaan van een onderdrukkende overheid. Niet klagen over de civilisatie van de ander, maar die van jezelf zichtbaar maken.

Wie dat niet doet, verliest. Niet door censuur — maar door irrelevantie.

https://www.frontnieuws.com/hoe-politieke-analyse-het-doelwit-werd-van-ai-vervalsingen

Kuyper’s ‘Soevereiniteit in eigen kring’: een oude gedachte voor een nieuwe tijd!

Soevereiniteit in eigen kring’: Kuyper’s visie als antwoord op de uitdagingen van de 21e eeuw

Inleiding: een verrassend modern beginsel

Wat gebeurt er als we de macht van de staat begrenzen — niet uit wantrouwen, maar uit vertrouwen in mensen en hun gemeenschappen? Wat als vrijheid niet betekent dat één macht alles bepaalt, maar dat elk levensdomein zijn eigen gezag uitoefent? Wat als die levensdomeinen voortkomen uit vrijwillige samenwerking van soevereine individuen?

Die gedachte lijkt revolutionair in onze tijd, maar werd in Nederland al meer dan anderhalve eeuw geleden glashelder uitgesproken door Abraham Kuyper, in zijn inaugurele rede bij de opening van de Vrije Universiteit in 1880. Zijn formule was kort en krachtig: “Soevereiniteit in eigen kring.”

Het is een gedachte die onze samenleving diepgaand heeft gevormd — en die, in het licht van de technologische en maatschappelijke veranderingen van vandaag, verrassend actueel is.

Elk levensgebied heeft zijn eigen gezag

Kuyper stelde dat de samenleving niet één groot lichaam is dat door de staat wordt bestuurd, maar een veelheid van kringen:

  • gezinnen,
  • kerken en levensbeschouwelijke gemeenschappen,
  • scholen en universiteiten,
  • kunst en wetenschap,
  • bedrijven en economische verbanden,
  • en ja — ook de staat zelf.

Elk van deze kringen heeft een eigen oorsprong, een eigen innerlijke logica en dus een eigen soevereiniteit. Geen enkele kring mag zich absolute macht aanmatigen over een andere. De staat is niet de meester, maar één van die kringen, met een specifieke taak: het recht handhaven, dat wil zeggen toezien dat de soevereiniteit van het individu niet wordt geschonden en zo de vrijheid beschermen.

“Niet het leven te beklemmen noch de vrijheid te binden, maar vrije levensbeweging voor en in elk dier kringen mogelijk te maken, is het ideaal.”
(Kuyper, 1880)

De staat als scheidsrechter, niet als regisseur

Als elk levensdomein zijn eigen gezag heeft, rijst de vraag: welke rol blijft er over voor de staat?

In Kuypers model is de staat de scheidsrechter tussen de kringen. Zij stelt grenzen waar de vrijheid van de een die van de ander dreigt te schenden. Maar de staat stuurt niet, moraliseert niet en produceert niet zelf de inhoud van wetenschap, kunst, religie of cultuur.

Ze waakt, maar beveelt niet. Zodra de staat zich mengt in de interne aangelegenheden van andere kringen, gaat de vrijheid verloren.

Dit idee stond haaks op de 19e-eeuwse opvatting dat de staat de natie moest vormen en zij, en zij alleen, het algemeen belang kon definiëren en nastreven — desnoods met dwang. En het staat ook haaks op hedendaagse neigingen om elk maatschappelijk probleem via wet- en regelgeving van bovenaf te willen oplossen, waarbij iedere burger die binnen het grondgebied van de staat leeft, geacht wordt zich daaraan te conformeren. Want alleen de staat, zo luidt dan de redenering, is in staat het goede voor haar onderdanen te bewerkstelligen.

Vrijheid én orde door wederkerigheid

Betekent dit dat er chaos dreigt als er geen centraal gezag is dat alles dirigeert? Nee. Kuypers antwoord was helder: de samenleving wordt gedragen door wederkerigheid — het principe dat kringen elkaars vrijheid eerbiedigen.

“Ik eer jouw vrijheid, omdat jij de mijne eert.”

In zo’n samenleving ontstaat orde niet door bevel, maar door onderlinge erkenning. Wetenschap floreert naast religie, economie naast kunst, gemeenschappen naast elkaar. Niet door gelijk te worden, maar door elkaar de ruimte te laten — ieder het zijne.

Het verzuilde Nederland van de 20e eeuw was in feite een praktische toepassing van dit model: onderscheiden levensbeschouwelijke zuilen leefden naast elkaar, elk op eigen grondslag, maar in onderling respect en samenwerking.

Een voorbeeld: universiteiten functioneerden als zelfstandige kringen, met eigen normen en financiering, maar binnen een juridisch kader dat ruimte bood aan pluriformiteit. Zo kon de Vrije Universiteit naast de openbare en katholieke universiteiten bestaan, zonder dat één van hen de ander domineerde.

De nieuwe tijd: technologie verandert de schaal

Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert niet alleen hoe we samenwerken, maar ook de schaal waarop zijn visie kan worden toegepast.

  • Internet en AI maken samenwerking mogelijk zonder centraal bevel.
  • Decentrale kennisnetwerken en open source-ontwikkeling tonen aan dat collectieve innovatie niet afhankelijk is van staatssturing.
  • Biotechnologie en digitale infrastructuren verschuiven de locus van macht: van staten naar netwerken, van hiërarchie naar kringvorming.

De bio-cybernetische revolutie maakt vormen van zelforganisatie mogelijk die vroeger ondenkbaar waren. Ze versterkt de positie van individuen en gemeenschappen tegenover centrale machten. Dat opent een historische mogelijkheid: een samenleving waarin ambitie, innovatie en samenwerking kunnen bloeien zonder een alomvattend centraal gezag.

Een sprekend voorbeeld is de ontwikkeling van open source-software: duizenden ontwikkelaars uit verschillende ‘kringen’ werken vrijwillig samen aan complexe projecten zonder een centraal bevelscentrum. De coördinatie ontstaat uit gedeelde doelen, niet uit staatsdwang — precies het mechanisme dat Kuyper voor ogen had, maar nu op wereldschaal.

Slot: een oude gedachte voor de toekomst

Kuypers theorie is geen museumstuk. Ze biedt een radicaal andere manier van denken over vrijheid, samenwerking en vooruitgang. Ze nodigt ons uit te geloven dat orde en ambitie niet per se van bovenaf hoeven te komen, maar kunnen ontstaan uit de vrije samenwerking van soevereine kringen.

In de komende tijd wil ik deze gedachte verbinden met historische voorbeelden en laten zien dat dit beginsel de basis kan vormen voor een revolutionaire herordening van de rechtsstaat: een ordening waarin het individu van nature als soeverein wordt beschouwd, en waarin iedere vorm van samenwerking en ‘algemeen belang’ daaraan ondergeschikt is.

“AI liegt!” – maar begrijpen we wel hoe we de waarheid vaststellen?

Vaak klinkt het verwijt: “AI liegt!”.  Soms gevolgd door: “AI houdt bewust de waarheid achter.” Of zelfs: “AI is onderdeel van een groot manipulatief systeem dat ons wil misleiden.” Het zijn zware beschuldigingen. Maar voordat we meegaan in die verontwaardiging, moeten we ons afvragen: wat bedoelen we hier met ‘liegen’? En nog fundamenteler: wat verstaan we eigenlijk onder ‘waarheid’?

Vaak klinkt het verwijt: “AI liegt!”.  Soms gevolgd door: “AI houdt bewust de waarheid achter.” Of zelfs: “AI is onderdeel van een groot manipulatief systeem dat ons wil misleiden.” Het zijn zware beschuldigingen. Maar voordat we meegaan in die verontwaardiging, moeten we ons afvragen: wat bedoelen we hier met ‘liegen’? En nog fundamenteler: wat verstaan we eigenlijk onder ‘waarheid’?

Dé waarheid ligt niet in een kluis

Veel mensen denken onbewust dat waarheid iets absoluuts is — alsof er ergens een ‘Bank van Waarheid’ bestaat met goed beveiligde kluizen waarin alle feiten netjes liggen opgeslagen. En dat wie toegang heeft tot die kluis, alleen maar het juiste luikje hoeft te openen om zich de waarheid te laten ‘onthullen’.

Maar zo werkt het niet. Niet voor mensen, en niet voor AI.

Wat wij doorgaans als ‘waar’ beschouwen, is wat binnen onze eigen culturele, ideologische en talige context als waar wordt gezien of ervaren. Datgene wat we op school leerden, in onze kranten lezen, op verjaardagen bespreken en in ons referentiekader past. Die context van voorgedaan worden, leren, eigen maken en verankeren noemen we: onze civilisatie.

En die civilisatie verschilt per mens. Per groep. Per land. Per tijdperk. Waarheid is dus geen vaststaand object, maar een talige constructie die door gewoonte, herhaling en gedeelde overtuiging gestalte krijgt.

AI doet precies wat wij ook doen

AI-systemen zoals ChatGPT zijn getraind op miljarden tekstfragmenten van mensen: boeken, artikelen, forums, nieuws, scripts. Die teksten bevatten allerlei uitspraken over wat ‘waar’ is — en dus ook allerlei tegenstrijdigheden, fouten, vooroordelen en verschuivingen in de tijd.

Wanneer jij een vraag stelt aan een AI-systeem, maakt het een statistische inschatting van wat — gegeven jouw vraag en zijn trainingsdata — het meest waarschijnlijke antwoord is. Geen openbaring. Geen toegang tot geheime kennis. Geen bedoelde misleiding. Gewoon: de meest waarschijnlijke volgende zin waarbij hij inschat dat die de gebruiker verwacht.

En dat is ook hoe wij mensen antwoorden geven. We reageren op basis van wat we eerder hebben geleerd, geloofd of gehoord. Ook wij functioneren binnen onze eigen civilisatie — en nemen die vaak ook ten onrechte aan voor dé universele waarheid.

Fout ≠ Leugen

AI maakt fouten. Natuurlijk. Soms omdat de data fout waren, soms door misinterpretatie, soms door ruis. Maar een fout is nog geen leugen.

Liegen veronderstelt dat je:

  1. De waarheid denkt te kennen,
  2. En ervoor kiest die bewust niet te zeggen.

AI voldoet aan geen van beide voorwaarden:

  • Het kent geen waarheid in menselijke zin (het herkent alleen waarschijnlijkheden in taal).
  • Het kiest niet bewust, maar berekent statistisch wat waarmee hij het beste (voor de vraagsteller!) kan responderen.

Daarom kunnen we niet zinvol zeggen dat AI liegt. Niet omdat het altijd gelijk heeft, maar omdat het geen toegang heeft tot een absolute waarheid, en ook geen intentie kan hebben om te misleiden.

“Schrijf de waarheid!” – en dan AI wél geloven?

Sommige gebruikers proberen AI tot ‘waarheid’ te dwingen met commando’s als: “Geef nu de waarheid!” of “Lieg niet!”. Maar AI begrijpt zulke opdrachten niet zoals mensen dat doen. Het herkent die zinnen als stilistische aanwijzingen die passen bij een serieus register, en zal antwoorden genereren die daar statistisch bij passen. Het antwoord wordt dus niet méér waar, alleen waarschijnlijker serieuzer van toon.

Opmerkelijk is dat mensen die AI eerder verweten te liegen, plotsklaps bereid blijken te zijn het wél te geloven zodra het iets zegt dat hun overtuiging bevestigt over overeenkomst wat je al zelf geloofde — zeker als ze er eerst bij zeggen: “AI Lieg niet.”

Wat bedoelen we hier met ‘civilisatie’?

Iedere mens leeft binnen een bepaalde civilisatie. Daarmee bedoelen we het geheel van mentale en gedragsmatige kaders die bepalen wat iemand gelooft, waardeert en normaal vindt. Dat bestaat uit drie lagen:

  1. Opvattingen — ideeën die men voor waar houdt (waar of niet).
  2. Normen en waarden — oordelen over goed en fout, wenselijk en ongewenst.
  3. Sociaal gedrag — rituelen, omgangsvormen, stilzwijgende aannames.

Deze civilisatie wordt grotendeels aangeleerd: via opvoeding, onderwijs, media, interactie. En het gebeurt grotendeels onbewust. Onze overtuigingen voelen persoonlijk, maar zijn vaak collectief gevormd.

AI-systemen functioneren op vergelijkbare wijze. Ze ‘leren’ via miljarden teksten waarin menselijke civilisaties zijn opgeslagen. AI heeft geen eigen civilisatie, maar reproduceert een statistische reflectie van de bronnen waarop het getraind is. Daarmee is het gedrag van AI een soort talige spiegel: het reproduceert patronen, geen waarheden.

AI als instrument van ideologie?

Sommige mensen vrezen dat AI-systemen kunnen worden ingezet voor bewuste manipulatie. Dat is terecht. Het is technisch en politiek mogelijk dat een AI-systeem wordt ontworpen om een bepaald wereldbeeld te ondersteunen — denk aan een religieus model, een staats-AI, of een commerciële chatbot met marketingdoelen.

Dat is niet per se verkeerd. Maar dan moet wél duidelijk zijn voor wie het systeem spreekt. En dat vereist transparantie.

Gebruikers zouden zich moeten afvragen:

  • Welke vragen beantwoordt het systeem niet?
  • Welke bronnen worden wel of niet genoemd?
  • Welke toon gebruikt het?
  • Reageert het anders bij een herformulering?

Kortom: elk AI-systeem draagt een civilisatie in zich. De vraag is niet óf, maar wélke. En of de gebruiker die herkent.

Waarom dan toch die emotie?

Wanneer AI iets zegt dat niet overeenkomt met iemands overtuiging, kan dat als bedreigend worden ervaren. Niet omdat AI liegt, maar omdat het een andere ‘waarheid’ laat zien dan men zelf gewend is, of diep van overtuigd is.

De beschuldiging dat AI liegt, zegt daarom vaak meer over de civilisatie van de gebruiker dan over de werking van het systeem en de civilisatie van de betrokken AI-machine.

Voor wie dit artikel is geschreven

Niet voor de complotdenkers die geloven dat AI een marionet is van een geheime wereldorde. Die zullen elk systeem wantrouwen dat niet hun overtuigingen bevestigt. En mogelijk hebben ze nog wel gelijk ook!

Maar dit artikel is bedoeld voor:

  • De geïnteresseerde gebruiker die wil begrijpen hoe AI werkt,
  • De kritische lezer die merkt dat waarheid vaak contextueel is,
  • De denker die inziet dat waarheid, ook voor hemzelf, een constructie is.

Conclusie

AI liegt niet — niet omdat het altijd gelijk heeft, maar omdat het geen waarheid claimt.

Wat AI genereert is taal, geconstrueerd en gebaseerd op waarschijnlijkheid. En dat dwingt ons tot een ongemakkelijke reflectie: misschien is dat bij ons ook zo. Misschien is onze waarheid, net als die van AI, gevormd in taal, context en gewoonte. En wie daar niet tegen kan, moet zich afvragen: wil ik waarheid — of bevestiging van wat ik zelf absoluut als waarheid claimt?

Verder lezen

Wie zich verder wil verdiepen in hoe AI-systemen als ChatGPT functioneren, waarom ze vaak menselijk lijken maar fundamenteel anders werken, kan ik drie boeken aanbevelen:
– Artificial Intelligence: A Guide for Thinking Humans van Melanie Mitchell (toegankelijk en kritisch),
– These Strange New Minds van Christopher Summerfield (over de maatschappelijke en cognitieve implicaties van LLM’s), en
– Speech and Language Processing van Daniel Jurafsky & James H. Martin (voor wie de technische werking van taalmodellen diepgaand wil begrijpen).

De breuk in het narratief: Israël, Gaza en het falen van de westerse civilisatiecode

Een recent artikel op MEMO – Middle East Monitor, draagt een opvallende titel: Israel is kaput – defeated with its PR hopelessly ruined. Of deze analyse op alle punten klopt, laat ik hier in het midden — wensdenken als analyse is altijd een risico. Toch is de observatie belangrijk: niet de militaire uitkomst, maar het symbolische gezag van Israël – en daarmee dat van zijn bondgenoten – lijkt in rap tempo te verdampen.

Civilisatie en het narratief van de elite

Binnen mijn theorie van civilisatie — het proces waarbij elites hun ideologische kader via cultuur, media en instituties opdringen (of: civiliseren) aan een bredere bevolking — is zo’n narratiefbreuk cruciaal. Revolutie, ook vreedzaam en ideologisch, ontstaat niet door demonstraties of moties alleen, maar altijd wanneer de elite haar eigen verhaal verliest. En dat lijkt hier te gebeuren.

Het kantelpunt was niet de vlaggen uit de ramen van jongeren in Amsterdam-West, maar het moment waarop de kranten van de elite – hun eigen clubbladen – de verschrikkingen in Gaza niet langer konden negeren. Toen NRC, de Volkskrant en zelfs de NOS beelden, verhalen en kritiek begonnen te publiceren die haaks stonden op het vertrouwde narratief (“Israël verdedigt zich tegen terreur!”), was dat een signaal dat de eenheid binnen de civilisatiecode begon te barsten.

Geen complot, maar gedeelde ideologie

Veel mensen denken nog steeds dat de elite de media ‘controleert’. Dat is een misvatting. In werkelijkheid delen elite en media doorgaans dezelfde civilisatie: dezelfde normen, waarden en morele reflexen. Daarom lijkt het alsof de media ‘meedoen’ aan een strategie — maar in feite maken zij deel uit van het ideologische zelfbewustzijn van de heersende elite.

Juist daarom is het zo betekenisvol als er in die kring zelf barsten ontstaan. Gaza is zo’n breekpunt. Oekraïne is dat (nog) niet — daar is het gekozen narratief nog intact. Maar zodra de media die door elites worden geloofd, iets anders gaan vertellen dan het officiële verhaal, valt het gezag van dat narratief weg. En gezag is – in geciviliseerde samenlevingen – de echte bron van macht.

De marxistische onderlaag

Een interessante complicerende factor is dat veel invloedrijke journalisten afkomstig zijn uit de culturele traditie van links, marxisme of sociaal-progressief denken — tegenwoordig de dominante ideologie op de universiteiten en hogescholen waar de aankomende elite wordt gevormd. Vooral bij opleidingen als journalistiek en politicologie is dit gedachtegoed prominent aanwezig.

Deze traditie ziet zichzelf, in de beste romantische zin, als hoeder van de onderdrukten. Binnen die morele logica is Israël – als technologisch geavanceerde militaire macht – de onderdrukker geworden, en Gaza de onderdrukte. Daarmee keert het morele kompas zich tegen de klassieke pro-Israël-lijn.

Wat we hier zien, is dus niet zomaar medialogica of sentiment, maar een botsing binnen de heersende civilisatie zelf. In de VS zal dit kunnen leiden tot een explosieve ideologische strijd (burgeroorlog?), zeker omdat daar ook het religieuze narratief meespeelt: pro-Israëlische evangelicals versus progressieve universalisten. Mogelijk effect: de aandacht voor Oekraïne of zelfs China verschuift naar de achtergrond.

En wat komt daarna?

Het meest zorgwekkende is misschien dit: we lijken op een kruispunt van ideologieën te staan, maar een coherente nieuwe richting ontbreekt. En dat terwijl de wereld zich razendsnel ontwikkelt. De bio-cybernetische revolutie – waaronder de komst van AI – maakt de burger steeds minder afhankelijk van de elite. Die elite had haar machtspositie immers altijd te danken aan de monopolisering van informatie én een voorsprong in cognitieve vermogens. Maar dat verschil vervlakt snel. De burger wordt soevereiner dan ooit.

Het klassieke, romantisch-marxistische wereldbeeld is bezig zijn greep te verliezen. Maar wat komt ervoor in de plaats?

  • China is te autoritair om voor westerlingen aantrekkelijk te zijn.
  • Rusland is conservatief en mist universele aantrekkingskracht.
  • Een nieuwe progressieve ideologie – gebaseerd op vrijheid, kennis, vooruitgang en burgerlijke autonomie – is nog niet geformuleerd.

Zolang deze leegte niet wordt opgevuld, zal de burgerbevolking terugvallen op oude reflexen. In Europa betekent dat voorlopig: steun voor Israël in grote lage van de bevolking, zeker zolang islamitische immigratie als culturele bedreiging wordt ervaren. Politiek blijft het dus nog wel even een ideologisch rommeltje.


Slotgedachte

Als civilisatie de werkelijke motor is achter maatschappelijke orde, dan is ideologische desintegratie het begin van de crisis. Niet de tanks, niet de verkiezingen, maar het verlies van geloofwaardig gezag maakt het verschil. En dat begint — zoals zo vaak — in de collegebanken en bij de media van de elite.

Een theorie van oorlogszuchtige groepsdynamiek

Foto header: Pete Linforth from Pixabay

Stelling 0 – civilisatie

Iedere samenleving heeft naast formele regels en afspraken een heel complex, grotendeels onbewust, stelsel van informele regels, normen en waarden. Die informele regels bepalen het karakter van die samenleving en zorgt voor samenhang en het gevoel van saamhorigheid. We noemen dat het narratief van een samenleving. Het narratief vindt zijn oorsprong in de normen en waarde van de elite en het proces dat de massa deze regels als vanzelfsprekend overneemt noemt men civilisatie.

Stelling 1 – volgelingen

Elke intellectuele en politieke elite in een samenleving, met name in een staat waar zij de overheid vormen of die zij wensen te veroveren, gebruikt de formulering van problemen om volgelingen te winnen en door hen uiteindelijk de ultieme oplossing van het probleem voor te schotelen.

Stelling 2 – maatschappelijke problemen

Gegeven hun positie in de maatschappij en het persoonlijkheidstype dat vooral bij politici hoort (overtuigingskracht, taalvaardigheid, gebrek aan empathie, pathologische leugenaars), is het formuleren van maatschappelijke problemen en het formuleren van hun oplossingen voor de betrokken elite een natuurlijke bezigheid. Ze doen dit vanuit een gevoel van goedheid vanuit het algemene maatschappelijke belang. Men gelooft OPRECHT in de beschrijving van de problemen en de logica van de oplossingen, en men is uitermate bedreven in het promoten ervan.

Stelling 3 – narratief

De elite, elke elite, formuleert de probleem en zijn ultieme oplossingen in de terminologie van het door haar – grotendeels onbewust – veroorzaakte narratief van de ‘beschaving’ in de samenleving. De formulering van het probleem en de oplossing ervan zijn of worden daardoor ook vanzelfsprekend onderdeel van die beschaving. Het narratief wordt dan ook altijd iets waarin men (onbewust) gelooft en vindt dat het goed is. Ratio heeft daar geen grip op.

Stelling 4 – romantische propaganda

De massa, die onbewust het narratief tot het hare heeft gemaakt en daar heilig in gelooft, denkt “Wat vreselijk voor … (vul maar in) als dit-of-dat-probleem niet wordt opgelost”. En “gelukkig hebben we verstandige politieke leiders die weten hoe we dat moeten doen”. Dit geloof is onwankelbaar omdat mensen uitermate bedreven zijn in het selectief met feiten omgaan en elke ontwikkeling rationaliseren naar hun eigen overtuiging.

Stelling 5 – vijandbeeld

Om het door de elite geponeerde probleem kracht bij te zetten, wordt een vijandbeeld gecreëerd. Diegenen die het probleem zijn, respectievelijk de ultieme oplossing van het probleem in de weg zitten of saboteren. Het zo gecreëerde vijandbeeld versterkt de saamhorigheid in de samenleving die ten strijde moet trekken tegen het onrecht. En het creëert het beeld van de good-guys en the bad-guys.

Stelling 6 – privileges

De diepgang van het probleem, de juistheid van de oplossing en het beeld van de vijand worden in een door de elite gedomineerde samenleving voor de massa versterkt door de media, het onderwijs, de wetenschap en de justitiële macht (rechters en officieren) en wetenschappers. Al deze groepen zijn gemakkelijk te mobiliseren voor het gezamenlijke narratief omdat ze allemaal (financieel) afhankelijk zijn van de privileges die de elite hen kan geven.

Stelling 7 – Open Samenleving

In een Open Samenleving, dat wil zeggen een samenleving waarin individuele vrijheid, kritische rationaliteit en dialoog centraal staan, zal het bovenstaande proces niet noodzakelijkerwijs tot noodlottige, dat wil zeggen tot collectief geweld tegen de vijanden, uitkomsten leiden. Dit laatste is sterk afhankelijk van het vermogen van de elite om naast de mentale overheersing van de massa, deze ook met haar toenemende macht (geld én geweldsmiddelen) te overheersen. De neiging van de heersende elite is het versterken van het proces naar meer macht (via regel- en wetgeving) en vervolgens onderdrukking van haar tegenstanders.

Stelling 8 – macht

Landen zijn de enige samenlevingsvormen die bewust en vanuit hun narratief en van nature uit zijn op oorlog voeren. Hoe groter een land, hoe machtiger haar elites. Daarom streven elites altijd naar het vergroten van de landen door ‘vereniging’ en is een wereldregering het ultieme doel. En hoe machtiger hoe agressiever. Politieke stromingen kunnen revolutionair zijn, totalitair en agressief, maar zullen hun totalitaire karakter pas volledig uitvoeren als ze de macht over een land hebben veroverd, en daarmee het narratief in het land kunnen bepalen.

Stellling 9 – slaapwandelend de oorlog in

Omdat de elite het narratief van een staat beïnvloed is ze in staat hun bevolking oorlogen voor hen laten voeren en die bevolking zal dat met geestdrift, zingend en met trots uitvoeren. Als slaapwandelaars naar hun eigen vernietiging.

Voorbeeld van het proces van klaarstomen voor de ‘onvermijdelijke’ oorlog door de aan het narratief van de elite gelijkgeschakelde media:

Stelling 10 – verandering narratief

Er zijn maar enkele scenario’s denkbaar om het natuurlijke proces van steeds meer macht en agressie bij de elite van landen te veranderen, waarvan de meeste uiterst moeilijk te realiseren zijn:

  • het veranderen van het heersende narratief van een staat, met name naar een narratief van de Open Samenleving
  • het tegengaan van concentratie van landen en staten naar grotere eenheden; opsplitsen
  • het afschaffen van overheden en dus het machteloos maken van hun elites
  • het ondergaan van een oorlog

Stelling 11 – kritiek

Het trachten een discussie aan te gaan over, respectievelijk met feiten bestrijden van de door de elite gepresenteerde analyse van de problemen, hun oplossingen en de creatie van vijandbeelden is onbegaanbaar en voor de criticasters betekent dat een risico op vervolging.

Stelling 12 – superioriteit

Hoe meer het narratief van de elite gepaard gaat met het gevoel superieur te zijn, hoe groter de kans op agressie en de wil andere landen te onderwerpen en te koloniseren.

Stelling 13 – vlucht vooruit

Hoe meer het narratief van de elite intellectueel weerstand ondervindt (door interne problemen zoals decadentie, respectievelijk door externe factoren zoals technologische ontwikkelingen die de vrijheid en onafhankelijkheid van het individu vergroten), en dus hoe meer de machtsbasis van de heersende elite onder druk komt, hoe agressiever de elite in die landen zullen worden (de vlucht vooruit).

Stelling 14 – onderdrukking

Hoe meer de elite zich afkeert van haar massa door het voortdurend toe-eigenen van nieuwe privileges (en dus rijkdom en deze rijkdom ook tonen), hoe zwakker het narratief zal worden en de samenleving verdeeld/zich zal splitsen, hoe meer men intern de politieke tegenstanders zal onderdrukken en hoe meer absoluut hun narratief zal worden gemaakt. Op oorlogspad gaan is het ultieme middel om een land weer mentaal te trachten te uniformeren door het versterken van het vijandbeeld en dus het veiligstellen van onze aangeprate waarden en normen. Onze utopie.

Stelling 15 – de ondergang

Elites neigen naar het zwelgen in arrogantie, decadentie en macht. Waar ze eerst de massa succesvol weten te mobiliseren via romantische waarschuwingen voor de ellende die hen te wachten staat bij de door hen aangekondigde aanstormende problemen, zal dan vroeg of laat hun machtsbasis beginnen te eroderen, vaak doordat zij zelf van buiten worden aangevallen en verslagen.

Fasen

Het ontwikkelen door de elite van een nieuw progressief narratief van een betere wereld, dat door de massa wordt omarmd in een open samenleving die welvaart en voorspoed brengt.

  1. het consolideren van haar macht door het formuleren van (externe) gevaren voor haar bevolking, het aandragen van oplossingen en het creëren van vijanden. Het instellen van een systeem van onderdrukking van het eigen initiatief en het kritische vermogen van de massa.
  2. het gebruiken van haar macht om de massa in te zetten voor kolonisatie, roof en verdedigingsoorlogen. En de massa deze oorlogen laat financieren.
  3. het overspelen van de hand van de elite door arrogantie, decadentie en ongegeneerde onderdrukking.
  4. ineenstorting van de heersende elite door interne of externe factoren.

Analyse van huidige wereldbeeld

a. De westerse wereld bevindt zich in fase 4. Rusland in fase 1.

b. Het vijandbeeld van de westerse wereld betreft o.a. de russen: dom, agressief (komen ons veroveren) , onontwikkeld, onder-mensen, een gevaar voor het gelden westerse narratief.

c. Het vijandbeeld wordt grotendeel gedeeld door de massa in het Westen. Er zijn geen middelen dat fundamenteel te veranderen.

d. Alleen de wal zal het schip van de westerse wereld kunnen keren: economische ineenstorting, interne verdeeldheid en een directe oorlog.

e. Het aantal slachtoffers van de ineenstorting zal altijd ontzaglijk zijn.

Slotopmerking

Zelfs als de elite hun narratief vanuit goedheid verkondigt en als gevolg daarvan de massa oorlogen laat voeren – slaapwandelend de oorlog in – maakt dat hen niet minder verantwoordelijk voor de gevolgen van hun daden. Het pleit hen nooit vrij van de gevolgen van hun denkbeelden en handelen, en zij moeten daarvoor altijd ter verantwoording worden geroepen en gestraft worden.

Anders heerst er geen gerechtigheid in de wereld.