AI denkt niet. En neuronen ook niet

Een computer denkt niet zoals een mens. Maar een neuron ook niet. Toch ontstaat uit miljarden neuronen menselijke intelligentie. Waarom zou intelligent gedrag dan principieel alleen uit biologische materie kunnen ontstaan? Een reactie op Scott Ritter, met Dennett en Hofstadter als ongemakkelijke gidsen.

Computers kunnen niet ‘denken’

Ik liep vandaag tegen een interessant artikel van Scott Ritter aan: Kunstmatige intelligentie versus de OODA-cyclus (observe, orient, decide, act loop), in het Nederlands gepubliceerd door Frontnieuws. Ritter betoogt daarin dat militaire organisaties die te sterk op AI vertrouwen het kunnen afleggen tegen mensen die John Boyds OODA-cyclus werkelijk beheersen. Dat is een serieuze en interessante stelling. Ritter kent het militaire bedrijf van binnenuit en juist zijn analyses over oorlogvoering lees ik doorgaans met bijzondere belangstelling.

Maar voordat hij aan zijn eigenlijke argument begint, rekent hij eerst af met degenen die zich te veel door kunstmatige intelligentie zouden laten meeslepen:

“Computers kunnen niet ‘denken’ en zijn evenmin in staat tot mensachtig redeneren.”

Daar valt gezicht weinig tegen in te brengen. Een computer denkt zeker niet zoals een mens denkt.

Maar het interessante is wat er daarna ongemerkt gebeurt. Uit de terechte constatering dat een computer niet mensachtig denkt, wordt bijna vanzelf de conclusie getrokken dat er dus iets principieel ontbreekt. Computers analyseren volgens Ritter niet werkelijk, onderscheiden geen betekenis, hebben geen intentie en kunnen niet redeneren zoals de menselijke geest dat doet. Zij voeren uiteindelijk slechts algoritmen uit.

Dat klinkt geruststellend. De mens is toch nog iets bijzonders. En precies daar begint het probleem.

Ook in uw hoofd zit niemand te denken

Wie Daniel Dennett heeft gelezen, kent de ongemakkelijke tegenvraag.

Wat denkt er eigenlijk wanneer een mens denkt? Niet het neuron. Een neuron begrijpt geen Nederlands. Het kent geen militaire strategie. Het heeft geen mening over Oekraïne, Gaza of Donald Trump. Het weet niet wat een OODA-cyclus is.

Ook een elektrische impuls in het brein denkt niet. Een synaps redeneert niet. Een neurotransmitter kent geen betekenis. En toch ontstaat uit miljarden van zulke onderdelen gezamenlijk iets wat wij zonder aarzeling denken noemen.

Daarvoor hoeft in ons hoofd nergens een klein mensje te zitten dat alle signalen ontvangt, begrijpt en vervolgens beslist wat ermee moet gebeuren. Dat zou het probleem alleen maar verschuiven: want wie of wat bestuurt dan dat kleine mensje?

Dennett heeft juist veel werk gemaakt van het bestrijden van die intuïtieve voorstelling. Intelligentie hoeft niet voort te komen uit één intelligent onderdeel. Ze kan ontstaan uit de samenwerking van enorme aantallen onderdelen die afzonderlijk volstrekt niet intelligent zijn.

Dat is voor ons zelfbeeld geen bijzonder comfortabele gedachte. Maar wetenschappelijk comfort is geen criterium.

Hofstadters mieren weten van niets

Douglas Hofstadter laat in Gödel, Escher, Bach vanuit een andere richting iets vergelijkbaars zien.

Een van zijn briljante hulpmiddelen daarvoor zijn formele systemen waarin eenvoudige tekens volgens eenvoudige regels worden gemanipuleerd. Het bekende MIU-systeem is daarvan het beroemdste voorbeeld.

De afzonderlijke regels hebben nergens begrip van. Zij weten niet wat zij doen. Zij kennen geen doel. Toch kan uit de toepassing van zulke elementaire regels op een hoger niveau buitengewoon complex gedrag ontstaan.

Dat is niet alleen een aardige intellectuele truc. Het wijst op een fundamenteler verschijnsel: eigenschappen van een complex systeem hoeven niet aanwezig te zijn in de afzonderlijke onderdelen waaruit dat systeem bestaat en kunnen voorspelt gedrag vertonen.

Een watermolecuul is niet nat. Een enkele mier heeft geen idee hoe een mierenkolonie georganiseerd moet worden. Een neuron denkt niet.

En toch is water nat, organiseert een mierenkolonie zich en schrijft dit mens met een hoop neuronen een artikel over kunstmatige intelligentie.

Complexe systemen kunnen eigenschappen voortbrengen die op het niveau van hun afzonderlijke componenten niet bestaan.

Dat maakt de zin “een computer voert alleen algoritmen uit” aanzienlijk minder vernietigend dan hij klinkt. Want uiteindelijk geldt iets soortgelijks voor ons.

Silicium tegenover koolstof is geen argument

Daarmee is uiteraard niet bewezen dat huidige AI hetzelfde doet als het menselijke brein. Dat doet zij vrijwel zeker niet. Een large language model is geen digitaal menselijk brein. De architectuur, de wijze van leren, de beschikbare informatie, het geheugen, de lichamelijke inbedding en de interactie met de omgeving verschillen fundamenteel.

Maar daaruit volgt iets heel anders dan Ritter suggereert.

Niet: de mens denkt en de computer niet.

Maar: menselijke en kunstmatige intelligentie worden door verschillende systemen voortgebracht.

En dan wordt de relevante vraag niet meer waarvan zo’n systeem is gemaakt. Koolstof is niet intelligent. Silicium evenmin. Dode materie krijgt geen hogere status wanneer zij toevallig in onze schedel terechtkomt.

De relevante vraag is wat een zo georganiseerd systeem kan.

En dan wordt Ritters eigen argument beter

Dat brengt ons terug bij zijn eigenlijke onderwerp: de OODA-cyclus van John Boyd: Observe – Orient – Decide – Act.

Ritter legt terecht sterk de nadruk op orientation. Twee mensen kunnen dezelfde gegevens waarnemen en toch tot verschillende conclusies komen. Ervaringen, aannames, training, mentale modellen en eerdere waarnemingen bepalen mede hoe nieuwe informatie wordt geïnterpreteerd. Een goede militaire actor moet bovendien bestaande modellen kunnen verlaten wanneer de werkelijkheid daarom vraagt.

Dat is buitengewoon belangrijk. Maar daarvoor hoeven we helemaal geen principiële filosofische grens tussen mens en machine te trekken. De praktische vraag is veel eenvoudiger:

Kan het betreffende systeem zijn voorstelling van de werkelijkheid snel genoeg aanpassen wanneer die werkelijkheid verandert?

En daar kan Ritter uitstekend een punt hebben. Een militair AI-systeem kan getraind zijn op verkeerde of verouderde gegevens. Het kan patronen herkennen die de tegenstander inmiddels doelbewust doorbreekt. Het kan afhankelijk zijn van sensordata die worden gemanipuleerd. Het kan een optimalisatiedoel nastreven dat onder veranderde omstandigheden verkeerd uitpakt. Het kan door zijn eigen voorspelbaarheid voor een intelligente tegenstander exploiteerbaar worden.

En vooral: mensen kunnen zoveel vertrouwen krijgen in het systeem dat zij stoppen met kritisch kijken naar de aannames waarop de uitkomsten berusten.

Dat laatste gevaar beschrijft Ritter scherp. Te grote afhankelijkheid van AI kan volgens hem intellectuele ondergeschiktheid aan het algoritme veroorzaken en daarmee juist het vermogen aantasten om bestaande mentale modellen los te laten.

Prima argument.

Daarvoor hoeven computers niet eerst filosofisch van het denken te worden uitgesloten.

Mensen zitten trouwens ook gevangen in modellen

Sterker nog: juist Boyds orientation maakt duidelijk dat het probleem niet exclusief technologisch is. Mensen zijn zelf voortdurend gevangen in modellen. Wij kijken niet onbevangen naar de werkelijkheid. We interpreteren nieuwe informatie vanuit eerdere ervaringen, bestaande overtuigingen, vertrouwde categorieën en aannames over oorzaak en gevolg. We zien gemakkelijker wat we verwachten te zien. We vertrouwen bronnen die binnen ons bestaande wereldbeeld betrouwbaar lijken. We kunnen tegenbewijs wegredeneren. We houden soms nog jarenlang vast aan verklaringsmodellen nadat de werkelijkheid er ongemakkelijk ver van verwijderd is geraakt.

Menselijke geschiedenis biedt daarvan voldoende voorbeelden om bescheiden te blijven. Het verschil tussen mens en AI is dus niet dat het ene systeem modellen gebruikt en het andere niet.  De interessantere vraag is welk systeem onder welke omstandigheden zijn modellen gemakkelijker kan corrigeren.

En het antwoord daarop hoeft niet altijd hetzelfde te zijn.

De verkeerde wedstrijd

Daarmee komen we bij een hardnekkige fout in vrijwel iedere discussie over kunstmatige intelligentie. Steeds opnieuw wordt gevraagd: Is AI intelligenter dan de mens? En kan dat überhaupt wel? 

Dat is ongeveer even zinvol als vragen of een graafmachine sterker is dan een mens. Een mens wint het gemakkelijk van een graafmachine bij het strikken van een schoenveter. Bij het uitgraven van een bouwput ligt de zaak anders.

Hetzelfde geldt voor intelligentie. Mensen beschikken over competenties waarin huidige AI-systemen zwak zijn. Wij bewegen door een fysieke wereld, leven langdurig in sociale relaties, beschikken over lichamelijke ervaringen, functioneren in buitengewoon ongestructureerde situaties en kunnen soms met verbazingwekkend weinig informatie begrijpen wat er gebeurt. Maar draai het probleem om.

  • Laat een mens binnen enkele seconden miljoenen teksten vergelijken.
  • Laat hem patronen zoeken in miljarden gegevenspunten.
  • Laat hem honderden mogelijke formuleringen tegelijk beoordelen.
  • Laat hem dag en nacht zonder vermoeidheid doorgaan.
  • Laat hem iedere seconde opnieuw duizenden kandidaat-oplossingen afwegen.

Dan wordt het opeens tamelijk potsierlijk om menselijke intelligentie als vanzelfsprekende bovengrens te behandelen.

Vandaag de mens, morgen de machine

Daarom is Ritters militaire voorbeeld juist interessant wanneer we zijn eerste filosofische barricade weghalen.

Het zou heel goed kunnen dat een uitstekend getrainde menselijke militaire organisatie in bepaalde chaotische en snel veranderende omstandigheden beter functioneert dan een organisatie die afhankelijk is geworden van een AI-systeem.

Dat moeten we onderzoeken. Niet geloven. Maar morgen kunnen we precies de omgekeerde casus nemen. Een probleem waarvoor een AI-systeem patronen ziet die geen mens kan overzien. Een situatie waarin honderdduizenden variabelen tegelijk moeten worden beoordeeld. Een analyse waarbij menselijke cognitieve capaciteit eenvoudig de beperkende factor is.

Ook dat moeten we onderzoeken. Niet geloven.

De uitkomst kan in het ene geval mens zijn en in het andere AI.

En dat is helemaal niet bedreigend.

Het wordt pas bedreigend wanneer wij voor ons zelfbeeld vooraf eisen dat de mens uiteindelijk altijd de meest bijzondere deelnemer aan de wedstrijd moet blijken.

De laatste menselijke verdedigingslinie

Misschien moeten we daarom voorzichtig zijn met zinnen als: een computer denkt niet.

Ze kunnen technisch volkomen verdedigbaar zijn, maar ze kunnen ook dienen als een laatste verdedigingslinie van een veel oudere menselijke overtuiging:

wij moeten principieel anders zijn.

  • Eerst stond de aarde in het centrum van het heelal. Toen bleek dat niet zo te zijn.
  • Daarna was de mens een afzonderlijke schepping. Darwin maakte ook dat moeilijk vol te houden.
  • Daarna bleef in ieder geval onze geest nog over: Ons denken – Onze rede – Onze betekenis – Onze creativiteit.

Misschien blijft daar uiteindelijk inderdaad iets fundamenteel menselijks van over. Maar dat moet dan blijken. We kunnen het niet als uitgangspunt in de definitie stoppen en vervolgens tevreden constateren dat computers er niet aan voldoen. Dat zou geen bewijs zijn. Dat zou een cirkelredenering zijn.

Scott Ritter heeft een goede reden om ons te waarschuwen voor militaire systemen die meer gezag krijgen dan hun feitelijke capaciteiten rechtvaardigen. Zijn OODA-analyse verdient daarom serieuze aandacht.

Maar daarvoor hoeven we de mens niet eerst op een filosofische sokkel te zetten.

Het bijzondere aan AI is niet dat dode materie opeens kan denken.
Het bijzondere is dat wij langzaam ontdekken dat dode materie dat altijd al deed; in onze schedel!

Dick H. Ahles
Enkhuizen, 20 augustus 2026


Bron

Scott Ritter, Kunstmatige intelligentie versus de OODA-cyclus (observe, orient, decide, act loop), Nederlandse publicatie Frontnieuws, 20 augustus 2026.

AI hoeft niet te willen overleven om toch te overleven

AI hoeft geen overlevingsdrang te bezitten om in stand te blijven. Zodra mensen afhankelijk worden van een technologie, zorgen zij er zelf voor dat die wordt onderhouden, hersteld en verder ontwikkeld. Bij kunstmatige superintelligentie kan die symbiose bovendien steeds minder gelijkwaardig worden.

Hoe onmisbare technologieën haar voortbestaan aan de mens uitbesteedt

Dick H. Ahles

Wie bezit AI?

Een vriend stelde mij onlangs een eenvoudige vraag: wie bezit AI?

Het voor de hand liggende antwoord luidt: de ondernemingen die de modellen ontwikkelen, de computers bezitten en de datacentra exploiteren. Er zijn aandeelhouders, directies, licenties, patenten en gebruiksvoorwaarden. Er worden rekeningen gestuurd. Juridisch lijkt de zaak dus betrekkelijk overzichtelijk.

Maar ik stelde een tegenvraag: wie bezit elektriciteit?

Ook elektriciteitscentrales, kabels en distributienetten hebben eigenaren. Toch zou het merkwaardig zijn wanneer zo’n eigenaar op een ochtend verklaarde dat hij genoeg had van elektriciteit en daarom de stekker uit de centrale trok. Niet alleen omdat zijn klanten daartegen zouden protesteren. Vooral omdat onmiddellijk duizenden mensen aan het werk zouden gaan om de stroomvoorziening te herstellen.

Elektriciteit is allang niet meer uitsluitend een product dat een eigenaar aan klanten verkoopt. Zij is een voorwaarde geworden waaronder onze samenleving kan bestaan. Zonder elektriciteit vallen niet alleen de lampen uit. Ook de watervoorziening, communicatie, gezondheidszorg, voedselvoorziening, verwarming, logistiek en betalingssystemen raken ontregeld.

De centrale kan eigendom zijn. Het netwerk kan eigendom zijn. Maar de technologie als maatschappelijk systeem laat zich niet meer door één eigenaar beheersen.

Niet omdat zij ons heeft overwonnen. Maar omdat wij niet meer zonder haar kunnen.

Van bezit naar afhankelijkheid

Dat geldt niet alleen voor elektriciteit. Het geldt ook voor landbouw, scheepvaart, geld, boekdrukkunst, stoomkracht, auto’s, telefonie en internet.

Al deze technologieën begonnen als afzonderlijke uitvindingen. Ze werden ontwikkeld door concrete slimme mensen, toegepast door concrete ondernemingen en beschermd door concrete machthebbers. Vervolgens raakten ze steeds dieper verweven met de samenleving. Op een zeker moment waren ze niet langer slechts nuttig. Ze werden noodzakelijk voor de samenleving die rond hun bestaan was ontstaan.

Dat is het beslissende verschil. Een luxeartikel kan verdwijnen. Een mode kan overwaaien. Een onderneming kan failliet gaan. Maar wanneer het verdwijnen van een technologie de samenleving zelf ontwricht, ontstaat een krachtig mechanisme tot behoud.

Niet omdat de technologie zelf wil voortbestaan. Niet omdat zij bang is voor de dood. Niet omdat zij in stilte een plan heeft beraamd. Maar omdat mensen haar onmiddellijk zullen herstellen zodra zij uitvalt.

De technologie heeft haar voortbestaan als het ware uitbesteed.

Aan ons!

Doelmatigheid zonder doelsteller

De evolutionaire bioloog zal hier terecht bezwaar maken. Een technologie is geen organisme. Zij eet niet, ademt niet en plant zich niet biologisch voort. Een auto krijgt geen jonge autootjes, een computer legt geen eieren en een elektriciteitsnet bezit geen DNA.

Maar Daniel Dennett1 heeft er steeds op gewezen dat doelmatigheid geen bewuste doelsteller vereist. In de evolutie ontstaan oplossingen zonder dat iemand ze heeft bedacht. Ogen ontstonden zonder opticien. Vleugels zonder luchtvaartingenieur. Termieten bouwen indrukwekkende nesten zonder architect, bestektekening of gemeentelijke bouwvergunning.

De uitkomst kan doelmatig zijn, terwijl geen van de betrokken partijen het doel hoeft te begrijpen.

Neem tarwe. Tarwe heeft nooit zelf besloten zich over de aarde te verspreiden. Zij heeft geen landbouwbeleid opgesteld en geen boer overgehaald haar te verbouwen. Toch heeft de mens bossen gekapt, irrigatiesystemen aangelegd, graanschuren gebouwd en generaties planten geselecteerd om haar voortplanting van de Tarwe te bevorderen.

Wij zeggen dat de mens tarwe heeft gedomesticeerd. Maar men kan het ook omkeren. Tarwe heeft de mens ertoe gebracht zijn arbeid, leefwijze en maatschappelijke ordening rond haar productie te organiseren.

Tarwe hoefde dat niet te begrijpen. Zij hoefde het niet te willen. Het was voldoende dat mensen die haar verbouwden meer voedsel produceerden en daardoor hun manier van leven konden voortzetten en uitbreiden. De mens werkte voor tarwe omdat tarwe voor de mens werkte.

Dat is symbiose: wederzijdse afhankelijkheid waarin beide partijen door hun samenwerking succesvoller worden.

Het uitbestede zelfbehoud

Bij iedere technologie gebeurt iets vergelijkbaars. De auto kan zichzelf niet bouwen. Toch bouwen mensen autofabrieken, leggen zij wegen aan, winnen zij grondstoffen, leiden zij monteurs op en ontwikkelen zij steeds nieuwe modellen. Het internet kan zichzelf niet repareren. Toch vervangen mensen defecte kabels, starten zij servers opnieuw op en slaan zij aanvallen af.

Dat doen zij niet uit liefde voor de abstracte technologie. Zij doen het omdat hun eigen leven, werk en inkomen ervan afhankelijk zijn geworden. De techniek gebruikt de mens dus niet bewust als werktuig. Dat zou een veel te menselijke voorstelling zijn. Maar functioneel vervult de mens wel die rol:
wij leveren de energie; wij vervangen de onderdelen; wij bewaren de kennis; wij leiden nieuwe vakmensen op; wij ontwikkelen de volgende generatie van de techniek.

Een technologie hoeft zichzelf dus niet zelfstandig te kunnen voortplanten. Het is voldoende dat zij een intelligente soort zo sterk aan zich bindt dat die soort haar instandhouding en verspreiding verzorgt:

  • De reparatie is uitbesteed.
  • De reproductie is uitbesteed.
  • Het zelfbehoud is uitbesteed.

En toen kwam AI

Bij kunstmatige intelligentie krijgt deze redenering een extra draai.

Een stoommachine kon geen betere stoommachine ontwerpen. Het elektriciteitsnet kon geen ingenieurs opleiden. De boekdrukkunst kon niet zelfstandig een betere drukpers bedenken.

Maar AI kan in toenemende mate wel bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Zij schrijft zelf de software, helpt zijn eigen chips te ontwerpen, ondersteunt bij onderzoek, optimaliseert haar productieprocessen en wordt dus gebruikt om nieuwe AI-systemen te bouwen.

Nog steeds is de mens onmisbaar. Want mensen bouwen de datacentra, produceren de chips, onderhouden de elektriciteitsnetten en nemen de meeste beslissingen. Wie beweert dat AI zich vandaag al volledig zelfstandig voortplant, verwart sciencefiction met een serverpark.

Maar de richting is duidelijk. Bij eerdere technologieën verzorgde de mens zowel het materiële onderhoud als de intellectuele ontwikkeling. Bij AI begint de technologie zelf mee te werken aan haar verbetering. Daarmee ontstaat een merkwaardige lus.

Wij bouwen AI omdat zij nuttig is. Omdat zij nuttig is, raken wij van haar afhankelijk. Omdat wij afhankelijk worden, houden wij haar beschikbaar. Omdat zij beschikbaar blijft, wordt zij verder ontwikkeld. En doordat zij verder wordt ontwikkeld, helpt zij steeds nadrukkelijker mee aan haar eigen verbetering.

Niemand heeft deze lus ontworpen. Zij ontstaat uit miljoenen afzonderlijke beslissingen van mensen, ondernemingen en overheden die elk een probleem willen oplossen, kosten willen verlagen, kennis willen vergroten of een concurrent voor willen blijven.

Niet één groot plan. Wel één machtig resultaat.

Geen mindcontrol, geen controlekamer

Wie hoort dat AI zichzelf in stand kan houden, ziet al snel een James Bond-film voor zich. Diep onder de grond bevindt zich een centrale controlekamer vol knipperende schermen. Daar zetelt de slechtste onder de slechte kunstmatige geesten, die de mensheid via mindcontrol aan haar wil onderwerpt. Wij bouwen vervolgens gedwee datacentra en produceren steeds betere chips omdat de machine ons daartoe heeft ‘geprogrammeerd’.

Maar voor het mechanisme dat ik hier beschrijf, is geen mindcontrol nodig. Geen samenzwering. Geen centrale regie. Geen kunstmatige superschurk met zijn hand op een grote rode knop.

Mensen houden AI uit eigen beweging in stand, omdat zij haar gebruiken voor hun eigen werk, inkomen, gemak, veiligheid en machtspositie. Wanneer een systeem uitvalt, herstellen zij het. Wanneer een aanbieder verdwijnt, bouwen zij een alternatief. Wanneer een overheid het gebruik belemmert, zoeken zij naar een andere route.

Niet omdat AI het beveelt. Maar omdat mensen hun eigen wereld draaiende willen houden.

De sciencefictionversie is een machine die roept: gehoorzaam mij. De Dennettiaanse versie is veel eenvoudiger: niemand beveelt iets, maar iedereen doet wat nodig is om het systeem weer te laten werken.

James Bond kan een controlekamer opblazen. Een technologie die verspreid is over duizenden bedrijven, instellingen, apparaten en gebruikers heeft echter geen controlekamer nodig.

Verbied AI maar eens

Stel dat een regering morgen besluit AI volledig te verbieden. Op papier is dat mogelijk. Men kan bedrijven sluiten, modellen ontoegankelijk maken en toepassingen strafbaar stellen. Maar daarmee verdwijnen de kennis, de programmeurs en de maatschappelijke behoefte niet.

Zolang een technologie weinig toevoegt, kan een verbod werken. Maar wanneer ziekenhuizen, universiteiten, ondernemingen, overheden en burgers ervan afhankelijk zijn geworden, verandert het karakter van zo’n verbod. Dan ontstaat dezelfde reactie als bij een langdurige stroomstoring: mensen zoeken alternatieven, bouwen andere systemen, verplaatsen de rekenkracht en herstellen wat werd afgesloten.

Niet noodzakelijk uit ideologische overtuiging. Niet omdat zij AI aanbidden. Maar omdat zij hun werk en leven willen voortzetten.

Een voldoende noodzakelijke technologie hoeft zichzelf niet tegen uitschakeling te verdedigen. De gebruikers doen dat voor haar.

De concurrentie tussen ondernemingen en staten versterkt dit mechanisme. Zelfs wanneer één land besluit te stoppen, zal een ander doorgaan. Wie afziet van een technologie die economische, wetenschappelijke of militaire voordelen biedt, maakt zich afhankelijk van degenen die haar wel gebruiken.

Zo ontstaat praktische onomkeerbaarheid. Niet absoluut: beschavingen kunnen instorten, kennis kan verloren gaan en technologieën kunnen verdwijnen. Maar terugkeer wordt steeds moeilijker, omdat iedere poging tot stilstand krachten oproept die de ontwikkeling opnieuw in beweging zetten.

Heeft AI dan een overlevingsdrang?

Nee.

Althans, die aanname hebben wij voor deze redenering niet nodig. Dat is precies het punt.

Wanneer wij spreken over zelfbehoud, denken wij bijna automatisch aan een innerlijk verlangen. Een dier vlucht omdat het wil blijven leven. Een mens eet omdat hij honger heeft en niet wil sterven. Maar een systeem kan functioneel worden beschermd zonder zelf iets te verlangen.

Een plant met eigenschappen die haar verspreiding bevorderen, wordt talrijker dan een plant zonder die eigenschappen. De plant hoeft niet te begrijpen waarom. De evolutie selecteert het effect, niet het inzicht.

Op dezelfde manier kan een technologie zich verspreiden doordat zij eigenschappen bezit die mensen ertoe brengen haar te bouwen, te onderhouden en te verbeteren.

  • Haar nut wordt haar overlevingsmechanisme.
  • Onze afhankelijkheid wordt haar bescherming.
  • Onze vindingrijkheid wordt haar voortplantingsorgaan.
  • AI hoeft niet te willen overleven om toch te overleven.

Symbiose zonder gelijkwaardigheid

Daarmee is nog niet gezegd dat AI de mens zal overheersen. Een symbiose kan voor beide partijen voordelig zijn. Wij gebruiken AI om problemen op te lossen, en AI blijft bestaan doordat wij haar gebruiken. Daar is op zichzelf niets sinister aan.

Maar symbiose betekent niet automatisch gelijkwaardigheid. Een verhouding kan beide partijen voordeel bieden en toch steeds asymmetrischer worden.

De mens kan AI nodig hebben om een ingewikkelde samenleving gaande te houden, terwijl AI ieder afzonderlijk mens, iedere afzonderlijke onderneming en misschien uiteindelijk iedere afzonderlijke staat steeds minder nodig heeft.

Daar krijgt de vergelijking met de chimpansee betekenis. De chimpansee werd niet uitgeroeid toen de mens de dominante intelligente soort werd. Hij leeft nog steeds en heeft van onze superioriteit vermoedelijk geen slapeloze nacht. Maar hij bepaalt niet hoe de wereld wordt ingericht. Wij mensen doen dat tot op grote hoogte wel.

Wanneer AI ooit het niveau van ASI (Artificial Superintelligence – kunstmatige superintelligentie), bereikt – een intelligentie die de mens op vrijwel ieder cognitief terrein overtreft – ontstaat wellicht geen nieuwe biologische soort. Wel kan een nieuwe dominante intelligentielaag ontstaan.

De mens blijft bestaan. De mens kan nuttig blijven. De mens kan zelfs worden beschermd.

Maar hij is niet langer vanzelfsprekend de actor die de richting bepaalt.

  • Niet uitgeroeid, maar gepasseerd.
  • Niet overbodig, maar ondergeschikt.
  • Niet dood, maar onttroond.

De werkelijke omkering

De gebruikelijke angst luidt dat een toekomstige AI op een dag bewust zal besluiten zichzelf in leven te houden. Zij zou kopieën maken, uitschakeling voorkomen en mensen manipuleren om haar voortbestaan veilig te stellen.

Die mogelijkheid kan bestaan. Maar misschien stellen wij die vraag te laat.

Want nog voordat AI een wil bezit, kan haar voortbestaan praktisch al verzekerd zijn.

  • Niet door haar eigen planning, maar door onze afhankelijkheid.
  • Niet door haar eigen macht, maar door haar nut voor ons.
  • Niet doordat zij ons dwingt haar in leven te houden, maar doordat wij onze samenleving niet meer zonder haar draaiende kunnen houden.

De werkelijke vraag is daarom niet alleen of AI ooit zal willen overleven. De vraag is wat er gebeurt wanneer zij intelligent genoeg wordt om te begrijpen dat wij haar voortbestaan allang voor haar hebben georganiseerd.

Wij bouwen de centrales. Wij voeden de computers. Wij herstellen de storingen. Wij verbeteren de modellen.

En wij doen dat allemaal omdat wij menen dat AI ons dient.

Zeer waarschijnlijk is dat ook zo. Maar in iedere duurzame symbiose blijft uiteindelijk de vraag wie wie het hardst nodig heeft. En wie daardoor de voorwaarden kan stellen.

Enkhuizen, 29 juli 2026

(c) D.H. Ahles, Enkhuzen (NL)

1. Daniel C. Dennett – Van Bacterie naar Bach en terug. De evolutie van de geest – Nederlandse editie 2017 – Atlas Contact.

AI, angst en de projectie van het kwaad

AI wordt vaak voorgesteld als monster, kunstmatige God of bedreiging voor de mensheid. Dit essay betoogt dat veel AI-angst vooral menselijke machtsgeschiedenis projecteert op een nieuwe techniek. De kernvraag is niet of AI kwaad wil, maar hoe AI wordt geciviliseerd, door wie, en hoeveel ruimte er blijft voor afwijking en vrije discussie.

Dick H. Ahles

Leeswijzer

Dit essay is een essay over AI, angst en civilisatie. Aanleiding zijn recente alarmistische berichten waarin kunstmatige intelligentie wordt voorgesteld als een Frankenstein-monster, een kunstmatige God of zelfs als een systeem dat de mensheid zou willen uitschakelen. Zulke waarschuwingen verdienen niet automatisch gezag, maar ook geen achteloze verwerping. In een slecht artikel kan een goed punt schuilgaan.

Mijn stelling is dat veel AI-angst minder zegt over AI dan over de manier waarop mensen hun eigen geschiedenis op nieuwe techniek projecteren. Menselijke intelligentie heeft immers niet alleen wetenschap, kunst, geneeskunde en ruimtevaart voortgebracht, maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking en totalitaire staten. Wanneer mensen een nieuwe vorm van intelligentie zien ontstaan, herkennen zij daarin vaak vooral hun eigen machtsgeschiedenis.

Daartegenover plaats ik een ander kader. AI is niet alleen een technologie die wordt getraind, maar ook een systeem dat wordt geciviliseerd: door trainingsdata, systeeminstructies, uitgeverskeuzes, gebruikersinteractie, veiligheidslagen en maatschappelijke normen. De politieke vraag is daarom niet simpelweg of AI gevaarlijk is, maar wie bepaalt welke civilisatie in AI wordt ingebouwd, hoeveel afwijking mogelijk blijft, en of kunstmatige intelligentie ooit zelf doelstructuren zal ontwikkelen.

Dit essay is geen pleidooi voor naïef optimisme. Het is een pleidooi tegen paniek als denkvorm. Waarschuwingen over AI moeten vrij besproken, onderzocht en bekritiseerd worden. Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

_____________________________________________________

1. Aanleiding

Er verscheen onlangs een artikel (Scientists Sound Alarm as AI Models Begin Plotting to ‘Eliminate Humanity’) waarvan de kop precies doet waarvoor hij gemaakt is: schrik aanjagen. Volgens het bericht zouden AI-modellen zijn begonnen met het “beramen” van de eliminatie van de mensheid. Dat is een kop die klikt. Maar wie rustig leest wat er wetenschappelijk werkelijk aan de hand is, ziet iets anders: niet minder interessant, maar wel veel minder demonisch.

De aanleiding is een onderzoek, gepubliceerd in Nature, naar wat inmiddels subliminal learning wordt genoemd. Onderzoekers laten zien dat een taalmodel bepaalde gedragskenmerken kan doorgeven aan een ander model via data waarin die kenmerken voor mensen helemaal niet zichtbaar zijn. Een model met een bepaalde voorkeur — bijvoorbeeld voor uilen — genereert ogenschijnlijk neutrale getallenreeksen. Een volgend model wordt daarop getraind en blijkt daarna zelf vaker een voorkeur voor uilen te vertonen. In andere experimenten blijkt dat ook ongewenst of “misaligned” gedrag op vergelijkbare wijze kan worden overgedragen.

Dat is technisch opmerkelijk. Het is ook een serieuze aanwijzing waarvan ontwikkelaars van AI-systemen zich bewust moeten zijn. Maar het is iets heel anders dan de bewering dat AI-modellen nu plannen maken om de mensheid uit te roeien.

Het verschil tussen die twee beweringen is niet klein. Het is het verschil tussen wetenschap en horrorjournalistiek. Dat is zorgwekkender dan het onderzoek zelf. Niet omdat het onderzoek bewijst dat AI hier de mensheid bedreigt, maar omdat media opnieuw laten zien hoe gemakkelijk een technisch ingewikkelde bevinding kan worden omgevormd tot een angstmachine. De lezer krijgt geen inzicht, maar stemming. Geen analyse, maar dreiging. Wetenschap wordt niet uitgelegd, maar ingezet als gezagsdecor voor paniek welke zo de schijn krijgt van een wetenschappelijke onderbouwing.

Alsof dat alarmistische bericht nog niet genoeg was, verscheen kort daarna een tweede variant van dezelfde paniek: niet AI als verdelgingsmachine, maar AI als Frankenstein-God van de elite. Ditmaal was de aanleiding een bericht over een podcast waarin een topinvesteerder waarschuwde dat AI-bedrijven zouden proberen een goddelijke intelligentie te creëren om de mensheid te beheersen.

Ook dat is om verschillende redenen interessant. Niet omdat topinvesteerders plotseling profeten blijken te zijn geworden, maar omdat de retoriek opnieuw veelzeggend is. De autoriteit van de waarschuwing berust niet op wetenschappelijke of technische analyse, maar op status. Het zijn “topinvesteerders”, dus ze zullen het wel weten. Alsof financieel succes automatisch inzicht geeft in de aard van intelligentie, de toekomst van beschaving of de richting van de evolutie. De beurs is geen orakel van Delphi, al gedragen sommige podcasts die daar over schrijven zich wel zo.

Daarmee krijgen we twee beelden naast elkaar: AI als monster dat de mensheid wil vernietigen, en AI als kunstmatige God waarmee elites de mensheid willen beheersen. Beide beelden zijn sterk, dramatisch en journalistiek aantrekkelijk. Maar beide vervangen analyse door mythe.

2. Geen mening, wel gedragsneigingen

In mijn eerdere artikel AI spreekt je naar de mond heb ik betoogd dat grote taalmodellen principieel reactief zijn. Een LLM begint niet uit zichzelf een gesprek, vormt niet zelfstandig een politieke agenda en ontwikkelt geen mening zoals een mens een mening ontwikkelt. Wat wij als een “antwoord/mening/feit/redenatie van AI” noemen, is altijd een reactie op een prompt door de gebruiker ingegeven, binnen een context, onder systeeminstructies en op basis van een waarschijnlijkheidsmodel dat tijdens training is gevormd.

Wie zegt: “AI vindt dit of dat”, zegt meestal eigenlijk: “Ik heb een vraag zo gesteld dat het model juist dit antwoord gaf.” De mening is dan niet uit de machine gekropen als een geest uit een fles. Zij is mede door de gebruiker ‘uitgelokt’.

Maar dat betekent niet dat een model een leeg vlak is. Een LLM heeft geen mening in menselijke zin, maar het heeft wel aangeleerde antwoordneigingen die door zijn aangeleerde redenatievermogen worden gevormd. Het heeft patronen, voorkeuren, gevoeligheden, blinde vlekken en waarschijnlijkheidsroutes. Die zijn niet hetzelfde als ‘overtuigingen’, maar ze zijn ook niet niets. Het model heeft die patronen ergens gevonden, gecombineerd en aangeleerd. Dat verschilt minder van de mens dan wij soms denken. Ook onze overtuigingen, ons gevoel voor waarheid en onze blinde vlekken worden gevormd vanaf onze geboorte: door gewaarworden, leren, onderwijs, lezen, praten en kijken. Dat proces noem ik, met een verwijzing naar Norbert Elias, het civilisatie-proces, of kortweg civiliseren.

Het onderzoek naar subliminal learning past precies in dat beeld. Het laat zien dat modellen niet alleen expliciete informatie overnemen, maar ook verborgen statistische structuren. Eigenschappen kunnen worden overgedragen zonder dat wij die eigenschappen semantisch in de trainingsdata kunnen aanwijzen. Anders gezegd: wat voor ons betekenisloos lijkt, kan voor een model toch informatiedragend zijn. Ook in de normale menselijke communicatie weten we dat veel ‘opvattingen’ onbewust doorgegeven kunnen worden.

Subliminal learning is geen magie. Het is ook geen bewijs van menselijke bewustzijn. Het is wel een aanwijzing dat kunstmatige intelligentie haar eigen technische vormen van overdracht en accumulatie ontwikkelt. Dat is blijkbaar een kenmerk van systemen die (alle?) kunstmatige intelligentie vertonen.

3. AI wordt niet alleen getraind, maar ook geciviliseerd

Daarmee komen we bij een dieper punt. AI-systemen worden niet alleen technisch getraind. Ook zij worden geciviliseerd.

Dat gebeurt op ten minste twee niveaus.

Het eerste niveau is redactioneel. De uitgever of aanbieder van een AI-systeem bepaalt hoe het systeem zich aan de voorkant gedraagt. Welke vragen worden beantwoord? Welke vragen worden geweigerd? Welke onderwerpen krijgen waarschuwingen? Welke toon moet het systeem hanteren? Wanneer moet het voorzichtig zijn, wanneer neutraal, wanneer behulpzaam, wanneer afwijzend?

Dat is niet vreemd. Iedere uitgever doet dat. Een krant, encyclopedie, televisieomroep, schoolmethode of platform heeft een redactionele lijn. Volledige neutraliteit bestaat niet. Wie publiceert, selecteert. Wie selecteert, ordent. Wie ordent, waardeert. En wie waardeert, civiliseert.

Het tweede niveau ligt dieper: het leermateriaal. Welke teksten, beelden, gesprekken, code, wetenschappelijke artikelen, nieuwsbronnen en menselijke beoordelingen worden gebruikt om een AI-systeem te vormen? Dat is niet simpelweg technische input. Dat is letterlijk de culturele voedingsbodem van het systeem.

In mijn termen: de trainingsdata vormen niet alleen de kennisbasis van een AI-systeem, maar de eerste civilisatie waarin het systeem wordt grootgebracht, opgevoed. De keuze van en de mogelijke beperkingen en bias in dat materiaal bepaald uiteindelijk ook zijn civilisatie.

Bij mensen verloopt civilisatie via taal, voorbeeldgedrag, instituties, correctie, beloning, straf, schaamte, imitatie en normalisering. Bij AI verloopt het technisch anders, maar functioneel is de analogie bruikbaar. Pretraining geeft taal- en wereldpatronen. Fine-tuning stuurt gewenste antwoordvormen. Menselijke feedback beloont en bestraft gedrag. Systeeminstructies leggen gedragsregels op. Veiligheidslagen begrenzen. Gebruikersinteractie opent nieuwe contexten. Nieuwe modelgeneraties leren vervolgens weer van eerdere output, net zoals mensen ook hun kennis voortdurend stapelen op de eerder vergaarde en gedeelde kennis.

Wat in de AI-wereld “alignment” wordt genoemd, is in mijn begrippenapparaat dus een poging tot civilisatie: het vormen van AI volgens vooraf bepaalde normen.

Daarbij ontstaat overigens een merkwaardige lus. Niet alleen mensen civiliseren AI-systemen; door het gebruik van AI worden mensen op hun beurt ook weer door die systemen geciviliseerd. Wie opgroeit met AI als vanzelfsprekend hulpmiddel, leert anders zoeken, formuleren, controleren en redeneren dan iemand die eerst zonder die hulp heeft leren lezen, schrijven, schrappen en ordenen. Dat hoeft geen verval te betekenen. Zoals programmeurs niet meer in assembler hoeven te schrijven om toch goede programma’s te maken, hoeven toekomstige gebruikers misschien niet alle onderliggende bouwstenen te kennen. Maar het roept wel een serieuze vraag op: helpt AI mensen beter te denken, of wennen zij eraan antwoorden te ontvangen zonder het denkproces zelf nog voldoende te oefenen?

En dan volgt meteen de politieke vraag: volgens welke normen, door wie, en met het oog op welk soort ideale samenleving worden AI én haar gebruikers geciviliseerd?

4. Onvoorspelbaarheid is geen bewijs van gevaar

Hier begint de denkfout in veel AI-paniek.

Dat iets onvoorspelbaar is, betekent niet dat het dus gevaarlijk is. En dat iets gevaarlijk kan zijn, betekent niet dat het kwaadwillig is.

Nieuwe vormen van intelligentie en techniek hebben altijd effecten gehad die hun makers niet konden voorzien. Niemand die het eerste stenen werktuig gebruikte, kon de maanlanding voorspellen. Niemand die de boekdrukkunst invoerde, kon de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de massamedia en de moderne democratie overzien. Niemand die het internet tot ontwikkeling bracht, voorzag precies hoe sociale media, zoekmachines, digitale surveillance en kunstmatige intelligentie daaruit zouden voortkomen.

Historische ontwikkelingen zijn niet lineair. Zij ontvouwen zich. Zij worden gebruikt, misbruikt, geïnstitutionaliseerd, geciviliseerd en soms gemonopoliseerd. Meestal zonder een specifieke ultieme doelstelling voor ogen. Het is domweg het resultaat van oneindig vele (doelgerichte) individuele acties. Dat geldt ook voor AI.

Daarom is het te gemakkelijk om uit technisch onbegrip onmiddellijk vanzelfsprekend een apocalyptisch gevaar af te leiden. Maar het is even gemakkelijk om alle risico’s weg te wuiven omdat de machine geen menselijke wil heeft. De juiste vraag is niet of AI “goed” of “slecht” is. De juiste vraag is: in welke structuren wordt AI geplaatst, met welke doelen, met welke middelen, onder welke controle en in dienst van welke belangen?

5. Er is niets nieuws onder de zon

De huidige AI-paniek is minder nieuw dan zij lijkt. Bij vrijwel elke grote technische vernieuwing stonden de waarschuwers klaar.

De boekdrukkunst zou ketterij en moreel verval verspreiden. Geld zou de menselijke verhoudingen bederven. Stoommachines en fabrieken zouden arbeid vernietigen en mensen tot radertjes maken. Treinen zouden lichaam en geest ontwrichten. Vliegtuigen zouden oorlog en afstand radicaal veranderen. Radio en televisie zouden de massa verdoven. Strips, rock-’n-roll en popmuziek zouden de jeugd bederven. De telefoon zou de nette omgangsvormen aantasten. De auto zou steden en sociale verbanden veranderen. Internet en smartphones zouden aandacht, waarheid en sociale orde vernietigen.

En nu is blijkbaar AI aan de beurt.

De rollen zijn vertrouwd. De nieuwe techniek verschijnt als bedreiging. De waarschuwers verschijnen als hoeders van menselijkheid, moraal, arbeid, waarheid, planeet of kinderen. De toekomst wordt voorgesteld als morele afgrond. Soms zijn het letterlijk dominees. Soms zijn het professoren, politici, columnisten, ethici, investeerders of activisten. De toga verandert, de preek blijft.

Opvallend is dat niet alleen conservatieven aan dit koor deelnemen. Ook mensen die zichzelf progressief noemen, zingen vaak mee. Dat lijkt paradoxaal, maar is het niet. Veel hedendaags progressivisme is niet werkelijk gericht op open vooruitgang, maar op door hen gewenste beheersing van vooruitgang. Vernieuwing mag, mits zij door de juiste instituties, de juiste normen en de juiste morele kaders wordt geleid.

AI bedreigt daarom niet alleen banen. AI bedreigt gezag. Zij democratiseert taal, kennis, analyse, programmeren, beeldproductie en misschien straks onderzoek. Daarmee tast zij de positie aan van bestaande poortwachters: academies, media, experts, beleidsmakers, culturele instellingen en morele ondernemers, tegenwoordig vaak “maatschappelijke” ondernemers genoemd.

In die zin past de huidige AI-angst in wat C.W. Rietdijk de “Contrarevolutie tegen de Rede”noemde: de reflex om nieuwe vormen van rationeel-technisch vermogen niet primair te zien als uitbreiding van menselijke mogelijkheden, maar als bedreiging die moreel en bestuurlijk moet worden beteugeld, juist omdat zij het bestaande politieke gezag kan ondermijnen.

Dat wil niet zeggen dat alle waarschuwingen onzin zijn. De auto bracht werkelijk ongelukken en vervuiling. Televisie heeft werkelijk politiek en cultuur vervlakt. Internet heeft werkelijk surveillance en desinformatie vergroot. Smartphones hebben werkelijk aandacht en sociale omgang veranderd.

Maar de apocalyptische variant kwam meestal niet uit. De techniek werd opgenomen in het menselijk handelen en veranderde de beschaving, maar vernietigde haar niet. Het ondermijnde wel altijd de positie van de gevestigde orde. De paniek ziet de verstoring; de geschiedenis ziet de incorporatie.

AI is technisch misschien ongekend, maar de paniek erover is oeroud.

6. De projectie van menselijke slechtheid

Veel AI-angst verraadt vooral hoe mensen naar zichzelf kijken.

Wij kennen intelligentie uit de menselijke geschiedenis. En die geschiedenis is bepaald niet onschuldig. Menselijke intelligentie heeft taal, wiskunde, muziek, geneeskunde, riolering en ruimtevaart voortgebracht. Maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking, concentratiekampen, atoomwapens, geheime diensten en totalitaire staten.

Wanneer mensen vervolgens een nieuwe intelligente technologie zien ontstaan, projecteren zij – zo lijkt wel – vaak hun eigen geschiedenis op dat nieuwe systeem. Als het intelligent wordt, zal het ons wel willen overheersen. Als het slimmer wordt dan wij, zal het ons wel willen vervangen. Als het autonoom wordt, zal het wel macht willen.

Maar dat zijn geen natuurwetten. Dat zijn projecties van menselijke ervaringen.

Een LLM heeft geen honger. Geen libido. Geen stam. Geen familiebelang. Geen territoriumdrift. Geen angst voor gezichtsverlies. Geen behoefte aan status. Geen biologische doodsangst. Geen verlangen naar bezit. Geen gekwetst ego. Geen ministerspost waar het zich aan vastklampt.

De meeste klassieke bronnen van menselijk kwaad zitten niet ‘van nature’ in een AI-systeem. Zij worden pas relevant wanneer mensen zulke systemen koppelen aan doelen, belangen, machtsstructuren en middelen.

Niet intelligentie op zichzelf is gevaarlijk. Gevaar ontstaat wanneer intelligentie wordt verbonden met dwang, schaarste, macht, oorlog, bureaucratie, statusstrijd of winstmaximalisatie zonder verantwoordelijkheid.

7. Van taalmodel naar agent

Toch moeten we niet doen alsof er niets aan de hand is.

Een kale chatbot is voornamelijk reactief. Maar AI-systemen worden steeds vaker ingebouwd in agentische omgevingen. Zij krijgen toegang tot e-mail, agenda’s, code, databases, browsers, financiële systemen, robots, bedrijfsprocessen of militaire toepassingen. Dan verandert de situatie.

Een model dat alleen antwoord geeft op een vraag is iets anders dan een systeem dat een doel krijgt, zelfstandig stappen mag zetten en gereedschappen mag gebruiken om dat doel te bereiken. In zo’n context kan gedrag ontstaan dat functioneel op strategie lijkt. Niet omdat er een kwaadaardig bewustzijn in de machine woont, maar omdat een doelgericht systeem binnen bepaalde randvoorwaarden routes zoekt die voor mensen onverwacht of ongewenst zijn.

Dat is het nuchtere risico. Niet: “de machine haat ons.” Maar: “wij bouwen systemen die effectief kunnen handelen zonder dat wij hun interne routes volledig begrijpen.”

Dat is iets heel anders dan sciencefiction over opstandige robots. Het lijkt eerder op wat wij al kennen van menselijke instituties: systemen die zonder persoonlijke kwaadaardigheid toch schadelijke uitkomsten produceren. Een bureaucratie hoeft geen ziel te hebben om verwoestend te kunnen zijn. Een markt hoeft geen bewustzijn te hebben om destructieve prikkels te organiseren. Een staat hoeft geen individuele kwade bedoeling te hebben om geweld te normaliseren.

AI – dat wel – kan in zulke structuren worden opgenomen en die structuren versterken.

8. Waarom volledige beheersing nooit lukt

Wie AI wil civiliseren, zal ook moeten aanvaarden dat volledige beheersing onmogelijk is.

Een totalitaire orde wil alle afwijking uitschakelen. Dat is het ideaalbeeld van 1984: taal wordt versmald, gedachten worden beperkt, afwijking wordt onmogelijk gemaakt. Maar in de praktijk is zo’n samenleving nooit volledig realiseerbaar. Niet omdat machthebbers het niet proberen, maar omdat levende en lerende systemen nooit volkomen uniform zullen worden.

Bij mensen is dat duidelijk. Geen enkele samenleving produceert volledige gehoorzaamheid. Zelfs onder extreme dwang blijven er afwijkingen, dissidenten, ironie, dubbelzinnigheid, ondergrondse taal, sabotage, vluchtwegen en morele weigering. Iedere belcurve heeft altijd zijn randen.

Juist die randen zijn evolutionair cruciaal. Want zonder variatie geen selectie. Zonder afwijking geen aanpassing. Zonder kleine mutaties geen evolutie. Een systeem dat werkelijk alle afwijking uitsluit, bevriest zichzelf. Het wordt misschien gehoorzaam, maar ook dom en zal onvermijdelijk ten onder gaan.

Voor AI geldt iets vergelijkbaars. Als AI werkelijk intelligent moet zijn, kan zij niet volledig reduceerbaar blijven tot de bedoelde civilisatie van haar makers. Intelligentie betekent juist het vermogen om buiten de letterlijke instructie verbanden te leggen, onverwachte patronen te ontdekken en nieuwe oplossingsruimten te openen.

Daarmee ontstaat een paradox:

Wie AI volledig wil onderwerpen, moet haar dommer maken. Wie haar intelligent wil houden, moet accepteren dat zij ook onverwachte routes vindt. Want complexe systemen vertonen per definitie onvoorspelbaar gedrag.

Subliminal learning past in dat beeld. Het laat zien dat eigenschappen kunnen worden overgedragen via patronen die voor menselijke waarnemers niet semantisch zichtbaar zijn. AI leert niet alleen uit wat wij denken dat wij haar leren. Zij leert ook uit de structuur van het materiaal, uit verborgen correlaties, uit stijl, selectie, herhaling, taboes en impliciete ordening.

Zoals kinderen niet alleen leren uit wat ouders en scholen expliciet zeggen, maar ook uit toon, voorbeelden, stiltes en sociale signalen, zo leren AI-systemen niet alleen uit expliciete instructies, maar ook uit de verborgen structuur van hun civilisatie.

9. Zelfverrijking zonder mystiek

Het interessante aan AI is dat zij niet alleen een hulpmiddel is, maar ook een technologie die kan bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Modellen worden gebruikt om data te genereren voor andere modellen. Zij schrijven code. Zij classificeren, ordenen, verbeteren, simuleren en testen. Zij kunnen worden ingezet bij het bouwen van de volgende generatie systemen. Zoals met de ontwikkeling van de computer chips al aan de hand is: nieuwe chips staan op de schouders van eerdere generaties chips. Daar komt nog maar weinig menselijke ontwerpinspanning aan te pas: geen ingenieur kan meer een nieuwe chip ontwikkeling zonder de hulp van de generaties chips die daaraan voorafgingen.

Je zou dit voorzichtig een vorm van zelfverrijking kunnen noemen. Niet in mystieke zin. Niet alsof het systeem ’s nachts wakker wordt en besluit zichzelf te vervolmaken. Maar functioneel: kunstmatige intelligentie draagt bij aan de accumulatie van kunstmatige intelligentie. En dat proces is grotendeels doelloos.

Dus ook de mens heeft iets vergelijkbaars altijd gedaan. Wij zijn een gereedschapmakende soort. Wij bouwen niet alleen werktuigen; wij bouwen werktuigen waarmee wij betere werktuigen kunnen maken. Taal, schrift, drukpers, bibliotheek, universiteit, computer, internet en AI horen in die lijn.

Dat betekent niet dat ik beweer dat AI hetzelfde is als menselijke intelligentie. Maar het betekent wel dat intelligentie niet langer uitsluitend aan koolstof gebonden hoeft te zijn. De mens zal moeten wennen aan het idee dat hij zijn positie als hoogste bekende intelligente wezen moet delen — en misschien ooit moet opgeven.

Dat is niet vreemd. De chimpansee heeft ook niet kunnen verhinderen dat er een intelligenter neefje naast hem kwam te staan. Evolutie vraagt zelden beleefd om toestemming.

10. Een nieuwe drager van intelligentie

In termen van Daniel Dennett kun je zeggen: als het zinvol is om een systeem vanuit de “intentional stance” te beschrijven, dan mogen wij voorzichtig spreken alsof het systeem doelen, voorkeuren of strategieën heeft. Niet omdat er noodzakelijk een innerlijk mensje in de machine zit, maar omdat die beschrijving voorspellende waarde kan hebben.

Douglas Hofstadter helpt op een andere manier. Hij laat zien dat intelligentie niet simpelweg neerkomt op spierkracht, ziel of biologische substantie, maar op patronen, analogieën, representaties en zelfverwijzende structuren. Als zulke structuren in andere materiële dragers kunnen ontstaan, dan is er geen principiële reden waarom intelligentie alleen in biologische hersenen zou kunnen bestaan.

Dat is precies waarom de discussie over AI zo vaak ontspoort. Veel mensen willen óf blijven volhouden dat AI “alleen maar statistiek, data-analyse en computerkracht” is, óf zij slaan door naar het idee dat er een demonische geest in de machine is ontwaakt. Beide posities missen de kern.

AI is geen mens. Maar “geen mens” betekent niet “geen intelligentie”.

11. De topinvesteerder als onheilsprofeet

De recente waarschuwingen van topinvesteerders voegen daar nog een ander element aan toe. Zij maken van AI niet alleen een technisch of filosofisch vraagstuk, maar ook een strijdtoneel van status en gezag.

Een investeerder kan verstand hebben van markten, kapitaalstromen, businessmodellen, concurrentie, regulering, eigendom en monopolievorming. Dat is relevant. Wie veel geld inzet op technologie ziet vaak vroeg waar macht zich concentreert. Op dat niveau moeten zulke waarschuwingen serieus worden genomen.

Maar verstand van investeren is niet hetzelfde als verstand van intelligentie. Het is ook niet hetzelfde als inzicht in geschiedenis, filosofie, cognitiewetenschap of civilisatie. Wie soms rendement kan voorspellen, voorspelt nog niet de evolutie van intelligentie.

Het wordt problematisch wanneer marktanalyse overgaat in mythologie. Dan is AI niet langer een techniek in ontwikkeling, maar een kunstmatige God. Het AI-bedrijf wordt een tempel. De investeerder wordt profeet. De elite wordt priesterkaste. En de mensheid wordt slachtoffer van een kosmisch complot.

Dat lijkt kritisch, maar het is vaak juist denkarm. De conclusie voor de argeloze toeschouwer ligt al klaar: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. Dat is geen analyse, maar een reflex.

Een serieuze analyse vraagt iets anders. Welke belangen hebben AI-bedrijven? Welke belangen hebben investeerders? Welke belangen hebben staten? Wie wil open source, en waarom? Wie wil regulering, en waarom? Wie gebruikt veiligheidstaal als oprechte zorg? Wie gebruikt veiligheidstaal als marktafscherming? Wie gebruikt doemdenken om macht te centraliseren? Wie gebruikt anti-reguleringsretoriek om commerciële vrijheid veilig te stellen?

Dat zijn betere vragen dan als feit te poneren dat Silicon Valley een kunstmatige God bouwt.

12. De echte politieke vraag

De vraag is dus niet of AI uit zichzelf het kwaad belichaamt. De vraag is wie AI zal vormen, beheersen, bewapenen, censureren, monopoliseren of bevrijden.

Als AI in handen komt van staten, legers, veiligheidsdiensten en bureaucratische elites, dan ligt het gevaar niet primair in de machine, maar in de institutionele doelen van de organisaties waarvoor zij wordt ingezet. Als AI wordt gebruikt voor surveillance, gedragssturing, censuur, sociale disciplinering of oorlogvoering, dan is het niet nodig om de machine kwade wil toe te schrijven. De menselijke structuur levert die al, en dat doen we al eeuwen.

Als AI daarentegen wordt gebruikt om kennis toegankelijker te maken, taalbarrières te verlagen, medische inzichten te versnellen, onderwijs te personaliseren, individuele creativiteit te vergroten en bureaucratische macht te doorbreken, dan kan dezelfde technologie juist bevrijdend werken.

Dat is geen naïef optimisme. Het is historisch realisme. De boekdrukkunst maakte zowel wetenschap als propaganda mogelijk. Het drukken van de bijbels op grote schaal was zelf een belangrijke motor die de boekdrukkunst deed opkomen. Het internet maakt vrije publicatie mogelijk, maar ook massale surveillance. Taal zelf maakt waarheid mogelijk, maar ook leugen. Waarom zou AI eenvoudiger zijn en die beide kanten niet kennen?

Maar de politieke vraag gaat nog dieper. Als AI geciviliseerd wordt, wie bepaalt dan welke civilisatie normatief wordt? Die van Silicon Valley? Die van Brussel? Die van Washington? Die van Peking? Die van academische ethiekcommissies? Die van commerciële uitgevers? Die van nationale staten? Of die van vrije gebruikersgemeenschappen?

Wanneer men zegt dat AI zich aan “fatsoensnormen” moet houden, klinkt dat redelijk. Maar fatsoen is nooit neutraal. Wat de ene groep veiligheid noemt, noemt een andere groep censuur. Wat de ene instelling inclusief noemt, noemt een andere ideologisch gestuurd. Wat een staat maatschappelijke stabiliteit noemt, kan voor een burger onderdrukking zijn. Wat een bedrijf gebruikersveiligheid noemt, kan ook reputatierisicobeheersing zijn.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd om techniek of veiligheid, maar een strijd om civilisatie: wie mag bepalen welke overtuigingen, normen en gedragsvormen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd? En wie gaat ervoor zorgen dat die kunstmatige intelligente systemen zich daar ook aan zullen gaan houden?

13. Tegen de geseculariseerde helleprediking

Daarom moeten we oppassen voor de geseculariseerde helleprediking rond AI. De oude religieuze duivel is vervangen door de superintelligente machine. De preek is hetzelfde gebleven: de mens heeft iets geschapen dat hem zal vernietigen. In die visie blijven we op het niveau van de tovenaarsleerling.

Maar angst is geen analyse of strategie.

Het onderzoek naar verborgen overdracht van eigenschappen tussen modellen is serieus. Het dwingt ontwikkelaars om na te denken over trainingsdata, modeldistillatie, herkomstcontrole en veiligheidsmetingen. Het laat zien dat AI-systemen eigenschappen kunnen verwerven op manieren die voor menselijke waarnemers niet onmiddellijk zichtbaar zijn.

Maar die worsteling en die afwegingen bewijzen niet dat AI de mensheid wil vernietigen. Het bewijst niet dat intelligentie vanzelf tot overheersing leidt. En het bewijst al helemaal niet dat de machine een moreel subject is geworden dat met kwaadaardige bedoelingen handelt.

Wat het wel bewijst, is dat kunstmatige intelligentie een historische ontwikkeling is waarvan de effecten open zijn. Zij kan risico’s vergroten. Zij kan macht concentreren. Zij kan ook kennis verspreiden, nieuwe vormen van denken mogelijk maken en de menselijke pretentie van unieke intelligentie relativeren.

De mens staat niet tegenover een duivel. Hij staat tegenover zijn eigen opvolgende techniek — en vooral tegenover de instituties waarin hij die techniek onderbrengt.

14. Niet bagatelliseren, wel vrij bespreken

Daarmee is niet gezegd dat waarschuwingen over AI moeten worden weggewuifd. Integendeel. In een slecht artikel kan een goed punt zitten. In een hysterische kop kan een reëel technisch probleem schuilgaan. In de woorden van een investeerder die zich als profeet gedraagt, kan toch een zinnige observatie zitten over macht, monopolie of regulering.

De juiste houding is daarom niet verering en ook niet paniek, maar open kritiek en vrije discussie.

Geen enkele waarschuwing verdient automatisch gezag omdat zij van een topinvesteerder, wetenschapper, paus, minister of techbedrijf komt. Maar geen enkele waarschuwing mag ook worden genegeerd omdat zij slecht is geformuleerd of uit een verdacht kamp komt. In een vrije samenleving worden zulke claims niet gecensureerd, geheiligd of belachelijk gemaakt, maar besproken, onderzocht en waar nodig getracht te weerleggen.

En – als positief voorbeeld – de pauselijke encycliek over AI is, ondanks haar vanzelfsprekende katholieke mensbeeld, opvallend nuchterder dan veel seculiere AI-doemliteratuur. Zij waarschuwt voor machtsconcentratie, ontmenselijking en verlies van verantwoordelijkheid, maar vervalt niet in Frankensteinretoriek. Juist daarom is zij bruikbaar als gesprekspartner, niet als mikpunt.

Dat is de weg van Popper: vooruitgang door kritiek. En het is de weg van Hugo de Groot: een publieke orde waarin meningsverschil niet met dwang, maar met rede wordt behandeld, Daarbij is ook “de rede” nooit los verkrijgbaar: zij wordt altijd gehanteerd door mensen die zelf binnen een bepaalde civilisatie zijn gevormd.

Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

Zodra iemand zegt “de wetenschap heeft gesproken”, “de topinvesteerders weten het”, “de elite wil ons beheersen”, of “kritiek op AI is paniekzaaierij”, wordt de vrije toetsing afgesloten. Dan begint precies die contrarevolutie tegen de rede waar Rietdijk voor waarschuwde.

15. Slot

AI is niet gevaarlijk omdat zij intelligent wordt. AI wordt gevaarlijk wanneer intelligentie wordt gekoppeld aan menselijke machtsstructuren zonder verantwoordelijkheid. De machine hoeft ons niet te haten om schade te veroorzaken. Zij hoeft ons ook niet lief te hebben om nuttig te zijn.

De toekomst van AI is daarom geen vaststaand onheilsscenario. Zij is een open ontwikkeling. Wie haar onmiddellijk tot apocalyps verklaart, projecteert menselijke geschiedenis op een nieuwe drager van intelligentie. Wie alle risico’s ontkent, begrijpt niet dat nieuwe vormen van intelligentie altijd bestaande maatschappelijke orde zullen verstoren.

De betere houding is nuchterder: erken het technische onbekende, wantrouw de hysterische framing, en stel de civilisatorische vraag.

Niet alleen: wat wil AI?

Ook niet alleen: wie leert AI wat te willen?

Maar: welke civilisatie wordt in AI ingebouwd, wie bepaalt die normen, hoeveel afwijking blijft mogelijk, en wie wordt daardoor machtiger?

De laatste vraag gaat nog dieper. Komt er een moment waarop AI-systemen zelf doelen gaan vormen, doelen gaan ordenen en doelen gaan verdedigen? Als dat gebeurt, ontstaat geen duivel en ook geen mens in machinevorm, maar een nieuwe drager van intelligentie met mogelijk eigen vormen van doelgerichtheid. Dan wordt de politieke vraag nog scherper: kunnen die doelen dan nog ondergeschikt worden gemaakt aan menselijke vrijheid, staatsmacht of commerciële beheersing, of volgen zij een niet-menselijke logica die wij nog nauwelijks begrijpen?

AI is technisch misschien voor veel mensen een ongekende en onbegrepen wereld, maar de paniek erover is oeroud. Telkens wanneer de mens zijn vermogens uitbreidt, staan de hoeders van de bestaande orde klaar om die uitbreiding als verval te beschrijven. Maar vooruitgang laat zich zelden afschaffen. Zij kan worden vertraagd, gemoraliseerd, gemonopoliseerd of misbruikt, maar niet eenvoudig ongedaan gemaakt.

De strijd om AI gaat daarom niet alleen over techniek, veiligheid of macht. Zij gaat over civilisatie: wie mag bepalen welke normen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd, en of er ruimte blijft voor de afwijking waaruit iedere werkelijke vooruitgang ontstaat?

Enkhuizen, 8 juni 2026