Wie zijn tegenstander niet begrijpt, versterkt hem

Wie politieke tegenstanders alleen verklaart uit domheid, corruptie, propaganda of manipulatie, begrijpt vaak niet waarom zij hun eigen handelen redelijk en juist vinden. Dat is niet alleen analytisch zwak, maar kan ook strategisch contraproductief zijn: je bevestigt de ander juist in zijn bestaande beeld van jou.

Wie iets in de wereld wil veranderen, moet anderen zien te overtuigen. Dat klinkt zo vanzelfsprekend dat het nauwelijks de moeite waard lijkt om het op te schrijven. Toch gaat het juist daar in politieke communicatie voortdurend mis.

Je constateert iets wat volgens jou niet deugt. Je onderzoekt het, verzamelt feiten en argumenten en publiceert je bevindingen. Je laat zien waar politici, journalisten, wetenschappers of instituties verkeerde keuzes maken, belangrijke informatie verzwijgen of een onjuist beeld van de werkelijkheid geven. De gedachte ligt voor de hand: als mijn feiten kloppen en mijn argumenten deugen, zullen anderen uiteindelijk toch moeten inzien dat ik gelijk heb.

Maar zo eenvoudig werkt overtuigen in de praktijk niet.

Een artikel kan uitstekend functioneren voor mensen die de schrijver al grotendeels gelijk geven en tegelijkertijd vrijwel onbruikbaar zijn voor mensen wier opvattingen hij werkelijk zou willen veranderen. Sterker nog: dezelfde tekst die medestanders bevestigt, kan tegenstanders juist sterken in hun bestaande overtuigingen. Niet omdat zij te dom zijn om het argument te begrijpen, maar omdat de manier waarop het wordt aangeboden naadloos kan aansluiten bij wat zij toch al over de schrijver en zijn omgeving dachten.

Een interessant voorbeeld daarvan is The Art of Journalistic Calumny van Julian Macfarlane. De teneur van zijn artikel is vanaf de eerste regels duidelijk. Wat wij in het Westen journalistiek noemen, brengt hij in verband met laster. Hij bespreekt voorbeelden van berichtgeving over onder anderen Vladimir Poetin en Xi Jinping die hij als verdraaid of onwaar beschouwt. Bij videomaker Simon Whistler gaat hij verder: hij suggereert dat diens schrijvers mogelijk worden aangestuurd door MI6 of de CIA, schrijft Whistler sterke financiële motieven toe en beledigt hem persoonlijk. Ook het werk van academicus Luke Kemp verklaart hij onder meer vanuit carrièreprikkels, academische modewoorden en vermeend gebrek aan inhoudelijke kennis.

Of Macfarlane met zijn kritiek geheel, gedeeltelijk of helemaal niet gelijk heeft, interesseert mij hier nu even niet. Dat kan per bewering vast worden onderzocht. Veel interessanter is wat hij doet met de mensen die hij bekritiseert en wat dat betekent wanneer hij niet alleen medestanders wil bevestigen, maar ook anderen werkelijk wil overtuigen.

Waarom zou de ander zich hierin herkennen?

Macfarlane verklaart het gedrag van zijn tegenstanders voor een belangrijk deel vanuit factoren buiten hun eigen overtuigingen: geld, carrière, propaganda, institutionele beïnvloeding, oppervlakkigheid en mogelijk zelfs betrokkenheid van inlichtingendiensten. Allemaal motivatie ingegeven door de intrinsieke slechtheid van die tegenstanders.

Maar stel nu eens dat een van de journalisten of programmamakers over wie hij schrijft zijn artikel leest. Herkennen zij zichzelf daarin? Zouden ze zich betrapt voelen over aan hun toegeschreven kwaadaardig gedrag? Waarschijnlijk niet.

Die journalist staat ’s morgens vermoedelijk niet op met het idee: vandaag ga ik weer eens wat propaganda verspreiden. Even kijken of ze al betaald hebben dan zal ik natuurlijk vandaag wel even een lovend artikel moeten schrijven. Hij denkt waarschijnlijk dat hij zijn werk doet, bronnen beoordeelt, relevante gebeurtenissen selecteert, betrouwbare deskundigen raadpleegt en daarover zo goed mogelijk verslag uitbrengt. Misschien doet hij dat voortreffelijk, misschien maakt hij ernstige fouten en misschien zit hij gevangen in vooronderstellingen waarvan hij zich nauwelijks bewust is. Maar voor hemzelf zal doorgaans zijn handelen volkomen redelijk en professioneel zijn.

Dat verschil is belangrijk. Want wanneer je iemand wilt overtuigen, moet je niet alleen weten waarom jij denkt dat hij ongelijk heeft. Je moet ook begrijpen waarom hij denkt dat hij gelijk heeft.

Daar gaat politieke polemiek opvallend vaak mis.

Ons eigen gedrag verklaren wij doorgaans vanuit overtuigingen. Wij hebben onderzoek gedaan, argumenten afgewogen, bronnen beoordeeld en handelen vanuit waarden die wij belangrijk vinden. Wanneer de ander tot heel andere conclusies komt, kiezen we gemakkelijk een ander verklaringsmodel. Hij is beïnvloed, geïndoctrineerd, bang voor zijn positie, afhankelijk van geld of onderdeel van een systeem dat hem stuurt.

Dat kan allemaal voorkomen. Mensen liegen, belangen bestaan, macht beïnvloedt gedrag en instituties kunnen conformiteit belonen. Het probleem ontstaat wanneer zo’n verklaring het onderzoek vervangt. Dan hoeven we niet meer te vragen waarom die ander bepaalde bronnen vertrouwt, welke normen hij hanteert of welke feiten voor hem doorslaggevend zijn. Het antwoord staat immers al vast: hij is gemanipuleerd.

Daarmee hebben we misschien ons eigen wereldbeeld bevestigd, maar onze tegenstander nog nauwelijks begrepen. Laat staan dat hij zich in dat beeld zal herkennen.

Houd de spiegel er eens naast

Het wordt interessanter wanneer we dezelfde verklaringen een keer omdraaien.

  • Je verwijt een journalist dat hij steeds dezelfde bronnen gebruikt omdat die binnen zijn eigen wereldbeeld passen. Maar welke bronnen gebruik jij zelf steeds opnieuw?
  • Je verwijt hem dat hij deskundigen vertrouwt die behoren tot instituties waarmee hij zich verwant voelt. Maar hoe selecteer jij de deskundigen die in jouw artikelen aan het woord komen?
  • Je verwijt hem dat hij feiten accepteert wanneer zij zijn bestaande overtuigingen bevestigen en kritischer wordt zodra zij daarmee botsen. Hoe zeker weet je dat jij dat zelf niet doet?
  • Je vindt dat zijn publiek in een informatiebubbel leeft. Welke informatie bereikt jouw eigen publiek nog die werkelijk strijdig is met wat het al gelooft?
  • Je denkt dat hij vanuit zijn maatschappelijke omgeving nauwelijks meer kan zien hoe gekleurd zijn beeld van de werkelijkheid is. Waarom zou jij daar automatisch immuun voor zijn?

Die vragen bewijzen niet dat beide partijen evenveel (on)gelijk hebben. Dat zou een goedkope vorm van relativisme zijn. De ene bron kan aantoonbaar betrouwbaarder zijn dan de andere en de ene bewering kan waar zijn terwijl de andere onwaar is. De spiegel heeft een andere functie. Hij dwingt je onderscheid te maken tussen bewijs dat de ander ongelijk heeft en een verklaring waarom hij ongelijk heeft. Voor dat laatste is veel meer nodig dan vaststellen dat hij andere conclusies trekt dan jij.

Bovendien kun je er strategisch maar beter rekening mee houden dat je tegenstander diezelfde spiegel ook op jou richt. Wanneer jij schrijft dat hij onderdeel is van een propagandasysteem, is de kans groot dat hij jouw publicaties ondubbelzinnig als propaganda beschouwt. Wanneer jij zijn bronnen afdoet als gekocht of afhankelijk, zal hij zoeken naar de belangen en macht achter jouw bronnen. Wanneer jij hem verwijt zich in een echokamer te bevinden, zal hij jouw informatieomgeving onderzoeken op precies hetzelfde verschijnsel.

Wie anderen langs een scherpe maatstaf legt, moet er dus rekening mee houden dat die maatstaf terugkomt. Dat is niet alleen een kwestie van intellectuele eerlijkheid. Het is strategisch verstandig.

De boodschap kan dan precies het tegenovergestelde bereiken

Stel nu dat Macfarlane iemand wil bereiken die reguliere media over het algemeen redelijk betrouwbaar vindt. Niet iemand die alles gelooft wat in een krant staat, maar een burger die ervan uitgaat dat professionele redacties meestal hun bronnen controleren, fouten proberen te voorkomen en in het algemeen betrouwbaarder zijn dan willekeurige informatie die op internet circuleert. Die lezer krijgt vervolgens een tekst voorgeschoteld waarin journalisten en makers in verband worden gebracht met propaganda, financiële motieven, carrièrebelangen en mogelijk zelfs geheime diensten.

Wat gebeurt er dan?

  • Het is mogelijk dat hij denkt: daar wordt iets onthuld wat ik nog niet wist; ik moet mijn oordeel herzien.
  • Maar een heel andere reactie is minstens zo voorstelbaar: Zie je wel. Dit is precies het soort verhaal waarom ik die alternatieve media niet vertrouw.

Dan heeft de aanval een merkwaardig resultaat. Het artikel dat zijn vertrouwen in de gevestigde journalistiek moest verminderen, heeft zijn bestaande oordeel juist bevestigd. Niet alleen over die journalistiek, maar ook over de mensen die haar bestrijden. Je hebt je tegenstander daarmee nieuw materiaal gegeven waarmee hij zijn bestaande beeld van jou kan legitimeren.

En dat mechanisme werkt naar beide kanten.

Wanneer reguliere media critici voortdurend neerzetten als complotdenkers, extremisten of slachtoffers van desinformatie, zullen mensen die zich daarin totaal niet herkennen waarschijnlijk evenmin denken: wat een overtuigende analyse van mijn denken. Zij zullen eerder concluderen dat die media hen niet begrijpen en daarmee opnieuw bevestigd worden in hun wantrouwen.

Beide partijen kunnen elkaar zo voortdurend bewijzen leveren dat hun reeds bestaande beeld van de ander klopt. Iedere aanval maakt de loopgraaf iets dieper.

Kritiek hoeft helemaal niet achterwege te blijven

Daaruit volgt niet dat kritiek moet worden afgezwakt. Het gaat ook niet om beleefdheid, goede manieren of de wens iedereen aardig te vinden. Een journalistieke fout blijft een journalistieke fout en wanneer iemand aantoonbaar liegt, mag dat worden vastgesteld. Maar wel bewijzen en niet alleen suggereren.

Het gaat om een andere vraag: hoe formuleer je kritiek wanneer je wilt dat degene op wie zij betrekking heeft haar ook werkelijk onderzoekt?

De aangevallen journalist zal zichzelf vermoedelijk best wel herkennen in de journalistieke waarden als onafhankelijkheid, hoor en wederhoor, broncontrole, kritische distantie en waarheidsvinding dan in het woord propagandist. Dáár bevinden zich dus mogelijke aanknopingspunten.

Wanneer een journalist aantoonbaar een persbericht vrijwel kritiekloos heeft overgenomen, kun je laten zien waar kritische vragen ontbraken. Wanneer wederhoor ontbreekt, kun je hem confronteren met zijn eigen journalistieke norm. Wanneer vergelijkbare feiten bij politieke vrienden en tegenstanders verschillend worden behandeld, kun je die inconsistentie zichtbaar maken. Wanneer bronnen worden gebruikt waarvan de betrouwbaarheid twijfelachtig is, kun je precies dáárover het gesprek voeren.

De kritiek mag daarbij messcherp zijn. Maar formuleer haar zo zakelijk en feitelijk mogelijk, zonder onnodig dedain, verdachtmakingen of het bestraffende vingertje.

Het verschil is wezenlijk. Je zegt niet: jij bent een slechte journalist en daarom doe je dit. Je zegt: dit zijn normen waarvan ik begrijp dat jij ze zelf ook belangrijk vindt, en volgens mij botst wat hier is gebeurd is.

Daarmee hoeft de aangesprokene niet eerst zijn integriteit, zijn beroep, zijn medium en zijn hele maatschappelijke omgeving te verdedigen voordat hij überhaupt naar jouw feitelijke bezwaar kan kijken.

En opnieuw werkt de spiegel.

Wie zelf van andere media verlangt dat zij hun bronnen transparant maken, wederhoor toepassen en fouten corrigeren, kan beter zorgen dat zijn eigen publicaties dezelfde toets doorstaan. Wie klaagt over suggestieve formuleringen bij de tegenpartij, verzwakt zijn positie wanneer hij zelf voortdurend suggereert zonder bewijs. En wie anderen verwijt dat zij personen aanvallen in plaats van argumenten, kan dat zelf beter niet doen.

Niet omdat je anders hypocriet bent maar omdat je tegenstander dat natuurlijk zal ontdekken en gebruiken. Je levert hem dan zelf de eenvoudigste manier om niet meer over je inhoudelijke kritiek te hoeven praten.

Voor wie schrijf je eigenlijk je artikel?

Daarmee komen we bij een vraag die vóór veel politieke publicaties gesteld zou mogen worden; MOET worden: Voor wie schrijf ik dit eigenlijk? Voor wie schrijft Macfarlane zijn blog?

Er zijn grofweg drie verschillende doelgroepen. Soms schrijf je voor mensen die het grotendeels al met je eens zijn. Dan kan een scherpe polemiek heel effectief zijn: zij bevestigt een gedeeld wereldbeeld, houdt een groep bijeen, mobiliseert en motiveert.

Soms schrijf je voor mensen die nauwelijks een uitgesproken standpunt hebben. Daar wil je misschien vooral nieuwsgierigheid oproepen: hé, zo had ik dit nog niet bekeken; daar wil ik meer van weten.

En soms richt je je werkelijk op mensen die zeker jouw uitgangspunten zouden willen bestrijden. Dan wordt de opdracht het moeilijkst. Je zult moeten begrijpen waarom zij hun eigen opvattingen zo vanzelfsprekend redelijk vinden, welke bronnen zij vertrouwen en welke waarden zij proberen te promoten. Pas daarna kun je zoeken naar feiten of consequenties die binnen hún manier van kijken aanleiding geven tot twijfel.

Die verschillende doelen vragen allemaal om andere teksten, argumentatie en insteek. Het onderscheid dat in de eerdere versie al werd gemaakt tussen aanhang, minder betrokken burgers en tegenstanders is daarom nuttig.

Het succes van jouw publicatie kun je vervolgens ook niet alleen aflezen aan likes, shares, instemmende reacties of nieuwe abonnees. Die kunnen vooral laten zien hoe goed je mensen bereikt die het gisteren al met je eens waren. Dat is nuttig wanneer mobiliseren je doel was, maar een slechte maatstaf wanneer je dacht anderen te hebben overtuigd.

Gelijk hebben is nog geen strategie

Daarom is bij het artikel van Macfarlane uiteindelijk niet alleen interessant of zijn beschuldigingen juist zijn. Stel desnoods dat een groot deel ervan klopt. Dan blijft er nog steeds een andere vraag over: wat doet die waarheid met degene die haar nog niet gelooft? Of nog ingrijpender: degene die je daarop aanspreekt.

Een feit verandert geen opvatting alleen omdat het een feit is. Een onthulling overtuigt niet automatisch omdat zij waar is. Een terechte beschuldiging verandert degene die je beschuldigt niet vanzelf. Mensen moeten nieuwe informatie eerst serieus willen beoordelen, vervolgens begrijpen en uiteindelijk zwaar genoeg laten wegen om bestaande overtuigingen te herzien.

Daarom kun je volkomen gelijk hebben en toch een buitengewoon slechte strategie volgen. Sterke overtuiging kan dat probleem zelfs groter maken. Hoe zekerder je weet dat jouw analyse klopt, des te vanzelfsprekender kan het lijken dat je haar alleen maar duidelijker, feller en vaker hoeft te verkondigen. Wanneer de ander vervolgens nog steeds niet overtuigd raakt, ligt een nieuwe verklaring klaar: hij wil de waarheid blijkbaar niet zien.

Maar daarmee is de cirkel weer rond. Zijn weerstand wordt opnieuw bewijs van zijn onredelijkheid, terwijl nauwelijks meer wordt onderzocht waarom jouw argument hem kennelijk niet bereikt.

Een nuttiger vraag is: Waarom zou iemand met andere opvattingen, na het lezen van mijn verhaal één stap in mijn richting zetten?

Wanneer het antwoord daarop alleen luidt omdat ik gelijk heb, heb je misschien voor je zelf een sterke overtuiging. Maar geen strategie. Wie zijn tegenstander werkelijk wil overtuigen, zal hem daarom eerst zo goed mogelijk moeten begrijpen. Niet zoals hij volgens jou zou moeten denken. Niet zoals jouw vrienden denken dat hij denkt. En ook niet uitsluitend vanuit de verklaring die het prettigst in jouw eigen wereldbeeld past.

Probeer te achterhalen hoe de wereld er vanuit zijn positie uitziet, welke waarden hij denkt te verdedigen, welke feiten hij belangrijk vindt en waarom jouw argumenten hem tot dusver niet overtuigen. En houdt ondertussen de spiegel binnen handbereik. Want vrijwel iedere beschuldiging die je over de loopgraaf gooit, kan worden teruggegooid. Pas wanneer je ook daar een serieus antwoord op hebt, kan je met effect mogelijk een werkelijk interessante discussie beginnen.

De breuk in het narratief: Israël, Gaza en het falen van de westerse civilisatiecode

Een recent artikel op MEMO – Middle East Monitor, draagt een opvallende titel: Israel is kaput – defeated with its PR hopelessly ruined. Of deze analyse op alle punten klopt, laat ik hier in het midden — wensdenken als analyse is altijd een risico. Toch is de observatie belangrijk: niet de militaire uitkomst, maar het symbolische gezag van Israël – en daarmee dat van zijn bondgenoten – lijkt in rap tempo te verdampen.

Civilisatie en het narratief van de elite

Binnen mijn theorie van civilisatie — het proces waarbij elites hun ideologische kader via cultuur, media en instituties opdringen (of: civiliseren) aan een bredere bevolking — is zo’n narratiefbreuk cruciaal. Revolutie, ook vreedzaam en ideologisch, ontstaat niet door demonstraties of moties alleen, maar altijd wanneer de elite haar eigen verhaal verliest. En dat lijkt hier te gebeuren.

Het kantelpunt was niet de vlaggen uit de ramen van jongeren in Amsterdam-West, maar het moment waarop de kranten van de elite – hun eigen clubbladen – de verschrikkingen in Gaza niet langer konden negeren. Toen NRC, de Volkskrant en zelfs de NOS beelden, verhalen en kritiek begonnen te publiceren die haaks stonden op het vertrouwde narratief (“Israël verdedigt zich tegen terreur!”), was dat een signaal dat de eenheid binnen de civilisatiecode begon te barsten.

Geen complot, maar gedeelde ideologie

Veel mensen denken nog steeds dat de elite de media ‘controleert’. Dat is een misvatting. In werkelijkheid delen elite en media doorgaans dezelfde civilisatie: dezelfde normen, waarden en morele reflexen. Daarom lijkt het alsof de media ‘meedoen’ aan een strategie — maar in feite maken zij deel uit van het ideologische zelfbewustzijn van de heersende elite.

Juist daarom is het zo betekenisvol als er in die kring zelf barsten ontstaan. Gaza is zo’n breekpunt. Oekraïne is dat (nog) niet — daar is het gekozen narratief nog intact. Maar zodra de media die door elites worden geloofd, iets anders gaan vertellen dan het officiële verhaal, valt het gezag van dat narratief weg. En gezag is – in geciviliseerde samenlevingen – de echte bron van macht.

De marxistische onderlaag

Een interessante complicerende factor is dat veel invloedrijke journalisten afkomstig zijn uit de culturele traditie van links, marxisme of sociaal-progressief denken — tegenwoordig de dominante ideologie op de universiteiten en hogescholen waar de aankomende elite wordt gevormd. Vooral bij opleidingen als journalistiek en politicologie is dit gedachtegoed prominent aanwezig.

Deze traditie ziet zichzelf, in de beste romantische zin, als hoeder van de onderdrukten. Binnen die morele logica is Israël – als technologisch geavanceerde militaire macht – de onderdrukker geworden, en Gaza de onderdrukte. Daarmee keert het morele kompas zich tegen de klassieke pro-Israël-lijn.

Wat we hier zien, is dus niet zomaar medialogica of sentiment, maar een botsing binnen de heersende civilisatie zelf. In de VS zal dit kunnen leiden tot een explosieve ideologische strijd (burgeroorlog?), zeker omdat daar ook het religieuze narratief meespeelt: pro-Israëlische evangelicals versus progressieve universalisten. Mogelijk effect: de aandacht voor Oekraïne of zelfs China verschuift naar de achtergrond.

En wat komt daarna?

Het meest zorgwekkende is misschien dit: we lijken op een kruispunt van ideologieën te staan, maar een coherente nieuwe richting ontbreekt. En dat terwijl de wereld zich razendsnel ontwikkelt. De bio-cybernetische revolutie – waaronder de komst van AI – maakt de burger steeds minder afhankelijk van de elite. Die elite had haar machtspositie immers altijd te danken aan de monopolisering van informatie én een voorsprong in cognitieve vermogens. Maar dat verschil vervlakt snel. De burger wordt soevereiner dan ooit.

Het klassieke, romantisch-marxistische wereldbeeld is bezig zijn greep te verliezen. Maar wat komt ervoor in de plaats?

  • China is te autoritair om voor westerlingen aantrekkelijk te zijn.
  • Rusland is conservatief en mist universele aantrekkingskracht.
  • Een nieuwe progressieve ideologie – gebaseerd op vrijheid, kennis, vooruitgang en burgerlijke autonomie – is nog niet geformuleerd.

Zolang deze leegte niet wordt opgevuld, zal de burgerbevolking terugvallen op oude reflexen. In Europa betekent dat voorlopig: steun voor Israël in grote lage van de bevolking, zeker zolang islamitische immigratie als culturele bedreiging wordt ervaren. Politiek blijft het dus nog wel even een ideologisch rommeltje.


Slotgedachte

Als civilisatie de werkelijke motor is achter maatschappelijke orde, dan is ideologische desintegratie het begin van de crisis. Niet de tanks, niet de verkiezingen, maar het verlies van geloofwaardig gezag maakt het verschil. En dat begint — zoals zo vaak — in de collegebanken en bij de media van de elite.

Oplages van kranten groeien in Azië nog steeds

Wat lezen we op Dutchcowboys: “Wereldwijd groeien de oplages van kranten nog“.

Het lijkt een vreemde mededeling in het Internet Tijdperk, maar als je je realiseert dat die groei bijna geheel wordt veroorzaakt door groei in de Azië ook weer goed te begrijpen:

Kranten zijn een typisch middenklasse product voor gezinnen die zijn gesetteld: huisje, boompje, beestje. En dat een groep die juist wat in veel Aziatische landen nu snel aan het ontstaan is. Verder zal overal waar de krant een plek krijgt in het dagelijkse routine van dat middenklasse gezin zal het een gewenst en uiterst sterk product blijken te zijn. Voor de grote on-line doorbraak in Nederland werd de neergang van de oplages voornamelijk veroorzaakt door het feit dat we het tijdperk van de jeugd hebben verlengd van 20 naar ruim 30 jaar; dan pas komt “huisje, boompje, beestje” en prompt nam men dan ook een kranten abonnement.
Verder zal men een krant nemen en willen behouden als de inhoud aansluit bij de lezers (differentiëren) en de prijs goed is. Wat hebben we in Nederland sinds de 80-tiger jaren gedaan: (1) onder druk van de bedrijfseconomie (aanschaf van nieuwe dure persen) is er tot fusies en tot minder differentiatie overgegaan, en (2) terwijl de IT juist flexibel edities had moeten kunnen creëren is de krantenwereld opgescheept geworden met de meest beroerde en kostbare ICT die men kan bedenken die niet ten dienste stond van het creëren van een slimme product/marktcombinatie; (3) is de redactie arrogant met de rug naar haar lezers gaan staan, en(4) hebben de RadenvBestuur en directie gedacht dat in de krantenwereld de wetten van de prijselasticiteit niet bestaan en dus de prijzen van advertenties (even dodelijk voor de oplages; advertenties moeten voor de lezers waardevolle aanvulling zijn op de inhoud) en die van de abonnementen excessief verhoogd.
Ik weet dan ook zeker dat een deel van het succes van de oplagegroei in Azië wordt veroorzaakt door (nog)markt conforme prijzen.
De niet te ontkennen neergang van de kranten business in de westerse wereld is uiteraard voor een deel het gevolg van het internettijdperk (andere gewoontes in gezinnen), maar voor een groot deel toch gewoon veroorzaakt door de directies en redacties zelf.

Nieuws: van elkaar overschrijven?

Grote Spectrum Encyclopedie (1973-1979)

Toen ik bij Het Spectrum in 1976 kwam zaten we nog in de PAROOL-TOREN aan de Wibautstraat te Amsterdam. Op, ik dacht de 11de etage, zat de redactie rond een soort van kantoorplein, welke De Brink werd genoemd. Op die brink stonden alle belangrijke encyclopedieën van de Wereld. Ik realiseerde mij dat, hoe vernieuwend de Grote Spectrum Encyclopedieook was, hoe gedreven de redactie, hoe fantastisch het beeld materiaal, hoe slim de verwijzingen structuur, uiteindelijk schrijven encyclopedie redacteuren hun artikelen in basis gewoon over uit andere encyclopedieën. Met alle gevolgen van dien, want toen halverwege het project we een nieuwe Hoofd Documentatie in ons midden kregen, de heer Leo Hirs, kon hij genadeloos laten zien hoe we fouten in de encyclopedie konden herleiden naar fouten in de andere (anders-talige) encyclopedieën waaruit we de gegevens hadden overgeschreven. Het was in ieder geval de startschot tot een toentertijd uniek project bij Spectrum Naslagwerken, om tenminste alle geboorte- en overlijdens-gegevens aan de burgelijke stand van over de hele wereld zelf te checken.

Spectrum Compact 

Dat project is overleden met de snelle neergang van de gedrukte encyclopedieén maar als u toch overschrijft doe dat dan wat betreft geboortedata e.d. uit de Spectrum Compact Encyclopedie: dat zijn het beste gecheckte uit ons taalgebied. Inclusief de juiste geboortedatum van Prins Bernard.

Lees verder “Nieuws: van elkaar overschrijven?”

De maatschappelijke functie van bloggen

Middeleeuwse Gilden

Een van de effecten van de PC/Internet-revolutie is dat de kosten voor het produceren én distribueren/publiceren van media-uitingen duizelingwekkend omlaag is gegaan. Het gevolg is dat iedereen zijn eigen producten kan maken en wereldwijd kan publiceren. Daarmee wordt de traditionele rol van uitgevers, producenten, televisiezenders, journalisten, auteurs, fotografen, drukkers op z’n minst anders, en soms zelfs gemarginaliseerd. Het internet heeft nog een ander effect namelijk dat de productie van werken, tot voor kort voorbehouden aan speciaal opgeleide creatieve auteurs (fotografen, schrijvers, journalisten, filmmakers, enz) zo is geëxplodeerd dat die auteurs in de prijsvorming niet meer kunnen profiteren van schaarste en dus de economische voordelen van te behoren tot een excellente groep van experts. De macht van de gezel en de meesters verenigd in besloten gildes is definitief voorbij!

Lees verder “De maatschappelijke functie van bloggen”