Het civilisatieproces en de politieke werking van overtuigingen
Een sociologische schets van civilisatie, waarheid, politieke strijd en maatschappelijke macht
Dick H. Ahles – juli 2026
“Op dit moment zou ik alleen willen begrijpen hoe het mogelijk is dat zoveel mensen, zoveel dorpen, zoveel steden, zoveel volken, soms één enkele tiran dulden, die niet meer macht heeft dan zij hem geven, die hen niet meer kan schaden dan zij wensen te verdragen, die hen geen enkel kwaad kan berokkenen, tenzij zij er de voorkeur aan geven hem te verdragen in plaats van tegen hem in te gaan. Het is opmerkelijk en tegelijkertijd zo gewoon dat je er eerder verdrietig om moet zijn dan je erover verbazen dat een miljoen mensen gebukt gaan onder het juk van een jammerlijke dienstbaarheid, niet doordat ze daartoe gedwongen zijn, maar uitsluitend (zo lijkt het wel) doordat ze betoverd en gefascineerd zijn door de naam van één persoon, wiens macht ze niet hoeven te vrezen, daar hij maar alleen is, en wiens eigenschappen ze niet hoeven te bewonderen, aangezien hij jegens hen onmenselijk en wreed is.¨
uit: Étienne de La Boétie, De vrijwillige slavernij | oorspronkelijk: La Servitude Volontaire, in handschrift overgeleverd, ca. 1553, tekst Nederlandse editie, 1997
Samenvatting
Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral doordat voldoende mensen bepaalde overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dat proces noem ik het civilisatieproces.
In dit essay onderzoek ik hoe persoonlijke overtuigingen worden gevormd, hoe zij binnen verschillende sociale kringen tot gedrag leiden en hoe ideeën uiteindelijk organisaties, instituties en politieke macht voortbrengen. Daarbij komen ook de verhouding tussen waarheid en overtuiging, het belang van open discussie en de strategie van maatschappelijke verandering aan de orde. Wie een bestaande orde wil vervangen, moet namelijk meer doen dan haar machthebbers bestrijden. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen, mensen overtuigen en de kringen en instituties bouwen waarin zijn ideeën kunnen voortleven.
Inhoud
- Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren
- De persoonlijke civilisatie
- Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk
- Sferen, kringen en politieke beginselen
- Politiek is een strijd tussen overtuigingen — en geen strijd om de macht
- Waarheid bestaat — maar zekerheid bewijst haar niet
- De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt
- Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme
- Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?
- Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel
- De strijd vindt plaats in het denken van mensen
- Macht is het resultaat van civilisatie
Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden
Noten
Korte Literatuurlijst
Wie de wereld wil veranderen, kijkt gewoonlijk eerst naar de macht. Wie beschikt over de staat? Wie beheerst de media? Wie schrijft de wetten, verdeelt het geld, benoemt de bestuurders en geeft uiteindelijk het bevel?
Daaruit volgt een verleidelijk eenvoudig verhaal. Een kleine groep verovert de macht, gebruikt de middelen die haar ten dienste staan en legt vervolgens haar wil op aan de rest. De samenleving verandert omdat de machthebbers besluiten dat zij veranderen moet.
Zo eenvoudig wordt het verteld. Zo gemakkelijk wordt het geloofd. En zo onvolledig is het.
Want een bevel dat niemand uitvoert, is geen macht. Een wet die geen ambtenaar uitwerkt, geen rechter toepast en geen politieagent handhaaft, is niet meer dan bedrukt papier. Een ideaal dat niemand begrijpt, niemand uitdraagt en niemand in zijn handelen opneemt, verandert geen samenleving.
Niet de macht brengt als eerste de duurzame verandering voort. De verandering in wat mensen voor waar, juist en nastrevenswaardig houden, brengt de duurzame macht voort.
Duurzame politieke veranderingen ontstaan niet doordat enkele mensen op een ochtend besluiten de macht waarover zij beschikken te gebruiken om anderen hun wil op te leggen. Zij worden pas maatschappelijk werkzaam wanneer voldoende mensen – vooral mensen op centrale plaatsen – die veranderingen uitvoeren omdat zij ze als juist, noodzakelijk of vanzelfsprekend hebben leren beschouwen.
Een regering kan besluiten. Maar anderen moeten dat besluit formuleren, onderbouwen, uitleggen, administreren, uitvoeren en handhaven. De bestuurder beslist, de ambtenaar schrijft, de deskundige rechtvaardigt, de journalist duidt, de rechter bevestigt, de politie handhaaft en de burger aanvaardt – of leert ten minste dat verzet onredelijk, ongepast of zinloos is.
De meesten van hen staan daarbij niet iedere ochtend op met de keuze of zij vandaag eens iets goeds of iets kwaads zullen doen. Zij handelen in grote lijnen volgens wat zij hebben geleerd verantwoordelijk, rechtvaardig, normaal of onvermijdelijk te vinden.
Wie wil begrijpen hoe samenlevingen functioneren en veranderen, moet daarom dieper kijken dan naar de formele machthebbers. Hij moet onderzoeken hoe mensen hun werkelijkheidsbeelden, overtuigingen, normen en gedragingen verwerven. Dat proces noem ik het civilisatieproces.
1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren
Het woord civilisatie klinkt vriendelijk. Het roept beschaving op, zelfbeheersing, redelijkheid en zelfs vooruitgang. Maar wie het begrip zo gebruikt, maakt de analyse al normatief voordat zij begonnen is.
In deze theorie betekent civiliseren niet noodzakelijk: beter, menselijker of vreedzamer worden. Civiliseren is het proces waardoor mensen leren wat zij voor waar houden, wat zij waardevol vinden en welk gedrag zij van zichzelf en anderen verwachten.1
- wat volgens hen waar en onwaar is;
- wat zij goed, slecht, rechtvaardig of verwerpelijk vinden;
- welk gedrag in uiteenlopende omstandigheden normaal, toegestaan, verplicht of verboden is.
Dat proces kan verdraagzaamheid, samenwerking en respect voor persoonlijke vrijheid voortbrengen. Maar hetzelfde proces kan ook gehoorzaamheid, uitsluiting, vijanddenken en onderdrukking normaliseren. Ook wreedheid kan worden aangeleerd. Ook onderwerping kan worden gelegitimeerd. Ook geweld kan in wetten, rituelen, functies en plichten worden georganiseerd.
Een onderdrukkende orde is daarom niet per definitie ongeciviliseerd. Zij kan juist uiterst zorgvuldig zijn geciviliseerd: voorzien van taal, procedures, deskundigen, opleidingen, uniformen, formulieren en morele rechtvaardigingen. De bureaucratie heeft geen geweten nodig om doeltreffend te zijn; zij heeft vooral mensen nodig die hun taak als plicht beschouwen.
Het civilisatieproces is inhoudelijk blind. Het verklaart hoe ideeën maatschappelijk werkzaam worden; het beslist niet welke ideeën moreel juist zijn.
Juist daarom kan het een wetenschappelijk bruikbaar mechanisme zijn. Hetzelfde proces moet kunnen verklaren hoe ideeën die wij bewonderen én ideeën die wij verwerpen invloed verwerven. Het moet verklaren hoe mijn overtuigingen ontstaan en hoe de tegengestelde overtuigingen van mijn politieke tegenstander ontstaan. Wie voor zichzelf rationaliteit en feiten reserveert, maar de ander uitsluitend verklaart uit propaganda, domheid of slechtheid, bedrijft geen sociologie. Hij voert campagne.
2. De persoonlijke civilisatie
Ieder mens begint met een biologische basis en met persoonlijke eigenschappen: aanleg, temperament, intelligentie, gevoeligheden, lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Daarbovenop ontwikkelt hij gedurende zijn leven een persoonlijke civilisatie.
De persoonlijke civilisatie is het historisch gegroeide, grotendeels aangeleerde en slechts gedeeltelijk bewuste repertoire waarmee een individu de werkelijkheid interpreteert, gedrag beoordeelt en in sociale verhoudingen handelt.
Dat repertoire omvat drie grote gebieden:
Werkelijkheidsbeelden en (waarheids)overtuigingen
Mensen leren feiten, verklaringen en verhalen over hoe de wereld in elkaar zit. Maar zij leren méér. Zij leren ook welke bronnen betrouwbaar zijn, welke personen deskundig heten, welke instituties gezag hebben en welke vormen van bewijs overtuigend behoren te zijn.
Die overtuigingen kunnen juist zijn. Zij kunnen ook gedeeltelijk juist, achterhaald of aantoonbaar onjuist zijn. Voor het handelen is echter niet alleen van belang wat waar is, maar vooral wat iemand voor waar houdt.
Normen, waarden en idealen
Mensen leren wat zij waardevol en nastrevenswaardig behoren te vinden. Met die maatstaven beoordelen zij zichzelf en anderen. Zij keuren goed, veroordelen, bewonderen, schamen zich en verlangen naar een andere toestand. Daaruit ontstaan idealen over het eigen leven, over relaties en over de inrichting van de samenleving.
Genormaliseerd sociaal gedrag
Mensen leren ten slotte hoe zij zich in het dagelijkse verkeer behoren te gedragen: hoe men spreekt, groet, samenwerkt, gehoorzaamt, tegenspreekt, beloont, straft, rouwt en viert. Veel daarvan wordt zo vanzelfsprekend dat het niet langer als aangeleerd wordt ervaren. Het voelt niet als een keuze. Het voelt als normaal.
Schema 1. Het civilisatieproces – de factoren.
3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk
De persoonlijke civilisatie van ieder individu is uniek. Zij strekt zich uit over vrijwel onbeperkt veel onderwerpen en is gevormd door aanleg, opvoeding, onderwijs, beroep, vrienden, ervaringen, media, lezen, organisaties en toevallige ontmoetingen.
Maar uniek betekent niet stabiel en onveranderlijk. Iemands civilisatie is geen sluitend filosofisch stelsel, netjes opgeborgen in één lade. Zij bevat tegenstrijdigheden, half vergeten regels, botsende idealen en gewoonten die sterker kunnen zijn dan de overtuigingen waarmee iemand zich openlijk identificeert.
Bovendien komt niet in iedere situatie hetzelfde deel van dat repertoire naar voren. Dezelfde mens spreekt thuis anders dan op zijn werk, handelt onder vrienden anders dan tegenover een onbekende, en accepteert in een onderneming gezagsverhoudingen die hij binnen een vriendschap onverdraaglijk zou vinden.
Wanneer iemand zegt: “Maar hij deed daar dit en zei toen dat”, is daarmee dus nog weinig bewezen. De eerste vraag moet zijn: in welke sfeer handelde hij, tegenover wie, onder welke verwachtingen en binnen welke machtsverhouding?
Mensen hebben niet één vast programma. Verschillende sociale sferen activeren verschillende delen van hun persoonlijke civilisatie.
Dat is geen vrijbrief voor hypocrisie. Mensen kunnen natuurlijk liegen, manipuleren, zich opportunistisch aanpassen of bewust met twee maten meten. Maar niet iedere variatie in gedrag is bedrog. Wie zich tegen zijn baas anders gedraagt dan tegen zijn partner, hoeft nog niet van karakter te zijn gewisseld. Hij bevindt zich in een andere verhouding – en die verhouding roept ander gedrag op.
4. Sferen, kringen en politieke beginselen
Mensen leven niet in één ongedifferentieerde samenleving. Zij bewegen zich door verschillende sferen van handelen. Binnen die sferen vormen zij concrete kringen: een gezin, een vriendenkring, een vereniging, een bedrijf, een universiteit, een gemeente of een staat.
Een vriendenkring en een onderneming bestaan beide uit meerdere mensen, maar zij worden niet volgens dezelfde logica geordend. De vriend is geen werknemer zonder salaris. De werknemer is geen vriend met een functieomschrijving. Wie de ene sfeer met de normen van de andere bestuurt, veroorzaakt verwarring of overheersing.2
Van het individu naar steeds ruimere en meer georganiseerde verhoudingen komen verschillende politieke beginselen op de voorgrond.
Soevereiniteit
Bij het individu en zijn lichamelijke en geestelijke integriteit staat de vraag centraal: wie heeft uiteindelijk het hoogste beslissingsrecht over mijn leven, mijn lichaam en mijn overtuigingen? Daar verschijnt het beginsel van soevereiniteit.In het diepst van ons denken zijn wij zelfs onvoorwaardelijk soeverein. Niemand kan daar binnendringen; niemand kan onze gedachten rechtstreeks kennen zolang wij ze niet uiten. Men kan ons denken beïnvloeden, sturen of zelfs vervormen, maar men kan het niet rechtstreeks bezitten.
Vrijheid
Waar zelfstandige mensen elkaar ontmoeten, ontstaat de verlangen naar vrijheid: kan ieder handelen zonder een meester boven zich, zolang – uiteraard – hij de gelijke zelfstandigheid van vrijheid van de ander respecteert?
Broederschap
Waar mensen zich vrijwillig en duurzaam verbinden aan een gezamenlijk doel, is vrijheid alleen niet genoeg. Dan zijn vertrouwen, loyaliteit, wederkerigheid, zorgzaamheid en het opnemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid nodig. Daar verschijnt broederschap.
Gelijkheid
In de staat, die uiteindelijk bindende regels met dwang kan handhaven, wordt gelijkheid een onvermijdelijke politieke eis. Als allen aan dezelfde dwingende orde worden onderworpen, volgens welke gelijke maatstaven gebeurt dat dan? Of trek de bestuurlijke elite bepaalde groepen voor, geeft willekeurige privilege aan enkelen?
Deze beginselen vervangen elkaar niet. Zij stapelen zich op, botsen en moeten telkens opnieuw worden afgewogen. Politiek gaat daarom niet uitsluitend over ideeën, doelen, macht of beleid, maar over de inrichting van de verhoudingen waarin mensen samenleven en samenwerken en hoe daartoe besloten wordt.
Wanneer wij spreken over de civilisatie van een kring, bedoelen wij overigens niet dat een groep letterlijk één bewustzijn bezit. Een kring bestaat uit individuen wier persoonlijke civilisaties voldoende overlap vertonen om samenwerking en voorspelbaar gedrag mogelijk te maken en die gemeenschappelijk wordt ‘gedeeld´. Die overlap wordt vastgelegd in taal, gewoonten, regels, functies, verhalen en instituties. Daardoor kan een organisatie haar cultuur behouden, ook wanneer de oorspronkelijke leden allang verdwenen zijn.
Maar die overlap is nooit volledig. Mensen verschillen in wat zij voor waar houden, in wat zij waardevol vinden en in de ordeningsbeginselen waaraan zij voorrang geven. De een benadrukt soevereiniteit, de ander vrijheid, broederschap of gelijkheid. De een ziet in een maatregel bescherming, de ander overheersing. De een noemt iets rechtvaardig wat de ander juist als onrecht ervaart.
Dat verschil is geen storing buiten het civilisatieproces. Het is een onvermijdelijk gevolg ervan. En zodra zulke verschillen betrekking hebben op de inrichting van onze gezamenlijke verhoudingen, worden zij politiek
5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen
En geen strijd om de macht.
Mensen ervaren hun idealen en overtuigingen zelden als toevallige voorkeuren. Zij beschouwen ze als waar, goed en nastrevenswaardig. Daarom willen zij dat anderen die overtuigingen delen. Dat geldt voor onszelf. En precies daarom geldt het ook voor onze tegenstanders.
Toch sluipt in politieke discussies steeds dezelfde redenering binnen: mijn ideeën zijn nobel; wie ze afwijst, keert zich tegen het goede; wie zich tegen het goede keert, moet wel slecht zijn.
Op dat moment wordt de strijd tussen ideeën een strijd tussen vermeend goede en slechte mensen. De tegenstander hoeft niet langer te worden weerlegd. Hij moet worden ontmaskerd, buitengesloten, beschaamd of monddood gemaakt.
Dat is niet alleen intellectueel lui. Het is ook politiek onhandig. Wie werkelijk iets wil veranderen, moet niet in de eerste plaats bewijzen dat zijn tegenstander moreel verdorven is. Hij moet middelen ontwikkelen waardoor zijn eigen ideeën begrijpelijker, aannemelijker en uiteindelijk maatschappelijk leidend worden.
Wie alleen de slechtheid van zijn tegenstander verkondigt, bedrijft moreel theater. Wie zijn ideeën maatschappelijk leidend maakt, bedrijft politiek.
Dit betekent niet dat alle motieven zuiver zijn, alle middelen geoorloofd of alle gevolgen aanvaardbaar. Politiek gaat ergens over. Men mag — en moet — spreken over onjuiste feiten, onhoudbare aannames, schadelijke neveneffecten en desastreuze gevolgen. Men mag een idee vernietigend bekritiseren. Maar men wint die strijd niet door zichzelf tot messias te verklaren en de ander tot belichaming van het kwaad.
Een open samenleving organiseert de strijd tussen ideeën. Een totalitaire orde beëindigt die strijd door het ene kamp tot drager van de waarheid en het andere tot vijand van de menselijkheid, het volk of de geschiedenis te verklaren. Wanneer argumenten worden vervangen door morele uitsluiting, begint de totalitaire trom te roffelen.
Uiteraard gebruikt een leidende elite machtsmiddelen wanneer zij in staat is een totalitaire orde te vestigen. Zij kan kritiek onderdrukken, organisaties verbieden en afwijkend gedrag bestraffen. Maar juist doordat zij overtuiging door dwang vervangt, ondermijnt zij op den duur de overtuigingskracht van haar eigen ideeën. Macht kan een debat smoren; zij kan geen levende overtuiging afdwingen
6. Waarheid bestaat – maar zekerheid bewijst haar niet
Dat mensen hun geloof in waarheden via civilisatie verwerven, betekent niet dat de werkelijkheid door onze overtuigingen wordt gemaakt. Natuurwetten bestaan onafhankelijk van onze instemming. Gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zoals zij hebben plaatsgevonden, ook wanneer niemand ze juist heeft waargenomen of verwoord.
Stel dat een getuige verklaart dat om 17.38 uur een schot werd gelost. In werkelijkheid kan het 17.52 uur zijn geweest. Camerabeelden, geluidsregistraties of andere gegevens kunnen dat overtuigend aantonen. Toch kan de getuige oprecht blijven geloven dat het 17.38 uur was.
Zijn overtuiging is dan een psychologisch feit. Hij gelooft werkelijk wat hij zegt. Maar zijn zekerheid maakt zijn bewering nog niet waar. Strafpleiters kennen dit probleem maar al te goed: herinneringen worden gereconstrueerd, aangevuld, herhaald en soms juist door herhaling steviger – zonder daardoor betrouwbaarder te worden.3
De werkelijkheid bepaalt of een uitspraak waar is; het civilisatieproces verklaart grotendeels waarom iemand haar gelooft.
Daarom moet iedere waarheidsaanspraak openstaan voor onderzoek en mogelijke correctie. Karl Poppers falsificatiebeginsel geldt strikt genomen vooral voor algemene wetenschappelijke theorieën: een theorie zegt pas werkelijk iets wanneer denkbare feiten haar kunnen weerleggen. Maar dezelfde kritische houding geldt ook voor afzonderlijke feitelijke beweringen. Wat vandaag als overtuigend geldt, moet morgen kunnen wijken voor beter bewijs.4
De werkelijkheid verandert niet wanneer onze verklaring verandert. Onze voorstelling van de werkelijkheid verandert. Dat is geen zwakte van kennis, maar haar enige mogelijkheid tot verbetering.
7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt
Het civilisatieproces reikt mensen niet alleen overtuigingen aan. Het leert hun tegelijk waarom zij die overtuigingen betrouwbaar mogen achten:
- welke wetenschappers als deskundig gelden; en welke niet;
- welke media betrouwbaar heten; en welke als onbetrouwbaar worden verworpen;
- welke boeken gezag dragen; en welke men vooral niet hoeft te lezen;
- welke instituties geloof verdienen; en welke als propaganda-instanties worden beschouwd;
- welke argumenten serieus moeten worden genomen; en welke bij voorbaat als nep of misleiding worden afgedaan.
Zo kan een merkwaardige lus ontstaan. Een uitspraak geldt als waar omdat als betrouwbaar erkende autoriteiten haar bevestigen. Die autoriteiten gelden op hun beurt als betrouwbaar, omdat dezelfde civilisatie mensen heeft ‘geleerd’ hun gezag toe te kennen.
Dat bewijst niet dat die autoriteiten per definitie ongelijk hebben. Het laat alleen zien dat zowel de overtuiging als de maatstaf waarmee zij wordt beoordeeld, maatschappelijk gevormd kan zijn. Wat is aangeleerd, wordt niet langer ervaren als aangeleerd. Het wordt ervaren als de werkelijkheid zelf. Dat is de merkwaardige lus in het civilisatie proces.
Maar precies hetzelfde geldt voor de criticus van de heersende opvattingen. Ook hij heeft geleerd welke bronnen hij moet wantrouwen, welke alternatieve deskundigen hij geloofwaardig vindt en welke gebeurtenissen in zijn verhaal beslissend zijn.
Wanneer hij vertwijfeld vraagt: “Waarom zien de mensen de waarheid niet?”, moet hij daarom onmiddellijk de spiegelvraag stellen: “Waarom ben ik ervan overtuigd dat juist ik haar wel zie?”
Wie verklaart dat anderen zijn geïndoctrineerd, moet eerst onderzoeken waarom hijzelf denkt aan mogelijke indoctrinatie te zijn ontsnapt.
Dit is geen relativisme. Niet iedere bewering is even waar, niet ieder argument even sterk en niet iedere bron even betrouwbaar. Maar niemands innerlijke zekerheid bewijst haar eigen juistheid. Stelligheid toont slechts dat iemand stellig is.
Die spiegelvraag is niet alleen van wetenschappelijk belang. Ook een goede politicus moet haar stellen. Wie de samenleving wil veranderen, moet immers begrijpen waarom mensen bepaalde ideeën als waar, rechtvaardig en vanzelfsprekend ervaren. Maar hij kan dat alleen werkelijk begrijpen wanneer hij erkent dat ook zijn eigen overtuigingen gevormd zijn door opvoeding, ervaring, autoriteiten en maatschappelijke omgeving.
Wie zichzelf buiten dat proces plaatst, ziet in zijn eigen opvattingen slechts waarheid en in die van zijn tegenstander slechts dwaling, propaganda of kwaadwilligheid. Zo iemand kan veroordelen, maar niet verklaren; bestrijden, maar niet overtuigen. De spiegelvraag luidt daarom niet alleen: waarom geloven zij dit? Zij luidt ook: waarom geloof ik wat ik geloof — en waarom zou mijn waarheid voor hen overtuigend moeten zijn?
Wie niet begrijpt waarom zijn tegenstander overtuigd is, begrijpt ook niet wat nodig is om hem, jouw en zijn aanhangers te overtuigen.
8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme
Omdat niemand volledig buiten zijn eigen civilisatie kan gaan staan, is tegenspraak noodzakelijk. Niet als hoffelijk ritueel en niet alleen om de ander te overtuigen, maar om de mogelijkheid open te houden dat wijzelf dwalen.
Open discussie garandeert niet dat de waarheid, het beste of het wenselijke wint. Mensen kunnen koppig zijn, belangen verdedigen, feiten negeren of argumenten verkeerd wegen. Machtsverschillen kunnen het gesprek vervormen. Maar zonder tegenspraak ontbreekt het belangrijkste mechanisme waarmee door het civilisatieproces verankerde overtuigingen kunnen worden onderzocht, bestreden en gecorrigeerd.
Andere mensen, van welke politieke overtuigen ook, beschikken over andere ervaringen, informatie en gezichtspunten. Zij kunnen blinde vlekken aanwijzen die wij vanuit onze eigen positie niet zien. Daarom zijn vrije wetenschap, onafhankelijke journalistiek, politieke oppositie, vrijheid van meningsuiting en openbare argumentatie geen versieringen, geen luxe en geen gunst van de machthebber. Zij vormen het onderhoudsmechanisme van een open samenleving.
En wie ideeën over de inrichting van de samenleving wil behouden, veranderen of vervangen, kan om dit beginsel niet heen.
Een open samenleving onderscheidt zich niet doordat zij de waarheid definitief heeft gevonden. Zij onderscheidt zich doordat ook haar meest gezaghebbende waarheidsaanspraken kunnen worden betwijfeld, onderzocht en herzien.5
Wie een debat alleen binnengaat om zijn reeds bekende waarheid te verkondigen, voert geen onderzoekend gesprek. Hij houdt een zending. En wie de afwijkende spreker niet meer als mogelijke correctie maar als morele besmetting behandelt, heeft de open samenleving in beginsel al verlaten.
9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?
Critici van de bestaande orde wijzen graag op geld, propaganda, mediatoegang, manipulatie en onderlinge netwerken. Soms terecht. Maar zelfs wanneer al die beschuldigingen kloppen, blijft één ongemakkelijke vraag liggen: waarom zijn de ideeën van de tegenstander maatschappelijk leidend geworden en die van u niet?
Misschien hebben zij een samenhangende ideologie ontwikkeld. Misschien vonden zij woorden die mensen begrijpen, verhalen die zij onthouden en symbolen waarin zij zichzelf herkennen. Misschien bouwden zij kranten, scholen, universiteiten, partijen, verenigingen, fondsen en ontmoetingsplaatsen en zijn zij nu de eigenaren van. Misschien organiseerden zij hun ideeën, terwijl u vooral uw verontwaardiging organiseerde.
Wie de invloed van de tegenstander verklaart uit zijn toegang tot media, moet zelf toegang zoeken of eigen media bouwen. Wie klaagt dat de ander een verkeerde ideologie verspreidt, zal daar een betere ideologie tegenover moeten stellen. Wie constateert dat de ander bijeenkomsten organiseert waarin zijn overtuigingen worden bevestigd, zal eigen kringen moeten vormen waarin een alternatief wordt ontwikkeld en gedragen.
Vijanden aanwijzen is nog geen ideologie. Misstanden opsommen is nog geen programma. En zonder samenhangend alternatief valt er niets te winnen.
Veel critici weten precies waartegen zij zijn: tegen de elite, de bureaucratie, het kapitalisme, het socialisme, de Europese Unie, immigratie, klimaatbeleid, globalisering of juist nationalisme. Maar hoe moet de samenleving in 2050 functioneren? Welke instituties blijven? Welke verdwijnen? Wie beslist? Hoe worden conflicten vreedzaam beslecht? Hoe worden soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid tegen elkaar afgewogen? Welke meesters sturen we naar huis? Welke slaven maken we vrij?
Zolang daarop geen samenhangend antwoord bestaat, bezit een beweging onvrede maar geen toekomstbeeld; energie maar geen richting; aanhang maar geen orde.
De gele hesjes konden zichtbaar maken dat de bestaande orde voor velen onaanvaardbaar was. Maar een beweging waarvan de voornaamste gezamenlijke overtuiging luidt dat de heersende elite moet verdwijnen, kan geen nieuwe samenleving dragen.
Wie alleen weet wat er weg moet, kan een opstand beginnen. Wie weet wat ervoor in de plaats moet komen, kan een samenleving veranderen.
10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel
In de negentiende eeuw Abraham Kuyper begreep dit mechanisme uitzonderlijk goed. Men kan zijn religieuze en politieke overtuigingen verwerpen en toch erkennen dat hij een groot politicus was.
Hij beperkte zich niet tot de klacht dat de liberale elite zijn achterban miskende. Hij formuleerde een samenhangend beginsel, gaf het taal en ritme, bouwde er organisaties omheen en maakte het tot een maatschappelijke werkelijkheid.
Hij stichtte niet alleen een partij, maar ook een krant en een universiteit; hij verbond kerken, scholen, verenigingen en politieke vertegenwoordiging; hij schiep plaatsen waar zijn ideeën konden worden geleerd, herhaald, verdedigd en doorgegeven.6
Zijn rede over de soevereiniteit in eigen kring was daarom geen sierstuk naast zijn politiek. Zij was een instrument van die politiek. Zij gaf zijn achterban een ordenend begrip waarmee zij zichzelf, haar tegenstanders en haar plaats in de samenleving kon begrijpen.
Kuyper veranderde ideeën in taal, taal in organisaties, organisaties in instituties, instituties in gedrag en gedrag in politieke macht.
Daarom was hij meer dan een begaafd redenaar. Hij begreep dat een beginsel pas historische kracht krijgt wanneer het een woonplaats vindt: in hoofden, in kringen, in gebouwen, in procedures, in opleidingen en in dagelijkse handelingen.
Wie zijn tegenstander uitsluitend afbrandt, versterkt meestal slechts de eigen kring. Wie een alternatief wereldbeeld bouwt en de instellingen schept waarin dat wereldbeeld kan voortleven, verandert de civilisatie.
11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen
De marketeers Al Ries en Jack Trout maakten een nuchtere observatie: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door de objectief aantoonbare kwaliteit van een product, maar door de positie die het product inneemt in het brein van het publiek.7
De politieke analogie is onontkoombaar. Ideeën strijden niet in een lege, neutrale ruimte waarin de best bewezen waarheid automatisch wint. Zij strijden om een plaats in het denken van mensen.
Een beweging kan overtuigd zijn van de voortreffelijkheid van haar beginselen. Maar als niemand ze begrijpt, onthoudt of op zijn eigen leven kan betrekken, worden zij niet leidend. Feitelijke juistheid, morele kwaliteit en verstandige gevolgen zijn van groot belang – maar zij verspreiden zichzelf niet.
De waarheid heeft echter geen eigen marketingafdeling. Er is geen bank van de waarheid.
Een idee moet worden geformuleerd, uitgelegd, herhaald, verbeeld, georganiseerd en in maatschappelijke praktijken vertaald. Niet om waarheid door propaganda te vervangen, maar omdat ook een ware en waardevolle gedachte zonder overdracht maatschappelijk machteloos blijft.
Hier raken Norbert Elias, Karl Popper en de marketingtheorie elkaar zonder samen te vallen. Elias helpt begrijpen hoe normen en zelfsturing worden geïnternaliseerd. Popper herinnert eraan dat geen enkele overtuiging boven mogelijke weerlegging staat. Ries en Trout laten zien dat ideeën pas invloed krijgen wanneer zij een herkenbare plaats in het denken innemen.
Samen maken zij één punt zichtbaar: de maatschappelijke loop der dingen volgt niet eenvoudig de werkelijkheid zoals zij is, maar de werkelijkheid zoals mensen haar (vanaf de geboorte) hebben leren zien.
12. Macht is het resultaat van civilisatie
Een kleine groep kan door geweld, dreiging of controle over instituties gedrag afdwingen. Dat moet niet worden onderschat. Maar zelfs dwang moet worden uitgevoerd. Soldaten moeten bevelen gehoorzamen, ambtenaren regels toepassen, rechters sancties bevestigen en burgers de orde voldoende aanvaarden om haar uitvoerbaar te houden.
Dwang kan gehoorzaamheid produceren zonder overtuiging. Zij kan angst zaaien en verzet breken. Maar een duurzame maatschappelijke orde kan niet iedere handeling met het pistool op tafel afdwingen. Zij heeft mensen nodig die de orde rechtmatig, noodzakelijk, vanzelfsprekend of ten minste onvermijdelijk vinden.
Daarom ontstaat macht uit een kringloop:
overdracht → internalisering → situationeel gedrag → organisatie → institutionele macht → verdere overdracht
Wanneer voldoende mensen langs overeenkomstige lijnen zijn geciviliseerd, ontstaat gecoördineerd handelen. Uit dat handelen ontstaan organisaties en instituties. Die instituties gebruiken vervolgens onderwijs, media, wetten, rituelen en procedures om dezelfde civilisatie verder over te dragen.
De elite bevindt zich niet buiten dit proces. Ook haar leden handelen gewoonlijk volgens ideeën en normen die zij zelf als waardevol en gerechtvaardigd beschouwen. Zij verzinnen niet de ene dag iets slechts om de volgende dag ter afwisseling iets goeds te doen. Zij handelen, zoals anderen, binnen de lijnen van hun civilisatie.
Dat ontslaat niemand van verantwoordelijkheid. Goede bedoelingen maken slechte gevolgen niet onschadelijk. Wie tegenbewijs negeert, kritiek uitschakelt, onaanvaardbare middelen inzet of voorzienbare schade veroorzaakt, blijft verantwoordelijk en aansprakelijk. Maar wie macht uitsluitend verklaart uit de persoonlijke slechtheid van machthebbers, begrijpt niet hoe die macht maatschappelijk wordt gedragen en gereproduceerd.
Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden
Critici van de heersende orde eindigen dikwijls met dezelfde vertwijfelde vraag: waarom zien de mensen de waarheid niet over de slechtheid van die heersers?
Het antwoord luidt: omdat mensen handelen vanuit werkelijkheidsbeelden, normen en gedragingen die zij hebben verworven en die voor hen waar, juist en vanzelfsprekend zijn geworden.
Maar daarmee is de criticus niet klaar. Hij moet zichzelf dezelfde vraag stellen. Waarom is hij ervan overtuigd dat juist zijn werkelijkheidsbeeld waar is? Welke bronnen heeft hij leren vertrouwen? Welke ervaringen hebben zijn overtuigingen gevormd? Waarom zou hij buiten het civilisatieproces staan dat hij bij anderen aanwijst?
Niemand staat buiten het proces dat hij bij anderen probeert te verklaren.
Dat betekent niet dat waarheid niet bestaat. Het betekent niet dat alle ideeën gelijkwaardig zijn. Het betekent evenmin dat politieke strijd zinloos is. Integendeel. Juist omdat overtuigingen onjuist kunnen zijn, moeten feiten worden onderzocht, argumenten worden gewogen en gevolgen worden beoordeeld. Juist omdat mensen kunnen dwalen, moet de open discussie worden aangehangen.
Maar wie de samenleving werkelijk wil veranderen – waarom en met welk doel ook – moet meer doen dan zijn tegenstanders als slecht afschilderen. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen. Hij moet woorden vinden die mensen begrijpen, kringen bouwen waarin die woorden worden gedragen, en instituties scheppen waarin zijn beginselen tot gedrag worden.
- Niet alleen protesteren, maar verklaren.
- Niet alleen verklaren, maar overtuigen.
- Niet alleen overtuigen, maar organiseren.
- Niet alleen organiseren, maar civiliseren.
Een tegenstander een keer verslaan is nog geen overwinning.
Je wint pas werkelijk wanneer JOUW ideeën de samenleving gaan ordenen.
NOTEN
- De term civilisatieproces sluit aan bij Norbert Elias, die onderzocht hoe maatschappelijke afhankelijkheden, staatsvorming en veranderende omgangsnormen samenhangen met de internalisering van zelfbeheersing. In dit essay wordt het begrip ruimer gebruikt. Het omvat hier ook de overdracht van werkelijkheidsbeelden, waarheidsmaatstaven, normen, waarden en sfeergebonden gedrag. Zie Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation (1939). ↩︎
- De voorstelling van de samenleving als een veelheid van levenskringen sluit aan bij Abraham Kuypers rede Souvereiniteit in eigen kring uit 1880. Kuyper verdedigde daarin de zelfstandigheid van onder meer persoon, gezin, kerk, wetenschap en maatschappelijke verbanden tegenover een staat die alle gezag naar zich toe trekt. Het in dit essay gebruikte schema en de verbinding met soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid vormen een eigen uitwerking. ↩︎
- Dat een oprechte herinnering toch onjuist kan zijn, is uitvoerig aangetoond in onderzoek naar reconstructief geheugen. Klassiek is het experiment van Elizabeth Loftus en John Palmer, waarin de formulering van latere vragen invloed bleek te hebben op de herinnering aan een eerder waargenomen verkeersongeluk. Zie E.F. Loftus en J.C. Palmer, “Reconstruction of Automobile Destruction: An Example of the Interaction Between Language and Memory” (1974). ↩︎
- Voor het falsificatiebeginsel: Karl R. Popper, The Logic of Scientific Discovery (1959), de Engelstalige bewerking van zijn eerder verschenen Logik der Forschung. Popper stelde niet dat iedere afzonderlijke uitspraak met één eenvoudige proef definitief kan worden afgehandeld, maar dat wetenschappelijke theorieën in beginsel voortdurend blootgesteld moeten kunnen worden aan feiten die ermee in strijd zijn. ↩︎
- De gedachte dat een open samenleving instituties en kritische burgers nodig heeft waardoor machthebbers, theorieën en waarheidsaanspraken kunnen worden bekritiseerd, sluit aan bij Karl R. Popper, The Open Society and Its Enemies. Het werk verscheen oorspronkelijk in twee delen in 1945. ↩︎
- Over Kuypers combinatie van beginselvorming, journalistiek, partijorganisatie, kerkelijke organisatie, onderwijs en universiteitsstichting: zie naast zijn rede Souvereiniteit in eigen kring ook Jeroen Koch, Abraham Kuyper. Een biografie (Amsterdam: Boom, 2006). Koch beschrijft Kuyper als predikant, journalist, partijleider en stichter van de Vrije Universiteit en laat zien hoe hij rond zijn beginselen een uitgebreid maatschappelijk netwerk opbouwde. ↩︎
- Al Ries en Jack Trout ontwikkelden in de marketing het begrip positioning: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door eigenschappen van het product zelf, maar door de herkenbare positie die het product in het denken van het publiek inneemt. De toepassing daarvan op politieke ideeën in dit essay is een analogie van de auteur. Zie Al Ries en Jack Trout, Positioning: The Battle for Your Mind (1981). ↩︎
Beknopte literatuurlijst
De onderstaande werken vormden intellectuele vertrekpunten voor onderdelen van dit essay. De verbinding tussen civilisatie, persoonlijke overtuiging, sociale kringen, politieke strategie en maatschappelijke macht, evenals het bijbehorende schema, vormen een eigen synthese van de auteur.
Elias, Norbert. Über den Prozess der Zivilisation: Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen. Twee delen. Bazel: Verlag Haus zum Falken, 1939.
Kuyper, Abraham. Souvereiniteit in eigen kring: Rede ter inwijding van de Vrije Universiteit, den 20sten October 1880 gehouden in het koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam. Amsterdam: J.H. Kruyt, 1880.
La Boétie, Étienne de. De vrijwillige slavernij. Amsterdam: Uitgeverij Iris, 1997. Oorspronkelijke tekst: La Servitude volontaire, handschrift ca. 1553; eerste volledige Franstalige druk 1576.
Popper, Karl R. The Logic of Scientific Discovery. Londen: Hutchinson, 1959.
Popper, Karl R. The Open Society and Its Enemies. Twee delen. Londen: Routledge, 1945.
Ries, Al, en Jack Trout. Positioning: The Battle for Your Mind. New York: McGraw-Hill, 1981.

