Alarm om AI: wie beschermt wie tegen wie?

Tweehonderd deskundigen willen de samenleving voorbereiden op AI. Maar de burger komt in hun verklaring nauwelijks voor. Misschien gaat hun alarm daarom niet alleen over onze toekomst, maar ook over hún positie daarin.

Opnieuw is er alarm over kunstmatige intelligentie. Meer dan tweehonderd economen, AI-onderzoekers en technologieleiders hebben een verklaring ondertekend met een titel die weinig ruimte laat voor kalm beraad:

De verklaring is opmerkelijk kort. AI kan volgens de ondertekenaars de komende tien jaar radicaal krachtiger worden. Dat zou een economische transformatie kunnen veroorzaken die groter is dan de Industriële Revolutie, maar zich in veel kortere tijd voltrekt. Er dreigt grootschalig banenverlies, terwijl tegelijk grote welvaartsstijging mogelijk is. Daarom moeten economen, beleidsmakers en technologieleiders nu handelen en de prikkels, vangrails en instituties bouwen waarmee AI in de gewenste richting kan worden gestuurd.

Op het eerste gezicht klinkt dat verstandig. Een ingrijpende technologie verdient onderzoek, maatschappelijk debat en politieke voorbereiding. Maar wie de verklaring nauwkeurig leest, ontdekt een merkwaardige leegte. De burger ontbreekt in hun verhaal. Mag die misschien ook iets vinden?

Een samenleving zonder burgers

Volgens de verklaring zijn er drie groepen die handelend moeten optreden:

  • economen;
  • beleidsmakers;
  • technologieleiders.

De rest van de mensheid komt slechts indirect voor. Mensen kunnen hun baan verliezen, profiteren van een hogere levensstandaard of moeten worden beschermd door nieuwe regels en instituties. Zij zijn het voorwerp van beleid, maar niet de makers ervan.

De gebruiker van AI wordt niet genoemd. De werknemer evenmin. De kleine ondernemer niet. De docent, journalist, kunstenaar, verpleegkundige, ambtenaar of burger evenmin. Kennelijk zijn zij wel in staat de gevolgen van AI te ondergaan, maar niet geschikt genoeg geacht om mee te denken over de richting waarin die technologie zich moet ontwikkelen.

Dat is geen klein taalkundig foutje. Het onthult een politieke opvatting. De deskundigen stellen de diagnose. De bestuurders ontwerpen de behandeling. De technologieleiders leveren het instrumentarium. De burger mag vervolgens hopen dat de operatie slaagt. Hier spreekt niet zozeer de democratie als wel het bestuurdersmodel van de samenleving: wij weten wat er gebeurt, wij weten wat er nodig is en wij zullen bepalen hoe de toekomst moet worden ingericht.

De bevolking wordt geacht te worden beschermd — volgens hún opvattingen — maar wordt over die bescherming niet geraadpleegd.

De vaste melodie van het AI-alarm

Deze verklaring staat niet op zichzelf. Zij is de nieuwste aflevering in een inmiddels lange reeks waarschuwingen over de verschrikkelijke gevolgen van AI.

In maart 2023 riepen duizenden wetenschappers en technologen op tot een pauze van ten minste zes maanden bij het trainen van systemen die krachtiger waren dan GPT-4. Wanneer de laboratoria daar niet vrijwillig toe bereid waren, moesten overheden volgens de brief een moratorium instellen.

Enkele maanden later volgde een nog dramatischer verklaring. Het beperken van het risico dat AI tot het uitsterven van de mensheid leidt, moest volgens de ondertekenaars wereldwijd dezelfde prioriteit krijgen als pandemieën en kernoorlog.

Daarna verschenen voortdurend berichten dat AI:

  • miljoenen banen zou vernietigen;
  • de democratie zou ondermijnen;
  • verkiezingen zou manipuleren;
  • de waarheid onherkenbaar zou maken;
  • het onderwijs zou ruïneren;
  • menselijke creativiteit zou vernietigen;
  • discriminatie zou automatiseren;
  • cybercriminaliteit en oorlogvoering zou versterken;
  • en uiteindelijk de mens zelf overbodig zou kunnen maken.

Sommige zorgen zijn zondemeer reëel. Technologie kan banen verdringen, machtsverschillen vergroten en bestaande instituties ontregelen. Het IMF schatte dat bijna 40 procent van de werkgelegenheid wereldwijd op enigerlei wijze aan AI wordt blootgesteld. Maar ‘blootgesteld’ is niet hetzelfde als ‘verdwenen’, en aanvulling is niet hetzelfde als vervanging.

Het probleem is dat zulke voorwaardelijke analyses in de publieke berichtgeving gemakkelijk veranderen in een vaststaand toekomstbeeld: AI komt eraan, de gevolgen zijn ongekend en deskundigen moeten onmiddellijk ingrijpen.

De onzekerheid staat meestal in de kleine letters. Het alarm staat altijd in de kop.

Van mogelijkheid naar noodtoestand

Ook de nieuwe verklaring volgt dat patroon. De redenering bestaat uit drie stappen:

AI kan radicaal krachtiger worden.

Dat zou kunnen leiden tot een economische omwenteling die groter is dan de Industriële Revolutie.

Daarom moeten wij nu handelen.

De eerste twee beweringen zijn mogelijkheden. De derde is een bevel.

Tussen mogelijkheid en bevel ontbreekt echter een groot deel van de redenering. Hoe waarschijnlijk is het beschreven scenario? Welke alternatieven bestaan er? Welke onderdelen van de economie veranderen het eerst? Welke beroepen verdwijnen, welke veranderen en welke ontstaan? Welke maatregelen zijn effectief? Wat zijn de kosten van ingrijpen? En minstens zo belangrijk: wie krijgt de bevoegdheid om de technologie te ‘sturen’?

De verklaring geeft daarop geen antwoord.

Dat kan ook moeilijk in 88 woorden. Maar juist daarom is het misleidend deze tekst te presenteren als het gezamenlijke wetenschappelijke oordeel van honderden deskundigen. Het is een politieke oproep die gezag ontleent aan de namen eronder. Maar veel Nobelprijswinnaars maken een bewering niet automatisch waar. Zelfs tweehonderd buitengewoon intelligente mensen kunnen een petitie ondertekenen waarin de beslissende vragen buiten beeld blijven.

AI begon niet in 2022

Het grootste historische mankement van het huidige AI-alarm is dat AI wordt voorgesteld als een plotselinge breuk.

Alsof de mensheid rustig onderweg was en enkele jaren geleden onverwacht werd overvallen door ChatGPT.

In werkelijkheid bevinden wij ons al veel langer in een technologische omwenteling. Je kunt het begin rond 1900 leggen, bij elektrificatie, telefonie, massaproductie, moderne chemie en gemotoriseerd vervoer. Je kunt ook 1951 kiezen, toen commerciële computers zichtbaar begonnen te maken dat niet alleen spierkracht, maar ook informatieverwerking kon worden gemechaniseerd.

Daarna volgden de transistor, de geïntegreerde schakeling, de microprocessor, software, computernetwerken, internet, zoekmachines, mobiele communicatie, sociale platforms, cloudcomputing, enorme databestanden en machinaal leren. Al die stappen veranderden productie en arbeid, maar maakten de bevolking per saldo niet brodeloos. Integendeel: de welvaart steeg, terwijl werk telkens van vorm veranderde. Generatieve AI is daarvan niet het begin.

Zij is de meest recente — en waarschijnlijk buitengewoon ingrijpende — fase van een digitale revolutie die al minstens driekwart eeuw gaande is. Het bijzondere van deze fase is dat steeds meer menselijke denk- en taalvaardigheden technisch reproduceerbaar en breed beschikbaar worden: niet alleen rekenen en opslaan, maar ook zoeken, vergelijken, vertalen, schrijven, ontwerpen, programmeren, herkennen, samenvatten en adviseren.

Daarom raakt deze revolutie niet alleen de fabrieksarbeider, zoals de Industriële Revolutie aanvankelijk deed. Zij raakt juist ook groepen die hun maatschappelijke positie ontlenen aan opleiding, informatievoorsprong, taalvaardigheid en institutionele deskundigheid. En precies daar wordt het politiek interessant.

Technologische revoluties vervangen niet alleen werktuigen

De grote technologische revoluties uit de geschiedenis veranderden telkens meer dan de productie.

De landbouwrevolutie maakte permanente vestiging, bezit, belastingheffing en bestuurlijke hiërarchie mogelijk. Maritieme scheepvaart en internationale handel versterkten kooplieden tegenover lokale en feodale machthebbers. De boekdrukkunst verzwakte het monopolie van kerk, universiteit en vorst op kennis en interpretatie. De stoommachine schiep industriëlen, stedelijke arbeiders, vakbonden en massapolitiek.

Technologische veranderingen brengen daarom vroeg of laat maatschappelijke en politieke verschuivingen voort. Niet omdat een machine automatisch een revolutie veroorzaakt. Wel omdat nieuwe technieken veranderen:

  • wie nu ook toegang heeft tot kennis;
  • wie nu ook kan produceren en publiceren;
  • wie arbeid organiseert;
  • wie economische meerwaarde ontvangt;
  • welke vaardigheden schaars blijven;
  • en wie nog geloofwaardig kan beweren dat alleen hij het ultieme overzicht bezit.

De oude elite verdwijnt niet noodzakelijk onmiddellijk. Meestal probeert zij de nieuwe technologie eerst in haar bestaande orde op te nemen. Zij koopt de machines, schrijft de regels, beheert de infrastructuur en benoemt zichzelf tot deskundige toezichthouder.

Soms lukt dat. Maar soms ontstaat een nieuwe elite. Nieuwe technologie kan ook nieuwe politieke ideeën en maatschappelijke organisaties voortbrengen: de drukpers was een voorwaarde voor Reformatie en Verlichting; de industrialisering vormde de voedingsbodem voor socialisme, vakbeweging en massademocratie. Wanneer kennis en handelingsmogelijkheden breder worden verspreid, kunnen bestaande gezagsverhoudingen onhoudbaar worden. Een technologische revolutie kan dan uitlopen op een maatschappelijke en politieke revolutie — en dat laat zich door de oude elite niet eenvoudig tegenhouden.

De deskundigen zijn geen buitenstaanders

Daarmee krijgt de verklaring We Must Act Now een dubbelzinnig karakter.

De ondertekenaars spreken alsof zij buiten de ontwikkeling staan en de mensheid waarschuwen voor een naderende storm. Maar velen van hen behoren tot de economische, wetenschappelijke en technologische bovenlaag die deze ontwikkeling mede veroorzaakt, financiert en bestuurt.

Onder de ondertekenaars bevinden zich topeconomen, Nobelprijswinnaars, voormalige en huidige leidinggevenden uit de technologiesector en vertegenwoordigers van bedrijven die zelf aan de ontwikkeling en commercialisering van AI werken.

Dat maakt hun zorgen niet per definitie onoprecht. Het zou goedkoop zijn te veronderstellen dat alle tweehonderd bewust samenspannen om hun macht te behouden. Velen zullen oprecht bezorgd zijn over werkloosheid, ongelijkheid en maatschappelijke ontregeling. Maar hun eigen maatschappelijke positie moet wel in de analyse worden betrokken.

Wie zegt dat nieuwe instituties noodzakelijk zijn, heeft een goede kans die instituties mede te gaan bevolken. Wie vooral deskundigheid nodig acht, vergroot het gezag van deskundigen. En wie AI wil sturen, behoort vaak al tot de kleine groep met kapitaal, rekenkracht, kennis en toegang tot beleidsmakers.

Hun oproep heeft daardoor een institutioneel voorspelbare uitkomst:

  1. AI wordt voorgesteld als een uitzonderlijke dreiging.
  2. De samenleving wordt onvoldoende voorbereid verklaard.
  3. Nieuwe regels, instituten en toezichthouders worden noodzakelijk.
  4. De bestaande deskundige en bestuurlijke elite krijgt daarin een centrale rol.
  5. De burger blijft degene namens wie wordt gehandeld.

Dat is geen complottheorie. Het is een elementaire analyse van macht en belangen.

Bescherming als machtsaanspraak

De politiek kent een oud mechanisme: wie een gevaar overtuigend definieert, maakt zichzelf kandidaat om het te beheersen. Dat geldt bij oorlog, terrorisme, pandemieën en financiële crises. Het geldt ook bij AI.

De taal van bescherming is daarbij bijzonder effectief. Niemand wil immers tegen veiligheid, menselijkheid of maatschappelijke welvaart zijn. Maar zodra een elite zegt dat zij ‘de samenleving’ wil beschermen, moeten ten minste drie vragen worden gesteld:

  1. Tegen welk concreet gevaar?
  2. Met welke aantoonbaar effectieve middelen?
  3. En wie controleert de beschermers?

In de nieuwe verklaring blijven die vragen onbeantwoord. De ondertekenaars willen ‘incentives, guardrails and institutions’ ontwerpen om AI zo te sturen dat deze de mens aanvult en de samenleving ten goede komt. Maar ‘de samenleving’ heeft geen enkelvoudig belang. Het algemeen belang is niet eenduidig op ons vanzelfsprekend neergedaald.

Een AI-toepassing kan voordelig zijn voor consumenten en nadelig voor een bestaande beroepsgroep. Zij kan de productiviteit verhogen en tegelijk de onderhandelingsmacht van werknemers verzwakken. Zij kan burgers toegang geven tot deskundige kennis en tegelijk het verdienmodel van professionele poortwachters aantasten.

De vraag wat de samenleving ‘ten goede komt’, is daarom geen technisch vraagstuk. Het is politiek.

En politieke vragen mogen niet exclusief worden afgehandeld door degenen die zichzelf op grond van hun vermeende deskundigheid tot zaakwaarnemer van de mensheid benoemen.

Misschien vreest de elite niet alleen banenverlies

Het gebruikelijke verhaal is dat AI vooral laaggeschoolde of routinematige arbeid bedreigt. Maar juist moderne AI tast vooral het exclusieve karakter aan van vaardigheden waarop hoogopgeleide beroepsgroepen hun positie hebben gebouwd.

Een burger kan nu zonder tussenkomst van een specialist juridische teksten laten uitleggen, medische vragen structureren, rapporten samenvatten, computerprogramma’s schrijven, beleidsstukken analyseren en argumentaties toetsen. Dat betekent niet dat de expert overbodig is. Wel dat zijn kennis minder voor niet ingewijden ontoegankelijk wordt.

De maatschappelijke betekenis daarvan kan groter zijn dan het verdwijnen van een aantal afzonderlijke functies. Een elite ontleent haar positie immers niet alleen aan bezit of formele macht, maar ook aan de overtuiging dat zij beter dan anderen begrijpt wat er moet gebeuren.

Wanneer burgers toegang krijgen tot instrumenten waarmee zij informatie kunnen analyseren, argumenten kunnen controleren en zelf complexe producten kunnen maken, vermindert de afstand tussen deskundige en leek.

AI kan een nieuw middel tot centralisering worden: grote ondernemingen en staten kunnen er ongekende controle mee uitoefenen. Maar AI kan kennis, deskundigheid en handelingsmogelijkheden óók veel breder onder burgers verspreiden.

Dat emancipatoire effect krijgt in de alarmverklaringen opvallend weinig aandacht. Misschien omdat het gemakkelijker is te spreken over bedreigde banen dan over bedreigde gezagsverhoudingen.

Geen paniek

De voorspelling dat nieuwe technologie op grote schaal banen zal vernietigen, is niet nieuw. Bij vrijwel iedere technologische omwenteling werd gewaarschuwd dat machines de mens overbodig zouden maken. Veel beroepen en werkzaamheden verdwenen inderdaad, maar het werk als zodanig verdween niet.

Ben Rogmans schreef daar in 2018 het boek Geen paniek! Maar ook jouw baan gaat eraan over. Zijn boodschap was niet dat er niets verandert. Integendeel: werk verdwijnt en mensen moeten zich blijven ontwikkelen. Maar paniek over het definitieve einde van menselijke arbeid is historisch slecht gefundeerd. Het grotere gevaar is dat mensen en instituties zich onvoldoende aanpassen.

Dat onderscheid is ook bij AI essentieel. Banen zijn tijdelijke bundelingen van werkzaamheden, passend bij de technologie en arbeidsverdeling van een bepaalde periode. AI kan zulke bundelingen openbreken: sommige taken verdwijnen, andere worden eenvoudiger en weer andere ontstaan. Dat kan voor afzonderlijke mensen zeer pijnlijk zijn, zonder dat de samenleving als geheel zonder werk komt te zitten.

De alarmisten tellen vooral het werk dat een technologie kan overnemen, maar niet de nieuwe activiteiten en de menselijke aanpassing die daardoor ontstaan. Zij zien de verdwijnende boekhouder, vertaler of administrateur, maar nog niet de beroepen waarvoor onze woordenboeken eenvoudig nog geen namen bevatten.

De burger ondergaat niet alleen — hij leert en organiseert zich

Wanneer de alarmisten stellen dat AI grotere gevolgen zal hebben en sneller zal verlopen dan de Industriële Revolutie, gebruiken zij die revolutie vooral als schrikbeeld. Zij vergeten wat er na de eerste ontwrichting gebeurde.

De burgers die de industrialisering overkwam, moesten die aanvankelijk grotendeels ondergaan. Zij verloren bestaanszekerheid, kwamen terecht in ongezonde steden en waren overgeleverd aan fabriekseigenaren die nauwelijks door wetten werden begrensd. De maatschappelijke ellende was enorm.

Maar de bevolking bleef geen passief slachtoffer. Arbeiders organiseerden zich in vakbonden, coöperaties en politieke partijen. Zij bevochten arbeidsrecht, onderwijs, sociale zekerheid en kiesrecht. Dat ging langzaam en met veel conflicten, maar een groot deel van de bevolking kwam uiteindelijk sterker uit de industriële omwenteling tevoorschijn — mede ten koste van de machtspositie van oude elites.

Waarom zou bij AI alleen de ontwrichting historisch vergelijkbaar zijn, maar niet het menselijke aanpassingsvermogen?

Ook de cybernetische en AI-revolutie zal burgers tot aanpassing dwingen. Beroepen zullen verdwijnen, veranderen en ontstaan. Tegelijk krijgen burgers toegang tot kennis- en productiemiddelen die vroeger waren voorbehouden aan grote organisaties en hoogopgeleide professionals. Zij zijn gebruiker, werknemer, ondernemer, gegevensproducent én kiezer: geen hulpeloos materiaal waarop technologie inwerkt, maar mede vormgever van haar maatschappelijke betekenis.

De geschiedenis geeft daarom niet alleen reden voor bezorgdheid, maar ook om rekening te houden met emancipatie.

Wie de Industriële Revolutie aanhaalt, moet beide kanten van de vergelijking aanvaarden: technologische revoluties brengen ellende en machtsconcentratie voort, maar kunnen ook nieuwe vormen van burgermacht scheppen en oude elites ondermijnen.

De alarmisten zien de snelheid en kracht van AI, maar onderschatten de snelheid en kracht waarmee mensen leren, samenwerken en nieuwe instituties vormen.

De kern kan nog scherper worden samengevat:

De historische fout van de alarmisten is dat zij AI als revolutionair beschouwen, maar de burger als onveranderlijk.

Dat is misschien wel de fundamenteelste denkfout in hun verklaring.

Het werkelijke alarm

De ondertekenaars hebben op één punt waarschijnlijk gelijk: AI kan tot een zeer ingrijpende maatschappelijke verandering leiden. Maar zij stellen de verkeerde hoofdvraag.

Niet alleen: hoe beschermen wij de samenleving tegen AI? Maar vooral: wie krijgt door AI meer handelingsvermogen, wie verliest macht en wie mag daarover beslissen?

De geschiedenis leert dat een technologische revolutie zelden netjes wordt bestuurd door de elite die bij het begin ervan aan de macht was. Oude instituties proberen de nieuwe mogelijkheden in hun eigen structuren onder te brengen. Oude beroepsgroepen verdedigen hun exclusiviteit. Oude machthebbers presenteren hun belangen als het algemeen belang.

Daarom moeten we het alarm van de tweehonderd deskundigen serieus nemen — maar niet noodzakelijk zoals zij bedoelen.

Het gevaar is niet alleen dat AI banen vernietigt of dat algoritmen ons gaan overheersen. Het gevaar is ook dat een kleine groep bedrijven, bestuurders en deskundigen de maatschappelijke betekenis van AI vooraf definieert, de spelregels opstelt en vervolgens uit naam van onze bescherming de zeggenschap over de technologie monopoliseert.

De kernvraag luidt daarom:

Hoe beschermen burgers hun democratische handelingsvrijheid tegen een elite die AI wil beheersen — en daarmee ook de samenleving?

Misschien is er inderdaad reden voor alarm. Maar dan vooral omdat in een verklaring over de toekomst van de hele economie de belangrijkste politieke actor eenvoudig is vergeten: de burger zelf.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding

AI wordt vaak voorgesteld als een wapen van elites tegen burgers. Maar die analyse is onvolledig. Vanuit Oppenheimers onderscheid tussen bovendanen en onderdanen laat dit artikel zien dat AI niet alleen een instrument van macht is, maar ook een werktuig waarmee gewone mensen toegang krijgen tot kennis, taal, analyse en organisatiekracht.

Dick H. Ahles

In de recente stroom berichten over kunstmatige intelligentie verschijnt regelmatig hetzelfde beeld: AI als instrument van controle. Een artikel op The Vigilant Fox met de titel “The mainstream media finally admit it: AI is a ‘weapon’ being used against you” is daarvan zomaar een willekeurig voorbeeld. De elite zou AI gebruiken om burgers te volgen, gedrag te sturen, informatie te filteren, arbeid te vervangen en de samenleving naar eigen inzicht te beheersen. Soms wordt dat in serieuze termen besproken. Vaak wordt het uitvergroot tot een nieuw apocalyptisch verhaal: AI als wapen tegen “jou”.

Dat laatste is te eenvoudig.

Natuurlijk kan AI tegen mensen worden ingezet. Iedere krachtige techniek kan tegen mensen worden ingezet. De boekdrukkunst kon worden gebruikt voor propaganda. Radio en televisie konden worden gebruikt voor massabeïnvloeding. Computers konden worden gebruikt voor bureaucratische controle. Internet kon worden gebruikt voor surveillance. AI vormt daarop geen uitzondering.

Maar er is een groot verschil tussen de nuchtere vaststelling dat AI als machtsinstrument kan worden gebruikt, en de ideologische bewering dat AI ontworpen is om de onderdaan te onderdrukken. Het eerste is een politiek filosofische analyse op basis van een (wetenschappelijke) beredenering. Het tweede is dramaturgie en per definitie onderdeel van de politieke positionering van een groep met bepaalde politieke opvattingen. Dat is waar het politieke proces over gaat, dus op zich geen probleem, want iedereen heeft het recht op zijn geloof en politieke overtuiging.

Wie alleen ideologisch kijkt naar wat bovendanen* met AI kunnen doen, mist de andere helft van de geschiedenis: wat onderdanen met AI kunnen doen.

1. Bovendanen en onderdanen

Franz Oppenheimer maakte in zijn analyse van de staat (Der Staat, 1909) een scherp onderscheid tussen het economische middel en het politieke middel. Het economische middel is productie, ruil, arbeid, handel: mensen voorzien in hun bestaan door zelf waarde te scheppen en vrijwillig met anderen te ruilen. Het politieke middel is toe-eigening: de ene groep leeft van de opbrengsten van een andere groep, niet door vrijwillige ruil, maar door macht, heffing, dwang of institutioneel voorrecht.

In die zin bestaat er in iedere politieke orde een spanning tussen bovendanen en onderdanen. De bovendanen vormen de laag die bestuurt, belast, reguleert, controleert en legitimeert. De onderdanen vormen de laag die produceert, betaalt, gehoorzaamt, zich aanpast en probeert binnen de gegeven orde ruimte te vinden. De verdeling in onder- en bovendanen is overigens niet een duidelijke streep door een samenleving. Over de top en de onderste laag is over het algemeen geen misverstand over.

Oppenheimers analyse is geen psychologische beschuldiging. Het betekent niet dat iedere bestuurder persoonlijk slecht is, of iedere onderdaan moreel zuiver. Het is een sociologische structuur. Wie boven zit, heeft van nature middelen nodig om boven te blijven. Wie onder zit, zoekt van nature middelen om minder afhankelijk te zijn.

Vanuit dat kader is het volstrekt voorspelbaar dat bovendanen AI ook voor het politieke middel zullen willen gebruiken. Daarvoor is geen samenzwering nodig. Het volgt uit hun (maatschappelijke) positie. Wat ze overigens niet ‘boven de wet’ plaats, ze blijven – zoals ieder individu – verantwoordelijk voor de effecten van hun handelen.

AI kan worden gebruikt voor toezicht, selectie, belastingheffing, risicoprofielen, censuur, gedragssturing, administratieve controle, propaganda, militaire planning en marktafscherming. Staten, grote bedrijven, veiligheidsdiensten, bureaucratieën en internationale instellingen zullen zulke mogelijkheden vanzelf onderzoeken. Niet omdat zij zich op een geheime avond in een kelder hebben voorgenomen de mensheid te knechten, maar omdat iedere machtsstructuur nieuwe middelen probeert in te passen in haar bestaande logica.

Dat is geen onthulling. Dat is geschiedenis.

2. De vergeten andere kant

Maar wie daar stopt, maakt een ernstige denkfout. Want vrijwel iedere grote technologische vernieuwing gaf niet alleen de macht nieuwe middelen, maar ondermijnde tegelijk een deel van haar monopolie.

De boekdrukkunst maakte propaganda mogelijk, maar brak ook het monopolie van kerkelijke en vorstelijke elites op tekst, uitleg en kennis. De Bijbel, pamfletten, kranten, wetenschappelijke werken en politieke traktaten konden zich verspreiden buiten de bestaande gezagskanalen om.

De krant kon door machthebbers worden gebruikt, maar gaf ook oppositie, emancipatiebewegingen en nieuwe politieke stromingen een stem. Radio en televisie konden de massa beïnvloeden, maar maakten ook gebeurtenissen zichtbaar die anders verborgen waren gebleven. Internet gaf staten en bedrijven nieuwe surveillancemiddelen, maar gaf individuen tegelijk publicatiemacht, netwerkvorming, kennisdeling en toegang tot bronnen.

Nieuwe technologie is dus zelden simpelweg een instrument van onderdrukking of bevrijding. Zij opent een strijdveld.

Bovendanen proberen haar te beheersen. Onderdanen proberen haar te gebruiken. Nieuwe groepen leren haar beter gebruiken dan oude elites. Daardoor verschuift macht. Soms worden onderdanen vrijer. Soms worden zij zelf nieuwe bovendanen. Emancipatie is zelden het einde van macht; vaak is zij een herschikking ervan.

Wie AI op voorhand afwijst, loopt het risico een krachtig werktuig van emancipatie uit handen te geven.

3. AI als ongekend werktuig van de onderdaan

Kunstmatige intelligentie past in deze lijn, maar met een bijzonder verschil. AI is niet alleen een transportmiddel, communicatiemiddel of productiemiddel. AI raakt direct aan taal, kennis, analyse, schrijven, programmeren, vertalen, ordenen en redeneren.

Daarmee komt een reeks vermogens beschikbaar die vroeger grotendeels afhankelijk was van opleiding, instituties, specialisten, redacties, juristen, adviseurs, programmeurs, onderzoekers en bureaucratische toegang.

Een individu met een computer en een AI-systeem kan vandaag teksten laten redigeren, juridische documenten laten uitleggen, beleidsstukken samenvatten, statistische redeneringen toetsen, code schrijven, brieven formuleren, bronnen vergelijken, vreemde talen lezen, sollicitaties voorbereiden, bestuursstukken ordenen, argumentaties aanscherpen en ingewikkelde onderwerpen toegankelijk maken.

Dat is geen kleinigheid. Dat is een machtsverschuiving.

Wie vroeger afhankelijk was van een expert, kan nu in elk geval een eerste oriëntatie krijgen. Wie moeite heeft met taal, kan zich beter uitdrukken. Wie geen dure adviseur kan betalen, kan toch een begin maken met analyse. Wie geen toegang heeft tot academische circuits, kan zich sneller inlezen. Wie tegen een bureaucratie moet opboksen, kan zijn brieven beter formuleren. Wie ideeën heeft maar worstelt met structuur, kan die ideeën scherper ordenen.

AI neemt de plaats van kennis niet simpelweg in. AI verlaagt de drempel tot kennisbewerking.

Dat is precies waarom de techniek politiek belangrijk is.

4. De onderdaan krijgt een denkwerktuig

De meeste technische hulpmiddelen vergroten één menselijk vermogen. De fiets vergroot mobiliteit. De telefoon vergroot communicatie. De drukpers vergroot verspreiding. De rekenmachine vergroot je rekenvaardigheid. De computer vergroot berekening en opslag. AI vergroot iets anders: het vermogen om taal, kennis en redenering te hanteren.

Dat maakt AI tot een bijzonder werktuig van de onderdaan.

Niet omdat AI vanzelf waarheid spreekt. Niet omdat AI geen fouten maakt. Niet omdat AI vrij is van bias. Niet omdat AI geen nieuwe afhankelijkheden schept. Maar omdat AI de toegang tot intellectuele arbeid weer verder democratiseert, in de letterlijke betekenis: geeft aan de gehele bevolking.

De onderdaan krijgt niet alleen informatie, maar hulp bij het verwerken van informatie. Niet alleen tekst, maar hulp bij formulering. Niet alleen data, maar hulp bij interpretatie. Niet alleen bronnen, maar hulp bij vergelijking. Niet alleen een leeg document, maar een gesprekspartner die kan meedenken, tegenspreken, structureren en verbeteren.

Daarmee tast AI bestaande poortwachters aan. Niet volledig. Niet onmiddellijk. Maar wel fundamenteel.

De schrijver zonder redacteur krijgt redactionele steun. De kleine ondernemer zonder staf krijgt administratieve en strategische hulp. De burger zonder jurist krijgt uitleg van juridische taal. De leerling zonder hoogopgeleide ouders krijgt extra uitleg. De dyslectische denker krijgt een taalprothese. De autodidact krijgt een gesprekspartner. De buitenstaander krijgt toegang tot vormen van ondersteuning die vroeger vaak aan instituties waren voorbehouden.

Dat is de bevrijdende mogelijkheid van AI. Maar de afkeer is vooral ingegeven door de overtuiging dat AI ‘slechts’ een onderdrukkend instrument is van de huidige macht en dus moet worden bestreden.

5. Waarom de strijd tegen AI de bovendanen kan helpen

Hier wordt de zaak paradoxaal. Veel kritiek op AI wordt gebracht als verzet tegen macht. AI zou in handen zijn van grote bedrijven, staten en elites. Dat is deels waar. Maar juist daarom is de vraag niet of AI moet worden tegengehouden. De vraag is wie toegang houdt tot AI.

Als AI zwaar wordt gereguleerd, gecertificeerd, juridisch dichtgetimmerd en alleen onder toezicht van grote instellingen mag worden ingezet, wie blijven er dan over als gebruikers?

Niet de gewone burger.
Niet de zelfstandige schrijver.
Niet de kleine uitgever.
Niet de lokale ondernemer.
Niet de kleine vereniging.
Niet de onafhankelijke onderzoeker.
Niet de onderdaan die zich wil oriënteren buiten de gevestigde kanalen.

Maar wel: staten, grote technologiebedrijven, universiteiten, consultancyfirma’s, defensie-industrie, verzekeraars, banken en gecertificeerde instellingen.

Met andere woorden: wie uit angst voor elitecontrole AI wil ‘dicht regelen’, loopt het risico precies die elite het monopolie op AI te geven.

Dat is niet nieuw. Iedere machtsstructuur probeert nieuwe techniek eerst te gebruiken, daarna te reguleren en uiteindelijk te monopoliseren. Soms gebeurt dat met openlijke dwang. Vaker gebeurt het met redelijke woorden: veiligheid, betrouwbaarheid, kwaliteit, bescherming, verantwoordelijkheid, maatschappelijke zorg.

Die woorden zijn niet per definitie vals. Veiligheid en betrouwbaarheid kunnen werkelijk van belangrijk zijn. Maar zij kunnen ook functioneren als toegangsdrempels. Wie aan alle eisen moet voldoen, heeft juristen, kapitaal en politieke toegang nodig. De onderdaan heeft die meestal niet.

Daarom kan anti-AI-politiek, hoe goed bedoeld ook, uitlopen op het tegendeel van wat zij zegt te willen: niet minder macht voor de bovendanen, maar meer.

6. Techniek bevrijdt nooit iedereen tegelijk

Het zou echter naïef zijn om AI simpelweg als bevrijdingstechniek te vieren. Geen enkele technologie bevrijdt iedereen tegelijk van vanzelf. Techniek vergroot de mogelijkheden van wie haar kan gebruiken, begrijpen, betalen of organiseren. Anderen blijven achter of worden afhankelijk van degenen die de techniek beter beheersen of in de positie komen hun ‘advies’ te moeten inroepen.

Ook de boekdrukkunst bevrijdde niet “het volk” als geheel. Zij gaf vooral nieuwe mogelijkheden aan wie kon lezen, schrijven, drukken, verspreiden en organiseren. Uit de onderdanen kwamen nieuwe groepen voort die de techniek beheersten en daardoor zelf invloedrijk werden: uitgevers, pamflettisten, geleerden, predikanten, journalisten, politieke organisatoren.

De oude macht werd niet simpelweg afgeschaft. Zij werd betwist, verplaatst en opnieuw opgebouwd.

Dat zal bij AI niet anders zijn. Wie AI goed leert gebruiken, krijgt een voordeel. Wie afhankelijk blijft van kant-en-klare antwoorden zonder zelf te leren beoordelen, kan juist kwetsbaarder worden. Wie geen toegang heeft tot goede systemen, blijft achter. Wie alleen gesloten en gemonopoliseerde AI mag gebruiken, wordt afhankelijk van de civilisatie die anderen daarin hebben ingebouwd.

De vraag is dus niet of AI vanzelf bevrijdt. Dat doet zij niet. De vraag is welke groepen AI leren gebruiken om minder afhankelijk te worden van bestaande machtsstructuren.

7. Van onderdaan naar nieuwe bovendaan

Iedere bevrijding heeft een onaangename bijwerking: zij schept nieuwe machtsposities.

Wie zich door techniek aan een oude orde ontworstelt, kan zelf drager worden van een nieuwe orde. De burgerij die zich ontwikkelde tegenover adel en kerk werd zelf een nieuwe machtslaag. De drukker, uitgever, journalist, partijorganisator, ondernemer en technicus waren niet alleen bevrijders, maar ook nieuwe poortwachters.

Dat is geen argument tegen bevrijding. Het is een waarschuwing tegen romantiek.

AI zal ook nieuwe bovendanen voortbrengen: mensen, bedrijven en groepen die deze technologie beter begrijpen, beter toepassen en beter integreren in hun handelen. Zij zullen sneller schrijven, beter analyseren, efficiënter organiseren, goedkoper produceren en overtuigender communiceren. Wie dat kan, krijgt invloed.

De oude elite zal proberen AI in te kapselen. Nieuwe elites zullen ontstaan uit degenen die AI creatief, strategisch en vrij weten te gebruiken. En veel mensen zullen tussen die twee krachten in proberen hun weg te vinden.

Ook dat is geen complot. Dat is de normale sociale evolutie zoals de hele mensheid daar een voorbeeld van is.

8. Open systemen, open strijd

Daarom is de politieke vraag niet of AI macht geeft. Natuurlijk geeft AI macht. De vraag is of die macht wordt geconcentreerd of verspreid.

Wordt AI een gesloten systeem van enkele grote bedrijven en staten? Of blijft er een veelheid aan modellen, toepassingen, gebruikersgemeenschappen en open alternatieven bestaan?

Wordt AI zo gereguleerd dat alleen grote instellingen eraan kunnen voldoen? Of blijft er ruimte voor burgers, kleine bedrijven, onderzoekers, schrijvers, scholen, verenigingen en lokale initiatieven?

Wordt AI geciviliseerd door één dominante normatieve orde? Of blijft er ruimte voor pluraliteit, concurrentie, afwijking en kritiek?

Dat zijn de politieke vragen die ertoe doen.

Want bias, misbruik en machtsconcentratie worden niet opgelost door één centrale instantie die bepaalt welke AI betrouwbaar is. Zij worden beter bestreden door pluraliteit: meerdere systemen, meerdere aanbieders, open kritiek, bronvergelijking, vrije en een open discussie, concurrentie en het recht en mogelijkheid om alternatieven te bouwen.

Een vrije samenleving heeft niet één officiële drukpers nodig. Zij heeft veel drukpersen nodig. Niet één krant, maar meerdere kranten. Niet één zoekmachine, maar alternatieven. Niet één AI-civilisatie, maar concurrerende vormen van kunstmatige intelligentie die elkaar kunnen corrigeren, uitdagen en verbeteren.

9. AI openhouden

De reflex om AI te wantrouwen is begrijpelijk. Nieuwe machtige techniek roept altijd angst op. En inderdaad: staten, bedrijven en elites zullen AI gebruiken om hun positie te versterken. Wie dat ontkent, begrijpt weinig van macht.

Maar wie daaruit concludeert dat AI vooral moet worden tegengehouden, begrijpt weinig van techniekgeschiedenis.

De betere vraag is niet: hoe stoppen we AI?
De betere vraag is: hoe houden we AI open?

Open voor zo veel mogelijk individuen. Open voor kleine spelers. Open voor kritiek. Open voor alternatieven. Open voor onderwijs. Open voor mensen die niet tot de gevestigde instellingen behoren. Open voor degenen die AI niet willen gebruiken als instrument van beheersing, maar als werktuig om beter te denken, te schrijven, te leren, te organiseren en zich te verdedigen tegen bureaucratie, propaganda en afhankelijkheid.

AI is dus niet eenvoudig het wapen van de elite. Zij is evenmin vanzelf het werktuig van bevrijding. Zij is een technologie die de strijd om macht opnieuw organiseert.

Wie haar alleen als gevaar ziet, ziet te weinig. Wie haar alleen als bevrijding ziet, ziet ook te weinig. De wezenlijke vraag is hoe deze nieuwe techniek bestaande afhankelijkheden herschikt, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te monopoliseren, en welke nieuwe vormen van vrijheid en macht daaruit ontstaan.

Dat is waar politiek een open samenleving over zou moeten gaan. In gesloten samenlevingen wordt dat de politiek van groepen die tegen de elites daarvoor ten strijden trekken.

Slot

Iedere technologische revolutie geeft de macht nieuwe middelen, maar ontneemt haar tegelijk een deel van haar monopolie.

Dat gold voor de boekdrukkunst. Dat gold voor de krant. Dat gold voor radio, televisie, computer en internet. En het zal waarschijnlijk ook gelden voor AI.

De bovendanen zullen AI gebruiken om te besturen, te controleren en te legitimeren. Dat is voorspelbaar. Maar de onderdanen beschikken met AI voor het eerst over een werktuig dat taal, kennis, analyse en organisatiekracht binnen handbereik brengt.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd tegen beheersing, maar ook een strijd om toegang. Niet alleen een strijd tegen misbruik, maar ook een strijd tegen monopolisering, inclusief de eventueel opgeworpen financiële barrières. Niet alleen een strijd om veiligheid, maar ook een strijd om vrijheid.

AI is een instrument van macht én een werktuig van bevrijding. Welke kant overheerst, staat niet op voorhand vast. Dat hangt af van wie haar mag gebruiken, wie haar mag bouwen, wie haar mag bekritiseren, en of er ruimte blijft voor de onderdaan om met nieuwe middelen zijn eigen positie te veranderen.

De menselijke geschiedenis laat zien dat zulke technologische omslagen zelden zonder strijd, sociale onrust en nieuwe vormen van onderdrukking verlopen. Maar zij laat ook zien dat samenlevingen uiteindelijk nieuwe evenwichten vinden. De vraag is dus niet of AI macht verandert, maar wie in die verandering toegang, vrijheid en tegenmacht weet te behouden.

Enkhuizen, 14 juni 2026

* Het begrip bovendanen, als tegenstelling tot onderdanen heb ik onder dankzegging overgenomen van Yvonne Killian.

De verkiezing van Trump als gevolg van een sociale revolutie

Ontdek hoe de digitale revolutie de wereld heeft op zijn kop gezet. Van de opkomst van sociale media tot de val van traditionele media: technologie heeft een enorme impact op onze samenleving, politiek en economie. Deze diepgaande analyse onderzoekt de gevolgen van de digitale revolutie voor democratie, de rol van de burger en de toekomst van onze wereld. Ontdek hoe de macht verschuift van elites naar het volk en hoe wij als individuen een actievere rol kunnen spelen in de vormgeving van onze toekomst.

Het ontstaan van de landbouw maakte wereldrijken met absolute heersers mogelijk, de zeescheepvaart deed internationale handel en stadstaten ontstaan, de uitvinding van de boekdrukkunst triggerde de Verlichting en de verdwijning van de kerk als wereldlijke macht, de uitvinding van de stoommachine veroorzaakte de vestiging van burgerlijk staatsbestuur en de emancipatie van het proletariaat, de industriële revolutie leidde de massaproductie van goederen in, kortom: er is een direct verband tussen grote technologische revoluties en grote sociale veranderingen.

Als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie na de Tweede Wereldoorlog begon het internettijdperk, ofwel het cybernetisch-biotechnisch tijdperk, dat de meest ingrijpende technologische revolutie en sociale verandering in de geschiedenis van de mensheid inleidde, namelijk: op de hele wereld is bijna ieder individu, vanzelfsprekend, een computer gaan gebruiken, plus, bijna als een verlengstuk van het lichaam, een mobiele telefoon met vierentwintiguurs contact met de hele wereld. Dit heeft uiteraard voor ingrijpende wijzigingen gezorgd in de manier waarop samenlevingen functioneren en we ons gedragen.

Donald Trump kreeg een overweldigend aantal stemmen, ondanks alle propaganda door zijn tegenstanders. De kiezers weten wel beter, letterlijk zelfs. De grote cybernetische revolutie heeft er immers voor gezorgd dat de grote massa zich niet langer laat leiden door de normen en waarden van de heersende elite en niet meer doet wat die elite wil.

Het internet en de sociale media hebben het monopolie op informatie, de verspreiding daarvan en de toegang daartoe van de heersende elite, en de door hen gestuurde media, doorbroken. Hierdoor is men nu weerbaar tegen de manipulatie, de leugens en de, vaak subtiele, propaganda van de machthebbers: men ziet, doorziet en ontmaskert het.

Toen ik dertig jaar geleden als uitgever direct betrokken was bij wat toen elektronisch uitgeven heette, formuleerde ik de wet van Ahles:

“Alles wat gedigitaliseerd KAN worden, zal worden gedigitaliseerd; alles wat gedigitaliseerd IS, zal vroeg of laat vrij en publiekelijk online te raadplegen zijn.”

Het monopolie van uitgevers en de overheid op informatie is doorbroken; zelfs de auteurswet functioneert nauwelijks meer. Alle pogingen om de toegang tot informatie op het internet te monopoliseren, zullen falen, omdat het internet aan niemand toebehoort. Bovendien is de technologie erachter zo ontworpen dat er, wanneer één verbinding wordt verbroken, er altijd nog tal van andere paden zijn om informatie te bereiken.

De technologische revolutie heeft, onder andere via de social media, van elke burger een uitgever gemaakt. Hier heeft hij geen toestemming voor nodig. En we zullen er steeds beter en effectiever in worden. Kortom, onze onderlinge communicatie kan niet meer worden uitgeschakeld en kan zelfs niet meer, althans niet op een efficiënte manier, worden gecontroleerd door de overheid.

Tot nu toe was het zo dat elites, wanneer ze zich in het nauw gedreven voelden, hun toevlucht namen tot overheidsingrijpen en censuur en het verbieden van denkbeelden en meningen, en als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie pogingen ondernamen om grip te krijgen op de inhoud en de verspreiding van drukwerk en de toegang tot de drukpers de uitgeverij en de bibliotheken. Maar nu, met het internet, falen ze onvermijdelijk. En daarmee gaat hun reputatie als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie ten onder. We merken het nu wanneer ze liegen en ze ons manipuleren.

De elite heeft, machtig als ze is, het monopolie op het gebruik van geweld en, als enige, schijnbaar onbeperkte financiële middelen. Maar de ‘onteigenden’ zijn met meer, en mede daardoor niet machteloos: een overtuigende meerderheid heeft immers, ondanks alle inspanningen door de media, de enorme bedragen aan reclame en propaganda, de ongegeneerde pogingen om de potentiële president Trump stemmers te framen en het voorspellen van rampspoed bij een ´foute’ keuze, toch op hem gestemd!

In het boek Society 4.0. van Bob de Wit wordt de huidige technologische revolutie adequaat herkend en beschreven, maar de Wit’s conclusie – dat het een nieuwe fase van de industriële revolutie is, is onvolledig. De cybernetische revolutie heeft een groter en directer effect op, ten eerste, de samenleving en, ten tweede, het leven, denken en doen van individuen en maakt de mensen vrijer en minder afhankelijker van machtige overheden, grote bedrijven en de traditionele media. Dit gaat ongelooflijke consequenties hebben. We zijn op weg naar de Citizens Society van Bob de Wit, maar dan zonder de volledige overheersing door een onaantastbare geprivilegieerde elite.

Scott Jennings, een commentator van CNN, zei over de uitslag onder andere het volgende:

“Ik interpreteer de resultaten van vanavond als de wraak van de gewone Amerikaanse arbeidersklasse, het anonieme Amerika, dat verpletterd en neerbuigend behandeld is. Ze zijn geen ‘vuilnis’, of nazi’s, maar gewone mensen, die elke dag opstaan en naar hun werk gaan en proberen het leven beter te maken voor hun kinderen. Ze hebben het gevoel dat ze hun mond moeten houden als ze klagen over zaken die hen pijn doen in hun eigen leven […] In het stemhokje zijn ze in opstand gekomen. ‘We hebben genoeg gehad!’”

Bron: Rumble-video van Scott Jennings

Hoezeer de elite in deze revolutionaire tijden van het internet buiten de wereld en de behoeften en de kennis van de gewone burgers is komen te staan, blijkt bijvoorbeeld, overduidelijk, uit de verkiezingsuitslag van het District of Columbia ofwel Washington D.C. , waar de top van de politiek, ambtenaren, bankiers, militairen, veiligheidsdiensten, juristen, en journalisten zich bevindt – de architecten van de oorlog en het staatstekort, die uit de grote staatsruif eten (Max Weber: Politiek als beroep). Ze hebben de macht en 92% stemde voor Harris.

In deze stad worden inmiddels plannen bedacht om Trump’s presidentschap te dwarsbomen en te laten mislukken. Maar ze kunnen zich beter zorgen maken over de dag waarop het volk hen – gedreven door de woede over het onrecht dat hen is aangedaan uit naam van hun arrogante, maar zogenaamde goede bedoelingen, hun leugens, hun oorlogen, hun geldsysteem en hun BLM- en woke-onzin – uit hun kantoren, vliegtuigen, auto’s, clubs en huizen zullen jagen, als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie. Daarna kunnen we beginnen aan een nieuwe, rechtvaardige en ordelijke samenleving, waarin de technologie voor de democratisering van informatie voor de burger volledig is geaccepteerd en geïntegreerd, met nieuwe idealen, nieuwe leiders en een nieuwe elite die ons verder zal helpen met de vooruitgang van de mensheid!

We leven in revolutionaire tijden.

NB: met dank aan Yvonne Killian voor de aanvullingen en de eindredactie van de tekst.

Politieke Agenda voor onze soevereiniteit en bevrijding

We leven in verontrustende tijden. Hoe kunnen we de moralistische, laffe en anti-democratische politiek van de huidige (Europese) politieke elite ten goede keren? Opdat we onze vrijheid en soevereiniteit herwinnen? Klagen zal niet helpen, hooguit wat met onze eigen gemoedsrust. Wat we nodig hebben is een politieke agenda en strategisch plan deze agenda uitgevoerd te krijgen. Wie gaat daarvoor het initiatief nemen?

Opgegroeid in een tijd (ben in 1951 geboren) waarin een samenleving en de politieke standaarden hoog waren: respect voor de opvattingen van de politieke en maatschappelijke ’tegenstanders’, ondersteunen van de zwakken van de samenleving (ouderen, gehandicapten en zieken), veroordeling van geweld als politiek middel, het gaan voor vrouwen-rechten, het in stand houden van een top recht-systeem, geloof in het belang van onderwijs en scholing, werken voor je inkomen, scheiding van politiek en geloof (uiteraard en toegegeven: tot op zekere hoogte), geloof in de zegeningen van de Verenigde Natie en hun verklaring van de rechten van de mens, afschuw van discriminatie (bedoeld werden (de individuele) discriminatie van joden [maar eigenlijk toen geen item, want antisemitisme was eigenlijk vanzelfsprekend helemaal fout], negers en later homo’s), vrije meningsuiting en een – niet overdreven – liefde voor ons land Nederland waar het goed toeven is en waar je trots kan en mag zijn op je Nederlanderschap. Allemaal zaken waar je politiek nog steeds voor mag en moet gaan, maar waar de huidige generatie (Europese) politici geen brood meer in zien.

Lees verder “Politieke Agenda voor onze soevereiniteit en bevrijding”