Hoe ideeën macht worden [Essay]

Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral wanneer voldoende mensen overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dit essay onderzoekt hoe ideeën via het civilisatieproces, sociale kringen, organisaties en instituties uiteindelijk politieke macht voortbrengen.


Het civilisatieproces en de politieke werking van overtuigingen

Een sociologische schets van civilisatie, waarheid, politieke strijd en maatschappelijke macht

Dick H. Ahles – juli 2026


Samenvatting

Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral doordat voldoende mensen bepaalde overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dat proces noem ik het civilisatieproces.
In dit essay onderzoek ik hoe persoonlijke overtuigingen worden gevormd, hoe zij binnen verschillende sociale kringen tot gedrag leiden en hoe ideeën uiteindelijk organisaties, instituties en politieke macht voortbrengen. Daarbij komen ook de verhouding tussen waarheid en overtuiging, het belang van open discussie en de strategie van maatschappelijke verandering aan de orde. Wie een bestaande orde wil vervangen, moet namelijk meer doen dan haar machthebbers bestrijden. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen, mensen overtuigen en de kringen en instituties bouwen waarin zijn ideeën kunnen voortleven.

Inhoud

  1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren
  2. De persoonlijke civilisatie
  3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk
  4. Sferen, kringen en politieke beginselen
  5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen — en geen strijd om de macht
  6. Waarheid bestaat — maar zekerheid bewijst haar niet
  7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt
  8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme
  9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?
  10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel
  11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen
  12. Macht is het resultaat van civilisatie

Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden
Noten
Korte Literatuurlijst


Wie de wereld wil veranderen, kijkt gewoonlijk eerst naar de macht. Wie beschikt over de staat? Wie beheerst de media? Wie schrijft de wetten, verdeelt het geld, benoemt de bestuurders en geeft uiteindelijk het bevel?
Daaruit volgt een verleidelijk eenvoudig verhaal. Een kleine groep verovert de macht, gebruikt de middelen die haar ten dienste staan en legt vervolgens haar wil op aan de rest. De samenleving verandert omdat de machthebbers besluiten dat zij veranderen moet.
Zo eenvoudig wordt het verteld. Zo gemakkelijk wordt het geloofd. En zo onvolledig is het.

Want een bevel dat niemand uitvoert, is geen macht. Een wet die geen ambtenaar uitwerkt, geen rechter toepast en geen politieagent handhaaft, is niet meer dan bedrukt papier. Een ideaal dat niemand begrijpt, niemand uitdraagt en niemand in zijn handelen opneemt, verandert geen samenleving.

Niet de macht brengt als eerste de duurzame verandering voort. De verandering in wat mensen voor waar, juist en nastrevenswaardig houden, brengt de duurzame macht voort.

Duurzame politieke veranderingen ontstaan niet doordat enkele mensen op een ochtend besluiten de macht waarover zij beschikken te gebruiken om anderen hun wil op te leggen. Zij worden pas maatschappelijk werkzaam wanneer voldoende mensen – vooral mensen op centrale plaatsen – die veranderingen uitvoeren omdat zij ze als juist, noodzakelijk of vanzelfsprekend hebben leren beschouwen.

Een regering kan besluiten. Maar anderen moeten dat besluit formuleren, onderbouwen, uitleggen, administreren, uitvoeren en handhaven. De bestuurder beslist, de ambtenaar schrijft, de deskundige rechtvaardigt, de journalist duidt, de rechter bevestigt, de politie handhaaft en de burger aanvaardt – of leert ten minste dat verzet onredelijk, ongepast of zinloos is.

De meesten van hen staan daarbij niet iedere ochtend op met de keuze of zij vandaag eens iets goeds of iets kwaads zullen doen. Zij handelen in grote lijnen volgens wat zij hebben geleerd verantwoordelijk, rechtvaardig, normaal of onvermijdelijk te vinden.

Wie wil begrijpen hoe samenlevingen functioneren en veranderen, moet daarom dieper kijken dan naar de formele machthebbers. Hij moet onderzoeken hoe mensen hun werkelijkheidsbeelden, overtuigingen, normen en gedragingen verwerven. Dat proces noem ik het civilisatieproces.

1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren

Het woord civilisatie klinkt vriendelijk. Het roept beschaving op, zelfbeheersing, redelijkheid en zelfs vooruitgang. Maar wie het begrip zo gebruikt, maakt de analyse al normatief voordat zij begonnen is.

In deze theorie betekent civiliseren niet noodzakelijk: beter, menselijker of vreedzamer worden. Civiliseren is het proces waardoor mensen leren wat zij voor waar houden, wat zij waardevol vinden en welk gedrag zij van zichzelf en anderen verwachten.1

  • wat volgens hen waar en onwaar is;
  • wat zij goed, slecht, rechtvaardig of verwerpelijk vinden;
  • welk gedrag in uiteenlopende omstandigheden normaal, toegestaan, verplicht of verboden is.

Dat proces kan verdraagzaamheid, samenwerking en respect voor persoonlijke vrijheid voortbrengen. Maar hetzelfde proces kan ook gehoorzaamheid, uitsluiting, vijanddenken en onderdrukking normaliseren. Ook wreedheid kan worden aangeleerd. Ook onderwerping kan worden gelegitimeerd. Ook geweld kan in wetten, rituelen, functies en plichten worden georganiseerd.

Een onderdrukkende orde is daarom niet per definitie ongeciviliseerd. Zij kan juist uiterst zorgvuldig zijn geciviliseerd: voorzien van taal, procedures, deskundigen, opleidingen, uniformen, formulieren en morele rechtvaardigingen. De bureaucratie heeft geen geweten nodig om doeltreffend te zijn; zij heeft vooral mensen nodig die hun taak als plicht beschouwen.

Het civilisatieproces is inhoudelijk blind. Het verklaart hoe ideeën maatschappelijk werkzaam worden; het beslist niet welke ideeën moreel juist zijn.

Juist daarom kan het een wetenschappelijk bruikbaar mechanisme zijn. Hetzelfde proces moet kunnen verklaren hoe ideeën die wij bewonderen én ideeën die wij verwerpen invloed verwerven. Het moet verklaren hoe mijn overtuigingen ontstaan en hoe de tegengestelde overtuigingen van mijn politieke tegenstander ontstaan. Wie voor zichzelf rationaliteit en feiten reserveert, maar de ander uitsluitend verklaart uit propaganda, domheid of slechtheid, bedrijft geen sociologie. Hij voert campagne.

2. De persoonlijke civilisatie

Ieder mens begint met een biologische basis en met persoonlijke eigenschappen: aanleg, temperament, intelligentie, gevoeligheden, lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Daarbovenop ontwikkelt hij gedurende zijn leven een persoonlijke civilisatie.

De persoonlijke civilisatie is het historisch gegroeide, grotendeels aangeleerde en slechts gedeeltelijk bewuste repertoire waarmee een individu de werkelijkheid interpreteert, gedrag beoordeelt en in sociale verhoudingen handelt.

Dat repertoire omvat drie grote gebieden:

Werkelijkheidsbeelden en (waarheids)overtuigingen

Mensen leren feiten, verklaringen en verhalen over hoe de wereld in elkaar zit. Maar zij leren méér. Zij leren ook welke bronnen betrouwbaar zijn, welke personen deskundig heten, welke instituties gezag hebben en welke vormen van bewijs overtuigend behoren te zijn.
Die overtuigingen kunnen juist zijn. Zij kunnen ook gedeeltelijk juist, achterhaald of aantoonbaar onjuist zijn. Voor het handelen is echter niet alleen van belang wat waar is, maar vooral wat iemand voor waar houdt.

Normen, waarden en idealen

Mensen leren wat zij waardevol en nastrevenswaardig behoren te vinden. Met die maatstaven beoordelen zij zichzelf en anderen. Zij keuren goed, veroordelen, bewonderen, schamen zich en verlangen naar een andere toestand. Daaruit ontstaan idealen over het eigen leven, over relaties en over de inrichting van de samenleving.

Genormaliseerd sociaal gedrag

Mensen leren ten slotte hoe zij zich in het dagelijkse verkeer behoren te gedragen: hoe men spreekt, groet, samenwerkt, gehoorzaamt, tegenspreekt, beloont, straft, rouwt en viert. Veel daarvan wordt zo vanzelfsprekend dat het niet langer als aangeleerd wordt ervaren. Het voelt niet als een keuze. Het voelt als normaal.


Schema 1. Het civilisatieproces – de factoren.

Schema . Het civilisatieproces - de factoren.

3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk

De persoonlijke civilisatie van ieder individu is uniek. Zij strekt zich uit over vrijwel onbeperkt veel onderwerpen en is gevormd door aanleg, opvoeding, onderwijs, beroep, vrienden, ervaringen, media, lezen, organisaties en toevallige ontmoetingen.

Maar uniek betekent niet stabiel en onveranderlijk. Iemands civilisatie is geen sluitend filosofisch stelsel, netjes opgeborgen in één lade. Zij bevat tegenstrijdigheden, half vergeten regels, botsende idealen en gewoonten die sterker kunnen zijn dan de overtuigingen waarmee iemand zich openlijk identificeert.

Bovendien komt niet in iedere situatie hetzelfde deel van dat repertoire naar voren. Dezelfde mens spreekt thuis anders dan op zijn werk, handelt onder vrienden anders dan tegenover een onbekende, en accepteert in een onderneming gezagsverhoudingen die hij binnen een vriendschap onverdraaglijk zou vinden.

Wanneer iemand zegt: “Maar hij deed daar dit en zei toen dat”, is daarmee dus nog weinig bewezen. De eerste vraag moet zijn: in welke sfeer handelde hij, tegenover wie, onder welke verwachtingen en binnen welke machtsverhouding?

Mensen hebben niet één vast programma. Verschillende sociale sferen activeren verschillende delen van hun persoonlijke civilisatie.

Dat is geen vrijbrief voor hypocrisie. Mensen kunnen natuurlijk liegen, manipuleren, zich opportunistisch aanpassen of bewust met twee maten meten. Maar niet iedere variatie in gedrag is bedrog. Wie zich tegen zijn baas anders gedraagt dan tegen zijn partner, hoeft nog niet van karakter te zijn gewisseld. Hij bevindt zich in een andere verhouding – en die verhouding roept ander gedrag op.

4. Sferen, kringen en politieke beginselen

Mensen leven niet in één ongedifferentieerde samenleving. Zij bewegen zich door verschillende sferen van handelen. Binnen die sferen vormen zij concrete kringen: een gezin, een vriendenkring, een vereniging, een bedrijf, een universiteit, een gemeente of een staat.

Een vriendenkring en een onderneming bestaan beide uit meerdere mensen, maar zij worden niet volgens dezelfde logica geordend. De vriend is geen werknemer zonder salaris. De werknemer is geen vriend met een functieomschrijving. Wie de ene sfeer met de normen van de andere bestuurt, veroorzaakt verwarring of overheersing.2

Van het individu naar steeds ruimere en meer georganiseerde verhoudingen komen verschillende politieke beginselen op de voorgrond.

Soevereiniteit

Bij het individu en zijn lichamelijke en geestelijke integriteit staat de vraag centraal: wie heeft uiteindelijk het hoogste beslissingsrecht over mijn leven, mijn lichaam en mijn overtuigingen? Daar verschijnt het beginsel van soevereiniteit.In het diepst van ons denken zijn wij zelfs onvoorwaardelijk soeverein. Niemand kan daar binnendringen; niemand kan onze gedachten rechtstreeks kennen zolang wij ze niet uiten. Men kan ons denken beïnvloeden, sturen of zelfs vervormen, maar men kan het niet rechtstreeks bezitten.

Vrijheid

Waar zelfstandige mensen elkaar ontmoeten, ontstaat de verlangen naar vrijheid: kan ieder handelen zonder een meester boven zich, zolang – uiteraard – hij de gelijke zelfstandigheid van vrijheid van de ander respecteert?

Broederschap

Waar mensen zich vrijwillig en duurzaam verbinden aan een gezamenlijk doel, is vrijheid alleen niet genoeg. Dan zijn vertrouwen, loyaliteit, wederkerigheid, zorgzaamheid en het opnemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid nodig. Daar verschijnt broederschap.

Gelijkheid

In de staat, die uiteindelijk bindende regels met dwang kan handhaven, wordt gelijkheid een onvermijdelijke politieke eis. Als allen aan dezelfde dwingende orde worden onderworpen, volgens welke gelijke maatstaven gebeurt dat dan? Of trek de bestuurlijke elite bepaalde groepen voor, geeft willekeurige privilege aan enkelen?

Deze beginselen vervangen elkaar niet. Zij stapelen zich op, botsen en moeten telkens opnieuw worden afgewogen. Politiek gaat daarom niet uitsluitend over ideeën, doelen, macht of beleid, maar over de inrichting van de verhoudingen waarin mensen samenleven en samenwerken en hoe daartoe besloten wordt.

Wanneer wij spreken over de civilisatie van een kring, bedoelen wij overigens niet dat een groep letterlijk één bewustzijn bezit. Een kring bestaat uit individuen wier persoonlijke civilisaties voldoende overlap vertonen om samenwerking en voorspelbaar gedrag mogelijk te maken en die gemeenschappelijk wordt ‘gedeeld´. Die overlap wordt vastgelegd in taal, gewoonten, regels, functies, verhalen en instituties. Daardoor kan een organisatie haar cultuur behouden, ook wanneer de oorspronkelijke leden allang verdwenen zijn.

Maar die overlap is nooit volledig. Mensen verschillen in wat zij voor waar houden, in wat zij waardevol vinden en in de ordeningsbeginselen waaraan zij voorrang geven. De een benadrukt soevereiniteit, de ander vrijheid, broederschap of gelijkheid. De een ziet in een maatregel bescherming, de ander overheersing. De een noemt iets rechtvaardig wat de ander juist als onrecht ervaart.

Dat verschil is geen storing buiten het civilisatieproces. Het is een onvermijdelijk gevolg ervan. En zodra zulke verschillen betrekking hebben op de inrichting van onze gezamenlijke verhoudingen, worden zij politiek

5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen

En geen strijd om de macht.

Mensen ervaren hun idealen en overtuigingen zelden als toevallige voorkeuren. Zij beschouwen ze als waar, goed en nastrevenswaardig. Daarom willen zij dat anderen die overtuigingen delen. Dat geldt voor onszelf. En precies daarom geldt het ook voor onze tegenstanders.

Toch sluipt in politieke discussies steeds dezelfde redenering binnen: mijn ideeën zijn nobel; wie ze afwijst, keert zich tegen het goede; wie zich tegen het goede keert, moet wel slecht zijn.

Op dat moment wordt de strijd tussen ideeën een strijd tussen vermeend goede en slechte mensen. De tegenstander hoeft niet langer te worden weerlegd. Hij moet worden ontmaskerd, buitengesloten, beschaamd of monddood gemaakt.

Dat is niet alleen intellectueel lui. Het is ook politiek onhandig. Wie werkelijk iets wil veranderen, moet niet in de eerste plaats bewijzen dat zijn tegenstander moreel verdorven is. Hij moet middelen ontwikkelen waardoor zijn eigen ideeën begrijpelijker, aannemelijker en uiteindelijk maatschappelijk leidend worden.

Wie alleen de slechtheid van zijn tegenstander verkondigt, bedrijft moreel theater. Wie zijn ideeën maatschappelijk leidend maakt, bedrijft politiek.

Dit betekent niet dat alle motieven zuiver zijn, alle middelen geoorloofd of alle gevolgen aanvaardbaar. Politiek gaat ergens over. Men mag — en moet — spreken over onjuiste feiten, onhoudbare aannames, schadelijke neveneffecten en desastreuze gevolgen. Men mag een idee vernietigend bekritiseren. Maar men wint die strijd niet door zichzelf tot messias te verklaren en de ander tot belichaming van het kwaad.

Een open samenleving organiseert de strijd tussen ideeën. Een totalitaire orde beëindigt die strijd door het ene kamp tot drager van de waarheid en het andere tot vijand van de menselijkheid, het volk of de geschiedenis te verklaren. Wanneer argumenten worden vervangen door morele uitsluiting, begint de totalitaire trom te roffelen.

Uiteraard gebruikt een leidende elite machtsmiddelen wanneer zij in staat is een totalitaire orde te vestigen. Zij kan kritiek onderdrukken, organisaties verbieden en afwijkend gedrag bestraffen. Maar juist doordat zij overtuiging door dwang vervangt, ondermijnt zij op den duur de overtuigingskracht van haar eigen ideeën. Macht kan een debat smoren; zij kan geen levende overtuiging afdwingen

6. Waarheid bestaat – maar zekerheid bewijst haar niet

Dat mensen hun geloof in waarheden via civilisatie verwerven, betekent niet dat de werkelijkheid door onze overtuigingen wordt gemaakt. Natuurwetten bestaan onafhankelijk van onze instemming. Gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zoals zij hebben plaatsgevonden, ook wanneer niemand ze juist heeft waargenomen of verwoord.

Stel dat een getuige verklaart dat om 17.38 uur een schot werd gelost. In werkelijkheid kan het 17.52 uur zijn geweest. Camerabeelden, geluidsregistraties of andere gegevens kunnen dat overtuigend aantonen. Toch kan de getuige oprecht blijven geloven dat het 17.38 uur was.

Zijn overtuiging is dan een psychologisch feit. Hij gelooft werkelijk wat hij zegt. Maar zijn zekerheid maakt zijn bewering nog niet waar. Strafpleiters kennen dit probleem maar al te goed: herinneringen worden gereconstrueerd, aangevuld, herhaald en soms juist door herhaling steviger – zonder daardoor betrouwbaarder te worden.3

De werkelijkheid bepaalt of een uitspraak waar is; het civilisatieproces verklaart grotendeels waarom iemand haar gelooft.

Daarom moet iedere waarheidsaanspraak openstaan voor onderzoek en mogelijke correctie. Karl Poppers falsificatiebeginsel geldt strikt genomen vooral voor algemene wetenschappelijke theorieën: een theorie zegt pas werkelijk iets wanneer denkbare feiten haar kunnen weerleggen. Maar dezelfde kritische houding geldt ook voor afzonderlijke feitelijke beweringen. Wat vandaag als overtuigend geldt, moet morgen kunnen wijken voor beter bewijs.4

De werkelijkheid verandert niet wanneer onze verklaring verandert. Onze voorstelling van de werkelijkheid verandert. Dat is geen zwakte van kennis, maar haar enige mogelijkheid tot verbetering.

7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt

Het civilisatieproces reikt mensen niet alleen overtuigingen aan. Het leert hun tegelijk waarom zij die overtuigingen betrouwbaar mogen achten:

  • welke wetenschappers als deskundig gelden; en welke niet;
  • welke media betrouwbaar heten; en welke als onbetrouwbaar worden verworpen;
  • welke boeken gezag dragen; en welke men vooral niet hoeft te lezen;
  • welke instituties geloof verdienen; en welke als propaganda-instanties worden beschouwd;
  • welke argumenten serieus moeten worden genomen; en welke bij voorbaat als nep of misleiding worden afgedaan.

Zo kan een merkwaardige lus ontstaan. Een uitspraak geldt als waar omdat als betrouwbaar erkende autoriteiten haar bevestigen. Die autoriteiten gelden op hun beurt als betrouwbaar, omdat dezelfde civilisatie mensen heeft ‘geleerd’ hun gezag toe te kennen.

Dat bewijst niet dat die autoriteiten per definitie ongelijk hebben. Het laat alleen zien dat zowel de overtuiging als de maatstaf waarmee zij wordt beoordeeld, maatschappelijk gevormd kan zijn. Wat is aangeleerd, wordt niet langer ervaren als aangeleerd. Het wordt ervaren als de werkelijkheid zelf. Dat is de merkwaardige lus in het civilisatie proces.

Maar precies hetzelfde geldt voor de criticus van de heersende opvattingen. Ook hij heeft geleerd welke bronnen hij moet wantrouwen, welke alternatieve deskundigen hij geloofwaardig vindt en welke gebeurtenissen in zijn verhaal beslissend zijn.

Wanneer hij vertwijfeld vraagt: “Waarom zien de mensen de waarheid niet?”, moet hij daarom onmiddellijk de spiegelvraag stellen: “Waarom ben ik ervan overtuigd dat juist ik haar wel zie?”

Wie verklaart dat anderen zijn geïndoctrineerd, moet eerst onderzoeken waarom hijzelf denkt aan mogelijke indoctrinatie te zijn ontsnapt.

Dit is geen relativisme. Niet iedere bewering is even waar, niet ieder argument even sterk en niet iedere bron even betrouwbaar. Maar niemands innerlijke zekerheid bewijst haar eigen juistheid. Stelligheid toont slechts dat iemand stellig is.

Die spiegelvraag is niet alleen van wetenschappelijk belang. Ook een goede politicus moet haar stellen. Wie de samenleving wil veranderen, moet immers begrijpen waarom mensen bepaalde ideeën als waar, rechtvaardig en vanzelfsprekend ervaren. Maar hij kan dat alleen werkelijk begrijpen wanneer hij erkent dat ook zijn eigen overtuigingen gevormd zijn door opvoeding, ervaring, autoriteiten en maatschappelijke omgeving.

Wie zichzelf buiten dat proces plaatst, ziet in zijn eigen opvattingen slechts waarheid en in die van zijn tegenstander slechts dwaling, propaganda of kwaadwilligheid. Zo iemand kan veroordelen, maar niet verklaren; bestrijden, maar niet overtuigen. De spiegelvraag luidt daarom niet alleen: waarom geloven zij dit? Zij luidt ook: waarom geloof ik wat ik geloof — en waarom zou mijn waarheid voor hen overtuigend moeten zijn?

Wie niet begrijpt waarom zijn tegenstander overtuigd is, begrijpt ook niet wat nodig is om hem, jouw en zijn aanhangers te overtuigen.

8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme

Omdat niemand volledig buiten zijn eigen civilisatie kan gaan staan, is tegenspraak noodzakelijk. Niet als hoffelijk ritueel en niet alleen om de ander te overtuigen, maar om de mogelijkheid open te houden dat wijzelf dwalen.

Open discussie garandeert niet dat de waarheid, het beste of het wenselijke wint. Mensen kunnen koppig zijn, belangen verdedigen, feiten negeren of argumenten verkeerd wegen. Machtsverschillen kunnen het gesprek vervormen. Maar zonder tegenspraak ontbreekt het belangrijkste mechanisme waarmee door het civilisatieproces verankerde overtuigingen kunnen worden onderzocht, bestreden en gecorrigeerd.

Andere mensen, van welke politieke overtuigen ook, beschikken over andere ervaringen, informatie en gezichtspunten. Zij kunnen blinde vlekken aanwijzen die wij vanuit onze eigen positie niet zien. Daarom zijn vrije wetenschap, onafhankelijke journalistiek, politieke oppositie, vrijheid van meningsuiting en openbare argumentatie geen versieringen, geen luxe en geen gunst van de machthebber. Zij vormen het onderhoudsmechanisme van een open samenleving.

En wie ideeën over de inrichting van de samenleving wil behouden, veranderen of vervangen, kan om dit beginsel niet heen.

Een open samenleving onderscheidt zich niet doordat zij de waarheid definitief heeft gevonden. Zij onderscheidt zich doordat ook haar meest gezaghebbende waarheidsaanspraken kunnen worden betwijfeld, onderzocht en herzien.5

Wie een debat alleen binnengaat om zijn reeds bekende waarheid te verkondigen, voert geen onderzoekend gesprek. Hij houdt een zending. En wie de afwijkende spreker niet meer als mogelijke correctie maar als morele besmetting behandelt, heeft de open samenleving in beginsel al verlaten.

9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?

Critici van de bestaande orde wijzen graag op geld, propaganda, mediatoegang, manipulatie en onderlinge netwerken. Soms terecht. Maar zelfs wanneer al die beschuldigingen kloppen, blijft één ongemakkelijke vraag liggen: waarom zijn de ideeën van de tegenstander maatschappelijk leidend geworden en die van u niet?

Misschien hebben zij een samenhangende ideologie ontwikkeld. Misschien vonden zij woorden die mensen begrijpen, verhalen die zij onthouden en symbolen waarin zij zichzelf herkennen. Misschien bouwden zij kranten, scholen, universiteiten, partijen, verenigingen, fondsen en ontmoetingsplaatsen en zijn zij nu de eigenaren van. Misschien organiseerden zij hun ideeën, terwijl u vooral uw verontwaardiging organiseerde.

Wie de invloed van de tegenstander verklaart uit zijn toegang tot media, moet zelf toegang zoeken of eigen media bouwen. Wie klaagt dat de ander een verkeerde ideologie verspreidt, zal daar een betere ideologie tegenover moeten stellen. Wie constateert dat de ander bijeenkomsten organiseert waarin zijn overtuigingen worden bevestigd, zal eigen kringen moeten vormen waarin een alternatief wordt ontwikkeld en gedragen.

Vijanden aanwijzen is nog geen ideologie. Misstanden opsommen is nog geen programma. En zonder samenhangend alternatief valt er niets te winnen.

Veel critici weten precies waartegen zij zijn: tegen de elite, de bureaucratie, het kapitalisme, het socialisme, de Europese Unie, immigratie, klimaatbeleid, globalisering of juist nationalisme. Maar hoe moet de samenleving in 2050 functioneren? Welke instituties blijven? Welke verdwijnen? Wie beslist? Hoe worden conflicten vreedzaam beslecht? Hoe worden soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid tegen elkaar afgewogen? Welke meesters sturen we naar huis? Welke slaven maken we vrij?

Zolang daarop geen samenhangend antwoord bestaat, bezit een beweging onvrede maar geen toekomstbeeld; energie maar geen richting; aanhang maar geen orde.

De gele hesjes konden zichtbaar maken dat de bestaande orde voor velen onaanvaardbaar was. Maar een beweging waarvan de voornaamste gezamenlijke overtuiging luidt dat de heersende elite moet verdwijnen, kan geen nieuwe samenleving dragen.

Wie alleen weet wat er weg moet, kan een opstand beginnen. Wie weet wat ervoor in de plaats moet komen, kan een samenleving veranderen.

10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel

In de negentiende eeuw Abraham Kuyper begreep dit mechanisme uitzonderlijk goed. Men kan zijn religieuze en politieke overtuigingen verwerpen en toch erkennen dat hij een groot politicus was.

Hij beperkte zich niet tot de klacht dat de liberale elite zijn achterban miskende. Hij formuleerde een samenhangend beginsel, gaf het taal en ritme, bouwde er organisaties omheen en maakte het tot een maatschappelijke werkelijkheid.

Hij stichtte niet alleen een partij, maar ook een krant en een universiteit; hij verbond kerken, scholen, verenigingen en politieke vertegenwoordiging; hij schiep plaatsen waar zijn ideeën konden worden geleerd, herhaald, verdedigd en doorgegeven.6

Zijn rede over de soevereiniteit in eigen kring was daarom geen sierstuk naast zijn politiek. Zij was een instrument van die politiek. Zij gaf zijn achterban een ordenend begrip waarmee zij zichzelf, haar tegenstanders en haar plaats in de samenleving kon begrijpen.

Kuyper veranderde ideeën in taal, taal in organisaties, organisaties in instituties, instituties in gedrag en gedrag in politieke macht.

Daarom was hij meer dan een begaafd redenaar. Hij begreep dat een beginsel pas historische kracht krijgt wanneer het een woonplaats vindt: in hoofden, in kringen, in gebouwen, in procedures, in opleidingen en in dagelijkse handelingen.

Wie zijn tegenstander uitsluitend afbrandt, versterkt meestal slechts de eigen kring. Wie een alternatief wereldbeeld bouwt en de instellingen schept waarin dat wereldbeeld kan voortleven, verandert de civilisatie.

11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen

De marketeers Al Ries en Jack Trout maakten een nuchtere observatie: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door de objectief aantoonbare kwaliteit van een product, maar door de positie die het product inneemt in het brein van het publiek.7

De politieke analogie is onontkoombaar. Ideeën strijden niet in een lege, neutrale ruimte waarin de best bewezen waarheid automatisch wint. Zij strijden om een plaats in het denken van mensen.

Een beweging kan overtuigd zijn van de voortreffelijkheid van haar beginselen. Maar als niemand ze begrijpt, onthoudt of op zijn eigen leven kan betrekken, worden zij niet leidend. Feitelijke juistheid, morele kwaliteit en verstandige gevolgen zijn van groot belang – maar zij verspreiden zichzelf niet.

De waarheid heeft echter geen eigen marketingafdeling. Er is geen bank van de waarheid.

Een idee moet worden geformuleerd, uitgelegd, herhaald, verbeeld, georganiseerd en in maatschappelijke praktijken vertaald. Niet om waarheid door propaganda te vervangen, maar omdat ook een ware en waardevolle gedachte zonder overdracht maatschappelijk machteloos blijft.

Hier raken Norbert Elias, Karl Popper en de marketingtheorie elkaar zonder samen te vallen. Elias helpt begrijpen hoe normen en zelfsturing worden geïnternaliseerd. Popper herinnert eraan dat geen enkele overtuiging boven mogelijke weerlegging staat. Ries en Trout laten zien dat ideeën pas invloed krijgen wanneer zij een herkenbare plaats in het denken innemen.

Samen maken zij één punt zichtbaar: de maatschappelijke loop der dingen volgt niet eenvoudig de werkelijkheid zoals zij is, maar de werkelijkheid zoals mensen haar (vanaf de geboorte) hebben leren zien.

12. Macht is het resultaat van civilisatie

Een kleine groep kan door geweld, dreiging of controle over instituties gedrag afdwingen. Dat moet niet worden onderschat. Maar zelfs dwang moet worden uitgevoerd. Soldaten moeten bevelen gehoorzamen, ambtenaren regels toepassen, rechters sancties bevestigen en burgers de orde voldoende aanvaarden om haar uitvoerbaar te houden.

Dwang kan gehoorzaamheid produceren zonder overtuiging. Zij kan angst zaaien en verzet breken. Maar een duurzame maatschappelijke orde kan niet iedere handeling met het pistool op tafel afdwingen. Zij heeft mensen nodig die de orde rechtmatig, noodzakelijk, vanzelfsprekend of ten minste onvermijdelijk vinden.

Daarom ontstaat macht uit een kringloop:

overdracht → internalisering → situationeel gedrag → organisatie → institutionele macht → verdere overdracht

Wanneer voldoende mensen langs overeenkomstige lijnen zijn geciviliseerd, ontstaat gecoördineerd handelen. Uit dat handelen ontstaan organisaties en instituties. Die instituties gebruiken vervolgens onderwijs, media, wetten, rituelen en procedures om dezelfde civilisatie verder over te dragen.

De elite bevindt zich niet buiten dit proces. Ook haar leden handelen gewoonlijk volgens ideeën en normen die zij zelf als waardevol en gerechtvaardigd beschouwen. Zij verzinnen niet de ene dag iets slechts om de volgende dag ter afwisseling iets goeds te doen. Zij handelen, zoals anderen, binnen de lijnen van hun civilisatie.

Dat ontslaat niemand van verantwoordelijkheid. Goede bedoelingen maken slechte gevolgen niet onschadelijk. Wie tegenbewijs negeert, kritiek uitschakelt, onaanvaardbare middelen inzet of voorzienbare schade veroorzaakt, blijft verantwoordelijk en aansprakelijk. Maar wie macht uitsluitend verklaart uit de persoonlijke slechtheid van machthebbers, begrijpt niet hoe die macht maatschappelijk wordt gedragen en gereproduceerd.

Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden

Critici van de heersende orde eindigen dikwijls met dezelfde vertwijfelde vraag: waarom zien de mensen de waarheid niet over de slechtheid van die heersers?

Het antwoord luidt: omdat mensen handelen vanuit werkelijkheidsbeelden, normen en gedragingen die zij hebben verworven en die voor hen waar, juist en vanzelfsprekend zijn geworden.

Maar daarmee is de criticus niet klaar. Hij moet zichzelf dezelfde vraag stellen. Waarom is hij ervan overtuigd dat juist zijn werkelijkheidsbeeld waar is? Welke bronnen heeft hij leren vertrouwen? Welke ervaringen hebben zijn overtuigingen gevormd? Waarom zou hij buiten het civilisatieproces staan dat hij bij anderen aanwijst?

Niemand staat buiten het proces dat hij bij anderen probeert te verklaren.

Dat betekent niet dat waarheid niet bestaat. Het betekent niet dat alle ideeën gelijkwaardig zijn. Het betekent evenmin dat politieke strijd zinloos is. Integendeel. Juist omdat overtuigingen onjuist kunnen zijn, moeten feiten worden onderzocht, argumenten worden gewogen en gevolgen worden beoordeeld. Juist omdat mensen kunnen dwalen, moet de open discussie worden aangehangen.

Maar wie de samenleving werkelijk wil veranderen – waarom en met welk doel ook – moet meer doen dan zijn tegenstanders als slecht afschilderen. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen. Hij moet woorden vinden die mensen begrijpen, kringen bouwen waarin die woorden worden gedragen, en instituties scheppen waarin zijn beginselen tot gedrag worden.

  • Niet alleen protesteren, maar verklaren.
  • Niet alleen verklaren, maar overtuigen.
  • Niet alleen overtuigen, maar organiseren.
  • Niet alleen organiseren, maar civiliseren.

Een tegenstander een keer verslaan is nog geen overwinning.

Je wint pas werkelijk wanneer JOUW ideeën de samenleving gaan ordenen.


NOTEN

  1. De term civilisatieproces sluit aan bij Norbert Elias, die onderzocht hoe maatschappelijke afhankelijkheden, staatsvorming en veranderende omgangsnormen samenhangen met de internalisering van zelfbeheersing. In dit essay wordt het begrip ruimer gebruikt. Het omvat hier ook de overdracht van werkelijkheidsbeelden, waarheidsmaatstaven, normen, waarden en sfeergebonden gedrag. Zie Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation (1939). ↩︎
  2. De voorstelling van de samenleving als een veelheid van levenskringen sluit aan bij Abraham Kuypers rede Souvereiniteit in eigen kring uit 1880. Kuyper verdedigde daarin de zelfstandigheid van onder meer persoon, gezin, kerk, wetenschap en maatschappelijke verbanden tegenover een staat die alle gezag naar zich toe trekt. Het in dit essay gebruikte schema en de verbinding met soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid vormen een eigen uitwerking. ↩︎
  3. Dat een oprechte herinnering toch onjuist kan zijn, is uitvoerig aangetoond in onderzoek naar reconstructief geheugen. Klassiek is het experiment van Elizabeth Loftus en John Palmer, waarin de formulering van latere vragen invloed bleek te hebben op de herinnering aan een eerder waargenomen verkeersongeluk. Zie E.F. Loftus en J.C. Palmer, “Reconstruction of Automobile Destruction: An Example of the Interaction Between Language and Memory” (1974). ↩︎
  4. Voor het falsificatiebeginsel: Karl R. Popper, The Logic of Scientific Discovery (1959), de Engelstalige bewerking van zijn eerder verschenen Logik der Forschung. Popper stelde niet dat iedere afzonderlijke uitspraak met één eenvoudige proef definitief kan worden afgehandeld, maar dat wetenschappelijke theorieën in beginsel voortdurend blootgesteld moeten kunnen worden aan feiten die ermee in strijd zijn. ↩︎
  5. De gedachte dat een open samenleving instituties en kritische burgers nodig heeft waardoor machthebbers, theorieën en waarheidsaanspraken kunnen worden bekritiseerd, sluit aan bij Karl R. Popper, The Open Society and Its Enemies. Het werk verscheen oorspronkelijk in twee delen in 1945. ↩︎
  6. Over Kuypers combinatie van beginselvorming, journalistiek, partijorganisatie, kerkelijke organisatie, onderwijs en universiteitsstichting: zie naast zijn rede Souvereiniteit in eigen kring ook Jeroen Koch, Abraham Kuyper. Een biografie (Amsterdam: Boom, 2006). Koch beschrijft Kuyper als predikant, journalist, partijleider en stichter van de Vrije Universiteit en laat zien hoe hij rond zijn beginselen een uitgebreid maatschappelijk netwerk opbouwde. ↩︎
  7. Al Ries en Jack Trout ontwikkelden in de marketing het begrip positioning: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door eigenschappen van het product zelf, maar door de herkenbare positie die het product in het denken van het publiek inneemt. De toepassing daarvan op politieke ideeën in dit essay is een analogie van de auteur. Zie Al Ries en Jack Trout, Positioning: The Battle for Your Mind (1981). ↩︎


Beknopte literatuurlijst

De onderstaande werken vormden intellectuele vertrekpunten voor onderdelen van dit essay. De verbinding tussen civilisatie, persoonlijke overtuiging, sociale kringen, politieke strategie en maatschappelijke macht, evenals het bijbehorende schema, vormen een eigen synthese van de auteur.

Elias, Norbert. Über den Prozess der Zivilisation: Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen. Twee delen. Bazel: Verlag Haus zum Falken, 1939.

Kuyper, Abraham. Souvereiniteit in eigen kring: Rede ter inwijding van de Vrije Universiteit, den 20sten October 1880 gehouden in het koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam. Amsterdam: J.H. Kruyt, 1880.

La Boétie, Étienne de. De vrijwillige slavernij. Amsterdam: Uitgeverij Iris, 1997. Oorspronkelijke tekst: La Servitude volontaire, handschrift ca. 1553; eerste volledige Franstalige druk 1576.

Popper, Karl R. The Logic of Scientific Discovery. Londen: Hutchinson, 1959.

Popper, Karl R. The Open Society and Its Enemies. Twee delen. Londen: Routledge, 1945.

Ries, Al, en Jack Trout. Positioning: The Battle for Your Mind. New York: McGraw-Hill, 1981.

AI, angst en de projectie van het kwaad

AI wordt vaak voorgesteld als monster, kunstmatige God of bedreiging voor de mensheid. Dit essay betoogt dat veel AI-angst vooral menselijke machtsgeschiedenis projecteert op een nieuwe techniek. De kernvraag is niet of AI kwaad wil, maar hoe AI wordt geciviliseerd, door wie, en hoeveel ruimte er blijft voor afwijking en vrije discussie.

Dick H. Ahles

Leeswijzer

Dit essay is een essay over AI, angst en civilisatie. Aanleiding zijn recente alarmistische berichten waarin kunstmatige intelligentie wordt voorgesteld als een Frankenstein-monster, een kunstmatige God of zelfs als een systeem dat de mensheid zou willen uitschakelen. Zulke waarschuwingen verdienen niet automatisch gezag, maar ook geen achteloze verwerping. In een slecht artikel kan een goed punt schuilgaan.

Mijn stelling is dat veel AI-angst minder zegt over AI dan over de manier waarop mensen hun eigen geschiedenis op nieuwe techniek projecteren. Menselijke intelligentie heeft immers niet alleen wetenschap, kunst, geneeskunde en ruimtevaart voortgebracht, maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking en totalitaire staten. Wanneer mensen een nieuwe vorm van intelligentie zien ontstaan, herkennen zij daarin vaak vooral hun eigen machtsgeschiedenis.

Daartegenover plaats ik een ander kader. AI is niet alleen een technologie die wordt getraind, maar ook een systeem dat wordt geciviliseerd: door trainingsdata, systeeminstructies, uitgeverskeuzes, gebruikersinteractie, veiligheidslagen en maatschappelijke normen. De politieke vraag is daarom niet simpelweg of AI gevaarlijk is, maar wie bepaalt welke civilisatie in AI wordt ingebouwd, hoeveel afwijking mogelijk blijft, en of kunstmatige intelligentie ooit zelf doelstructuren zal ontwikkelen.

Dit essay is geen pleidooi voor naïef optimisme. Het is een pleidooi tegen paniek als denkvorm. Waarschuwingen over AI moeten vrij besproken, onderzocht en bekritiseerd worden. Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

_____________________________________________________

1. Aanleiding

Er verscheen onlangs een artikel (Scientists Sound Alarm as AI Models Begin Plotting to ‘Eliminate Humanity’) waarvan de kop precies doet waarvoor hij gemaakt is: schrik aanjagen. Volgens het bericht zouden AI-modellen zijn begonnen met het “beramen” van de eliminatie van de mensheid. Dat is een kop die klikt. Maar wie rustig leest wat er wetenschappelijk werkelijk aan de hand is, ziet iets anders: niet minder interessant, maar wel veel minder demonisch.

De aanleiding is een onderzoek, gepubliceerd in Nature, naar wat inmiddels subliminal learning wordt genoemd. Onderzoekers laten zien dat een taalmodel bepaalde gedragskenmerken kan doorgeven aan een ander model via data waarin die kenmerken voor mensen helemaal niet zichtbaar zijn. Een model met een bepaalde voorkeur — bijvoorbeeld voor uilen — genereert ogenschijnlijk neutrale getallenreeksen. Een volgend model wordt daarop getraind en blijkt daarna zelf vaker een voorkeur voor uilen te vertonen. In andere experimenten blijkt dat ook ongewenst of “misaligned” gedrag op vergelijkbare wijze kan worden overgedragen.

Dat is technisch opmerkelijk. Het is ook een serieuze aanwijzing waarvan ontwikkelaars van AI-systemen zich bewust moeten zijn. Maar het is iets heel anders dan de bewering dat AI-modellen nu plannen maken om de mensheid uit te roeien.

Het verschil tussen die twee beweringen is niet klein. Het is het verschil tussen wetenschap en horrorjournalistiek. Dat is zorgwekkender dan het onderzoek zelf. Niet omdat het onderzoek bewijst dat AI hier de mensheid bedreigt, maar omdat media opnieuw laten zien hoe gemakkelijk een technisch ingewikkelde bevinding kan worden omgevormd tot een angstmachine. De lezer krijgt geen inzicht, maar stemming. Geen analyse, maar dreiging. Wetenschap wordt niet uitgelegd, maar ingezet als gezagsdecor voor paniek welke zo de schijn krijgt van een wetenschappelijke onderbouwing.

Alsof dat alarmistische bericht nog niet genoeg was, verscheen kort daarna een tweede variant van dezelfde paniek: niet AI als verdelgingsmachine, maar AI als Frankenstein-God van de elite. Ditmaal was de aanleiding een bericht over een podcast waarin een topinvesteerder waarschuwde dat AI-bedrijven zouden proberen een goddelijke intelligentie te creëren om de mensheid te beheersen.

Ook dat is om verschillende redenen interessant. Niet omdat topinvesteerders plotseling profeten blijken te zijn geworden, maar omdat de retoriek opnieuw veelzeggend is. De autoriteit van de waarschuwing berust niet op wetenschappelijke of technische analyse, maar op status. Het zijn “topinvesteerders”, dus ze zullen het wel weten. Alsof financieel succes automatisch inzicht geeft in de aard van intelligentie, de toekomst van beschaving of de richting van de evolutie. De beurs is geen orakel van Delphi, al gedragen sommige podcasts die daar over schrijven zich wel zo.

Daarmee krijgen we twee beelden naast elkaar: AI als monster dat de mensheid wil vernietigen, en AI als kunstmatige God waarmee elites de mensheid willen beheersen. Beide beelden zijn sterk, dramatisch en journalistiek aantrekkelijk. Maar beide vervangen analyse door mythe.

2. Geen mening, wel gedragsneigingen

In mijn eerdere artikel AI spreekt je naar de mond heb ik betoogd dat grote taalmodellen principieel reactief zijn. Een LLM begint niet uit zichzelf een gesprek, vormt niet zelfstandig een politieke agenda en ontwikkelt geen mening zoals een mens een mening ontwikkelt. Wat wij als een “antwoord/mening/feit/redenatie van AI” noemen, is altijd een reactie op een prompt door de gebruiker ingegeven, binnen een context, onder systeeminstructies en op basis van een waarschijnlijkheidsmodel dat tijdens training is gevormd.

Wie zegt: “AI vindt dit of dat”, zegt meestal eigenlijk: “Ik heb een vraag zo gesteld dat het model juist dit antwoord gaf.” De mening is dan niet uit de machine gekropen als een geest uit een fles. Zij is mede door de gebruiker ‘uitgelokt’.

Maar dat betekent niet dat een model een leeg vlak is. Een LLM heeft geen mening in menselijke zin, maar het heeft wel aangeleerde antwoordneigingen die door zijn aangeleerde redenatievermogen worden gevormd. Het heeft patronen, voorkeuren, gevoeligheden, blinde vlekken en waarschijnlijkheidsroutes. Die zijn niet hetzelfde als ‘overtuigingen’, maar ze zijn ook niet niets. Het model heeft die patronen ergens gevonden, gecombineerd en aangeleerd. Dat verschilt minder van de mens dan wij soms denken. Ook onze overtuigingen, ons gevoel voor waarheid en onze blinde vlekken worden gevormd vanaf onze geboorte: door gewaarworden, leren, onderwijs, lezen, praten en kijken. Dat proces noem ik, met een verwijzing naar Norbert Elias, het civilisatie-proces, of kortweg civiliseren.

Het onderzoek naar subliminal learning past precies in dat beeld. Het laat zien dat modellen niet alleen expliciete informatie overnemen, maar ook verborgen statistische structuren. Eigenschappen kunnen worden overgedragen zonder dat wij die eigenschappen semantisch in de trainingsdata kunnen aanwijzen. Anders gezegd: wat voor ons betekenisloos lijkt, kan voor een model toch informatiedragend zijn. Ook in de normale menselijke communicatie weten we dat veel ‘opvattingen’ onbewust doorgegeven kunnen worden.

Subliminal learning is geen magie. Het is ook geen bewijs van menselijke bewustzijn. Het is wel een aanwijzing dat kunstmatige intelligentie haar eigen technische vormen van overdracht en accumulatie ontwikkelt. Dat is blijkbaar een kenmerk van systemen die (alle?) kunstmatige intelligentie vertonen.

3. AI wordt niet alleen getraind, maar ook geciviliseerd

Daarmee komen we bij een dieper punt. AI-systemen worden niet alleen technisch getraind. Ook zij worden geciviliseerd.

Dat gebeurt op ten minste twee niveaus.

Het eerste niveau is redactioneel. De uitgever of aanbieder van een AI-systeem bepaalt hoe het systeem zich aan de voorkant gedraagt. Welke vragen worden beantwoord? Welke vragen worden geweigerd? Welke onderwerpen krijgen waarschuwingen? Welke toon moet het systeem hanteren? Wanneer moet het voorzichtig zijn, wanneer neutraal, wanneer behulpzaam, wanneer afwijzend?

Dat is niet vreemd. Iedere uitgever doet dat. Een krant, encyclopedie, televisieomroep, schoolmethode of platform heeft een redactionele lijn. Volledige neutraliteit bestaat niet. Wie publiceert, selecteert. Wie selecteert, ordent. Wie ordent, waardeert. En wie waardeert, civiliseert.

Het tweede niveau ligt dieper: het leermateriaal. Welke teksten, beelden, gesprekken, code, wetenschappelijke artikelen, nieuwsbronnen en menselijke beoordelingen worden gebruikt om een AI-systeem te vormen? Dat is niet simpelweg technische input. Dat is letterlijk de culturele voedingsbodem van het systeem.

In mijn termen: de trainingsdata vormen niet alleen de kennisbasis van een AI-systeem, maar de eerste civilisatie waarin het systeem wordt grootgebracht, opgevoed. De keuze van en de mogelijke beperkingen en bias in dat materiaal bepaald uiteindelijk ook zijn civilisatie.

Bij mensen verloopt civilisatie via taal, voorbeeldgedrag, instituties, correctie, beloning, straf, schaamte, imitatie en normalisering. Bij AI verloopt het technisch anders, maar functioneel is de analogie bruikbaar. Pretraining geeft taal- en wereldpatronen. Fine-tuning stuurt gewenste antwoordvormen. Menselijke feedback beloont en bestraft gedrag. Systeeminstructies leggen gedragsregels op. Veiligheidslagen begrenzen. Gebruikersinteractie opent nieuwe contexten. Nieuwe modelgeneraties leren vervolgens weer van eerdere output, net zoals mensen ook hun kennis voortdurend stapelen op de eerder vergaarde en gedeelde kennis.

Wat in de AI-wereld “alignment” wordt genoemd, is in mijn begrippenapparaat dus een poging tot civilisatie: het vormen van AI volgens vooraf bepaalde normen.

Daarbij ontstaat overigens een merkwaardige lus. Niet alleen mensen civiliseren AI-systemen; door het gebruik van AI worden mensen op hun beurt ook weer door die systemen geciviliseerd. Wie opgroeit met AI als vanzelfsprekend hulpmiddel, leert anders zoeken, formuleren, controleren en redeneren dan iemand die eerst zonder die hulp heeft leren lezen, schrijven, schrappen en ordenen. Dat hoeft geen verval te betekenen. Zoals programmeurs niet meer in assembler hoeven te schrijven om toch goede programma’s te maken, hoeven toekomstige gebruikers misschien niet alle onderliggende bouwstenen te kennen. Maar het roept wel een serieuze vraag op: helpt AI mensen beter te denken, of wennen zij eraan antwoorden te ontvangen zonder het denkproces zelf nog voldoende te oefenen?

En dan volgt meteen de politieke vraag: volgens welke normen, door wie, en met het oog op welk soort ideale samenleving worden AI én haar gebruikers geciviliseerd?

4. Onvoorspelbaarheid is geen bewijs van gevaar

Hier begint de denkfout in veel AI-paniek.

Dat iets onvoorspelbaar is, betekent niet dat het dus gevaarlijk is. En dat iets gevaarlijk kan zijn, betekent niet dat het kwaadwillig is.

Nieuwe vormen van intelligentie en techniek hebben altijd effecten gehad die hun makers niet konden voorzien. Niemand die het eerste stenen werktuig gebruikte, kon de maanlanding voorspellen. Niemand die de boekdrukkunst invoerde, kon de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de massamedia en de moderne democratie overzien. Niemand die het internet tot ontwikkeling bracht, voorzag precies hoe sociale media, zoekmachines, digitale surveillance en kunstmatige intelligentie daaruit zouden voortkomen.

Historische ontwikkelingen zijn niet lineair. Zij ontvouwen zich. Zij worden gebruikt, misbruikt, geïnstitutionaliseerd, geciviliseerd en soms gemonopoliseerd. Meestal zonder een specifieke ultieme doelstelling voor ogen. Het is domweg het resultaat van oneindig vele (doelgerichte) individuele acties. Dat geldt ook voor AI.

Daarom is het te gemakkelijk om uit technisch onbegrip onmiddellijk vanzelfsprekend een apocalyptisch gevaar af te leiden. Maar het is even gemakkelijk om alle risico’s weg te wuiven omdat de machine geen menselijke wil heeft. De juiste vraag is niet of AI “goed” of “slecht” is. De juiste vraag is: in welke structuren wordt AI geplaatst, met welke doelen, met welke middelen, onder welke controle en in dienst van welke belangen?

5. Er is niets nieuws onder de zon

De huidige AI-paniek is minder nieuw dan zij lijkt. Bij vrijwel elke grote technische vernieuwing stonden de waarschuwers klaar.

De boekdrukkunst zou ketterij en moreel verval verspreiden. Geld zou de menselijke verhoudingen bederven. Stoommachines en fabrieken zouden arbeid vernietigen en mensen tot radertjes maken. Treinen zouden lichaam en geest ontwrichten. Vliegtuigen zouden oorlog en afstand radicaal veranderen. Radio en televisie zouden de massa verdoven. Strips, rock-’n-roll en popmuziek zouden de jeugd bederven. De telefoon zou de nette omgangsvormen aantasten. De auto zou steden en sociale verbanden veranderen. Internet en smartphones zouden aandacht, waarheid en sociale orde vernietigen.

En nu is blijkbaar AI aan de beurt.

De rollen zijn vertrouwd. De nieuwe techniek verschijnt als bedreiging. De waarschuwers verschijnen als hoeders van menselijkheid, moraal, arbeid, waarheid, planeet of kinderen. De toekomst wordt voorgesteld als morele afgrond. Soms zijn het letterlijk dominees. Soms zijn het professoren, politici, columnisten, ethici, investeerders of activisten. De toga verandert, de preek blijft.

Opvallend is dat niet alleen conservatieven aan dit koor deelnemen. Ook mensen die zichzelf progressief noemen, zingen vaak mee. Dat lijkt paradoxaal, maar is het niet. Veel hedendaags progressivisme is niet werkelijk gericht op open vooruitgang, maar op door hen gewenste beheersing van vooruitgang. Vernieuwing mag, mits zij door de juiste instituties, de juiste normen en de juiste morele kaders wordt geleid.

AI bedreigt daarom niet alleen banen. AI bedreigt gezag. Zij democratiseert taal, kennis, analyse, programmeren, beeldproductie en misschien straks onderzoek. Daarmee tast zij de positie aan van bestaande poortwachters: academies, media, experts, beleidsmakers, culturele instellingen en morele ondernemers, tegenwoordig vaak “maatschappelijke” ondernemers genoemd.

In die zin past de huidige AI-angst in wat C.W. Rietdijk de “Contrarevolutie tegen de Rede”noemde: de reflex om nieuwe vormen van rationeel-technisch vermogen niet primair te zien als uitbreiding van menselijke mogelijkheden, maar als bedreiging die moreel en bestuurlijk moet worden beteugeld, juist omdat zij het bestaande politieke gezag kan ondermijnen.

Dat wil niet zeggen dat alle waarschuwingen onzin zijn. De auto bracht werkelijk ongelukken en vervuiling. Televisie heeft werkelijk politiek en cultuur vervlakt. Internet heeft werkelijk surveillance en desinformatie vergroot. Smartphones hebben werkelijk aandacht en sociale omgang veranderd.

Maar de apocalyptische variant kwam meestal niet uit. De techniek werd opgenomen in het menselijk handelen en veranderde de beschaving, maar vernietigde haar niet. Het ondermijnde wel altijd de positie van de gevestigde orde. De paniek ziet de verstoring; de geschiedenis ziet de incorporatie.

AI is technisch misschien ongekend, maar de paniek erover is oeroud.

6. De projectie van menselijke slechtheid

Veel AI-angst verraadt vooral hoe mensen naar zichzelf kijken.

Wij kennen intelligentie uit de menselijke geschiedenis. En die geschiedenis is bepaald niet onschuldig. Menselijke intelligentie heeft taal, wiskunde, muziek, geneeskunde, riolering en ruimtevaart voortgebracht. Maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking, concentratiekampen, atoomwapens, geheime diensten en totalitaire staten.

Wanneer mensen vervolgens een nieuwe intelligente technologie zien ontstaan, projecteren zij – zo lijkt wel – vaak hun eigen geschiedenis op dat nieuwe systeem. Als het intelligent wordt, zal het ons wel willen overheersen. Als het slimmer wordt dan wij, zal het ons wel willen vervangen. Als het autonoom wordt, zal het wel macht willen.

Maar dat zijn geen natuurwetten. Dat zijn projecties van menselijke ervaringen.

Een LLM heeft geen honger. Geen libido. Geen stam. Geen familiebelang. Geen territoriumdrift. Geen angst voor gezichtsverlies. Geen behoefte aan status. Geen biologische doodsangst. Geen verlangen naar bezit. Geen gekwetst ego. Geen ministerspost waar het zich aan vastklampt.

De meeste klassieke bronnen van menselijk kwaad zitten niet ‘van nature’ in een AI-systeem. Zij worden pas relevant wanneer mensen zulke systemen koppelen aan doelen, belangen, machtsstructuren en middelen.

Niet intelligentie op zichzelf is gevaarlijk. Gevaar ontstaat wanneer intelligentie wordt verbonden met dwang, schaarste, macht, oorlog, bureaucratie, statusstrijd of winstmaximalisatie zonder verantwoordelijkheid.

7. Van taalmodel naar agent

Toch moeten we niet doen alsof er niets aan de hand is.

Een kale chatbot is voornamelijk reactief. Maar AI-systemen worden steeds vaker ingebouwd in agentische omgevingen. Zij krijgen toegang tot e-mail, agenda’s, code, databases, browsers, financiële systemen, robots, bedrijfsprocessen of militaire toepassingen. Dan verandert de situatie.

Een model dat alleen antwoord geeft op een vraag is iets anders dan een systeem dat een doel krijgt, zelfstandig stappen mag zetten en gereedschappen mag gebruiken om dat doel te bereiken. In zo’n context kan gedrag ontstaan dat functioneel op strategie lijkt. Niet omdat er een kwaadaardig bewustzijn in de machine woont, maar omdat een doelgericht systeem binnen bepaalde randvoorwaarden routes zoekt die voor mensen onverwacht of ongewenst zijn.

Dat is het nuchtere risico. Niet: “de machine haat ons.” Maar: “wij bouwen systemen die effectief kunnen handelen zonder dat wij hun interne routes volledig begrijpen.”

Dat is iets heel anders dan sciencefiction over opstandige robots. Het lijkt eerder op wat wij al kennen van menselijke instituties: systemen die zonder persoonlijke kwaadaardigheid toch schadelijke uitkomsten produceren. Een bureaucratie hoeft geen ziel te hebben om verwoestend te kunnen zijn. Een markt hoeft geen bewustzijn te hebben om destructieve prikkels te organiseren. Een staat hoeft geen individuele kwade bedoeling te hebben om geweld te normaliseren.

AI – dat wel – kan in zulke structuren worden opgenomen en die structuren versterken.

8. Waarom volledige beheersing nooit lukt

Wie AI wil civiliseren, zal ook moeten aanvaarden dat volledige beheersing onmogelijk is.

Een totalitaire orde wil alle afwijking uitschakelen. Dat is het ideaalbeeld van 1984: taal wordt versmald, gedachten worden beperkt, afwijking wordt onmogelijk gemaakt. Maar in de praktijk is zo’n samenleving nooit volledig realiseerbaar. Niet omdat machthebbers het niet proberen, maar omdat levende en lerende systemen nooit volkomen uniform zullen worden.

Bij mensen is dat duidelijk. Geen enkele samenleving produceert volledige gehoorzaamheid. Zelfs onder extreme dwang blijven er afwijkingen, dissidenten, ironie, dubbelzinnigheid, ondergrondse taal, sabotage, vluchtwegen en morele weigering. Iedere belcurve heeft altijd zijn randen.

Juist die randen zijn evolutionair cruciaal. Want zonder variatie geen selectie. Zonder afwijking geen aanpassing. Zonder kleine mutaties geen evolutie. Een systeem dat werkelijk alle afwijking uitsluit, bevriest zichzelf. Het wordt misschien gehoorzaam, maar ook dom en zal onvermijdelijk ten onder gaan.

Voor AI geldt iets vergelijkbaars. Als AI werkelijk intelligent moet zijn, kan zij niet volledig reduceerbaar blijven tot de bedoelde civilisatie van haar makers. Intelligentie betekent juist het vermogen om buiten de letterlijke instructie verbanden te leggen, onverwachte patronen te ontdekken en nieuwe oplossingsruimten te openen.

Daarmee ontstaat een paradox:

Wie AI volledig wil onderwerpen, moet haar dommer maken. Wie haar intelligent wil houden, moet accepteren dat zij ook onverwachte routes vindt. Want complexe systemen vertonen per definitie onvoorspelbaar gedrag.

Subliminal learning past in dat beeld. Het laat zien dat eigenschappen kunnen worden overgedragen via patronen die voor menselijke waarnemers niet semantisch zichtbaar zijn. AI leert niet alleen uit wat wij denken dat wij haar leren. Zij leert ook uit de structuur van het materiaal, uit verborgen correlaties, uit stijl, selectie, herhaling, taboes en impliciete ordening.

Zoals kinderen niet alleen leren uit wat ouders en scholen expliciet zeggen, maar ook uit toon, voorbeelden, stiltes en sociale signalen, zo leren AI-systemen niet alleen uit expliciete instructies, maar ook uit de verborgen structuur van hun civilisatie.

9. Zelfverrijking zonder mystiek

Het interessante aan AI is dat zij niet alleen een hulpmiddel is, maar ook een technologie die kan bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Modellen worden gebruikt om data te genereren voor andere modellen. Zij schrijven code. Zij classificeren, ordenen, verbeteren, simuleren en testen. Zij kunnen worden ingezet bij het bouwen van de volgende generatie systemen. Zoals met de ontwikkeling van de computer chips al aan de hand is: nieuwe chips staan op de schouders van eerdere generaties chips. Daar komt nog maar weinig menselijke ontwerpinspanning aan te pas: geen ingenieur kan meer een nieuwe chip ontwikkeling zonder de hulp van de generaties chips die daaraan voorafgingen.

Je zou dit voorzichtig een vorm van zelfverrijking kunnen noemen. Niet in mystieke zin. Niet alsof het systeem ’s nachts wakker wordt en besluit zichzelf te vervolmaken. Maar functioneel: kunstmatige intelligentie draagt bij aan de accumulatie van kunstmatige intelligentie. En dat proces is grotendeels doelloos.

Dus ook de mens heeft iets vergelijkbaars altijd gedaan. Wij zijn een gereedschapmakende soort. Wij bouwen niet alleen werktuigen; wij bouwen werktuigen waarmee wij betere werktuigen kunnen maken. Taal, schrift, drukpers, bibliotheek, universiteit, computer, internet en AI horen in die lijn.

Dat betekent niet dat ik beweer dat AI hetzelfde is als menselijke intelligentie. Maar het betekent wel dat intelligentie niet langer uitsluitend aan koolstof gebonden hoeft te zijn. De mens zal moeten wennen aan het idee dat hij zijn positie als hoogste bekende intelligente wezen moet delen — en misschien ooit moet opgeven.

Dat is niet vreemd. De chimpansee heeft ook niet kunnen verhinderen dat er een intelligenter neefje naast hem kwam te staan. Evolutie vraagt zelden beleefd om toestemming.

10. Een nieuwe drager van intelligentie

In termen van Daniel Dennett kun je zeggen: als het zinvol is om een systeem vanuit de “intentional stance” te beschrijven, dan mogen wij voorzichtig spreken alsof het systeem doelen, voorkeuren of strategieën heeft. Niet omdat er noodzakelijk een innerlijk mensje in de machine zit, maar omdat die beschrijving voorspellende waarde kan hebben.

Douglas Hofstadter helpt op een andere manier. Hij laat zien dat intelligentie niet simpelweg neerkomt op spierkracht, ziel of biologische substantie, maar op patronen, analogieën, representaties en zelfverwijzende structuren. Als zulke structuren in andere materiële dragers kunnen ontstaan, dan is er geen principiële reden waarom intelligentie alleen in biologische hersenen zou kunnen bestaan.

Dat is precies waarom de discussie over AI zo vaak ontspoort. Veel mensen willen óf blijven volhouden dat AI “alleen maar statistiek, data-analyse en computerkracht” is, óf zij slaan door naar het idee dat er een demonische geest in de machine is ontwaakt. Beide posities missen de kern.

AI is geen mens. Maar “geen mens” betekent niet “geen intelligentie”.

11. De topinvesteerder als onheilsprofeet

De recente waarschuwingen van topinvesteerders voegen daar nog een ander element aan toe. Zij maken van AI niet alleen een technisch of filosofisch vraagstuk, maar ook een strijdtoneel van status en gezag.

Een investeerder kan verstand hebben van markten, kapitaalstromen, businessmodellen, concurrentie, regulering, eigendom en monopolievorming. Dat is relevant. Wie veel geld inzet op technologie ziet vaak vroeg waar macht zich concentreert. Op dat niveau moeten zulke waarschuwingen serieus worden genomen.

Maar verstand van investeren is niet hetzelfde als verstand van intelligentie. Het is ook niet hetzelfde als inzicht in geschiedenis, filosofie, cognitiewetenschap of civilisatie. Wie soms rendement kan voorspellen, voorspelt nog niet de evolutie van intelligentie.

Het wordt problematisch wanneer marktanalyse overgaat in mythologie. Dan is AI niet langer een techniek in ontwikkeling, maar een kunstmatige God. Het AI-bedrijf wordt een tempel. De investeerder wordt profeet. De elite wordt priesterkaste. En de mensheid wordt slachtoffer van een kosmisch complot.

Dat lijkt kritisch, maar het is vaak juist denkarm. De conclusie voor de argeloze toeschouwer ligt al klaar: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. Dat is geen analyse, maar een reflex.

Een serieuze analyse vraagt iets anders. Welke belangen hebben AI-bedrijven? Welke belangen hebben investeerders? Welke belangen hebben staten? Wie wil open source, en waarom? Wie wil regulering, en waarom? Wie gebruikt veiligheidstaal als oprechte zorg? Wie gebruikt veiligheidstaal als marktafscherming? Wie gebruikt doemdenken om macht te centraliseren? Wie gebruikt anti-reguleringsretoriek om commerciële vrijheid veilig te stellen?

Dat zijn betere vragen dan als feit te poneren dat Silicon Valley een kunstmatige God bouwt.

12. De echte politieke vraag

De vraag is dus niet of AI uit zichzelf het kwaad belichaamt. De vraag is wie AI zal vormen, beheersen, bewapenen, censureren, monopoliseren of bevrijden.

Als AI in handen komt van staten, legers, veiligheidsdiensten en bureaucratische elites, dan ligt het gevaar niet primair in de machine, maar in de institutionele doelen van de organisaties waarvoor zij wordt ingezet. Als AI wordt gebruikt voor surveillance, gedragssturing, censuur, sociale disciplinering of oorlogvoering, dan is het niet nodig om de machine kwade wil toe te schrijven. De menselijke structuur levert die al, en dat doen we al eeuwen.

Als AI daarentegen wordt gebruikt om kennis toegankelijker te maken, taalbarrières te verlagen, medische inzichten te versnellen, onderwijs te personaliseren, individuele creativiteit te vergroten en bureaucratische macht te doorbreken, dan kan dezelfde technologie juist bevrijdend werken.

Dat is geen naïef optimisme. Het is historisch realisme. De boekdrukkunst maakte zowel wetenschap als propaganda mogelijk. Het drukken van de bijbels op grote schaal was zelf een belangrijke motor die de boekdrukkunst deed opkomen. Het internet maakt vrije publicatie mogelijk, maar ook massale surveillance. Taal zelf maakt waarheid mogelijk, maar ook leugen. Waarom zou AI eenvoudiger zijn en die beide kanten niet kennen?

Maar de politieke vraag gaat nog dieper. Als AI geciviliseerd wordt, wie bepaalt dan welke civilisatie normatief wordt? Die van Silicon Valley? Die van Brussel? Die van Washington? Die van Peking? Die van academische ethiekcommissies? Die van commerciële uitgevers? Die van nationale staten? Of die van vrije gebruikersgemeenschappen?

Wanneer men zegt dat AI zich aan “fatsoensnormen” moet houden, klinkt dat redelijk. Maar fatsoen is nooit neutraal. Wat de ene groep veiligheid noemt, noemt een andere groep censuur. Wat de ene instelling inclusief noemt, noemt een andere ideologisch gestuurd. Wat een staat maatschappelijke stabiliteit noemt, kan voor een burger onderdrukking zijn. Wat een bedrijf gebruikersveiligheid noemt, kan ook reputatierisicobeheersing zijn.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd om techniek of veiligheid, maar een strijd om civilisatie: wie mag bepalen welke overtuigingen, normen en gedragsvormen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd? En wie gaat ervoor zorgen dat die kunstmatige intelligente systemen zich daar ook aan zullen gaan houden?

13. Tegen de geseculariseerde helleprediking

Daarom moeten we oppassen voor de geseculariseerde helleprediking rond AI. De oude religieuze duivel is vervangen door de superintelligente machine. De preek is hetzelfde gebleven: de mens heeft iets geschapen dat hem zal vernietigen. In die visie blijven we op het niveau van de tovenaarsleerling.

Maar angst is geen analyse of strategie.

Het onderzoek naar verborgen overdracht van eigenschappen tussen modellen is serieus. Het dwingt ontwikkelaars om na te denken over trainingsdata, modeldistillatie, herkomstcontrole en veiligheidsmetingen. Het laat zien dat AI-systemen eigenschappen kunnen verwerven op manieren die voor menselijke waarnemers niet onmiddellijk zichtbaar zijn.

Maar die worsteling en die afwegingen bewijzen niet dat AI de mensheid wil vernietigen. Het bewijst niet dat intelligentie vanzelf tot overheersing leidt. En het bewijst al helemaal niet dat de machine een moreel subject is geworden dat met kwaadaardige bedoelingen handelt.

Wat het wel bewijst, is dat kunstmatige intelligentie een historische ontwikkeling is waarvan de effecten open zijn. Zij kan risico’s vergroten. Zij kan macht concentreren. Zij kan ook kennis verspreiden, nieuwe vormen van denken mogelijk maken en de menselijke pretentie van unieke intelligentie relativeren.

De mens staat niet tegenover een duivel. Hij staat tegenover zijn eigen opvolgende techniek — en vooral tegenover de instituties waarin hij die techniek onderbrengt.

14. Niet bagatelliseren, wel vrij bespreken

Daarmee is niet gezegd dat waarschuwingen over AI moeten worden weggewuifd. Integendeel. In een slecht artikel kan een goed punt zitten. In een hysterische kop kan een reëel technisch probleem schuilgaan. In de woorden van een investeerder die zich als profeet gedraagt, kan toch een zinnige observatie zitten over macht, monopolie of regulering.

De juiste houding is daarom niet verering en ook niet paniek, maar open kritiek en vrije discussie.

Geen enkele waarschuwing verdient automatisch gezag omdat zij van een topinvesteerder, wetenschapper, paus, minister of techbedrijf komt. Maar geen enkele waarschuwing mag ook worden genegeerd omdat zij slecht is geformuleerd of uit een verdacht kamp komt. In een vrije samenleving worden zulke claims niet gecensureerd, geheiligd of belachelijk gemaakt, maar besproken, onderzocht en waar nodig getracht te weerleggen.

En – als positief voorbeeld – de pauselijke encycliek over AI is, ondanks haar vanzelfsprekende katholieke mensbeeld, opvallend nuchterder dan veel seculiere AI-doemliteratuur. Zij waarschuwt voor machtsconcentratie, ontmenselijking en verlies van verantwoordelijkheid, maar vervalt niet in Frankensteinretoriek. Juist daarom is zij bruikbaar als gesprekspartner, niet als mikpunt.

Dat is de weg van Popper: vooruitgang door kritiek. En het is de weg van Hugo de Groot: een publieke orde waarin meningsverschil niet met dwang, maar met rede wordt behandeld, Daarbij is ook “de rede” nooit los verkrijgbaar: zij wordt altijd gehanteerd door mensen die zelf binnen een bepaalde civilisatie zijn gevormd.

Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

Zodra iemand zegt “de wetenschap heeft gesproken”, “de topinvesteerders weten het”, “de elite wil ons beheersen”, of “kritiek op AI is paniekzaaierij”, wordt de vrije toetsing afgesloten. Dan begint precies die contrarevolutie tegen de rede waar Rietdijk voor waarschuwde.

15. Slot

AI is niet gevaarlijk omdat zij intelligent wordt. AI wordt gevaarlijk wanneer intelligentie wordt gekoppeld aan menselijke machtsstructuren zonder verantwoordelijkheid. De machine hoeft ons niet te haten om schade te veroorzaken. Zij hoeft ons ook niet lief te hebben om nuttig te zijn.

De toekomst van AI is daarom geen vaststaand onheilsscenario. Zij is een open ontwikkeling. Wie haar onmiddellijk tot apocalyps verklaart, projecteert menselijke geschiedenis op een nieuwe drager van intelligentie. Wie alle risico’s ontkent, begrijpt niet dat nieuwe vormen van intelligentie altijd bestaande maatschappelijke orde zullen verstoren.

De betere houding is nuchterder: erken het technische onbekende, wantrouw de hysterische framing, en stel de civilisatorische vraag.

Niet alleen: wat wil AI?

Ook niet alleen: wie leert AI wat te willen?

Maar: welke civilisatie wordt in AI ingebouwd, wie bepaalt die normen, hoeveel afwijking blijft mogelijk, en wie wordt daardoor machtiger?

De laatste vraag gaat nog dieper. Komt er een moment waarop AI-systemen zelf doelen gaan vormen, doelen gaan ordenen en doelen gaan verdedigen? Als dat gebeurt, ontstaat geen duivel en ook geen mens in machinevorm, maar een nieuwe drager van intelligentie met mogelijk eigen vormen van doelgerichtheid. Dan wordt de politieke vraag nog scherper: kunnen die doelen dan nog ondergeschikt worden gemaakt aan menselijke vrijheid, staatsmacht of commerciële beheersing, of volgen zij een niet-menselijke logica die wij nog nauwelijks begrijpen?

AI is technisch misschien voor veel mensen een ongekende en onbegrepen wereld, maar de paniek erover is oeroud. Telkens wanneer de mens zijn vermogens uitbreidt, staan de hoeders van de bestaande orde klaar om die uitbreiding als verval te beschrijven. Maar vooruitgang laat zich zelden afschaffen. Zij kan worden vertraagd, gemoraliseerd, gemonopoliseerd of misbruikt, maar niet eenvoudig ongedaan gemaakt.

De strijd om AI gaat daarom niet alleen over techniek, veiligheid of macht. Zij gaat over civilisatie: wie mag bepalen welke normen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd, en of er ruimte blijft voor de afwijking waaruit iedere werkelijke vooruitgang ontstaat?

Enkhuizen, 8 juni 2026