De tennisclub is geen dekmantel voor een commandocentrum

Invloedrijke mensen kennen elkaar, delen opvattingen en helpen elkaar soms vooruit. Dat kan macht en gesloten elites opleveren, maar bewijst nog geen centraal geleid complot. Politieke ideeën hebben geen geheim hoofdkwartier nodig: zij krijgen macht via mensen, instituties en uiteindelijk de staat.

Mensen uit invloedrijke maatschappelijke kringen zoeken elkaar op, delen vaak vergelijkbare opvattingen en helpen elkaar soms aan informatie of posities. Dat kan leiden tot gesloten elites en reële machtsconcentratie. Maar daaruit volgt nog niet dat hun tennisclub, sociëteit of vrijmetselaarsloge een geheim commandocentrum is van waaruit de wereld wordt bestuurd. Voor zo’n wereldomspannende aansturing zou een omvangrijke, hiërarchische en vrijwel onmogelijk verborgen te houden organisatie nodig zijn. Bovendien is centrale regie helemaal niet noodzakelijk om een politieke ideologie machtig te maken. Gedeelde overtuigingen verspreiden zich via opleiding, cultuur, beroepsgroepen en instituties. Wanneer zij binnen de staat dominant worden, kunnen zij vervolgens wel met wetten, vervolging en geweld worden afgedwongen. Wie de macht wil bestrijden, moet daarom niet alleen zoeken naar verborgen netwerken, maar vooral begrijpen welke ideeën de bestaande machtsorde dragen.

Ergens op zaterdagmorgen verzamelen zich in de kantine van een plaatselijke tennisvereniging een rechter, een officier van justitie, een wethouder, twee ondernemers en een voormalig bankdirecteur. Zij kennen elkaar. Zij komen uit ongeveer hetzelfde maatschappelijke milieu, hebben deels dezelfde politieke opvattingen en praten ongetwijfeld weleens over hun werk. Misschien helpen zij elkaar aan informatie, bevelen zij iemand aan voor een bestuursfunctie of zijn zij het opvallend vaak met elkaar eens. O ja, baantjes voor familie of vriendjes kunnen daar onderling verdeeld worden.

Wie wantrouwig genoeg kijkt, kan hierin het begin van een machtspiramide herkennen. De tennisvereniging wordt dan een dekmantel. De kantine is in werkelijkheid een commandocentrale. Achter de bar bevindt zich vermoedelijk een verborgen deur naar een ondergrondse vergaderzaal. En de kantinebeheerder is niet langer iemand die koffie schenkt en de frituur schoonmaakt, maar een soort van usurpator die de politieke orde naar zijn hand zet.

Er ontbreekt alleen nog een geheim agent die hem op het nippertje weet uit te schakelen.

Het klinkt potsierlijk. Toch berust een aanzienlijk deel van het denken over geheime elites en hun genootschappen op ongeveer deze redenering.

De machtspiramide

Robin de Boer besprak onlangs (“De Machtspiramide: hoe een klein netwerk op 17 manieren de wereld aanstuurt“) het boek De Machtspiramide van Derrick Broze. Volgens de presentatie van dat boek oefent een klein netwerk van personen, families en instellingen systematisch controle uit over onder meer onderwijs, media, technologie, gezondheidszorg, voedsel en financiën. Het boek spreekt over instituties en organisaties waaruit samen één machtspiramide zou zijn opgebouwd en vraagt wie “achter de schermen de wereld bestuurt”? Een van de hoofdstukken is gewijd aan religie en geheime genootschappen.

In zulke analyses worden dikwijls werkelijke verschijnselen beschreven: vermogende families oefenen invloed uit. Banken hebben politieke macht. Inlichtingendiensten proberen media en technologiebedrijven te beïnvloeden. Bestuurders, ondernemers, rechters, ambtenaren en politici kennen elkaar. Zij ontmoeten elkaar in adviesorganen, sociëteiten, conferenties, denktanks, verenigingen en besloten gezelschappen.

Het zou naïef zijn te ontkennen dat zulke netwerken ertoe doen.

Maar er is een andere kant: mensen helpen bekenden. Zij vertrouwen personen die dezelfde taal spreken, dezelfde opleiding hebben gevolgd en uit een vergelijkbaar milieu komen. Zij bevelen elkaar aan, wisselen informatie uit en verschaffen elkaar toegang tot maatschappelijke posities. Maar daaruit volgt nog niet dat zij gezamenlijk deel uitmaken van één organisatie die de wereld volgens een centraal plan bestuurt.

Precies op dat punt gaat de redenering ontsporen.

Twee verschillende verschijnselen

Om de denkfout te begrijpen moeten twee verschijnselen uit elkaar worden gehouden.

Het eerste is dat mensen met een overeenkomstige sociale achtergrond en vergelijkbare denkbeelden elkaar opzoeken.

Het tweede is het bestaan van een doelgerichte organisatie die vanuit een leiding opdrachten geeft en activiteiten coördineert.

Die twee kunnen samengaan, maar zij zijn beslist niet hetzelfde.

Mensen zoeken van nature anderen op bij wie zij zich thuis voelen. Voetballiefhebbers treffen elkaar in een voetbalvereniging, ondernemers in ondernemersclubs, kunstenaars in culturele kringen en academici op universiteiten en congressen.

Ook leden van maatschappelijke elites doen dat. Rechters, hoge ambtenaren, artsen, officieren, ondernemers en politici hebben ook sociale contacten, hobby’s en levensbeschouwelijke interesses. Zij worden lid van een tennisclub, golfvereniging, serviceclub, kerk, sociëteit of vrijmetselaarsloge. Omdat zulke organisaties een bepaalde cultuur hebben, trekken zij bovendien geen willekeurige doorsnede van de bevolking aan.

Er vindt zelfselectie plaats.

Mensen die waarde hechten aan traditie, rituelen, besloten gesprekken en persoonlijke vorming zullen zich eerder tot een vrijmetselaarsloge aangetrokken voelen dan mensen die daarvan niets moeten hebben. Zij zullen waarschijnlijk ook bepaalde manieren van spreken, denken en omgaan met conflicten delen. Dat maakt de groep betrekkelijk homogeen. Maar homogeniteit is nog geen politieke opdracht en organisatie.

De vrijmetselarij als projectiescherm

De vrijmetselarij leent zich uitstekend voor dit soort speculaties.

Zij kent besloten bijeenkomsten, symbolen, rituelen, graden en onderlinge herkenning. Onder haar leden bevonden zich in de loop van de geschiedenis invloedrijke bestuurders, kunstenaars, officieren, ondernemers en politici. Dat levert vrijwel alle ingrediënten voor een James Bond-verhaal.

Wie de organisatie van buitenaf bekijkt, ziet immers gesloten deuren. En achter gesloten deuren moet volgens de complotverbeelding wel iets worden beraamd. Maar beslotenheid kan ook een veel eenvoudiger functie hebben.

Mensen willen soms vrijuit met elkaar kunnen spreken zonder dat iedere onhandige gedachte later op sociale media belandt, door een werkgever wordt beoordeeld of in een politieke discussie tegen hen wordt gebruikt. Vertrouwelijkheid kan bedoeld zijn om een vrije gespreksruimte te scheppen.

De officiële Nederlandse vrijmetselarij omschrijft zichzelf niet als politieke of ideologische beweging, maar als een vereniging waarin leden met behulp van symbolen en rituelen zoeken naar verdieping van inzicht en persoonlijke vorming. Een Nederlandse loge zegt uitdrukkelijk dat zij geen plaats is om zaken te doen of te netwerken. Dat zijn uiteraard eigen verklaringen en daarmee geen sluitend bewijs dat er nooit vriendjespolitiek voorkomt. Ze laten wel zien dat de openlijk geformuleerde functie van de loge iets anders is dan het organiseren van wereldheerschappij. Bovendien bestaat de vrijmetselarij niet als één mondiale organisatie met een centrale leiding.

Nederlandse loges hebben een aanzienlijke zelfstandigheid en functioneren juridisch als verenigingen. Zij zijn verbonden met een landelijke orde, maar ook die orde is niet ondergeschikt aan een wereldregering van vrijmetselaars. Internationaal bestaan verschillende soevereine grootloges die elkaar soms erkennen, maar niet samen onder één mondiaal opperbevel vallen. Alleen al binnen landen kunnen verschillende organisaties naast elkaar bestaan. Dat is geen onbelangrijk detail. Het raakt de kern van de beschuldiging.

Waar is het hoofdkwartier?

Wie beweert dat een kleine groep de wereld systematisch aanstuurt, beweert meer dan dat machtige mensen elkaar kennen. Het woord aansturen veronderstelt organisatie. Er moeten doelen worden vastgesteld. Besluiten moeten worden genomen. Opdrachten moeten worden gegeven. Geld, informatie en personeel moeten worden verdeeld. Conflicten moeten worden beslecht. De uitvoering moet worden gecontroleerd en ongehoorzame deelnemers moeten kunnen worden gecorrigeerd.

Dat vereist ten minste: een leiding, een besluitvormingsstructuur, communicatielijnen, administratieve ondersteuning, financiering, uitvoerende functionarissen en een manier om duizenden activiteiten over vele landen en instituties op elkaar af te stemmen.

Hoe groter het doel, des te omvangrijker de organisatie die daarvoor nodig is.

Een organisatie die werkelijk onderwijs, banken, media, technologiebedrijven, voedselproductie, gezondheidszorg, overheden en geheime diensten wereldwijd zou aansturen, kan niet bestaan uit zes heren die na een ritueel nog een glas drinken. Zo’n organisatie zou waarschijnlijk duizenden medewerkers nodig hebben. Zij zou begrotingen, archieven, beveiligde communicatiesystemen, beleidsafdelingen en logistieke structuren moeten bezitten. Er zouden voortdurend conflicten ontstaan over belangen, geld, bevoegdheden en strategie.

Mensen zouden vertrekken, documenten meenemen, ruzie krijgen, fouten maken en uit de school klappen. Zelfs werkelijke geheime diensten, met professionele beveiliging en wettelijke middelen, slagen er niet in hun activiteiten volledig geheim te houden. Een particuliere wereldregering die generaties lang vrijwel alle grote maatschappelijke instituties bestuurt, zou organisatorisch nog vele malen ingewikkelder zijn.

  • Waar bevindt zich dat hoofdkwartier?
  • Wie benoemt de leiding?
  • Hoe worden besluiten genomen?
  • Wie geeft de opdrachten aan rechters, ministers, bankiers en mediabedrijven?
  • Hoe worden conflicten tussen Amerikaanse, Chinese, Russische, Europese en Arabische bestuurders opgelost?
  • Welke sanctie treft een miljardair, regering of inlichtingendienst die weigert mee te werken?

Zonder antwoorden op zulke vragen is de machtspiramide geen aangetoonde organisatie. Zij is een tekening waarin allerlei personen en instituties met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Maar een netwerkdiagram is nog geen organogram.

De kantinebeheerder is onschuldig

Laten we terugkeren naar de tennisvereniging.

Stel dat de rechter, de officier van justitie, de wethouder en de ondernemers inderdaad ongeveer dezelfde maatschappelijke opvattingen hebben. Zij geloven in dezelfde vorm van bestuur, lezen dezelfde kranten en vinden vaak dezelfde personen redelijk en deskundig. Dat kan politiek belangrijk zijn.

Hun onderlinge contacten kunnen de toegang van buitenstaanders beperken. Zij kunnen elkaar posities toeschuiven en hun eigen opvattingen ten onrechte als neutraal of vanzelfsprekend behandelen. Een sociale elite kan zichzelf zo reproduceren. Dat verdient kritiek en onderzoek.

Maar de tennisvereniging heeft daarmee nog niet als doel de samenleving te beheersen. De vereniging organiseert tenniswedstrijden, onderhoudt de banen en zorgt dat er achter de bar voldoende bier staat.

De politieke invloed berust bij de leden en hun maatschappelijke posities, niet bij de tennisvereniging als organisatie.

Hetzelfde onderscheid moet bij een vrijmetselaarsloge worden gemaakt.

Een rechter kan vrijmetselaar zijn en politieke opvattingen hebben. Een bankier eveneens. Zij kunnen elkaar in de loge ontmoeten en sympathiek vinden. Misschien ontstaat daar vertrouwen dat later ook buiten de loge een rol speelt. Zeer waarschijnlijk spreken ze ook over de politieke toestand van de wereld. Maar daaruit volgt niet dat de loge hun vonnissen, bankbeleid of politieke optreden coördineert. De club waar invloedrijke mensen samenkomen, is niet vanzelf de organisatie die hun maatschappelijke handelen bestuurt.

Wie dat onderscheid niet maakt, kan uiteindelijk iedere ontmoetingsplaats van elites tot samenzwering verklaren: de golfclub, universiteit, kerk, Rotary, opera, studentenvereniging, buurtborrel of jachthaven. En dan wordt de kantinebeheerder inderdaad een staatsgevaarlijk figuur.

Er is geen centrale regie nodig

De tweede fout is misschien nog belangrijker.

Voor het verspreiden en handhaven van een politieke ideologie is helemaal geen geheim hoofdkwartier nodig.

Mensen kunnen vergelijkbaar handelen doordat zij vergelijkbare overtuigingen hebben. Zij hoeven daarvoor niet dagelijks instructies te ontvangen.

Rechters worden gevormd binnen een juridische traditie. Ambtenaren leren hoe behoorlijk bestuur eruitziet. Bankiers leren welke economische belangen beschermd moeten worden volgens hun aangeleerde opvattingen. Journalisten ontwikkelen gedeelde opvattingen over betrouwbare bronnen en maatschappelijk aanvaardbare standpunten. Politici bewegen binnen een taal van democratie, mensenrechten, veiligheid, groei of sociale rechtvaardigheid; los van hun feitelijke gedrag.

Binnen ieder van die instituties worden mensen geselecteerd en gevormd. Zij leren welke vragen serieus zijn, welke antwoorden verantwoord klinken en welke opvattingen buiten de grenzen van het betamelijke vallen. Mensen met sterk afwijkende ideeën vertrekken, worden niet benoemd of passen zich aan. Zo ontstaat gelijkgericht handelen zonder centrale bevelvoering. Dat is geen geheimzinnig proces. Het is de normale werking van cultuur, opleiding, groepsvorming en instituties.

Een ideologie regeert niet doordat ergens een opperideoloog achter een elektronisch wereldscherm zit. Zij regeert doordat duizenden mensen haar uitgangspunten als redelijk, moreel en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. De macht van een ideologie zit niet alleen in de hoofden van een kleine top. Zij zit in wetboeken, opleidingen, organisaties, beroepsregels, kranten, ceremonies, taal en dagelijkse gewoonten. Daarom kan zij zich over een samenleving verspreiden zonder één centrale organisatie. En daarom verdwijnt zij ook niet wanneer een loge wordt gesloten of een tennisclub wordt bestormd.

Wanneer ideologie staatsmacht wordt

Dat een ideologie geen geheim hoofdkwartier nodig heeft om zich te verspreiden, betekent niet dat zij altijd zonder centrale macht blijft. Wanneer een ideologie dominant wordt binnen bestuur, politiek, rechtspraak, onderwijs en ambtenarij, ontstaat daaruit een bestuurlijke elite die haar uitgangspunten niet langer alleen uitdraagt, maar ook institutioneel kan afdwingen.

De staat beschikt immers over middelen die een tennisvereniging, loge of sociëteit niet bezit. Hij kan wetten vaststellen, belastingen heffen, vergunningen weigeren, toezicht uitoefenen, eigendom ontnemen, mensen vervolgen, opsluiten en in het uiterste geval geweld gebruiken. Daarmee verandert een gedeeld wereldbeeld in een maatschappelijke machtsorde.

De leden van de bestuurlijke elite hoeven daarvoor nog steeds geen geheime opdrachten te ontvangen. Het is voldoende dat zij grotendeels dezelfde opvattingen hebben over wat redelijk, rechtmatig, gevaarlijk of ontoelaatbaar is. Vanuit die gedeelde overtuigingen ontwerpen zij regels, passen zij wetten toe en bepalen zij welke gedragingen bescherming verdienen en welke moeten worden bestreden.

De staat beschermt daarbij niet alleen de samenleving zoals die bestuurlijke elite haar begrijpt. Hij beschermt ook de instituties en personen die deze orde dragen. Aanvallen op hun positie kunnen worden voorgesteld als aanvallen op de rechtsstaat, de democratie, de openbare orde of het algemeen belang.

Zo kan ideologische dominantie uiteindelijk wel degelijk een machtspiramide voortbrengen. Maar die piramide is niet verborgen in een vrijmetselaarsloge of een kantine van een sportvereniging. Zij is zichtbaar aanwezig in regering, parlement, ministeries, rechtbanken, toezichthouders, politie en andere staatsorganen.

De fout van de ‘complotdenker’ is dus niet dat hij iedere concentratie van macht verzint. De fout is dat hij de oorsprong en werking ervan verkeerd lokaliseert. Hij zoekt de bevelslijnen in besloten clubs, terwijl de werkelijke centralisering plaatsvindt zodra een dominante ideologie zich met het geweldsmonopolie van de staat verbindt.

De verkeerde vijand

Dat is niet alleen een theoretische vergissing. Het is ook een strategische fout.

Wie meent dat de maatschappelijke orde wordt aangestuurd door een geheime piramide, gaat op zoek naar de top. Hij wil namen onthullen, bijeenkomsten verstoren en verborgen organisaties ontmantelen.

Maar wanneer de samenhang in werkelijkheid voortkomt uit gedeelde ideeën en maatschappelijke vorming, vecht hij tegen het verkeerde doelwit.

Hij bestrijdt de plaats waar mensen elkaar ontmoeten in plaats van de opvattingen die zij daar mee naartoe nemen.

Hij valt het netwerk aan, maar laat de ideologie intact.

Sterker nog: door een vereniging als vijandige samenzwering te behandelen kan hij haar leden juist dichter bij elkaar brengen. Vervolging bevestigt dan hun overtuiging dat de buitenwereld hen niet begrijpt en dat vertrouwelijkheid noodzakelijk is.

Wie een maatschappelijke orde werkelijk wil veranderen, moet daarom eerst begrijpen waardoor zij bijeen wordt gehouden. Niet iedere machtsconcentratie is een organisatie. Niet iedere sociale relatie is een bevelslijn. Niet iedere besloten bijeenkomst is een samenzwering. En niet iedere overeenkomst in gedrag bewijst centrale regie.

Geen Bond-schurk, maar een ideologische strijd

De wereld wordt wel degelijk beïnvloed door elites, grote vermogens, staten, bedrijven, beroepsgroepen en instituties. Hun macht kan onrechtvaardig zijn en hun denkbeelden kunnen schadelijke gevolgen hebben.

Maar wie hen wil bestrijden, moet hen eerst juist begrijpen.

De beslissende vraag is niet: In welk geheim gebouw vergaderen zij?

De beslissende vraag is: Welke ideeën zorgen ervoor dat deze mensen de bestaande orde redelijk, rechtmatig en noodzakelijk vinden?

Daar ligt het werkelijke politieke strijdveld. Een maatschappelijke ideologie hoeft geen verborgen hoofdkwartier te hebben. Zij nestelt zich in opleidingen, taal, rituelen en instituties. Zij wordt gedragen door mensen die meestal oprecht menen dat zij het juiste doen.

Wie een andere samenleving wil, zal daarom meer moeten leveren dan een lijst met verdachte namen en onderlinge verbindingen. Hij moet een overtuigender idee ontwikkelen over recht, macht, eigendom, vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Dat is aanzienlijk moeilijker dan een piramide tekenen. Maar het heeft één voordeel: je hoeft de tennisclub niet in brand te steken.

En James Bond kan thuisblijven.

Enkhuizen, 17 augustus 2026

© 2026 D.H. Ahles, The Netherlands

Het is een schone dag geweest – De staat, het onrecht en de vanzelfsprekendheid van macht

Dick H. Ahles

De staat is ook bron van kwaad,
hij rooft, hij liegt, hij slaat, hij haat.
Hij noemt zijn dwang bescherming, daad,
en maakt van onrecht wet en staat.

Niet elk kwaad begint bij hem,
maar hij geeft onrecht wet en stem.

Het is een rijmpje dat te scherp is om zomaar waar te zijn, maar te raak om achteloos weg te wuiven.

Natuurlijk begint niet elk kwaad bij de staat. Mensen doen elkaar ook zonder staat van alles aan. Zij liegen, bedriegen, roven, onderdrukken, manipuleren, exploiteren en doden, met of zonder ambtenaar in de buurt. Het kwaad heeft geen staatssecretariaat nodig om te bestaan.

Maar juist daarom is het rijmpje interessant. Het beweert niet dat de staat de enige bron van kwaad is. Het stelt een scherpere vraag: wat gebeurt er wanneer handelingen die wij tussen gewone mensen als onrecht zouden herkennen, door wet, bestuur, verkiezing en algemeen belang worden gelegitimeerd?

Waarom ervaren wij de staat, die objectief veel dwang, onrecht en geweld mogelijk maakt, toch meestal als goed, nuttig, nodig en onvermijdelijk?

Daar begint het eigenlijke probleem. Niet bij de vraag of de staat “goed” of “slecht” is, maar bij de vraag hoe onrecht van gedaante verandert zodra het wettelijk, bestuurlijk en moreel wordt ingekleed.

Wanneer een particulier geld afneemt zonder toestemming, noemen wij dat diefstal. Wanneer een particulier iemand dwingt zijn arbeid, bezit of lichaam beschikbaar te stellen, noemen wij dat dwang. Wanneer een particulier geweld gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen, noemen wij dat agressie en afpersing. Maar wanneer de staat vergelijkbare handelingen verricht, veranderen de woorden. Dan spreken wij over belasting, regelgeving, dienstplicht, toezicht, beleid, solidariteit, veiligheid en rechtsorde.

Daarmee is niet gezegd dat alle staatsoptreden even slecht is, of dat achter iedere ambtenaar een rover schuilgaat. Dat zou karikaturaal zijn. Maar het roept wel een fundamentele vraag op: wordt een handeling rechtmatig, ook met democratische besluitvormingsprocedures, doordat de staat haar verricht?

Het politieke middel

Franz Oppenheimer maakte in zijn boek De Staat (1906) een onderscheid dat nog altijd verhelderend is. Mensen kunnen op twee manieren aan middelen komen. Zij kunnen produceren, werken, ruilen, samenwerken. Dat noemde hij het economische middel. Maar zij kunnen zich ook toe-eigenen wat anderen hebben voortgebracht, door dwang, roof, belasting, overheersing of privilege. Dat noemde hij het politieke middel.

Die termen zijn misschien wat ongelukkig, omdat “politiek” en “economisch” tegenwoordig ook andere associaties oproepen. Men kan ook spreken van productieve verwerving tegenover extractieve verwerving. In het eerste geval verkrijg je iets door arbeid, ruil of vrijwillige samenwerking. In het tweede geval verkrijg je iets doordat je anderen dwingt af te staan wat zij hebben gemaakt of verworven.

Oppenheimers radicale gedachte was dat de staat historisch niet begint als rechtsorde, maar als organisatie van dat politieke middel. De staat ontstaat waar een heersende groep in staat is duurzaam een deel van de opbrengst van anderen naar zich toe te trekken. Vervolgens wordt roof schatting. Schatting wordt belasting. Bescherming wordt plicht. Staatsgeweld wordt recht.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, omdat zij ons verheven zelfbeeld van de staat aantast. Wij zijn gewend de staat te zien als beschermer tegen chaos, geweld en onrecht. Oppenheimer draait de blikrichting om. Hij vraagt niet eerst hoe de staat ons beschermt, maar hoe hij historisch, sociologisch aan zijn macht komt. Volgens Oppenheimer is dat achterliggende proces opvallend herkenbaar, door tijden en plaatsen heen.

Dat maakt zijn analyse waardevol. Niet omdat alles wat Oppenheimer schrijft overtuigt. Integendeel. Aan het eind van zijn boek wordt hij opvallend optimistisch. Hij verwacht dat de ontwikkeling van de constitutionele staat uiteindelijk zal leiden tot “vrijburgerschap”: een maatschappij waarin het politieke middel verdwijnt en bestuur nog slechts het algemeen belang dient.

Dat klinkt na de twintigste eeuw bijna pijnlijk naïef. Enkele jaren na zijn optimistische toekomstverwachting trok Europa de Eerste Wereldoorlog in. Moderne staten mobiliseerden miljoenen burgers, stuurden hen de loopgraven in, organiseerden censuur, propaganda, belasting, bewapening, industrie en massale gehoorzaamheid. De door hem voorspelde vreedzame constitutionele staat bleek niet het graf van het politieke middel, maar zijn modernste opstanding.

Toch maakt dat Oppenheimer niet waardeloos. Integendeel. Zijn analyse is sterker dan zijn hoop. Hij zag hoe macht zich organiseert. Hij zag hoe extractie institutioneel wordt. Hij zag hoe de staat niet alleen orde brengt, maar ook leeft van de middelen die hij aan anderen onttrekt.

Zijn fout was dat hij dacht dat het politieke middel historisch zou afsterven. Waarschijnlijker is dat het zich telkens opnieuw vermomt.

Van wet naar recht

De Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun trekt de lijn consequenter door. Zijn uitgangspunt is het fundamentele rechtsbeginsel: ieder mens is een soeverein rechtssubject. Ieder mens heeft het recht met het zijne te doen en te laten wat hij wil, en geen enkel mens heeft het recht over de middelen van een ander te beschikken zonder diens toestemming.

Dat klinkt eenvoudig. Maar de consequenties zijn vergaand.

Als geen mens zonder toestemming mag beschikken over het lichaam, de arbeid of de middelen van een ander, dan geldt dat ook voor mensen die zich organiseren als staat. De staat kan zich niet aan het recht onttrekken door zichzelf wetgever te noemen. Wet is niet automatisch recht.

Daar zit de scherpe kern:

Het probleem van de staat is niet dat hij soms verkeerde wetten maakt. Het probleem is dat hij de macht heeft toegeëigend om onrecht als wet te verklaren.

Die laatste stelling is voor veel mensen moeilijk te aanvaarden. Niet omdat zij het argument al weerlegd hebben, maar omdat het nauwelijks binnenkomt. Het schuurt te sterk tegen de wereld waarin zij zijn opgegroeid. De staat is er gewoon. Zoals de school er is, de dokter, de belastingdienst, de gemeente, de verzekering, de rechter, de politie, de wegen, de regels, de formulieren.

De vraag of men zich aan die orde wil onderwerpen, komt meestal niet eens op. Men leeft er al in.

Het is zo …

Ik moest daaraan denken bij het opnieuw zien van de documentaire Het is een schone dag geweest van Jos de Putter. De film volgt zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen, eenvoudige agrariërs, in het laatste jaar dat zij hun boerenbedrijf uitoefenen.

Het is een aangrijpende film, juist omdat zij nergens schreeuwt. Geen grote theorieën, geen ideologische aanklacht, geen sentimentele verheerlijking van het boerenleven. Je ziet mensen die leven in een wereld van werk, land, weer, dieren, lichaam, ritme en gewoonte.

Aan het eind zit de zoon met zijn vader aan de keukentafel. Een eenvoudige boerenkeuken. Geen armoede, maar basale soberheid. Een tafel, een TL-buis, een granieten gootsteen, een pomp. Een omgeving waarin “welstand” niet verschijnt als levensproject, maar als het feit dat men leeft, werkt, eet, slaapt en doorgaat.

De zoon vraagt wat voor zijn vader het meest opmerkelijke van het laatste jaar is geweest. De vader zwijgt. Je ziet hem denken: wat vraagt hij nu eigenlijk? Na een lange stilte zegt hij dat het de laatste tijd wel erg nat is geweest; “het heeft veel geregend”.

De zoon probeert het opnieuw. Hij bedoelt het persoonlijker. Hoe kijkt de vader terug op zijn eigen leven, op wat hij het afgelopen jaar gedaan heeft?

Weer stilte. Dan komt de reactie: “wat bedoel je? Het is zo!”. En daarna: hij vond het wel schoon. Hij deed het graag. “Altijd buiten, dat zegt ook wat.”

Dat moment is van een ontstellende helderheid.

Veel moderne intellectuelen, zeker sinds de jaren zestig, denken over het leven als iets dat men vormgeeft. Het leven is een project, een identiteit, een keuze, een expressie van autonomie. Men moet zichzelf ontplooien, zichzelf vinden, zichzelf bevrijden, zichzelf realiseren.

Maar grote groepen mensen leven niet in dat register. Zij ervaren hun bestaan niet primair als een filosofisch project van zelfbeschikking. Zij leven binnen gegeven verbanden: grond, werk, gezin, dorp, kerk, buurt, bedrijf, weer, gezondheid, pech, geluk, plicht. Hun leven is niet zonder betekenis, maar die betekenis hoeft niet voortdurend ge(her)formuleerd te worden.

Het is zo!

Die zin is niet dom. Hij kan zelfs wijs zijn. Maar hij toont ook iets fundamenteels: de meeste mensen leven niet in permanente reflectie op de vraag wie over hen mag beschikken. Zij leven in een wereld die als een gegeven verschijnt.

De vanzelfsprekendheid van macht

Daar ligt het aanknopingspunt voor ieder civilisatieproces.

Macht is het sterkst wanneer zij niet meer als keuze verschijnt, maar als vanzelfsprekende werkelijkheid.

Brute dwang is zichtbaar. Zij roept weerstand op. Wie met een knuppel binnenkomt en zegt “geef mij de helft van uw inkomen”, wordt herkend als rover. Maar wanneer dezelfde afdracht verloopt via loonstrook, aanslagbiljet, wetboek, verkiezing, begroting, publieke voorziening en morele taal, verschijnt zij anders. Dan wordt zij onderdeel van de orde.

Mensen zeggen niet: “ik onderwerp mij vrijwillig aan een systeem van fiscale extractie.” Zij zeggen: “belasting hoort erbij.”

Zij zeggen niet: “de staat beschikt over een deel van mijn arbeid.” Zij zeggen: “wij betalen samen voor de samenleving.”

Zij zeggen niet: “ik word bestuurd.” Zij zeggen: “zo werkt het nu eenmaal.” Het is zo!

Daarmee is het probleem niet opgelost. Het is juist verdiept. Want als mensen macht niet meer als macht ervaren, hoe kunnen zij haar dan nog beoordelen?

Hier ontstaat de merkwaardige lus. De staat presenteert zich als redder van chaos. Burgers leren chaos te vrezen boven staatsdwang. Kritiek op staatsdwang wordt vervolgens ervaren als verlangen naar chaos. En zo bevestigt de angst voor chaos opnieuw de legitimiteit van de staat.

Dat is geen gewone redenering meer, maar een geciviliseerde ervaringsstructuur. Toch betekent dit niet dat achter de staat steeds mensen schuilgaan die weten dat zij kwaad doen. Meestal is het tegendeel waar. Het kwaad komt zelden met een bordje “kwaad” binnen. Het komt als redding, herstel, veiligheid, rechtvaardigheid, vooruitgang of bescherming. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak middelen rechtvaardigen die hij bij zijn tegenstander onmiddellijk als onrecht zou herkennen. Wie zichzelf als booswicht ziet, overtuigt zelden anderen. Wie zichzelf als redder ziet, beschikt over een veel krachtiger taal.

Onze populaire cultuur helpt ons vaak niet om dit te begrijpen. In James Bond-films wil de slechterik de wereld overheersen en weet hij dat hij de slechterik is. Maar politieke macht werkt zelden zo eenvoudig. Zelfs de meest destructieve ideologieën presenteren zichzelf als goed, noodzakelijk en bevrijdend voor de groep namens wie zij spreken. Het probleem is daarom niet alleen kwade intentie. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak het onrecht civiliseren. De staat is zo overtuigend omdat hij zelden spreekt in de taal van macht, maar meestal in de taal van het goede.

Vrijwilligheid

Men kan natuurlijk zeggen: als iemand zich vrijwillig wil onderwerpen aan de regels van een staat, een kerk, een commune, een vereniging of een streng georganiseerde gemeenschap, dan is dat zijn goed recht. Wie uit vrije wil in een bepaalde orde wil leven, moet dat kunnen doen. Maar dan volgt onmiddellijk een grens: hij mag anderen niet dwingen hetzelfde te doen.

En uit vrije wil betekent in deze context ook: zonder gevolgen weer uit die orde kunnen stappen. Het onderdrukkende karakter van de staat begint daar waar men niet zonder gevolgen uit die orde van een staat kan stappen.

Het probleem is echter nog subtieler. Veel mensen onderwerpen zich niet bewust vrijwillig. Zij onderwerpen zich ook niet bewust onvrijwillig. De vraag van onderwerping of niet-onderwerping komt eenvoudigweg niet op.

Hun wereld is niet opgebouwd uit abstracte alternatieven. Zij ervaren zichzelf niet als soeverein rechtssubject dat op ieder moment principieel moet nadenken over toestemming, eigendom, beschikking en recht. Zij leven binnen een vanzelfsprekende ordening. Het is zo!

Zoals iemand geboren kan worden in een kaste en die het bestaan van die kaste kan ervaren als natuurlijk. Zoals iemand de dokter kan ervaren als ultieme autoriteit, niet als deskundige die ook bevraagd kan worden. Zoals iemand de staat kan ervaren als de instantie die er nu eenmaal is om orde, veiligheid en recht te waarborgen.

Daarom is Van Duns rechtsfilosofie zo moeilijk toegankelijk. Zijn centrale vraag — wie mag over wie beschikken? — is glashelder voor wie eenmaal in dat register denkt. Maar veel mensen leven niet in dat register. Zij begrijpen de probleemstelling nauwelijks, omdat de mogelijkheid van niet-onderwerping niet in hun ervaringswereld verschijnt.

Dat maakt hen niet minderwaardig. Het maakt hen menselijk. Zij hebben werk, zorgen, kinderen, gezondheid, schulden, verplichtingen, vreugde, verdriet. Zij willen niet iedere dag de grondslagen van het recht onderzoeken. Zij willen leven.

Maar juist daarom kunnen wereldhervormers, ideologen en bestuurders op die inertie parasiteren. Zij hoeven de bevolking niet voortdurend met argumenten te overtuigen. Zij hoeven veranderingen slechts te vertalen in woorden die passen bij de bestaande orde: bescherming, vooruitgang, zorg, veiligheid, rechtvaardigheid, noodzaak, afwenden van gevaar, algemeen belang. Daarom gaan burgers slaapwandelend oorlogen in. Het is nu eenmaal zo.

En dan laat men het over zich heen komen.

Zoals regen.

De arrogantie van de wereldverbeteraar

Daarom is Het is een schone dag geweest zo’n waardevolle film. Niet omdat hij een politieke stelling verkondigt, maar omdat hij ons herinnert aan het bestaan van mensen die niet leven in de verbeelding van de permanente zelfontwerper.

Wie arrogant voor iedereen de wereld denkt te kunnen verbeteren, zou eerst naar zulke mensen moeten kijken. Niet om hen te romantiseren, maar om zich te realiseren dat maatschappelijke hervormingen zelden neerdalen op burgers die in abstracties denken en over doorwrochte wereldbeelden beschikken. Zij dalen neer op mensen die gewoon hun leven leven.

De wereldverbeteraar denkt in systemen.
De gewone mens leeft in voor hen natuurlijke verbanden.

De wereldverbeteraar denkt in toekomst.
De gewone mens leeft in dag, seizoen, werk, lichaam en weer.

De wereldverbeteraar denkt: hoe maken wij de mens vrij?
De gewone mens denkt: het is wel erg nat geweest.

Wie dat belachelijk vindt, heeft niets begrepen.

Juist daar ligt de tragiek van politiek. Grote plannen worden ontworpen door mensen die in abstracties denken, en ondergaan door mensen die in werkelijkheid leven. Zij worden niet altijd met geweld onderworpen. Vaak worden zij langzaam meegenomen in een nieuwe vanzelfsprekendheid.

Terug naar het rijmpje

Daarom is het rijmpje bruikbaar, mits het niet als eindpunt wordt genomen.

De staat is ook bron van kwaad. Niet omdat elk kwaad altijd en alleen bij de staat begint, maar omdat de staat iets kan wat gewone mensen niet kunnen: hij kan onrecht de vorm geven van wet, bestuur, procedure en algemeen belang.

Dat is nog niet genoeg. Want de diepere vraag is waarom mensen dat onrecht meestal niet als onrecht ervaren.

Het antwoord ligt niet alleen in angst, propaganda of domheid. Het ligt in civilisatie: in het langzaam vormen van overtuigingen, gewoonten, woorden, instituties, opvattingen wat waar is, en gevoelens waardoor macht als normaal verschijnt.

De staat is niet alleen een apparaat van dwang. Hij is ook een producent van vanzelfsprekendheid.

En precies daarom is hij zo sterk.