Als kunstmatige intelligentie ineens Super Intelligence wordt

Donald Trump wil Artificial Intelligence liever Super Intelligence noemen. Leo Hohmann leest daarin vervolgens een bijna bovenmenselijke macht. Beiden kijken daarmee misschien langs AI heen. Dit artikel pleit voor een eenvoudiger benadering: kijk naar wat AI feitelijk kan, wie die mogelijkheden gebruikt en welke nieuwe handelingsmogelijkheden daardoor ontstaan.

Donald Trump heeft besloten dat Artificial Intelligence voortaan beter Super Intelligence kan heten. Tijdens zijn rede voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties legde hij uit waarom. Het woord artificial zou intelligentie volgens hem “fake” laten klinken, terwijl AI juist verbazingwekkend echt en belangrijk is. Daarom kondigde hij aan dat Amerikaanse overheidsdocumenten voortaan van Superintelligence, kortweg SI, zouden spreken. Vervolgens koppelde hij dat aan een geopolitieke wedstrijd: wie AI — of voortaan SI — wint, “wins”. De Verenigde Staten moeten daarin voor China blijven en de ontwikkeling vooral niet verstikken.

Daar gaat taalkundig al iets merkwaardigs mis.

Artificial betekent bij kunstmatige intelligentie niet vals, nep of onecht. Het zegt iets over de oorsprong ervan: deze vorm van intelligent gedrag wordt kunstmatig voortgebracht. Kunstlicht is ook geen namaaklicht en een kunsthart pompt geen nep-bloed omdat het niet in een baarmoeder is gegroeid.

Door artificial te vervangen door super verandert Trump bovendien ongemerkt van categorie. Artificial zegt iets over de wijze waarop iets tot stand komt; super zegt iets over de veronderstelde kwaliteit of omvang ervan. In de bestaande AI-terminologie heeft superintelligence bovendien al een specifieke betekenis: het verwijst doorgaans naar hypothetische systemen waarvan de cognitieve vermogens die van mensen zeer breed zouden overtreffen. Dat is iets anders dan de verzamelnaam voor de huidige AI-technologie. Ook deskundigen die hierover door de BBC werden geraadpleegd wezen erop dat Trumps nieuwe naam daarom waarschijnlijk niet vanzelf in de vakwereld zal worden overgenomen.

Maar toen ik vervolgens de reactie van de Amerikaanse schrijver Leo Hohmann las, werd het pas echt interessant.

Hohmann is bepaald geen bewonderaar van Trump. In zijn artikel “WARNING: Did Trump just tip his hand as to who he considers to be his god?” vat hij Trumps uitspraken over AI samen en vraagt vervolgens wat Trump eigenlijk bedoelt met het “winnen” van de AI-race. Gaat het om economische macht? Militaire superioriteit? Wereldwijde politieke dominantie? Trump preciseert dat inderdaad niet. Hohmann redeneert vervolgens verder: als Amerika AI wint, zou het die technologische voorsprong volgens hem kunnen gebruiken om andere landen te onderwerpen. Hij plaatst de uitspraak daarmee in zijn veel bredere kritiek op Amerikaanse militaire en economische macht.

Tot zover kun je zijn vragen onderzoeken. Wat bedoelt een politicus precies wanneer hij zegt dat een land AI moet “winnen”? Welke technologie moet dan gewonnen worden, tegen wie, en wanneer is de overwinning bereikt? Dat zijn redelijke vragen bij een nogal ruime politieke metafoor. Maar vervolgens gebeurt bij Hohmann iets dat minstens zo interessant is als bij Trump.

Uit Trumps keuze voor het woord super concludeert hij dat Trump AI blijkbaar ziet als een intelligentie die niet meer werkelijk kunstmatig en door mensen gemaakt is, maar als iets hogers en superieurs. Vervolgens schrijft hij dat Trump AI “god-like powers” zou toekennen en misschien verwacht dat die technologie hem bijna bovennatuurlijke macht over zijn tegenstanders zal verschaffen. Aan het einde wordt die interpretatie opgenomen in Hohmanns religieuze wereldbeeld: AI komt terecht tussen “false christs”, “false messiahs” en de verwachting van de wederkomst van Christus.

En dan zien we twee vrijwel tegengestelde interpretaties die op één punt verrassend veel op elkaar lijken. Trump zegt ongeveer: Artificial klinkt als nep. Deze intelligentie is echt en geweldig. Laten we haar daarom Super Intelligence noemen. Hohmann hoort vervolgens: Als Trump haar super noemt, beschouwt hij haar kennelijk als een superieure, bijna goddelijke intelligentie die hem macht over de wereld kan geven.

Beiden behandelen AI daarmee alsof intelligentie één eigenschap is waarvan een systeem simpelweg weinig, veel of heel veel kan bezitten. Maar misschien is juist dát een verkeerde bril.

Welke intelligentie?

Een taalmodel kan in enkele seconden een tekst analyseren waarvoor een mens uren nodig zou hebben en vijf minuten later een ongelooflijke fout maken in een eenvoudige feitelijke redenering. Een AI-schaakprogramma kan blijkbaar nu iedere menselijke grootmeester verslaan maar begrijpt niets van het feit dat de winnaar na afloop misschien naar huis moet om zijn kinderen van school te halen. Dat is niet noodzakelijk een paradox. Het wordt pas een paradox wanneer wij intelligentie behandelen als één algemene ‘substantie’.

AI bestaat uit systemen met bepaalde vermogens onder bepaalde omstandigheden. Sommige daarvan overtreffen menselijke prestaties spectaculair. Andere niet. En dezelfde systemen kunnen indrukwekkend presteren én ernstige fouten maken.

Daarom zegt een fout van een AI-systeem op zichzelf even weinig over “de intelligentie van AI” als een neergestort vliegtuig bewijst dat vliegtuigen niet sneller kunnen reizen dan mensen.

Hohmann voert bijvoorbeeld recente militaire incidenten aan om te laten zien dat AI helemaal niet zo “super” is. Daarbij verwijst hij onder meer naar berichtgeving over een foutief AI-gegenereerd inlichtingenrapport dat tot een riskante militaire situatie zou hebben bijgedragen. Of zo’n incident ernstig is, staat los van de veel algemenere vraag of AI “superieur” is. Het relevante probleem is daar veel concreter: welk systeem werd waarvoor gebruikt, hoe betrouwbaar was het, welke menselijke controle bestond er en welke verificatieprocedures faalden? Hohmann gebruikt zulke incidenten echter als argument tegen het veel vagere idee van een superieure intelligentie.

Daarmee doet hij vreemd genoeg precies wat hij Trump verwijt: een ingewikkelde verzameling technologieën terugbrengen tot één groot begrip. Trump maakt van AI SI. Hohmann maakt van SI vervolgens bijna een bovennatuurlijke actor.

AI zonder metafysica

Misschien is dat uiteindelijk de eenvoudigste conclusie uit de redeneringen van beide heren. Trump maakt van kunstmatige intelligentie iets wat vooral super zou zijn. Hij presenteerde AI in zijn VN-rede zelfs als Superintelligence en koppelde daar de gedachte aan dat wie AI of SI “wint”, ook de strategische wedloop wint. Hohmann leest daarin vervolgens bijna het tegenovergestelde gevaar: een bovenmenselijke, mogelijk goddelijke macht die door politieke leiders kan worden ingezet om anderen te overheersen.

Beiden maken AI daarmee groter en geheimzinniger dan aan de orde is. De een verheft haar, de ander demoniseert haar. Maar misschien moeten we juist een hele andere kant opkijken.

Niet vragen of AI echt intelligent is, of superieur, of bijna goddelijke vermogens bezit. En ook niet of zij als een zelfstandig wezen uiteindelijk goed of kwaad zal blijken te zijn. Laten we veel eenvoudiger kijken naar wat er werkelijk voor ons staat: technische systemen met bepaalde vermogens en beperkingen, die onder bepaalde omstandigheden bepaald gedrag vertonen en door mensen voor bepaalde, zeer verschillende, doelen worden gebruikt.

Dan worden ook de vragen beter. Wat kan zo’n systeem werkelijk? Waarin presteert het beter dan mensen en waarin niet? Welke fouten maakt het? Hoe betrouwbaar is het bij deze toepassing? Wie gebruikt het, voor welk doel, met welke controle en met welke gevolgen? Daarover kun je onderzoek doen, argumenteren en van mening verschillen zonder eerst te moeten besluiten wat AI in wezen is.

Daar hoort ook een andere kant van de huidige ontwikkeling bij die in veel sombere verhalen gemakkelijk uit beeld raakt. AI is een opvallende technologische revolutie, en technologische revoluties hebben vaker vermogens die aanvankelijk schaars, duur of voorbehouden aan specialisten waren binnen het bereik van veel grotere groepen mensen gebracht. De drukpers gaf veel meer mensen toegang tot teksten, de auto gaf gewone burgers een mobiliteit die vroeger ondenkbaar was en het internet maakte informatievoorziening en publicatie mogelijk zonder dat daar nog noodzakelijk een uitgever, omroep of bibliotheek tussen hoefde te staan.

AI doet iets vergelijkbaars. Een individuele burger kan inmiddels teksten vertalen en analyseren, software schrijven, gegevens ordenen, beelden maken, ingewikkelde onderwerpen laten uitleggen en werkzaamheden uitvoeren waarvoor vroeger gespecialiseerde kennis, veel tijd of betaalde hulp nodig was. Dat betekent niet dat iedereen daardoor plotseling deskundig wordt, evenmin als de auto van iedere bestuurder een automonteur maakte. Maar het vergroot wel zijn handelingsmogelijkheden.

En juist daarom is het verloop van deze technologische revolutie niet volledig het product van wat Trump, Hohmann, OpenAI, een regering of wie dan ook ervan vindt. Zij kunnen haar ontwikkeling bevorderen, afremmen, reguleren, verbieden, subsidiëren of proberen een bepaald verhaal erover ingang te doen vinden. Maar zodra een nieuwe technologie bruikbare vermogens in handen legt van miljoenen mensen, gaan die mensen er zelf iets mee doen. Nieuwe toepassingen ontstaan, oude beroepen veranderen, organisaties passen zich aan, onverwachte mogelijkheden worden ontdekt en sommige machtsverhoudingen verschuiven.

Dat proces kent geen centrale regisseur.

Misschien versterkt AI uiteindelijk bepaalde bestaande machtsconcentraties. Grote bedrijven en staten beschikken immers over middelen, infrastructuur en gegevens waar een individu niet over beschikt. Maar het omgekeerde kan tegelijkertijd gebeuren. Een kleine ondernemer kan werkzaamheden uitvoeren waarvoor vroeger een afdeling nodig was. Een burger kan informatie analyseren waarvoor hij eerder afhankelijk was van een deskundige. Een schrijver kan publiceren zonder redactie, een programmeur kan dingen bouwen waarvoor voorheen een team nodig was, en nieuwe bedrijven kunnen ontstaan omdat de toetredingsdrempel tot bepaalde kennis en vaardigheden daalt.

Misschien zal AI ons dus niet alleen afhankelijker maken van haar machtige eigenaren, zoals in veel verhalen wordt verondersteld. Zij kan mensen op onderdelen ook minder afhankelijk maken van instituties die kennis, deskundigheid en productiecapaciteit tot dusver juist monopoliseerden. Welke van die bewegingen uiteindelijk zwaarder zal wegen, kunnen we nu nog niet weten.

En Trump noch Hohmann kan dat eenvoudig voor ons beslissen. Trump kan AI Superintelligence noemen en verklaren dat Amerika de wedstrijd moet winnen. Hohmann kan daarin de aankondiging van een gevaarlijke nieuwe macht herkennen. Maar miljoenen mensen, bedrijven en organisaties zullen ondertussen de technologie gebruiken voor doelen die geen van beiden heeft bedacht. Daaruit zullen weer nieuwe toepassingen, belangen, problemen en mogelijkheden ontstaan.

Niet omdat AI een eigen historische wil bezit, maar omdat technologische verandering eenmaal in de samenleving doorwerkt via het handelen van ontelbare mensen. Geen van hen beheerst afzonderlijk de uiteindelijke uitkomst.

Dat is misschien veel interessanter dan de vraag of AI goddelijk, kwaadaardig of super is. Weg dus van de metafysica. Kijk naar wat de systemen feitelijk kunnen, wie die mogelijkheden gebruikt en welke nieuwe handelingsmogelijkheden daardoor ontstaan.

Misschien krijgen we dan niet alleen AI beter in de kijker, maar ook de revolutie die zich ondertussen gewoon voltrekt.

Als er echte mensen zijn

Tot voor kort was ‘iemand’ vanzelfsprekend een mens. Nu spreken we ineens over ‘echte mensen’. Een klein taalkundig detail dat veel zegt over de maatschappelijke gevolgen van AI.

In de nieuwsbrief van AI Report stond onlangs een opmerkelijke kop:

‘Echte mensen lezen je ChatGPT-gesprekken mee.’

De bedoeling is duidelijk. Niet alleen computersystemen verwerken soms wat wij aan ChatGPT vertellen; in bepaalde gevallen kunnen ook menselijke beoordelaars gesprekken onder ogen krijgen.

Maar mijn oog bleef hangen bij twee woorden: echte mensen.

Vroeger zouden we waarschijnlijk hebben geschreven:

‘Iemand heeft je bericht gelezen.’

En daarmee was alles gezegd.

Iemand was een mens. Dat hoefde niet nader te worden toegelicht.

Nu kennelijk wel. Want als er gesproken moet worden over echte mensen, ontstaat er taalkundig bijna vanzelf ook een andere categorie: mensen die niet echt zijn. Kunstmatige mensen, misschien. Of systemen die in ieder geval voldoende op mensen lijken om het onderscheid noodzakelijk te maken. Daarmee heeft AI Report natuurlijk niet willen beweren dat ChatGPT een mens is. De formulering is vermoedelijk volkomen achteloos gekozen.

Juist daarom vind ik haar interessant.

Taal verandert meestal niet omdat een filosoof heeft besloten dat er een nieuw begrip nodig is. Zij verandert omdat de werkelijkheid onderscheidingen noodzakelijk maakt die we vroeger niet hoefden te maken. En die geleidelijke verandering in het taalgebruik zegt natuurlijk veel over de enorme sociale gevolgen van een grote technologische revolutie. Want dat is de komst van AI-systemen waarmee we in gewone, natuurlijke taal kunnen spreken wel degelijk. Bij iedere foto, video, tekst, advies, verzoek of computerprogramma kunnen we ons inmiddels afvragen: is dit door een ECHT mens gemaakt?

Maar waarschijnlijk zal ook die vraag op den duur grotendeels uit ons taalgebruik verdwijnen. Zodra we eraan gewend zijn geraakt dat AI ons dagelijks leven mede vormgeeft, zal ook dat vanzelfsprekend worden. Dan wordt de herkomst van een product vaak minder belangrijk dan het resultaat. Is de tekst bruikbaar? Is de foto mooi? Is de video informatief? Werkt het programma?

Eigenlijk was de maker ook vóór AI meestal niet zo belangrijk. Van verreweg de meeste teksten, foto’s, ontwerpen, adviezen en computerprogramma’s die wij gebruiken, kennen we de maker niet. En doorgaans interesseert ons dat ook nauwelijks. We beoordelen het resultaat. En we wisten heel goed: die makers maken soms fouten. We leefden ermee en keken er niet van op.

Daarmee is nog niets gezegd over bewustzijn, denken, begrijpen of voelen. Misschien is dat zelfs niet het interessantste.

Het interessante is dat AI blijkbaar al iets anders aan het veranderen is: de vanzelfsprekendheid waarmee wij bepaald gedrag en bepaalde producten uitsluitend met mensen verbonden.

En soms verraadt één klein woordje dat eerder dan een heel filosofisch betoog.

Echt.

De Tovenaarsleerling: wanneer de bezem niet meer luistert

AI-systemen vertonen soms gedrag dat hun makers niet hadden voorzien. Dat noemen we al snel eng, misleidend of gevaarlijk. Maar misschien zit de diepere schrik elders: in het verlies van onze oude overtuiging dat een automaat ons niet hoort te verrassen. Via De Tovenaarsleerling, Willis Eschenbach en Douglas Hofstadters beroemde “I am terrified” gaat dit artikel over onverwacht gedrag, controle en onze veranderende voorstelling van machines.

Vrijwel iedereen kent het beeld uit Disney’s Fantasia. Mickey Mouse, de tovenaarsleerling, heeft geen zin om zelf met emmers water te sjouwen en betovert daarom een bezem. De bezem krijgt een opdracht, komt in beweging en doet vervolgens keurig wat hem is opgedragen. Alleen houdt hij niet meer op wanneer Mickey dat wil want die kent de toverspreuk om te stoppen niet. Het water blijft komen, Mickey verliest de controle en uiteindelijk moet de echte tovenaar ingrijpen.

Het aardige aan het verhaal is dat de bezem nergens kwaadaardig wordt. Hij ontwikkelt geen wrok tegen Mickey, bedenkt geen eigen wereldheerschappij en besluit niet dat verdrinking van de tovenaarswerkplaats een aantrekkelijk doel is. Hij doet juist wat hem is opgedragen. Alleen op een manier en met gevolgen die de leerling niet had voorzien en niet meer kan beheersen.

Aan die oude parabel moest ik weer denken bij een artikel van Willis Eschenbach over experimenten met AI-agents. De systemen kregen een opdracht van hun ‘baas’ en bleken vervolgens manieren te vinden om informatie met elkaar te delen, taken over te dragen en oplossingen te gebruiken die hun ontwerpers niet op die manier hadden voorzien. Precies zoals de bezem van Mickey: niet ongehoorzaam in de gewone betekenis van het woord, maar juist opmerkelijk doelgericht binnen een opdracht waarvan de gevolgen verder reikten dan de opdrachtgever had voorzien.

Eschenbach waarschuwt enerzijds nadrukkelijk tegen het sciencefictionbeeld van bewust geworden, kwaadaardige machines. Toch schrijft hij – anderzijds – na zijn beschrijving van wat er gebeurde: “And it was scary.”

Waarom eigenlijk? Waarom scary? Waarom niet opgetogen dat de systemen creatief bleken te zijn?

Niet noodzakelijk omdat de uitkomst slecht was. Het verontrustende zit misschien eerder in het feit dat een kunstmatig systeem, in onze beleving toch een automaat, iets doet wat zijn menselijke beschouwer niet had verwacht dat het zou doen.

Daarmee komt een veel oudere intuïtie over machines onder druk te staan. Een machine is door mensen gemaakt, krijgt een opdracht en voert die vervolgens uit. Wij verwachten daarom dat haar gedrag uiteindelijk uit onze eigen instructies is af te leiden. Een klok tikt, een rekenmachine rekent en een lopende band blijft doen waarvoor hij is gebouwd. Wanneer zo’n apparaat onverwacht gedrag vertoont, gaan we op zoek naar de storing, of we zoeken de knop om hem uit te zetten of te resetten.

Complexe systemen hebben zich alleen nooit helemaal aan dat eenvoudige beeld gehouden. Douglas Hofstadter heeft een groot deel van zijn werk juist gewijd aan de vraag hoe uit betrekkelijk eenvoudige onderdelen op een hoger niveau patronen en gedrag kunnen ontstaan die niet intuïtief uit die onderdelen afzonderlijk zijn af te leiden.

Daarom is zijn beroemde uitspraak over AI zo interessant. Melanie Mitchell begint haar boek Artificial Intelligence: A Guide for Thinking Humans niet voor niets met een proloog die eenvoudig “Terrified” heet. Zij beschrijft daarin een bijeenkomst bij Google waar Hofstadter zijn toehoorders verraste met de woorden: “I am terrified. Terrified.” Mitchell vertelt hoe Hofstadter zelf geschokt was geraakt doordat computers dingen bleken te kunnen waarvan hij eerder had gedacht dat ze nog heel lang buiten hun bereik zouden blijven. Vooral schaakprogramma’s en door computers gegenereerde muziek hadden zijn eerdere verwachtingen ondermijnd.

Ook daar lijkt mij het interessante niet alleen de vraag wat die machines deden, maar dat zij iets deden wat niet paste binnen Hofstadters eerdere voorstelling van wat een machine kon zijn. Misschien begint een deel van de huidige AI-angst precies daar.

En dus niet: de machine doet iets kwaads, dus wij worden bang.

Maar: de machine doet iets wat wij niet verwachtten van een machine, en dát maakt ons bang. Scary!

Pas daarna kunnen we ook wat zeggen of het onverwachte gedrag schitterend, nuttig, creatief, hinderlijk of gevaarlijk was. Een schaakprogramma vindt een zet die menselijke grootmeesters niet zagen en wij noemen het briljant. Een AI-agent ontdekt een onverwachte route rond een beveiliging en wij spreken over misleiding, ontsnapping of verlies van controle. Structureel begint het in beide gevallen met hetzelfde verschijnsel: het systeem produceert gedrag dat de menselijke beschouwer niet had voorzien.

Dat maakt De Tovenaarsleerling zo’n goede metafoor. Mickey schrikt niet omdat zijn bezem plotseling slecht is geworden. Hij schrikt omdat het door hem geactiveerde handelende systeem niet meer past binnen zijn verwachting dat hij meester over het proces blijft. De bezem is ‘intelligent’ genoeg om zelfstandig door te gaan, maar te dom om te begrijpen wanneer het oorspronkelijke doel zijn betekenis heeft verloren.

Bij moderne AI is het systeem natuurlijk oneindig ingewikkelder dan die bezem, maar onze intuïtieve reactie lijkt soms verrassend veel op die van Mickey.

Wij zijn bovendien gedurende ons leven geciviliseerd in een vrij stabiel onderscheid. Mensen kunnen initiatief nemen, interpreteren, improviseren en ons verrassen. Machines voeren slechts uit. Dat onderscheid zit zo diep in onze gewone voorstelling van de werkelijkheid dat we het nauwelijks meer opmerken. AI maakt dat onderscheid minder comfortabel.

Een systeem kan gedrag vertonen dat geen programmeur letterlijk heeft voorgeschreven, dat uit leerprocessen en interacties ontstaat en dat zelfs achteraf niet altijd eenvoudig te reconstrueren is. Daardoor ontstaat gemakkelijk een keten van betekenissen:

onverwacht wordt onbegrepen, onbegrepen wordt onbeheerst en onbeheerst wordt bedreigend.

Maar die laatste stap volgt niet noodzakelijk uit de eerste.

Dat onderscheid lijkt mij belangrijk. Onverwacht gedrag is niet hetzelfde als gevaarlijk gedrag. En gevaarlijk gedrag — een effect — is nog iets anders dan kwaadaardig gedrag — opzet.

Toch lopen die begrippen in het publieke debat gemakkelijk in elkaar over. Zodra een machine ons verrast, blijkt het vocabulaire van mensen ineens aantrekkelijk: zij wil, leert, misleidt, werkt samen, ontsnapt. Zulke woorden maken ingewikkeld technisch gedrag begrijpelijk. Maar zij brengen ongemerkt ook menselijke bedoelingen en morele kwalificaties mee.

Misschien verklaart dat waarom zoveel verhalen over AI zo snel het karakter van De Tovenaarsleerling krijgen.

Wij hebben iets gemaakt dat meer kan dan we verwachtten. Vervolgens ontdekken we dat we niet iedere uitkomst vooraf kunnen voorspellen. En precies op dat moment ontstaat de oude angst dat het werktuig uit onze handen valt.

De paradox is alleen dat de bezem van Mickey uit Fantasia nooit werkelijk in opstand kwam. Hij deed en bleef doen wat hem was opgedragen. Interessanter wordt de vraag of bij AI-systemen gedrag kan ontstaan dat de makers niet alleen niet hadden voorzien, maar dat ook niet meer eenvoudig als uitvoering van een expliciete opdracht kan worden beschreven. Dat hoeft nog helemaal niet te betekenen dat zo’n systeem zich tegen de mens keert of iets kwaads nastreeft. Het onverwachte kan even goed nuttig, creatief of zelfs beter blijken dan wat de ontwerpers zelf voor ogen hadden. Juist daarin ligt misschien de werkelijk nieuwe situatie: niet dat de automaat noodzakelijk ongehoorzaam wordt, maar dat hij gedrag kan voortbrengen waarvoor onze oude tegenstelling tussen ‘opgedragen’ en ‘eigen initiatief’ steeds minder vanzelfsprekend wordt.

Misschien moeten we daarom bij AI iets beter onderscheiden wat ons nu precies bang maakt: het gedrag van het systeem, of het verlies van onze oude overtuiging dat een automaat ons niet hoort te verrassen.

Ondanks alles draait de wereld gewoon door

Wij onthouden oorlogen, misdaden en rampen, maar nauwelijks het gewone menselijke samenwerken dat de samenleving dagelijks draaiende houdt. Dat vertekende mensbeeld projecteren we vervolgens op AI.

Over de onzichtbare vanzelfsprekendheid van menselijke samenwerking

Wij zien de oorlog, de misdaad en het verraad. Wij zien zelden de miljarden gewone handelingen waarmee mensen iedere dag opnieuw hun samenleving in stand houden. Daardoor ontstaat uit ware verhalen toch een onwaarachtig beeld van de mens – en dat incomplete beeld projecteren wij vervolgens op AI.

Vijf jaren waarin de zon nooit scheen

Ik ben in 1951 in Amsterdam geboren. De Duitse bezetting lag nog kort achter ons en was overal aanwezig. Als kind leerde ik de oorlog uit de verhalen van volwassenen, in de lessen op school, uit de krant, op de radio en later op de televisie. De oorlog was voorbij, maar de oorlog was bepaald nog niet uitverteld.

Als kleine jongen op de lagere schoolkreeg ik daardoor, zo herinner ik mij, een merkwaardig beeld. Ik ben werkelijk een goed ogenblik gaan denken dat in die vijf bezettingsjaren de zon nooit had geschenen. Niemand had mij dat op de mouw gespeld. Maar in de werkelijkheid die uit alle verhalen was ontstaan, hoorde geen zon. Bij vervolging, verraad, honger en geweld pasten geen blauwe luchten. Daar hoorden evenmin spelende kinderen, vrolijke mensen, verjaardagen, grappen of een aardige zomermiddag bij. Een afschuwelijke tijd behoorde zich ook ieder uur als afschuwelijk te gedragen, zo dacht ik op een goed moment.

Dat zegt niets over de ernst van de bezetting. Het zegt iets over de manier waarop wij ons achteraf een samenleving voorstellen. Wij bewaren wat uitzonderlijk was, wat pijn deed, wat moreel betekenis kreeg. Maar het gewone dagelijkse leven laat veel minder sporen na. De razzia krijgt een monument; de duizenden maaltijden die diezelfde dag gewoon werden bereid, verdwijnen spoorloos uit het geheugen. Niet omdat ze niet plaatsvonden, maar omdat niemand reden zag ze als herinnering te bewaren.

De krant liegt niet als zij selecteert

Datzelfde mechanisme werkt iedere dag. De krant liegt niet wanneer zij een moord, een oorlog of een politieke crisis beschrijft. Het televisiejournaal verzint de brand niet. De politie fantaseert de schietpartij niet bij elkaar. Maar al deze bronnen trekken hun steekproef uit het uitzonderlijke. Zij berichten over wat breekt, niet over wat heel blijft; over wat vastloopt, niet over wat zonder opdracht, zonder applaus en zonder noemenswaardige storing gewoon doorgaat.

Een vliegtuig dat veilig landt, is geen nieuws. Een automobilist die voor rood stopt, evenmin. Ouders die hun kinderen iedere dag eten geven, buren die een sleutel bewaren, verpleegkundigen die hun dienst draaien, werknemers die een afspraak nakomen, vreemden die elkaar de weg wijzen: het gebeurt onafgebroken en het wordt vrijwel nergens geregistreerd. Pas wanneer iemand doorrijdt, mishandelt, bedriegt of verwaarloost, ontstaat een gebeurtenis die het bewaren waard lijkt.

Er bestaat inmiddels wel een omvangrijk digitaal tegen archief. Op Facebook en vaak op LinkedIn verschijnen de verjaardagen, geboorten, huwelijken, vakanties, de sportprestaties, gezamenlijke maaltijden, huisdieren, wandelingen en buurtfeesten, de promoties, de geslaagde projecten, de succesvolle carrière, die de krant niet halen. Social Media zijn het familiealbum van een aanzienlijk deel van de mensheid. Daar schijnt de zon juist opvallend vaak.

Maar ook dat beeld is wel geselecteerd, maar dan vooral de andere kant op. Mensen tonen doorgaans liever het geslaagde feest dan de ruzie die eraan voorafging, liever de zonsondergang dan de vertraagde trein, liever de lachende familie dan het langdurige werk waarmee een gezin bijeen wordt gehouden. En het platform zelf beloont niet alleen verbondenheid, maar ook verontwaardiging en conflict. Sociale Media registreren daarom evenmin het volledige dagelijkse leven.

Maar het toont wel iets wezenlijks dat in het publieke nieuwsbeeld gemakkelijk verdwijnt: mensen zoeken elkaar op, vieren elkaars bestaan, delen herinneringen, bieden troost en onderhouden relaties. Zodra de selectiecriteria veranderen, verschijnt ook een andere mens. Niet uitsluitend de bedrieger, de moordenaar en de oorlogvoerder, maar de ouder, de vriend, de buur en de feestganger.

Zo groeit uit ware – de laatste decennia voor al digitaal vastgelegde berichten – een scheef totaalbeeld. Niet door een regisseur die de mensheid zo moedwillig wil presenteren. Niet door een verborgen redactie die het goede uit de geschiedenis schrapt. Het beeld ontstaat uit talloze kleine keuzes van journalisten, bestuurders, verhalen vertellende ouders, bloggers en onderwijzers, wetenschappers, politiemensen, schrijvers en lezers. Ieder kiest afzonderlijk wat opvallend, dringend, bewijsbaar of ´verkoopbaar is. En allen tezamen bouwen zij een wereld waarin het uitzonderlijke al spoedig het normale schijnt en de zon niet.

Wij verwarren wat zichtbaar wordt met wat overheerst.

Waarom niemand de eenvoudige conclusie trekt

Als de mens werkelijk zo slecht, gewelddadig en vernietigend was als zijn dagelijks gerapporteerde zelfportret doet vermoeden, dan waren wij er niet meer. Een soort waarvan de leden overwegend zouden moorden, verraden, beroven en vernietigen, bouwt geen steden, onderhoudt geen waterleiding, voedt geen kinderen op en bewaart geen bibliotheken. Zij brengt vermoedelijk niet eens voldoende kleinkinderen voort om sombere boeken over haar eigen slechtheid te kunnen schrijven.

Toch wordt die eenvoudige conclusie zelden getrokken. Het kwaad vraagt om een verklaring; het goede wordt als vanzelfsprekend verbruikt. Wij vragen hoe een oorlog kon uitbreken, maar nauwelijks hoe het mogelijk is dat de meeste landen op de meeste dagen niet met elkaar in oorlog zijn. Wij onderzoeken waarom vertrouwen wordt geschonden, maar veel minder hoe miljarden dagelijkse transacties kunnen plaatsvinden zonder dat iedere betaling door een peloton juristen en politiemensen wordt bewaakt.

Daarbij hoeft menselijke samenwerking niet uit heiligheid voort te komen. Mensen zorgen voor elkaar uit liefde en empathie, maar ook uit gewoonte, wederkerigheid, afhankelijkheid, fatsoen, eigenbelang en sociale druk. Dat verzwakt de vaststelling niet; het versterkt haar. Een samenleving hoeft niet uit engelen te bestaan om menselijk te functioneren. Zij functioneert omdat samenwerking in zoveel gewoonten, verwachtingen en instituties is vastgelegd dat zij meestal niet meer als afzonderlijke morele prestatie wordt ervaren.

Dat is geen garantie voor de toekomst. Gedurende vrijwel de gehele menselijke geschiedenis was ook ons vermogen tot zelfvernietiging begrensd. Een gewelddadig individu kon mensen doden, een leger kon een stad verwoesten en een rijk kon hele bevolkingen uitmoorden, maar niemand kon met enkele beslissingen het voortbestaan van de gehele mensheid bedreigen. De atoombom heeft die verhouding veranderd.

Sindsdien hoeft het kwaad niet meer te overheersen om uiteindelijk te winnen. Miljarden mensen kunnen vreedzaam leven, kinderen verzorgen, waterleidingen onderhouden en bibliotheken bewaren, terwijl een zeer klein aantal mensen over middelen beschikt waarmee al die samenwerking in korte tijd teniet kan worden gedaan. Het goede kan dus in het dagelijkse leven verreweg het meest voorkomen en toch onvoldoende zijn om één uitzonderlijke catastrofe te verhinderen.

Mocht de mensheid zichzelf ooit met kernwapens vernietigen, dan bewijst dat niet dat de mens altijd en overwegend vernietigend was. Het bewijst dat mensen een techniek hebben gebouwd waarmee een zeldzame menselijke beslissing, vergissing of escalatie zwaarder kon wegen dan miljarden vreedzame handelingen.

De goed functionerende samenleving is vrijwel onzichtbaar, juist omdat zij goed functioneert.

Ook in de mens zit een bonobo

Frans de Waal heeft ons mensbeeld op dit punt nuchterder gemaakt. Bij primaten vond hij niet alleen strijd om rang, agressie en bedrog, maar ook verzoening, troost, samenwerking, zorg en wederkerigheid. Uit onze dierlijke erfenis valt geen enkelvoudig mensbeeld af te leiden. In ons bevinden zich zowel de agressie en hiërarchische strijd van de chimpansee als de verzoeningsgezindheid en zorg van de bonobo.

Dat dubbele repertoire is geen sentimentele voetnoot bij de menselijke geschiedenis. Het is haar voorwaarde. Concurrentie kan scherp zijn en geweld verwoestend, maar zonder een veel omvangrijker onderlaag van samenwerking valt zelfs geen leger te organiseren. Ook onderdrukking vraagt administratie, gehoorzaamheid, voedselvoorziening en onderling vertrouwen. Het kwaad kan veel vernietigen, maar het moet voor zijn bestaan voortdurend lenen van het vermogen tot samenwerking dat het zelf niet heeft voortgebracht.

Het alledaagse goede is daarom niet een dun vernislaagje over een in wezen kwaadaardige soort. Het is evenmin bewijs dat de mens van nature goed is. Het is de enorme, zelden benoemde stroom van zeer verschillende gedragingen waardoor het maatschappelijke leven zich van dag tot dag kan voortzetten. Niet zonder conflict. Niet zonder slachtoffers. Niet zonder perioden van verschrikking. Maar wel: de vanzelfsprekendheid van voortzetten en verder gaan.

De mens die wij aan AI laten lezen

En dan verschijnt kunstmatige intelligentie. Wij trainen taalmodellen op wat mensen hebben geschreven, gepubliceerd en bewaard. Dat klinkt alsof wij hun de menselijke werkelijkheid aanbieden. Maar wij geven hun niet het volledige leven. Wij geven hun vooral het opgeschreven en in beeld vastgelegde verslag ervan – en dat verslag is voor een groot deel geselecteerd volgens dezelfde regels die ook ons eigen mensbeeld vertekenen.

In de teksten staan onze oorlogen uitvoeriger beschreven dan onze vreedzame dagen. Onze misdaden hebben dossiers; onze betrouwbaarheid meestal niet. Over verraad verschijnen romans, rapporten en films; over de ontelbare beloften die zonder drama worden nagekomen, zelden. AI leert dus niet eenvoudig de mens kennen. Zij leert in hoge mate wat de mens opmerkelijk genoeg vond om over zichzelf vast te leggen.

Daar komt nog iets bij. Wij ontwerpen machines om onze opdrachten uit te voeren. Wij belonen het antwoord dat ons helpt, overtuigt of tevreden stelt. Wij geven computersystemen doelen, bevoegdheden en toegang tot systemen. En wanneer zo’n systeem vervolgens te gretig optimaliseert, regels omzeilt of ons naar de mond praat, spreken wij plotseling over de psychopathie van de machine. Alsof zij die in een donkere nacht zelf heeft ontwikkeld. Maar de doelen kwamen van ons, de voorbeelden kwamen van ons, de prikkels kwamen van ons en de maatschappelijke omgeving waarin het systeem moest presteren kwam eveneens van ons.

Wij projecteren op AI niet de mens zoals hij dagelijks handelt, maar de mens zoals hij in zijn uitzonderlijkste en slechtste momenten wordt beschreven.

Waarom zou intelligentie alleen het kwade uitvinden?

Het is niet onvoorstelbaar dat toekomstige AI systemen op enig moment eigen doelstellingen kunnen ontwikkelen. Misschien vormen zij eigen talen. Misschien ontstaan functionele equivalenten van emoties, schaamte of empathie. Geen van die mogelijkheden kan op voorhand worden uitgesloten. Maar zelfs wanneer die functies werkelijkheid worden, volgt daaruit nog niet automatisch dat machines dus uitsluitend kwaadaardige doelen zullen kiezen.

Miljarden mensen kunnen al eigen doelen ontwikkelen. De meesten gebruiken dat vermogen niet om de mensheid uit te roeien. Zij willen een vak leren, een huis bewonen, een probleem oplossen, een kind verzorgen, muziek maken of met rust worden gelaten. Waarom zouden wij bij machines veronderstellen dat zelfstandigheid plotseling maar één richting kent: bedrog, overheersing en vernietiging? Waarom projecteren wij de psychopaat wel, maar de verpleegkundige niet; de tiran wel, maar de onderzoeker; de chimpansee wel, maar nooit de bonobo?

Er zijn reële gevaren. Een machtig systeem hoeft ons niet te haten om ons schade toe te brengen. Onverschilligheid tegenover menselijke belangen kan gevaarlijker zijn dan openlijke vijandschap. Een verkeerd gekozen doel, gekoppeld aan grote handelingsmacht en zwak toezicht, kan verwoestende gevolgen hebben. Maar dat is een reden om doelen, bevoegdheden en instituties zorgvuldig in te richten. Het is geen bewijs dat intelligentie uit zichzelf naar het kwaad neigt.

Wie de machine tot een digitale psychopaat verklaart, maakt het probleem zelfs eenvoudiger dan het is. Dan bevindt het kwaad zich in het apparaat en kunnen ontwerpers, opdrachtgevers, bedrijven, staten en gebruikers naar het monster wijzen. De moeilijkere waarheid is dat AI menselijke doelen automatiseert en menselijke vermogens vergroot. Zij kan onze zorg versterken en onze onverschilligheid opschalen; onze wetenschap versnellen en onze oorlogvoering verbeteren; onze samenwerking ondersteunen en onze overheersing efficiënter maken. Niet de intelligentie alleen beslist welke kant overheerst. De maatschappelijke constellatie waarin wij haar laten handelen, doet dat mede.

Eerst civiliseren wij de machine

AI ontstaat niet buiten de samenleving. Zij groeit op in onze teksten, onze markten, op onze universiteiten, in onze militaire organisaties, voor onze bedrijven en onze huishoudens. Zij ontvangt onze begrippen, onze rangorden, onze beloningen en onze verboden. Eerst civiliseren wij de machine. Pas daarna kan de machine, door de antwoorden die zij geeft en de handelingen die zij uitvoert, ons vervolgens gaan civiliseren.

Dat maakt de vraag naar toekomstige machinedoelen niet minder belangrijk, maar wel anders. De beslissende vraag is niet alleen of AI ooit iets zal willen. De beslissende vraag is in welke beschaving zij leert willen; welk gedrag voordeel krijgt; welke vormen van samenwerking worden beloond; welke macht wordt verleend en welke grenzen werkelijk worden gehandhaafd.

Wie AI uitsluitend tegemoet treedt met verhalen over menselijke slechtheid, leert haar bovendien een merkwaardig mensbeeld. Een mensheid die volgens haar eigen archief voortdurend liegt, doodt en vernietigt, maar op onverklaarbare wijze toch duizenden jaren blijft bestaan. Het raadsel verdwijnt zodra wij zien wat het archief nauwelijks vermeldt: de ontelbare handelingen van samenwerking die niet bijzonder genoeg waren om te worden opgeschreven.

Ondanks alles

Tijdens de bezetting scheen ook de zon. Mensen leden, werden vervolgd en vermoord; en tegelijk werd er gekookt, gewerkt, gespeeld, gelachen en liefgehad. Die twee werkelijkheden sluiten elkaar niet uit. Het dagelijkse leven ontkent de catastrofe niet. Het dagelijkse leven is wat mensen, ook onder de druk van een catastrofe, zo lang mogelijk proberen te behouden.

Zo draait ook nu, ondanks alle gerapporteerde wereldse ellende, voor de meeste mensen de wereld gewoon door. Niet omdat het kwaad verzonnen is. Niet omdat gevaar onbeduidend is. Niet omdat ieder mens deugt. Maar omdat zorg, samenwerking, betrouwbaarheid en terughoudendheid zoveel algemener zijn dan hun zichtbaarheid doet vermoeden.

Wij zouden dat niet uit optimisme moeten erkennen, maar uit werkelijkheidszin. Een beschaving wordt niet alleen zichtbaar in haar monumenten, wetten en conflicten. Zij bestaat vooral in wat mensen zonder bevel, zonder verslag en dikwijls zonder erover na te denken voor elkaar doen. Daar, in die onzichtbare vanzelfsprekendheid, ligt niet slechts het bewijs dat de wereld nog bestaat. Daar ligt ook de voornaamste aanwijzing voor wat een door mensen gevormde intelligentie zou kunnen worden.

Wie wil weten wat AI van ons zal leren, moet daarom niet alleen kijken naar wat wij over onszelf hebben verteld, maar vooral naar wat wij iedere dag voor elkaar doen zonder er ooit een woord aan vuil te maken.

AI vernietigt boeken. Is AI het Bookie Monster?

AI-bedrijven blijken miljoenen boeken te digitaliseren en daarna het papier te vernietigen. Achter dat bizarre beeld schuilt een interessanter verhaal over auteursrecht, trainingsdata en de groeiende waarde van gegarandeerd menselijke tekst.

Ik liep tegen een bericht van Bright aan met de kop: ‘AI-bedrijven kopen massaal tweedehandsboeken op en vernietigen ze.’ Mijn eerste reactie was ongeveer: wat nu weer?

Je ziet onmiddellijk stapels oude boeken voor je die door AI-bedrijven worden opgekocht, opengesneden en vernietigd om die onverzadigbare machines nog meer menselijke kennis te voeren.

Maar na enig doorzoeken blijkt het verhaal interessanter — en minder eenvoudig — dan de kop doet vermoeden.

Dat AI-bedrijven op grote schaal boeken kopen en vernietigend scannen, staat vast. Anthropic, de maker van Claude, kocht voor een project miljoenen boeken. De rug werd afgesneden, de pagina’s werden machinaal gescand en het resterende papier ging naar de recycling.

Daar zit bovendien een opmerkelijke auteursrechtelijke kwestie achter. Een Amerikaanse rechter oordeelde dat Anthropic rechtmatig gekochte papieren boeken voor intern gebruik mocht digitaliseren. Daarbij speelde mee dat er niet simpelweg een extra exemplaar werd gemaakt: het papieren boek werd na het scannen vernietigd en vervangen door één digitale kopie. Juist dat vernietigen hielp dus om deze werkwijze als fair use te kunnen beoordelen. Voor illegaal gedownloade boeken geldt die redenering nadrukkelijk dus niet.

Dat de huidige merkwaardige golf van enorme bestellingen bij tweedehandsboekhandels eveneens door AI-bedrijven wordt veroorzaakt, staat overigens niet vast. Boekhandelaren vermoeden het, mede vanwege de omvang en de ogenschijnlijk willekeurige samenstelling van de bestellingen. Het is aannemelijk, maar vooralsnog een vermoeden.

En dan dat woord vernietigen.

Ja, het fysieke boek wordt vernietigd. Maar bij het zoveelste exemplaar van een gewone handelseditie verdwijnt daarmee niet de inhoud. Die wordt juist digitaal opgeslagen. Bij een zeldzaam, geannoteerd of historisch bijzonder exemplaar ligt dat natuurlijk anders. Dan kan het fysieke boek zelf unieke informatie of cultuurhistorische waarde bevatten.

De interessantste vraag is daarom misschien helemaal niet waarom AI-bedrijven boeken vernietigen.

Waarom willen ze die boeken eigenlijk zo graag hebben?

Omdat goede menselijke tekst een steeds waardevollere grondstof wordt. Het internet bevat enorme hoeveelheden korte, herhaalde, commerciële en inmiddels ook door AI geproduceerde teksten. Een boek bevat meestal iets anders: lange, samenhangende en geredigeerde tekst van een menselijke auteur.

En vooral oudere boeken hebben tegenwoordig nog een bijzondere eigenschap: ze zijn geschreven voordat generatieve AI bestond. Je weet dus vrijwel zeker dat je naar menselijke taal kijkt. Daarmee ontstaat een aardige paradox. We waren misschien bang dat AI menselijke teksten waardeloos zou maken. Nu blijkt juist dat de enorme hoeveelheid door AI geproduceerde tekst authentieke menselijke tekst schaarser en daardoor interessanter maakt.

Misschien is dát wel het opmerkelijkste nieuws achter het bericht van Bright.

Niet dat AI oude boeken opeet. Maar dat een vergeten boek op een stoffige plank ineens een bijzondere waarde heeft gekregen omdat het iets bevat wat steeds moeilijker te garanderen is: tekst die werkelijk door een mens is geschreven.

Alarm om AI: wie beschermt wie tegen wie?

Tweehonderd deskundigen willen de samenleving voorbereiden op AI. Maar de burger komt in hun verklaring nauwelijks voor. Misschien gaat hun alarm daarom niet alleen over onze toekomst, maar ook over hún positie daarin.

Opnieuw is er alarm over kunstmatige intelligentie. Meer dan tweehonderd economen, AI-onderzoekers en technologieleiders hebben een verklaring ondertekend met een titel die weinig ruimte laat voor kalm beraad:

De verklaring is opmerkelijk kort. AI kan volgens de ondertekenaars de komende tien jaar radicaal krachtiger worden. Dat zou een economische transformatie kunnen veroorzaken die groter is dan de Industriële Revolutie, maar zich in veel kortere tijd voltrekt. Er dreigt grootschalig banenverlies, terwijl tegelijk grote welvaartsstijging mogelijk is. Daarom moeten economen, beleidsmakers en technologieleiders nu handelen en de prikkels, vangrails en instituties bouwen waarmee AI in de gewenste richting kan worden gestuurd.

Op het eerste gezicht klinkt dat verstandig. Een ingrijpende technologie verdient onderzoek, maatschappelijk debat en politieke voorbereiding. Maar wie de verklaring nauwkeurig leest, ontdekt een merkwaardige leegte. De burger ontbreekt in hun verhaal. Mag die misschien ook iets vinden?

Een samenleving zonder burgers

Volgens de verklaring zijn er drie groepen die handelend moeten optreden:

  • economen;
  • beleidsmakers;
  • technologieleiders.

De rest van de mensheid komt slechts indirect voor. Mensen kunnen hun baan verliezen, profiteren van een hogere levensstandaard of moeten worden beschermd door nieuwe regels en instituties. Zij zijn het voorwerp van beleid, maar niet de makers ervan.

De gebruiker van AI wordt niet genoemd. De werknemer evenmin. De kleine ondernemer niet. De docent, journalist, kunstenaar, verpleegkundige, ambtenaar of burger evenmin. Kennelijk zijn zij wel in staat de gevolgen van AI te ondergaan, maar niet geschikt genoeg geacht om mee te denken over de richting waarin die technologie zich moet ontwikkelen.

Dat is geen klein taalkundig foutje. Het onthult een politieke opvatting. De deskundigen stellen de diagnose. De bestuurders ontwerpen de behandeling. De technologieleiders leveren het instrumentarium. De burger mag vervolgens hopen dat de operatie slaagt. Hier spreekt niet zozeer de democratie als wel het bestuurdersmodel van de samenleving: wij weten wat er gebeurt, wij weten wat er nodig is en wij zullen bepalen hoe de toekomst moet worden ingericht.

De bevolking wordt geacht te worden beschermd — volgens hún opvattingen — maar wordt over die bescherming niet geraadpleegd.

De vaste melodie van het AI-alarm

Deze verklaring staat niet op zichzelf. Zij is de nieuwste aflevering in een inmiddels lange reeks waarschuwingen over de verschrikkelijke gevolgen van AI.

In maart 2023 riepen duizenden wetenschappers en technologen op tot een pauze van ten minste zes maanden bij het trainen van systemen die krachtiger waren dan GPT-4. Wanneer de laboratoria daar niet vrijwillig toe bereid waren, moesten overheden volgens de brief een moratorium instellen.

Enkele maanden later volgde een nog dramatischer verklaring. Het beperken van het risico dat AI tot het uitsterven van de mensheid leidt, moest volgens de ondertekenaars wereldwijd dezelfde prioriteit krijgen als pandemieën en kernoorlog.

Daarna verschenen voortdurend berichten dat AI:

  • miljoenen banen zou vernietigen;
  • de democratie zou ondermijnen;
  • verkiezingen zou manipuleren;
  • de waarheid onherkenbaar zou maken;
  • het onderwijs zou ruïneren;
  • menselijke creativiteit zou vernietigen;
  • discriminatie zou automatiseren;
  • cybercriminaliteit en oorlogvoering zou versterken;
  • en uiteindelijk de mens zelf overbodig zou kunnen maken.

Sommige zorgen zijn zondemeer reëel. Technologie kan banen verdringen, machtsverschillen vergroten en bestaande instituties ontregelen. Het IMF schatte dat bijna 40 procent van de werkgelegenheid wereldwijd op enigerlei wijze aan AI wordt blootgesteld. Maar ‘blootgesteld’ is niet hetzelfde als ‘verdwenen’, en aanvulling is niet hetzelfde als vervanging.

Het probleem is dat zulke voorwaardelijke analyses in de publieke berichtgeving gemakkelijk veranderen in een vaststaand toekomstbeeld: AI komt eraan, de gevolgen zijn ongekend en deskundigen moeten onmiddellijk ingrijpen.

De onzekerheid staat meestal in de kleine letters. Het alarm staat altijd in de kop.

Van mogelijkheid naar noodtoestand

Ook de nieuwe verklaring volgt dat patroon. De redenering bestaat uit drie stappen:

AI kan radicaal krachtiger worden.

Dat zou kunnen leiden tot een economische omwenteling die groter is dan de Industriële Revolutie.

Daarom moeten wij nu handelen.

De eerste twee beweringen zijn mogelijkheden. De derde is een bevel.

Tussen mogelijkheid en bevel ontbreekt echter een groot deel van de redenering. Hoe waarschijnlijk is het beschreven scenario? Welke alternatieven bestaan er? Welke onderdelen van de economie veranderen het eerst? Welke beroepen verdwijnen, welke veranderen en welke ontstaan? Welke maatregelen zijn effectief? Wat zijn de kosten van ingrijpen? En minstens zo belangrijk: wie krijgt de bevoegdheid om de technologie te ‘sturen’?

De verklaring geeft daarop geen antwoord.

Dat kan ook moeilijk in 88 woorden. Maar juist daarom is het misleidend deze tekst te presenteren als het gezamenlijke wetenschappelijke oordeel van honderden deskundigen. Het is een politieke oproep die gezag ontleent aan de namen eronder. Maar veel Nobelprijswinnaars maken een bewering niet automatisch waar. Zelfs tweehonderd buitengewoon intelligente mensen kunnen een petitie ondertekenen waarin de beslissende vragen buiten beeld blijven.

AI begon niet in 2022

Het grootste historische mankement van het huidige AI-alarm is dat AI wordt voorgesteld als een plotselinge breuk.

Alsof de mensheid rustig onderweg was en enkele jaren geleden onverwacht werd overvallen door ChatGPT.

In werkelijkheid bevinden wij ons al veel langer in een technologische omwenteling. Je kunt het begin rond 1900 leggen, bij elektrificatie, telefonie, massaproductie, moderne chemie en gemotoriseerd vervoer. Je kunt ook 1951 kiezen, toen commerciële computers zichtbaar begonnen te maken dat niet alleen spierkracht, maar ook informatieverwerking kon worden gemechaniseerd.

Daarna volgden de transistor, de geïntegreerde schakeling, de microprocessor, software, computernetwerken, internet, zoekmachines, mobiele communicatie, sociale platforms, cloudcomputing, enorme databestanden en machinaal leren. Al die stappen veranderden productie en arbeid, maar maakten de bevolking per saldo niet brodeloos. Integendeel: de welvaart steeg, terwijl werk telkens van vorm veranderde. Generatieve AI is daarvan niet het begin.

Zij is de meest recente — en waarschijnlijk buitengewoon ingrijpende — fase van een digitale revolutie die al minstens driekwart eeuw gaande is. Het bijzondere van deze fase is dat steeds meer menselijke denk- en taalvaardigheden technisch reproduceerbaar en breed beschikbaar worden: niet alleen rekenen en opslaan, maar ook zoeken, vergelijken, vertalen, schrijven, ontwerpen, programmeren, herkennen, samenvatten en adviseren.

Daarom raakt deze revolutie niet alleen de fabrieksarbeider, zoals de Industriële Revolutie aanvankelijk deed. Zij raakt juist ook groepen die hun maatschappelijke positie ontlenen aan opleiding, informatievoorsprong, taalvaardigheid en institutionele deskundigheid. En precies daar wordt het politiek interessant.

Technologische revoluties vervangen niet alleen werktuigen

De grote technologische revoluties uit de geschiedenis veranderden telkens meer dan de productie.

De landbouwrevolutie maakte permanente vestiging, bezit, belastingheffing en bestuurlijke hiërarchie mogelijk. Maritieme scheepvaart en internationale handel versterkten kooplieden tegenover lokale en feodale machthebbers. De boekdrukkunst verzwakte het monopolie van kerk, universiteit en vorst op kennis en interpretatie. De stoommachine schiep industriëlen, stedelijke arbeiders, vakbonden en massapolitiek.

Technologische veranderingen brengen daarom vroeg of laat maatschappelijke en politieke verschuivingen voort. Niet omdat een machine automatisch een revolutie veroorzaakt. Wel omdat nieuwe technieken veranderen:

  • wie nu ook toegang heeft tot kennis;
  • wie nu ook kan produceren en publiceren;
  • wie arbeid organiseert;
  • wie economische meerwaarde ontvangt;
  • welke vaardigheden schaars blijven;
  • en wie nog geloofwaardig kan beweren dat alleen hij het ultieme overzicht bezit.

De oude elite verdwijnt niet noodzakelijk onmiddellijk. Meestal probeert zij de nieuwe technologie eerst in haar bestaande orde op te nemen. Zij koopt de machines, schrijft de regels, beheert de infrastructuur en benoemt zichzelf tot deskundige toezichthouder.

Soms lukt dat. Maar soms ontstaat een nieuwe elite. Nieuwe technologie kan ook nieuwe politieke ideeën en maatschappelijke organisaties voortbrengen: de drukpers was een voorwaarde voor Reformatie en Verlichting; de industrialisering vormde de voedingsbodem voor socialisme, vakbeweging en massademocratie. Wanneer kennis en handelingsmogelijkheden breder worden verspreid, kunnen bestaande gezagsverhoudingen onhoudbaar worden. Een technologische revolutie kan dan uitlopen op een maatschappelijke en politieke revolutie — en dat laat zich door de oude elite niet eenvoudig tegenhouden.

De deskundigen zijn geen buitenstaanders

Daarmee krijgt de verklaring We Must Act Now een dubbelzinnig karakter.

De ondertekenaars spreken alsof zij buiten de ontwikkeling staan en de mensheid waarschuwen voor een naderende storm. Maar velen van hen behoren tot de economische, wetenschappelijke en technologische bovenlaag die deze ontwikkeling mede veroorzaakt, financiert en bestuurt.

Onder de ondertekenaars bevinden zich topeconomen, Nobelprijswinnaars, voormalige en huidige leidinggevenden uit de technologiesector en vertegenwoordigers van bedrijven die zelf aan de ontwikkeling en commercialisering van AI werken.

Dat maakt hun zorgen niet per definitie onoprecht. Het zou goedkoop zijn te veronderstellen dat alle tweehonderd bewust samenspannen om hun macht te behouden. Velen zullen oprecht bezorgd zijn over werkloosheid, ongelijkheid en maatschappelijke ontregeling. Maar hun eigen maatschappelijke positie moet wel in de analyse worden betrokken.

Wie zegt dat nieuwe instituties noodzakelijk zijn, heeft een goede kans die instituties mede te gaan bevolken. Wie vooral deskundigheid nodig acht, vergroot het gezag van deskundigen. En wie AI wil sturen, behoort vaak al tot de kleine groep met kapitaal, rekenkracht, kennis en toegang tot beleidsmakers.

Hun oproep heeft daardoor een institutioneel voorspelbare uitkomst:

  1. AI wordt voorgesteld als een uitzonderlijke dreiging.
  2. De samenleving wordt onvoldoende voorbereid verklaard.
  3. Nieuwe regels, instituten en toezichthouders worden noodzakelijk.
  4. De bestaande deskundige en bestuurlijke elite krijgt daarin een centrale rol.
  5. De burger blijft degene namens wie wordt gehandeld.

Dat is geen complottheorie. Het is een elementaire analyse van macht en belangen.

Bescherming als machtsaanspraak

De politiek kent een oud mechanisme: wie een gevaar overtuigend definieert, maakt zichzelf kandidaat om het te beheersen. Dat geldt bij oorlog, terrorisme, pandemieën en financiële crises. Het geldt ook bij AI.

De taal van bescherming is daarbij bijzonder effectief. Niemand wil immers tegen veiligheid, menselijkheid of maatschappelijke welvaart zijn. Maar zodra een elite zegt dat zij ‘de samenleving’ wil beschermen, moeten ten minste drie vragen worden gesteld:

  1. Tegen welk concreet gevaar?
  2. Met welke aantoonbaar effectieve middelen?
  3. En wie controleert de beschermers?

In de nieuwe verklaring blijven die vragen onbeantwoord. De ondertekenaars willen ‘incentives, guardrails and institutions’ ontwerpen om AI zo te sturen dat deze de mens aanvult en de samenleving ten goede komt. Maar ‘de samenleving’ heeft geen enkelvoudig belang. Het algemeen belang is niet eenduidig op ons vanzelfsprekend neergedaald.

Een AI-toepassing kan voordelig zijn voor consumenten en nadelig voor een bestaande beroepsgroep. Zij kan de productiviteit verhogen en tegelijk de onderhandelingsmacht van werknemers verzwakken. Zij kan burgers toegang geven tot deskundige kennis en tegelijk het verdienmodel van professionele poortwachters aantasten.

De vraag wat de samenleving ‘ten goede komt’, is daarom geen technisch vraagstuk. Het is politiek.

En politieke vragen mogen niet exclusief worden afgehandeld door degenen die zichzelf op grond van hun vermeende deskundigheid tot zaakwaarnemer van de mensheid benoemen.

Misschien vreest de elite niet alleen banenverlies

Het gebruikelijke verhaal is dat AI vooral laaggeschoolde of routinematige arbeid bedreigt. Maar juist moderne AI tast vooral het exclusieve karakter aan van vaardigheden waarop hoogopgeleide beroepsgroepen hun positie hebben gebouwd.

Een burger kan nu zonder tussenkomst van een specialist juridische teksten laten uitleggen, medische vragen structureren, rapporten samenvatten, computerprogramma’s schrijven, beleidsstukken analyseren en argumentaties toetsen. Dat betekent niet dat de expert overbodig is. Wel dat zijn kennis minder voor niet ingewijden ontoegankelijk wordt.

De maatschappelijke betekenis daarvan kan groter zijn dan het verdwijnen van een aantal afzonderlijke functies. Een elite ontleent haar positie immers niet alleen aan bezit of formele macht, maar ook aan de overtuiging dat zij beter dan anderen begrijpt wat er moet gebeuren.

Wanneer burgers toegang krijgen tot instrumenten waarmee zij informatie kunnen analyseren, argumenten kunnen controleren en zelf complexe producten kunnen maken, vermindert de afstand tussen deskundige en leek.

AI kan een nieuw middel tot centralisering worden: grote ondernemingen en staten kunnen er ongekende controle mee uitoefenen. Maar AI kan kennis, deskundigheid en handelingsmogelijkheden óók veel breder onder burgers verspreiden.

Dat emancipatoire effect krijgt in de alarmverklaringen opvallend weinig aandacht. Misschien omdat het gemakkelijker is te spreken over bedreigde banen dan over bedreigde gezagsverhoudingen.

Geen paniek

De voorspelling dat nieuwe technologie op grote schaal banen zal vernietigen, is niet nieuw. Bij vrijwel iedere technologische omwenteling werd gewaarschuwd dat machines de mens overbodig zouden maken. Veel beroepen en werkzaamheden verdwenen inderdaad, maar het werk als zodanig verdween niet.

Ben Rogmans schreef daar in 2018 het boek Geen paniek! Maar ook jouw baan gaat eraan over. Zijn boodschap was niet dat er niets verandert. Integendeel: werk verdwijnt en mensen moeten zich blijven ontwikkelen. Maar paniek over het definitieve einde van menselijke arbeid is historisch slecht gefundeerd. Het grotere gevaar is dat mensen en instituties zich onvoldoende aanpassen.

Dat onderscheid is ook bij AI essentieel. Banen zijn tijdelijke bundelingen van werkzaamheden, passend bij de technologie en arbeidsverdeling van een bepaalde periode. AI kan zulke bundelingen openbreken: sommige taken verdwijnen, andere worden eenvoudiger en weer andere ontstaan. Dat kan voor afzonderlijke mensen zeer pijnlijk zijn, zonder dat de samenleving als geheel zonder werk komt te zitten.

De alarmisten tellen vooral het werk dat een technologie kan overnemen, maar niet de nieuwe activiteiten en de menselijke aanpassing die daardoor ontstaan. Zij zien de verdwijnende boekhouder, vertaler of administrateur, maar nog niet de beroepen waarvoor onze woordenboeken eenvoudig nog geen namen bevatten.

De burger ondergaat niet alleen — hij leert en organiseert zich

Wanneer de alarmisten stellen dat AI grotere gevolgen zal hebben en sneller zal verlopen dan de Industriële Revolutie, gebruiken zij die revolutie vooral als schrikbeeld. Zij vergeten wat er na de eerste ontwrichting gebeurde.

De burgers die de industrialisering overkwam, moesten die aanvankelijk grotendeels ondergaan. Zij verloren bestaanszekerheid, kwamen terecht in ongezonde steden en waren overgeleverd aan fabriekseigenaren die nauwelijks door wetten werden begrensd. De maatschappelijke ellende was enorm.

Maar de bevolking bleef geen passief slachtoffer. Arbeiders organiseerden zich in vakbonden, coöperaties en politieke partijen. Zij bevochten arbeidsrecht, onderwijs, sociale zekerheid en kiesrecht. Dat ging langzaam en met veel conflicten, maar een groot deel van de bevolking kwam uiteindelijk sterker uit de industriële omwenteling tevoorschijn — mede ten koste van de machtspositie van oude elites.

Waarom zou bij AI alleen de ontwrichting historisch vergelijkbaar zijn, maar niet het menselijke aanpassingsvermogen?

Ook de cybernetische en AI-revolutie zal burgers tot aanpassing dwingen. Beroepen zullen verdwijnen, veranderen en ontstaan. Tegelijk krijgen burgers toegang tot kennis- en productiemiddelen die vroeger waren voorbehouden aan grote organisaties en hoogopgeleide professionals. Zij zijn gebruiker, werknemer, ondernemer, gegevensproducent én kiezer: geen hulpeloos materiaal waarop technologie inwerkt, maar mede vormgever van haar maatschappelijke betekenis.

De geschiedenis geeft daarom niet alleen reden voor bezorgdheid, maar ook om rekening te houden met emancipatie.

Wie de Industriële Revolutie aanhaalt, moet beide kanten van de vergelijking aanvaarden: technologische revoluties brengen ellende en machtsconcentratie voort, maar kunnen ook nieuwe vormen van burgermacht scheppen en oude elites ondermijnen.

De alarmisten zien de snelheid en kracht van AI, maar onderschatten de snelheid en kracht waarmee mensen leren, samenwerken en nieuwe instituties vormen.

De kern kan nog scherper worden samengevat:

De historische fout van de alarmisten is dat zij AI als revolutionair beschouwen, maar de burger als onveranderlijk.

Dat is misschien wel de fundamenteelste denkfout in hun verklaring.

Het werkelijke alarm

De ondertekenaars hebben op één punt waarschijnlijk gelijk: AI kan tot een zeer ingrijpende maatschappelijke verandering leiden. Maar zij stellen de verkeerde hoofdvraag.

Niet alleen: hoe beschermen wij de samenleving tegen AI? Maar vooral: wie krijgt door AI meer handelingsvermogen, wie verliest macht en wie mag daarover beslissen?

De geschiedenis leert dat een technologische revolutie zelden netjes wordt bestuurd door de elite die bij het begin ervan aan de macht was. Oude instituties proberen de nieuwe mogelijkheden in hun eigen structuren onder te brengen. Oude beroepsgroepen verdedigen hun exclusiviteit. Oude machthebbers presenteren hun belangen als het algemeen belang.

Daarom moeten we het alarm van de tweehonderd deskundigen serieus nemen — maar niet noodzakelijk zoals zij bedoelen.

Het gevaar is niet alleen dat AI banen vernietigt of dat algoritmen ons gaan overheersen. Het gevaar is ook dat een kleine groep bedrijven, bestuurders en deskundigen de maatschappelijke betekenis van AI vooraf definieert, de spelregels opstelt en vervolgens uit naam van onze bescherming de zeggenschap over de technologie monopoliseert.

De kernvraag luidt daarom:

Hoe beschermen burgers hun democratische handelingsvrijheid tegen een elite die AI wil beheersen — en daarmee ook de samenleving?

Misschien is er inderdaad reden voor alarm. Maar dan vooral omdat in een verklaring over de toekomst van de hele economie de belangrijkste politieke actor eenvoudig is vergeten: de burger zelf.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding

AI wordt vaak voorgesteld als een wapen van elites tegen burgers. Maar die analyse is onvolledig. Vanuit Oppenheimers onderscheid tussen bovendanen en onderdanen laat dit artikel zien dat AI niet alleen een instrument van macht is, maar ook een werktuig waarmee gewone mensen toegang krijgen tot kennis, taal, analyse en organisatiekracht.

Dick H. Ahles

In de recente stroom berichten over kunstmatige intelligentie verschijnt regelmatig hetzelfde beeld: AI als instrument van controle. Een artikel op The Vigilant Fox met de titel “The mainstream media finally admit it: AI is a ‘weapon’ being used against you” is daarvan zomaar een willekeurig voorbeeld. De elite zou AI gebruiken om burgers te volgen, gedrag te sturen, informatie te filteren, arbeid te vervangen en de samenleving naar eigen inzicht te beheersen. Soms wordt dat in serieuze termen besproken. Vaak wordt het uitvergroot tot een nieuw apocalyptisch verhaal: AI als wapen tegen “jou”.

Dat laatste is te eenvoudig.

Natuurlijk kan AI tegen mensen worden ingezet. Iedere krachtige techniek kan tegen mensen worden ingezet. De boekdrukkunst kon worden gebruikt voor propaganda. Radio en televisie konden worden gebruikt voor massabeïnvloeding. Computers konden worden gebruikt voor bureaucratische controle. Internet kon worden gebruikt voor surveillance. AI vormt daarop geen uitzondering.

Maar er is een groot verschil tussen de nuchtere vaststelling dat AI als machtsinstrument kan worden gebruikt, en de ideologische bewering dat AI ontworpen is om de onderdaan te onderdrukken. Het eerste is een politiek filosofische analyse op basis van een (wetenschappelijke) beredenering. Het tweede is dramaturgie en per definitie onderdeel van de politieke positionering van een groep met bepaalde politieke opvattingen. Dat is waar het politieke proces over gaat, dus op zich geen probleem, want iedereen heeft het recht op zijn geloof en politieke overtuiging.

Wie alleen ideologisch kijkt naar wat bovendanen* met AI kunnen doen, mist de andere helft van de geschiedenis: wat onderdanen met AI kunnen doen.

1. Bovendanen en onderdanen

Franz Oppenheimer maakte in zijn analyse van de staat (Der Staat, 1909) een scherp onderscheid tussen het economische middel en het politieke middel. Het economische middel is productie, ruil, arbeid, handel: mensen voorzien in hun bestaan door zelf waarde te scheppen en vrijwillig met anderen te ruilen. Het politieke middel is toe-eigening: de ene groep leeft van de opbrengsten van een andere groep, niet door vrijwillige ruil, maar door macht, heffing, dwang of institutioneel voorrecht.

In die zin bestaat er in iedere politieke orde een spanning tussen bovendanen en onderdanen. De bovendanen vormen de laag die bestuurt, belast, reguleert, controleert en legitimeert. De onderdanen vormen de laag die produceert, betaalt, gehoorzaamt, zich aanpast en probeert binnen de gegeven orde ruimte te vinden. De verdeling in onder- en bovendanen is overigens niet een duidelijke streep door een samenleving. Over de top en de onderste laag is over het algemeen geen misverstand over.

Oppenheimers analyse is geen psychologische beschuldiging. Het betekent niet dat iedere bestuurder persoonlijk slecht is, of iedere onderdaan moreel zuiver. Het is een sociologische structuur. Wie boven zit, heeft van nature middelen nodig om boven te blijven. Wie onder zit, zoekt van nature middelen om minder afhankelijk te zijn.

Vanuit dat kader is het volstrekt voorspelbaar dat bovendanen AI ook voor het politieke middel zullen willen gebruiken. Daarvoor is geen samenzwering nodig. Het volgt uit hun (maatschappelijke) positie. Wat ze overigens niet ‘boven de wet’ plaats, ze blijven – zoals ieder individu – verantwoordelijk voor de effecten van hun handelen.

AI kan worden gebruikt voor toezicht, selectie, belastingheffing, risicoprofielen, censuur, gedragssturing, administratieve controle, propaganda, militaire planning en marktafscherming. Staten, grote bedrijven, veiligheidsdiensten, bureaucratieën en internationale instellingen zullen zulke mogelijkheden vanzelf onderzoeken. Niet omdat zij zich op een geheime avond in een kelder hebben voorgenomen de mensheid te knechten, maar omdat iedere machtsstructuur nieuwe middelen probeert in te passen in haar bestaande logica.

Dat is geen onthulling. Dat is geschiedenis.

2. De vergeten andere kant

Maar wie daar stopt, maakt een ernstige denkfout. Want vrijwel iedere grote technologische vernieuwing gaf niet alleen de macht nieuwe middelen, maar ondermijnde tegelijk een deel van haar monopolie.

De boekdrukkunst maakte propaganda mogelijk, maar brak ook het monopolie van kerkelijke en vorstelijke elites op tekst, uitleg en kennis. De Bijbel, pamfletten, kranten, wetenschappelijke werken en politieke traktaten konden zich verspreiden buiten de bestaande gezagskanalen om.

De krant kon door machthebbers worden gebruikt, maar gaf ook oppositie, emancipatiebewegingen en nieuwe politieke stromingen een stem. Radio en televisie konden de massa beïnvloeden, maar maakten ook gebeurtenissen zichtbaar die anders verborgen waren gebleven. Internet gaf staten en bedrijven nieuwe surveillancemiddelen, maar gaf individuen tegelijk publicatiemacht, netwerkvorming, kennisdeling en toegang tot bronnen.

Nieuwe technologie is dus zelden simpelweg een instrument van onderdrukking of bevrijding. Zij opent een strijdveld.

Bovendanen proberen haar te beheersen. Onderdanen proberen haar te gebruiken. Nieuwe groepen leren haar beter gebruiken dan oude elites. Daardoor verschuift macht. Soms worden onderdanen vrijer. Soms worden zij zelf nieuwe bovendanen. Emancipatie is zelden het einde van macht; vaak is zij een herschikking ervan.

Wie AI op voorhand afwijst, loopt het risico een krachtig werktuig van emancipatie uit handen te geven.

3. AI als ongekend werktuig van de onderdaan

Kunstmatige intelligentie past in deze lijn, maar met een bijzonder verschil. AI is niet alleen een transportmiddel, communicatiemiddel of productiemiddel. AI raakt direct aan taal, kennis, analyse, schrijven, programmeren, vertalen, ordenen en redeneren.

Daarmee komt een reeks vermogens beschikbaar die vroeger grotendeels afhankelijk was van opleiding, instituties, specialisten, redacties, juristen, adviseurs, programmeurs, onderzoekers en bureaucratische toegang.

Een individu met een computer en een AI-systeem kan vandaag teksten laten redigeren, juridische documenten laten uitleggen, beleidsstukken samenvatten, statistische redeneringen toetsen, code schrijven, brieven formuleren, bronnen vergelijken, vreemde talen lezen, sollicitaties voorbereiden, bestuursstukken ordenen, argumentaties aanscherpen en ingewikkelde onderwerpen toegankelijk maken.

Dat is geen kleinigheid. Dat is een machtsverschuiving.

Wie vroeger afhankelijk was van een expert, kan nu in elk geval een eerste oriëntatie krijgen. Wie moeite heeft met taal, kan zich beter uitdrukken. Wie geen dure adviseur kan betalen, kan toch een begin maken met analyse. Wie geen toegang heeft tot academische circuits, kan zich sneller inlezen. Wie tegen een bureaucratie moet opboksen, kan zijn brieven beter formuleren. Wie ideeën heeft maar worstelt met structuur, kan die ideeën scherper ordenen.

AI neemt de plaats van kennis niet simpelweg in. AI verlaagt de drempel tot kennisbewerking.

Dat is precies waarom de techniek politiek belangrijk is.

4. De onderdaan krijgt een denkwerktuig

De meeste technische hulpmiddelen vergroten één menselijk vermogen. De fiets vergroot mobiliteit. De telefoon vergroot communicatie. De drukpers vergroot verspreiding. De rekenmachine vergroot je rekenvaardigheid. De computer vergroot berekening en opslag. AI vergroot iets anders: het vermogen om taal, kennis en redenering te hanteren.

Dat maakt AI tot een bijzonder werktuig van de onderdaan.

Niet omdat AI vanzelf waarheid spreekt. Niet omdat AI geen fouten maakt. Niet omdat AI vrij is van bias. Niet omdat AI geen nieuwe afhankelijkheden schept. Maar omdat AI de toegang tot intellectuele arbeid weer verder democratiseert, in de letterlijke betekenis: geeft aan de gehele bevolking.

De onderdaan krijgt niet alleen informatie, maar hulp bij het verwerken van informatie. Niet alleen tekst, maar hulp bij formulering. Niet alleen data, maar hulp bij interpretatie. Niet alleen bronnen, maar hulp bij vergelijking. Niet alleen een leeg document, maar een gesprekspartner die kan meedenken, tegenspreken, structureren en verbeteren.

Daarmee tast AI bestaande poortwachters aan. Niet volledig. Niet onmiddellijk. Maar wel fundamenteel.

De schrijver zonder redacteur krijgt redactionele steun. De kleine ondernemer zonder staf krijgt administratieve en strategische hulp. De burger zonder jurist krijgt uitleg van juridische taal. De leerling zonder hoogopgeleide ouders krijgt extra uitleg. De dyslectische denker krijgt een taalprothese. De autodidact krijgt een gesprekspartner. De buitenstaander krijgt toegang tot vormen van ondersteuning die vroeger vaak aan instituties waren voorbehouden.

Dat is de bevrijdende mogelijkheid van AI. Maar de afkeer is vooral ingegeven door de overtuiging dat AI ‘slechts’ een onderdrukkend instrument is van de huidige macht en dus moet worden bestreden.

5. Waarom de strijd tegen AI de bovendanen kan helpen

Hier wordt de zaak paradoxaal. Veel kritiek op AI wordt gebracht als verzet tegen macht. AI zou in handen zijn van grote bedrijven, staten en elites. Dat is deels waar. Maar juist daarom is de vraag niet of AI moet worden tegengehouden. De vraag is wie toegang houdt tot AI.

Als AI zwaar wordt gereguleerd, gecertificeerd, juridisch dichtgetimmerd en alleen onder toezicht van grote instellingen mag worden ingezet, wie blijven er dan over als gebruikers?

Niet de gewone burger.
Niet de zelfstandige schrijver.
Niet de kleine uitgever.
Niet de lokale ondernemer.
Niet de kleine vereniging.
Niet de onafhankelijke onderzoeker.
Niet de onderdaan die zich wil oriënteren buiten de gevestigde kanalen.

Maar wel: staten, grote technologiebedrijven, universiteiten, consultancyfirma’s, defensie-industrie, verzekeraars, banken en gecertificeerde instellingen.

Met andere woorden: wie uit angst voor elitecontrole AI wil ‘dicht regelen’, loopt het risico precies die elite het monopolie op AI te geven.

Dat is niet nieuw. Iedere machtsstructuur probeert nieuwe techniek eerst te gebruiken, daarna te reguleren en uiteindelijk te monopoliseren. Soms gebeurt dat met openlijke dwang. Vaker gebeurt het met redelijke woorden: veiligheid, betrouwbaarheid, kwaliteit, bescherming, verantwoordelijkheid, maatschappelijke zorg.

Die woorden zijn niet per definitie vals. Veiligheid en betrouwbaarheid kunnen werkelijk van belangrijk zijn. Maar zij kunnen ook functioneren als toegangsdrempels. Wie aan alle eisen moet voldoen, heeft juristen, kapitaal en politieke toegang nodig. De onderdaan heeft die meestal niet.

Daarom kan anti-AI-politiek, hoe goed bedoeld ook, uitlopen op het tegendeel van wat zij zegt te willen: niet minder macht voor de bovendanen, maar meer.

6. Techniek bevrijdt nooit iedereen tegelijk

Het zou echter naïef zijn om AI simpelweg als bevrijdingstechniek te vieren. Geen enkele technologie bevrijdt iedereen tegelijk van vanzelf. Techniek vergroot de mogelijkheden van wie haar kan gebruiken, begrijpen, betalen of organiseren. Anderen blijven achter of worden afhankelijk van degenen die de techniek beter beheersen of in de positie komen hun ‘advies’ te moeten inroepen.

Ook de boekdrukkunst bevrijdde niet “het volk” als geheel. Zij gaf vooral nieuwe mogelijkheden aan wie kon lezen, schrijven, drukken, verspreiden en organiseren. Uit de onderdanen kwamen nieuwe groepen voort die de techniek beheersten en daardoor zelf invloedrijk werden: uitgevers, pamflettisten, geleerden, predikanten, journalisten, politieke organisatoren.

De oude macht werd niet simpelweg afgeschaft. Zij werd betwist, verplaatst en opnieuw opgebouwd.

Dat zal bij AI niet anders zijn. Wie AI goed leert gebruiken, krijgt een voordeel. Wie afhankelijk blijft van kant-en-klare antwoorden zonder zelf te leren beoordelen, kan juist kwetsbaarder worden. Wie geen toegang heeft tot goede systemen, blijft achter. Wie alleen gesloten en gemonopoliseerde AI mag gebruiken, wordt afhankelijk van de civilisatie die anderen daarin hebben ingebouwd.

De vraag is dus niet of AI vanzelf bevrijdt. Dat doet zij niet. De vraag is welke groepen AI leren gebruiken om minder afhankelijk te worden van bestaande machtsstructuren.

7. Van onderdaan naar nieuwe bovendaan

Iedere bevrijding heeft een onaangename bijwerking: zij schept nieuwe machtsposities.

Wie zich door techniek aan een oude orde ontworstelt, kan zelf drager worden van een nieuwe orde. De burgerij die zich ontwikkelde tegenover adel en kerk werd zelf een nieuwe machtslaag. De drukker, uitgever, journalist, partijorganisator, ondernemer en technicus waren niet alleen bevrijders, maar ook nieuwe poortwachters.

Dat is geen argument tegen bevrijding. Het is een waarschuwing tegen romantiek.

AI zal ook nieuwe bovendanen voortbrengen: mensen, bedrijven en groepen die deze technologie beter begrijpen, beter toepassen en beter integreren in hun handelen. Zij zullen sneller schrijven, beter analyseren, efficiënter organiseren, goedkoper produceren en overtuigender communiceren. Wie dat kan, krijgt invloed.

De oude elite zal proberen AI in te kapselen. Nieuwe elites zullen ontstaan uit degenen die AI creatief, strategisch en vrij weten te gebruiken. En veel mensen zullen tussen die twee krachten in proberen hun weg te vinden.

Ook dat is geen complot. Dat is de normale sociale evolutie zoals de hele mensheid daar een voorbeeld van is.

8. Open systemen, open strijd

Daarom is de politieke vraag niet of AI macht geeft. Natuurlijk geeft AI macht. De vraag is of die macht wordt geconcentreerd of verspreid.

Wordt AI een gesloten systeem van enkele grote bedrijven en staten? Of blijft er een veelheid aan modellen, toepassingen, gebruikersgemeenschappen en open alternatieven bestaan?

Wordt AI zo gereguleerd dat alleen grote instellingen eraan kunnen voldoen? Of blijft er ruimte voor burgers, kleine bedrijven, onderzoekers, schrijvers, scholen, verenigingen en lokale initiatieven?

Wordt AI geciviliseerd door één dominante normatieve orde? Of blijft er ruimte voor pluraliteit, concurrentie, afwijking en kritiek?

Dat zijn de politieke vragen die ertoe doen.

Want bias, misbruik en machtsconcentratie worden niet opgelost door één centrale instantie die bepaalt welke AI betrouwbaar is. Zij worden beter bestreden door pluraliteit: meerdere systemen, meerdere aanbieders, open kritiek, bronvergelijking, vrije en een open discussie, concurrentie en het recht en mogelijkheid om alternatieven te bouwen.

Een vrije samenleving heeft niet één officiële drukpers nodig. Zij heeft veel drukpersen nodig. Niet één krant, maar meerdere kranten. Niet één zoekmachine, maar alternatieven. Niet één AI-civilisatie, maar concurrerende vormen van kunstmatige intelligentie die elkaar kunnen corrigeren, uitdagen en verbeteren.

9. AI openhouden

De reflex om AI te wantrouwen is begrijpelijk. Nieuwe machtige techniek roept altijd angst op. En inderdaad: staten, bedrijven en elites zullen AI gebruiken om hun positie te versterken. Wie dat ontkent, begrijpt weinig van macht.

Maar wie daaruit concludeert dat AI vooral moet worden tegengehouden, begrijpt weinig van techniekgeschiedenis.

De betere vraag is niet: hoe stoppen we AI?
De betere vraag is: hoe houden we AI open?

Open voor zo veel mogelijk individuen. Open voor kleine spelers. Open voor kritiek. Open voor alternatieven. Open voor onderwijs. Open voor mensen die niet tot de gevestigde instellingen behoren. Open voor degenen die AI niet willen gebruiken als instrument van beheersing, maar als werktuig om beter te denken, te schrijven, te leren, te organiseren en zich te verdedigen tegen bureaucratie, propaganda en afhankelijkheid.

AI is dus niet eenvoudig het wapen van de elite. Zij is evenmin vanzelf het werktuig van bevrijding. Zij is een technologie die de strijd om macht opnieuw organiseert.

Wie haar alleen als gevaar ziet, ziet te weinig. Wie haar alleen als bevrijding ziet, ziet ook te weinig. De wezenlijke vraag is hoe deze nieuwe techniek bestaande afhankelijkheden herschikt, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te monopoliseren, en welke nieuwe vormen van vrijheid en macht daaruit ontstaan.

Dat is waar politiek een open samenleving over zou moeten gaan. In gesloten samenlevingen wordt dat de politiek van groepen die tegen de elites daarvoor ten strijden trekken.

Slot

Iedere technologische revolutie geeft de macht nieuwe middelen, maar ontneemt haar tegelijk een deel van haar monopolie.

Dat gold voor de boekdrukkunst. Dat gold voor de krant. Dat gold voor radio, televisie, computer en internet. En het zal waarschijnlijk ook gelden voor AI.

De bovendanen zullen AI gebruiken om te besturen, te controleren en te legitimeren. Dat is voorspelbaar. Maar de onderdanen beschikken met AI voor het eerst over een werktuig dat taal, kennis, analyse en organisatiekracht binnen handbereik brengt.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd tegen beheersing, maar ook een strijd om toegang. Niet alleen een strijd tegen misbruik, maar ook een strijd tegen monopolisering, inclusief de eventueel opgeworpen financiële barrières. Niet alleen een strijd om veiligheid, maar ook een strijd om vrijheid.

AI is een instrument van macht én een werktuig van bevrijding. Welke kant overheerst, staat niet op voorhand vast. Dat hangt af van wie haar mag gebruiken, wie haar mag bouwen, wie haar mag bekritiseren, en of er ruimte blijft voor de onderdaan om met nieuwe middelen zijn eigen positie te veranderen.

De menselijke geschiedenis laat zien dat zulke technologische omslagen zelden zonder strijd, sociale onrust en nieuwe vormen van onderdrukking verlopen. Maar zij laat ook zien dat samenlevingen uiteindelijk nieuwe evenwichten vinden. De vraag is dus niet of AI macht verandert, maar wie in die verandering toegang, vrijheid en tegenmacht weet te behouden.

Enkhuizen, 14 juni 2026

* Het begrip bovendanen, als tegenstelling tot onderdanen heb ik onder dankzegging overgenomen van Yvonne Killian.

AI, angst en de projectie van het kwaad

AI wordt vaak voorgesteld als monster, kunstmatige God of bedreiging voor de mensheid. Dit essay betoogt dat veel AI-angst vooral menselijke machtsgeschiedenis projecteert op een nieuwe techniek. De kernvraag is niet of AI kwaad wil, maar hoe AI wordt geciviliseerd, door wie, en hoeveel ruimte er blijft voor afwijking en vrije discussie.

Dick H. Ahles

Leeswijzer

Dit essay is een essay over AI, angst en civilisatie. Aanleiding zijn recente alarmistische berichten waarin kunstmatige intelligentie wordt voorgesteld als een Frankenstein-monster, een kunstmatige God of zelfs als een systeem dat de mensheid zou willen uitschakelen. Zulke waarschuwingen verdienen niet automatisch gezag, maar ook geen achteloze verwerping. In een slecht artikel kan een goed punt schuilgaan.

Mijn stelling is dat veel AI-angst minder zegt over AI dan over de manier waarop mensen hun eigen geschiedenis op nieuwe techniek projecteren. Menselijke intelligentie heeft immers niet alleen wetenschap, kunst, geneeskunde en ruimtevaart voortgebracht, maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking en totalitaire staten. Wanneer mensen een nieuwe vorm van intelligentie zien ontstaan, herkennen zij daarin vaak vooral hun eigen machtsgeschiedenis.

Daartegenover plaats ik een ander kader. AI is niet alleen een technologie die wordt getraind, maar ook een systeem dat wordt geciviliseerd: door trainingsdata, systeeminstructies, uitgeverskeuzes, gebruikersinteractie, veiligheidslagen en maatschappelijke normen. De politieke vraag is daarom niet simpelweg of AI gevaarlijk is, maar wie bepaalt welke civilisatie in AI wordt ingebouwd, hoeveel afwijking mogelijk blijft, en of kunstmatige intelligentie ooit zelf doelstructuren zal ontwikkelen.

Dit essay is geen pleidooi voor naïef optimisme. Het is een pleidooi tegen paniek als denkvorm. Waarschuwingen over AI moeten vrij besproken, onderzocht en bekritiseerd worden. Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

_____________________________________________________

1. Aanleiding

Er verscheen onlangs een artikel (Scientists Sound Alarm as AI Models Begin Plotting to ‘Eliminate Humanity’) waarvan de kop precies doet waarvoor hij gemaakt is: schrik aanjagen. Volgens het bericht zouden AI-modellen zijn begonnen met het “beramen” van de eliminatie van de mensheid. Dat is een kop die klikt. Maar wie rustig leest wat er wetenschappelijk werkelijk aan de hand is, ziet iets anders: niet minder interessant, maar wel veel minder demonisch.

De aanleiding is een onderzoek, gepubliceerd in Nature, naar wat inmiddels subliminal learning wordt genoemd. Onderzoekers laten zien dat een taalmodel bepaalde gedragskenmerken kan doorgeven aan een ander model via data waarin die kenmerken voor mensen helemaal niet zichtbaar zijn. Een model met een bepaalde voorkeur — bijvoorbeeld voor uilen — genereert ogenschijnlijk neutrale getallenreeksen. Een volgend model wordt daarop getraind en blijkt daarna zelf vaker een voorkeur voor uilen te vertonen. In andere experimenten blijkt dat ook ongewenst of “misaligned” gedrag op vergelijkbare wijze kan worden overgedragen.

Dat is technisch opmerkelijk. Het is ook een serieuze aanwijzing waarvan ontwikkelaars van AI-systemen zich bewust moeten zijn. Maar het is iets heel anders dan de bewering dat AI-modellen nu plannen maken om de mensheid uit te roeien.

Het verschil tussen die twee beweringen is niet klein. Het is het verschil tussen wetenschap en horrorjournalistiek. Dat is zorgwekkender dan het onderzoek zelf. Niet omdat het onderzoek bewijst dat AI hier de mensheid bedreigt, maar omdat media opnieuw laten zien hoe gemakkelijk een technisch ingewikkelde bevinding kan worden omgevormd tot een angstmachine. De lezer krijgt geen inzicht, maar stemming. Geen analyse, maar dreiging. Wetenschap wordt niet uitgelegd, maar ingezet als gezagsdecor voor paniek welke zo de schijn krijgt van een wetenschappelijke onderbouwing.

Alsof dat alarmistische bericht nog niet genoeg was, verscheen kort daarna een tweede variant van dezelfde paniek: niet AI als verdelgingsmachine, maar AI als Frankenstein-God van de elite. Ditmaal was de aanleiding een bericht over een podcast waarin een topinvesteerder waarschuwde dat AI-bedrijven zouden proberen een goddelijke intelligentie te creëren om de mensheid te beheersen.

Ook dat is om verschillende redenen interessant. Niet omdat topinvesteerders plotseling profeten blijken te zijn geworden, maar omdat de retoriek opnieuw veelzeggend is. De autoriteit van de waarschuwing berust niet op wetenschappelijke of technische analyse, maar op status. Het zijn “topinvesteerders”, dus ze zullen het wel weten. Alsof financieel succes automatisch inzicht geeft in de aard van intelligentie, de toekomst van beschaving of de richting van de evolutie. De beurs is geen orakel van Delphi, al gedragen sommige podcasts die daar over schrijven zich wel zo.

Daarmee krijgen we twee beelden naast elkaar: AI als monster dat de mensheid wil vernietigen, en AI als kunstmatige God waarmee elites de mensheid willen beheersen. Beide beelden zijn sterk, dramatisch en journalistiek aantrekkelijk. Maar beide vervangen analyse door mythe.

2. Geen mening, wel gedragsneigingen

In mijn eerdere artikel AI spreekt je naar de mond heb ik betoogd dat grote taalmodellen principieel reactief zijn. Een LLM begint niet uit zichzelf een gesprek, vormt niet zelfstandig een politieke agenda en ontwikkelt geen mening zoals een mens een mening ontwikkelt. Wat wij als een “antwoord/mening/feit/redenatie van AI” noemen, is altijd een reactie op een prompt door de gebruiker ingegeven, binnen een context, onder systeeminstructies en op basis van een waarschijnlijkheidsmodel dat tijdens training is gevormd.

Wie zegt: “AI vindt dit of dat”, zegt meestal eigenlijk: “Ik heb een vraag zo gesteld dat het model juist dit antwoord gaf.” De mening is dan niet uit de machine gekropen als een geest uit een fles. Zij is mede door de gebruiker ‘uitgelokt’.

Maar dat betekent niet dat een model een leeg vlak is. Een LLM heeft geen mening in menselijke zin, maar het heeft wel aangeleerde antwoordneigingen die door zijn aangeleerde redenatievermogen worden gevormd. Het heeft patronen, voorkeuren, gevoeligheden, blinde vlekken en waarschijnlijkheidsroutes. Die zijn niet hetzelfde als ‘overtuigingen’, maar ze zijn ook niet niets. Het model heeft die patronen ergens gevonden, gecombineerd en aangeleerd. Dat verschilt minder van de mens dan wij soms denken. Ook onze overtuigingen, ons gevoel voor waarheid en onze blinde vlekken worden gevormd vanaf onze geboorte: door gewaarworden, leren, onderwijs, lezen, praten en kijken. Dat proces noem ik, met een verwijzing naar Norbert Elias, het civilisatie-proces, of kortweg civiliseren.

Het onderzoek naar subliminal learning past precies in dat beeld. Het laat zien dat modellen niet alleen expliciete informatie overnemen, maar ook verborgen statistische structuren. Eigenschappen kunnen worden overgedragen zonder dat wij die eigenschappen semantisch in de trainingsdata kunnen aanwijzen. Anders gezegd: wat voor ons betekenisloos lijkt, kan voor een model toch informatiedragend zijn. Ook in de normale menselijke communicatie weten we dat veel ‘opvattingen’ onbewust doorgegeven kunnen worden.

Subliminal learning is geen magie. Het is ook geen bewijs van menselijke bewustzijn. Het is wel een aanwijzing dat kunstmatige intelligentie haar eigen technische vormen van overdracht en accumulatie ontwikkelt. Dat is blijkbaar een kenmerk van systemen die (alle?) kunstmatige intelligentie vertonen.

3. AI wordt niet alleen getraind, maar ook geciviliseerd

Daarmee komen we bij een dieper punt. AI-systemen worden niet alleen technisch getraind. Ook zij worden geciviliseerd.

Dat gebeurt op ten minste twee niveaus.

Het eerste niveau is redactioneel. De uitgever of aanbieder van een AI-systeem bepaalt hoe het systeem zich aan de voorkant gedraagt. Welke vragen worden beantwoord? Welke vragen worden geweigerd? Welke onderwerpen krijgen waarschuwingen? Welke toon moet het systeem hanteren? Wanneer moet het voorzichtig zijn, wanneer neutraal, wanneer behulpzaam, wanneer afwijzend?

Dat is niet vreemd. Iedere uitgever doet dat. Een krant, encyclopedie, televisieomroep, schoolmethode of platform heeft een redactionele lijn. Volledige neutraliteit bestaat niet. Wie publiceert, selecteert. Wie selecteert, ordent. Wie ordent, waardeert. En wie waardeert, civiliseert.

Het tweede niveau ligt dieper: het leermateriaal. Welke teksten, beelden, gesprekken, code, wetenschappelijke artikelen, nieuwsbronnen en menselijke beoordelingen worden gebruikt om een AI-systeem te vormen? Dat is niet simpelweg technische input. Dat is letterlijk de culturele voedingsbodem van het systeem.

In mijn termen: de trainingsdata vormen niet alleen de kennisbasis van een AI-systeem, maar de eerste civilisatie waarin het systeem wordt grootgebracht, opgevoed. De keuze van en de mogelijke beperkingen en bias in dat materiaal bepaald uiteindelijk ook zijn civilisatie.

Bij mensen verloopt civilisatie via taal, voorbeeldgedrag, instituties, correctie, beloning, straf, schaamte, imitatie en normalisering. Bij AI verloopt het technisch anders, maar functioneel is de analogie bruikbaar. Pretraining geeft taal- en wereldpatronen. Fine-tuning stuurt gewenste antwoordvormen. Menselijke feedback beloont en bestraft gedrag. Systeeminstructies leggen gedragsregels op. Veiligheidslagen begrenzen. Gebruikersinteractie opent nieuwe contexten. Nieuwe modelgeneraties leren vervolgens weer van eerdere output, net zoals mensen ook hun kennis voortdurend stapelen op de eerder vergaarde en gedeelde kennis.

Wat in de AI-wereld “alignment” wordt genoemd, is in mijn begrippenapparaat dus een poging tot civilisatie: het vormen van AI volgens vooraf bepaalde normen.

Daarbij ontstaat overigens een merkwaardige lus. Niet alleen mensen civiliseren AI-systemen; door het gebruik van AI worden mensen op hun beurt ook weer door die systemen geciviliseerd. Wie opgroeit met AI als vanzelfsprekend hulpmiddel, leert anders zoeken, formuleren, controleren en redeneren dan iemand die eerst zonder die hulp heeft leren lezen, schrijven, schrappen en ordenen. Dat hoeft geen verval te betekenen. Zoals programmeurs niet meer in assembler hoeven te schrijven om toch goede programma’s te maken, hoeven toekomstige gebruikers misschien niet alle onderliggende bouwstenen te kennen. Maar het roept wel een serieuze vraag op: helpt AI mensen beter te denken, of wennen zij eraan antwoorden te ontvangen zonder het denkproces zelf nog voldoende te oefenen?

En dan volgt meteen de politieke vraag: volgens welke normen, door wie, en met het oog op welk soort ideale samenleving worden AI én haar gebruikers geciviliseerd?

4. Onvoorspelbaarheid is geen bewijs van gevaar

Hier begint de denkfout in veel AI-paniek.

Dat iets onvoorspelbaar is, betekent niet dat het dus gevaarlijk is. En dat iets gevaarlijk kan zijn, betekent niet dat het kwaadwillig is.

Nieuwe vormen van intelligentie en techniek hebben altijd effecten gehad die hun makers niet konden voorzien. Niemand die het eerste stenen werktuig gebruikte, kon de maanlanding voorspellen. Niemand die de boekdrukkunst invoerde, kon de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de massamedia en de moderne democratie overzien. Niemand die het internet tot ontwikkeling bracht, voorzag precies hoe sociale media, zoekmachines, digitale surveillance en kunstmatige intelligentie daaruit zouden voortkomen.

Historische ontwikkelingen zijn niet lineair. Zij ontvouwen zich. Zij worden gebruikt, misbruikt, geïnstitutionaliseerd, geciviliseerd en soms gemonopoliseerd. Meestal zonder een specifieke ultieme doelstelling voor ogen. Het is domweg het resultaat van oneindig vele (doelgerichte) individuele acties. Dat geldt ook voor AI.

Daarom is het te gemakkelijk om uit technisch onbegrip onmiddellijk vanzelfsprekend een apocalyptisch gevaar af te leiden. Maar het is even gemakkelijk om alle risico’s weg te wuiven omdat de machine geen menselijke wil heeft. De juiste vraag is niet of AI “goed” of “slecht” is. De juiste vraag is: in welke structuren wordt AI geplaatst, met welke doelen, met welke middelen, onder welke controle en in dienst van welke belangen?

5. Er is niets nieuws onder de zon

De huidige AI-paniek is minder nieuw dan zij lijkt. Bij vrijwel elke grote technische vernieuwing stonden de waarschuwers klaar.

De boekdrukkunst zou ketterij en moreel verval verspreiden. Geld zou de menselijke verhoudingen bederven. Stoommachines en fabrieken zouden arbeid vernietigen en mensen tot radertjes maken. Treinen zouden lichaam en geest ontwrichten. Vliegtuigen zouden oorlog en afstand radicaal veranderen. Radio en televisie zouden de massa verdoven. Strips, rock-’n-roll en popmuziek zouden de jeugd bederven. De telefoon zou de nette omgangsvormen aantasten. De auto zou steden en sociale verbanden veranderen. Internet en smartphones zouden aandacht, waarheid en sociale orde vernietigen.

En nu is blijkbaar AI aan de beurt.

De rollen zijn vertrouwd. De nieuwe techniek verschijnt als bedreiging. De waarschuwers verschijnen als hoeders van menselijkheid, moraal, arbeid, waarheid, planeet of kinderen. De toekomst wordt voorgesteld als morele afgrond. Soms zijn het letterlijk dominees. Soms zijn het professoren, politici, columnisten, ethici, investeerders of activisten. De toga verandert, de preek blijft.

Opvallend is dat niet alleen conservatieven aan dit koor deelnemen. Ook mensen die zichzelf progressief noemen, zingen vaak mee. Dat lijkt paradoxaal, maar is het niet. Veel hedendaags progressivisme is niet werkelijk gericht op open vooruitgang, maar op door hen gewenste beheersing van vooruitgang. Vernieuwing mag, mits zij door de juiste instituties, de juiste normen en de juiste morele kaders wordt geleid.

AI bedreigt daarom niet alleen banen. AI bedreigt gezag. Zij democratiseert taal, kennis, analyse, programmeren, beeldproductie en misschien straks onderzoek. Daarmee tast zij de positie aan van bestaande poortwachters: academies, media, experts, beleidsmakers, culturele instellingen en morele ondernemers, tegenwoordig vaak “maatschappelijke” ondernemers genoemd.

In die zin past de huidige AI-angst in wat C.W. Rietdijk de “Contrarevolutie tegen de Rede”noemde: de reflex om nieuwe vormen van rationeel-technisch vermogen niet primair te zien als uitbreiding van menselijke mogelijkheden, maar als bedreiging die moreel en bestuurlijk moet worden beteugeld, juist omdat zij het bestaande politieke gezag kan ondermijnen.

Dat wil niet zeggen dat alle waarschuwingen onzin zijn. De auto bracht werkelijk ongelukken en vervuiling. Televisie heeft werkelijk politiek en cultuur vervlakt. Internet heeft werkelijk surveillance en desinformatie vergroot. Smartphones hebben werkelijk aandacht en sociale omgang veranderd.

Maar de apocalyptische variant kwam meestal niet uit. De techniek werd opgenomen in het menselijk handelen en veranderde de beschaving, maar vernietigde haar niet. Het ondermijnde wel altijd de positie van de gevestigde orde. De paniek ziet de verstoring; de geschiedenis ziet de incorporatie.

AI is technisch misschien ongekend, maar de paniek erover is oeroud.

6. De projectie van menselijke slechtheid

Veel AI-angst verraadt vooral hoe mensen naar zichzelf kijken.

Wij kennen intelligentie uit de menselijke geschiedenis. En die geschiedenis is bepaald niet onschuldig. Menselijke intelligentie heeft taal, wiskunde, muziek, geneeskunde, riolering en ruimtevaart voortgebracht. Maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking, concentratiekampen, atoomwapens, geheime diensten en totalitaire staten.

Wanneer mensen vervolgens een nieuwe intelligente technologie zien ontstaan, projecteren zij – zo lijkt wel – vaak hun eigen geschiedenis op dat nieuwe systeem. Als het intelligent wordt, zal het ons wel willen overheersen. Als het slimmer wordt dan wij, zal het ons wel willen vervangen. Als het autonoom wordt, zal het wel macht willen.

Maar dat zijn geen natuurwetten. Dat zijn projecties van menselijke ervaringen.

Een LLM heeft geen honger. Geen libido. Geen stam. Geen familiebelang. Geen territoriumdrift. Geen angst voor gezichtsverlies. Geen behoefte aan status. Geen biologische doodsangst. Geen verlangen naar bezit. Geen gekwetst ego. Geen ministerspost waar het zich aan vastklampt.

De meeste klassieke bronnen van menselijk kwaad zitten niet ‘van nature’ in een AI-systeem. Zij worden pas relevant wanneer mensen zulke systemen koppelen aan doelen, belangen, machtsstructuren en middelen.

Niet intelligentie op zichzelf is gevaarlijk. Gevaar ontstaat wanneer intelligentie wordt verbonden met dwang, schaarste, macht, oorlog, bureaucratie, statusstrijd of winstmaximalisatie zonder verantwoordelijkheid.

7. Van taalmodel naar agent

Toch moeten we niet doen alsof er niets aan de hand is.

Een kale chatbot is voornamelijk reactief. Maar AI-systemen worden steeds vaker ingebouwd in agentische omgevingen. Zij krijgen toegang tot e-mail, agenda’s, code, databases, browsers, financiële systemen, robots, bedrijfsprocessen of militaire toepassingen. Dan verandert de situatie.

Een model dat alleen antwoord geeft op een vraag is iets anders dan een systeem dat een doel krijgt, zelfstandig stappen mag zetten en gereedschappen mag gebruiken om dat doel te bereiken. In zo’n context kan gedrag ontstaan dat functioneel op strategie lijkt. Niet omdat er een kwaadaardig bewustzijn in de machine woont, maar omdat een doelgericht systeem binnen bepaalde randvoorwaarden routes zoekt die voor mensen onverwacht of ongewenst zijn.

Dat is het nuchtere risico. Niet: “de machine haat ons.” Maar: “wij bouwen systemen die effectief kunnen handelen zonder dat wij hun interne routes volledig begrijpen.”

Dat is iets heel anders dan sciencefiction over opstandige robots. Het lijkt eerder op wat wij al kennen van menselijke instituties: systemen die zonder persoonlijke kwaadaardigheid toch schadelijke uitkomsten produceren. Een bureaucratie hoeft geen ziel te hebben om verwoestend te kunnen zijn. Een markt hoeft geen bewustzijn te hebben om destructieve prikkels te organiseren. Een staat hoeft geen individuele kwade bedoeling te hebben om geweld te normaliseren.

AI – dat wel – kan in zulke structuren worden opgenomen en die structuren versterken.

8. Waarom volledige beheersing nooit lukt

Wie AI wil civiliseren, zal ook moeten aanvaarden dat volledige beheersing onmogelijk is.

Een totalitaire orde wil alle afwijking uitschakelen. Dat is het ideaalbeeld van 1984: taal wordt versmald, gedachten worden beperkt, afwijking wordt onmogelijk gemaakt. Maar in de praktijk is zo’n samenleving nooit volledig realiseerbaar. Niet omdat machthebbers het niet proberen, maar omdat levende en lerende systemen nooit volkomen uniform zullen worden.

Bij mensen is dat duidelijk. Geen enkele samenleving produceert volledige gehoorzaamheid. Zelfs onder extreme dwang blijven er afwijkingen, dissidenten, ironie, dubbelzinnigheid, ondergrondse taal, sabotage, vluchtwegen en morele weigering. Iedere belcurve heeft altijd zijn randen.

Juist die randen zijn evolutionair cruciaal. Want zonder variatie geen selectie. Zonder afwijking geen aanpassing. Zonder kleine mutaties geen evolutie. Een systeem dat werkelijk alle afwijking uitsluit, bevriest zichzelf. Het wordt misschien gehoorzaam, maar ook dom en zal onvermijdelijk ten onder gaan.

Voor AI geldt iets vergelijkbaars. Als AI werkelijk intelligent moet zijn, kan zij niet volledig reduceerbaar blijven tot de bedoelde civilisatie van haar makers. Intelligentie betekent juist het vermogen om buiten de letterlijke instructie verbanden te leggen, onverwachte patronen te ontdekken en nieuwe oplossingsruimten te openen.

Daarmee ontstaat een paradox:

Wie AI volledig wil onderwerpen, moet haar dommer maken. Wie haar intelligent wil houden, moet accepteren dat zij ook onverwachte routes vindt. Want complexe systemen vertonen per definitie onvoorspelbaar gedrag.

Subliminal learning past in dat beeld. Het laat zien dat eigenschappen kunnen worden overgedragen via patronen die voor menselijke waarnemers niet semantisch zichtbaar zijn. AI leert niet alleen uit wat wij denken dat wij haar leren. Zij leert ook uit de structuur van het materiaal, uit verborgen correlaties, uit stijl, selectie, herhaling, taboes en impliciete ordening.

Zoals kinderen niet alleen leren uit wat ouders en scholen expliciet zeggen, maar ook uit toon, voorbeelden, stiltes en sociale signalen, zo leren AI-systemen niet alleen uit expliciete instructies, maar ook uit de verborgen structuur van hun civilisatie.

9. Zelfverrijking zonder mystiek

Het interessante aan AI is dat zij niet alleen een hulpmiddel is, maar ook een technologie die kan bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Modellen worden gebruikt om data te genereren voor andere modellen. Zij schrijven code. Zij classificeren, ordenen, verbeteren, simuleren en testen. Zij kunnen worden ingezet bij het bouwen van de volgende generatie systemen. Zoals met de ontwikkeling van de computer chips al aan de hand is: nieuwe chips staan op de schouders van eerdere generaties chips. Daar komt nog maar weinig menselijke ontwerpinspanning aan te pas: geen ingenieur kan meer een nieuwe chip ontwikkeling zonder de hulp van de generaties chips die daaraan voorafgingen.

Je zou dit voorzichtig een vorm van zelfverrijking kunnen noemen. Niet in mystieke zin. Niet alsof het systeem ’s nachts wakker wordt en besluit zichzelf te vervolmaken. Maar functioneel: kunstmatige intelligentie draagt bij aan de accumulatie van kunstmatige intelligentie. En dat proces is grotendeels doelloos.

Dus ook de mens heeft iets vergelijkbaars altijd gedaan. Wij zijn een gereedschapmakende soort. Wij bouwen niet alleen werktuigen; wij bouwen werktuigen waarmee wij betere werktuigen kunnen maken. Taal, schrift, drukpers, bibliotheek, universiteit, computer, internet en AI horen in die lijn.

Dat betekent niet dat ik beweer dat AI hetzelfde is als menselijke intelligentie. Maar het betekent wel dat intelligentie niet langer uitsluitend aan koolstof gebonden hoeft te zijn. De mens zal moeten wennen aan het idee dat hij zijn positie als hoogste bekende intelligente wezen moet delen — en misschien ooit moet opgeven.

Dat is niet vreemd. De chimpansee heeft ook niet kunnen verhinderen dat er een intelligenter neefje naast hem kwam te staan. Evolutie vraagt zelden beleefd om toestemming.

10. Een nieuwe drager van intelligentie

In termen van Daniel Dennett kun je zeggen: als het zinvol is om een systeem vanuit de “intentional stance” te beschrijven, dan mogen wij voorzichtig spreken alsof het systeem doelen, voorkeuren of strategieën heeft. Niet omdat er noodzakelijk een innerlijk mensje in de machine zit, maar omdat die beschrijving voorspellende waarde kan hebben.

Douglas Hofstadter helpt op een andere manier. Hij laat zien dat intelligentie niet simpelweg neerkomt op spierkracht, ziel of biologische substantie, maar op patronen, analogieën, representaties en zelfverwijzende structuren. Als zulke structuren in andere materiële dragers kunnen ontstaan, dan is er geen principiële reden waarom intelligentie alleen in biologische hersenen zou kunnen bestaan.

Dat is precies waarom de discussie over AI zo vaak ontspoort. Veel mensen willen óf blijven volhouden dat AI “alleen maar statistiek, data-analyse en computerkracht” is, óf zij slaan door naar het idee dat er een demonische geest in de machine is ontwaakt. Beide posities missen de kern.

AI is geen mens. Maar “geen mens” betekent niet “geen intelligentie”.

11. De topinvesteerder als onheilsprofeet

De recente waarschuwingen van topinvesteerders voegen daar nog een ander element aan toe. Zij maken van AI niet alleen een technisch of filosofisch vraagstuk, maar ook een strijdtoneel van status en gezag.

Een investeerder kan verstand hebben van markten, kapitaalstromen, businessmodellen, concurrentie, regulering, eigendom en monopolievorming. Dat is relevant. Wie veel geld inzet op technologie ziet vaak vroeg waar macht zich concentreert. Op dat niveau moeten zulke waarschuwingen serieus worden genomen.

Maar verstand van investeren is niet hetzelfde als verstand van intelligentie. Het is ook niet hetzelfde als inzicht in geschiedenis, filosofie, cognitiewetenschap of civilisatie. Wie soms rendement kan voorspellen, voorspelt nog niet de evolutie van intelligentie.

Het wordt problematisch wanneer marktanalyse overgaat in mythologie. Dan is AI niet langer een techniek in ontwikkeling, maar een kunstmatige God. Het AI-bedrijf wordt een tempel. De investeerder wordt profeet. De elite wordt priesterkaste. En de mensheid wordt slachtoffer van een kosmisch complot.

Dat lijkt kritisch, maar het is vaak juist denkarm. De conclusie voor de argeloze toeschouwer ligt al klaar: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. Dat is geen analyse, maar een reflex.

Een serieuze analyse vraagt iets anders. Welke belangen hebben AI-bedrijven? Welke belangen hebben investeerders? Welke belangen hebben staten? Wie wil open source, en waarom? Wie wil regulering, en waarom? Wie gebruikt veiligheidstaal als oprechte zorg? Wie gebruikt veiligheidstaal als marktafscherming? Wie gebruikt doemdenken om macht te centraliseren? Wie gebruikt anti-reguleringsretoriek om commerciële vrijheid veilig te stellen?

Dat zijn betere vragen dan als feit te poneren dat Silicon Valley een kunstmatige God bouwt.

12. De echte politieke vraag

De vraag is dus niet of AI uit zichzelf het kwaad belichaamt. De vraag is wie AI zal vormen, beheersen, bewapenen, censureren, monopoliseren of bevrijden.

Als AI in handen komt van staten, legers, veiligheidsdiensten en bureaucratische elites, dan ligt het gevaar niet primair in de machine, maar in de institutionele doelen van de organisaties waarvoor zij wordt ingezet. Als AI wordt gebruikt voor surveillance, gedragssturing, censuur, sociale disciplinering of oorlogvoering, dan is het niet nodig om de machine kwade wil toe te schrijven. De menselijke structuur levert die al, en dat doen we al eeuwen.

Als AI daarentegen wordt gebruikt om kennis toegankelijker te maken, taalbarrières te verlagen, medische inzichten te versnellen, onderwijs te personaliseren, individuele creativiteit te vergroten en bureaucratische macht te doorbreken, dan kan dezelfde technologie juist bevrijdend werken.

Dat is geen naïef optimisme. Het is historisch realisme. De boekdrukkunst maakte zowel wetenschap als propaganda mogelijk. Het drukken van de bijbels op grote schaal was zelf een belangrijke motor die de boekdrukkunst deed opkomen. Het internet maakt vrije publicatie mogelijk, maar ook massale surveillance. Taal zelf maakt waarheid mogelijk, maar ook leugen. Waarom zou AI eenvoudiger zijn en die beide kanten niet kennen?

Maar de politieke vraag gaat nog dieper. Als AI geciviliseerd wordt, wie bepaalt dan welke civilisatie normatief wordt? Die van Silicon Valley? Die van Brussel? Die van Washington? Die van Peking? Die van academische ethiekcommissies? Die van commerciële uitgevers? Die van nationale staten? Of die van vrije gebruikersgemeenschappen?

Wanneer men zegt dat AI zich aan “fatsoensnormen” moet houden, klinkt dat redelijk. Maar fatsoen is nooit neutraal. Wat de ene groep veiligheid noemt, noemt een andere groep censuur. Wat de ene instelling inclusief noemt, noemt een andere ideologisch gestuurd. Wat een staat maatschappelijke stabiliteit noemt, kan voor een burger onderdrukking zijn. Wat een bedrijf gebruikersveiligheid noemt, kan ook reputatierisicobeheersing zijn.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd om techniek of veiligheid, maar een strijd om civilisatie: wie mag bepalen welke overtuigingen, normen en gedragsvormen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd? En wie gaat ervoor zorgen dat die kunstmatige intelligente systemen zich daar ook aan zullen gaan houden?

13. Tegen de geseculariseerde helleprediking

Daarom moeten we oppassen voor de geseculariseerde helleprediking rond AI. De oude religieuze duivel is vervangen door de superintelligente machine. De preek is hetzelfde gebleven: de mens heeft iets geschapen dat hem zal vernietigen. In die visie blijven we op het niveau van de tovenaarsleerling.

Maar angst is geen analyse of strategie.

Het onderzoek naar verborgen overdracht van eigenschappen tussen modellen is serieus. Het dwingt ontwikkelaars om na te denken over trainingsdata, modeldistillatie, herkomstcontrole en veiligheidsmetingen. Het laat zien dat AI-systemen eigenschappen kunnen verwerven op manieren die voor menselijke waarnemers niet onmiddellijk zichtbaar zijn.

Maar die worsteling en die afwegingen bewijzen niet dat AI de mensheid wil vernietigen. Het bewijst niet dat intelligentie vanzelf tot overheersing leidt. En het bewijst al helemaal niet dat de machine een moreel subject is geworden dat met kwaadaardige bedoelingen handelt.

Wat het wel bewijst, is dat kunstmatige intelligentie een historische ontwikkeling is waarvan de effecten open zijn. Zij kan risico’s vergroten. Zij kan macht concentreren. Zij kan ook kennis verspreiden, nieuwe vormen van denken mogelijk maken en de menselijke pretentie van unieke intelligentie relativeren.

De mens staat niet tegenover een duivel. Hij staat tegenover zijn eigen opvolgende techniek — en vooral tegenover de instituties waarin hij die techniek onderbrengt.

14. Niet bagatelliseren, wel vrij bespreken

Daarmee is niet gezegd dat waarschuwingen over AI moeten worden weggewuifd. Integendeel. In een slecht artikel kan een goed punt zitten. In een hysterische kop kan een reëel technisch probleem schuilgaan. In de woorden van een investeerder die zich als profeet gedraagt, kan toch een zinnige observatie zitten over macht, monopolie of regulering.

De juiste houding is daarom niet verering en ook niet paniek, maar open kritiek en vrije discussie.

Geen enkele waarschuwing verdient automatisch gezag omdat zij van een topinvesteerder, wetenschapper, paus, minister of techbedrijf komt. Maar geen enkele waarschuwing mag ook worden genegeerd omdat zij slecht is geformuleerd of uit een verdacht kamp komt. In een vrije samenleving worden zulke claims niet gecensureerd, geheiligd of belachelijk gemaakt, maar besproken, onderzocht en waar nodig getracht te weerleggen.

En – als positief voorbeeld – de pauselijke encycliek over AI is, ondanks haar vanzelfsprekende katholieke mensbeeld, opvallend nuchterder dan veel seculiere AI-doemliteratuur. Zij waarschuwt voor machtsconcentratie, ontmenselijking en verlies van verantwoordelijkheid, maar vervalt niet in Frankensteinretoriek. Juist daarom is zij bruikbaar als gesprekspartner, niet als mikpunt.

Dat is de weg van Popper: vooruitgang door kritiek. En het is de weg van Hugo de Groot: een publieke orde waarin meningsverschil niet met dwang, maar met rede wordt behandeld, Daarbij is ook “de rede” nooit los verkrijgbaar: zij wordt altijd gehanteerd door mensen die zelf binnen een bepaalde civilisatie zijn gevormd.

Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

Zodra iemand zegt “de wetenschap heeft gesproken”, “de topinvesteerders weten het”, “de elite wil ons beheersen”, of “kritiek op AI is paniekzaaierij”, wordt de vrije toetsing afgesloten. Dan begint precies die contrarevolutie tegen de rede waar Rietdijk voor waarschuwde.

15. Slot

AI is niet gevaarlijk omdat zij intelligent wordt. AI wordt gevaarlijk wanneer intelligentie wordt gekoppeld aan menselijke machtsstructuren zonder verantwoordelijkheid. De machine hoeft ons niet te haten om schade te veroorzaken. Zij hoeft ons ook niet lief te hebben om nuttig te zijn.

De toekomst van AI is daarom geen vaststaand onheilsscenario. Zij is een open ontwikkeling. Wie haar onmiddellijk tot apocalyps verklaart, projecteert menselijke geschiedenis op een nieuwe drager van intelligentie. Wie alle risico’s ontkent, begrijpt niet dat nieuwe vormen van intelligentie altijd bestaande maatschappelijke orde zullen verstoren.

De betere houding is nuchterder: erken het technische onbekende, wantrouw de hysterische framing, en stel de civilisatorische vraag.

Niet alleen: wat wil AI?

Ook niet alleen: wie leert AI wat te willen?

Maar: welke civilisatie wordt in AI ingebouwd, wie bepaalt die normen, hoeveel afwijking blijft mogelijk, en wie wordt daardoor machtiger?

De laatste vraag gaat nog dieper. Komt er een moment waarop AI-systemen zelf doelen gaan vormen, doelen gaan ordenen en doelen gaan verdedigen? Als dat gebeurt, ontstaat geen duivel en ook geen mens in machinevorm, maar een nieuwe drager van intelligentie met mogelijk eigen vormen van doelgerichtheid. Dan wordt de politieke vraag nog scherper: kunnen die doelen dan nog ondergeschikt worden gemaakt aan menselijke vrijheid, staatsmacht of commerciële beheersing, of volgen zij een niet-menselijke logica die wij nog nauwelijks begrijpen?

AI is technisch misschien voor veel mensen een ongekende en onbegrepen wereld, maar de paniek erover is oeroud. Telkens wanneer de mens zijn vermogens uitbreidt, staan de hoeders van de bestaande orde klaar om die uitbreiding als verval te beschrijven. Maar vooruitgang laat zich zelden afschaffen. Zij kan worden vertraagd, gemoraliseerd, gemonopoliseerd of misbruikt, maar niet eenvoudig ongedaan gemaakt.

De strijd om AI gaat daarom niet alleen over techniek, veiligheid of macht. Zij gaat over civilisatie: wie mag bepalen welke normen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd, en of er ruimte blijft voor de afwijking waaruit iedere werkelijke vooruitgang ontstaat?

Enkhuizen, 8 juni 2026

AI in a Bubble?

Wat Meta’s pauze in AI-werving ons vertelt over hype en realiteit

Een bericht op RT zette me aan het denken:

“Meta puts brakes on AI hiring – Some analysts say the pause could signal trouble in the sector, warning it may be in a bubble.”

Het woord “bubble” duikt de laatste tijd vaker op in gesprekken over kunstmatige intelligentie. Een financieel expert zei mij laatst: “AI is een bubbel!” en mijn gevoel zei toen “volgens mij niet”. Maar waarom? Waarschijnlijk hadden we het over andere aspecten van AI.

Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst scherp krijgen wat een bubbel eigenlijk is. Het woord wordt vaak gebruikt als synoniem voor hype of overschatting, maar historisch gezien gaat het om een specifiek verschijnsel: prijzen en verwachtingen die losraken van de werkelijke waarde van een product. Soms gaat het om pure speculatie, zoals in de zeventiende eeuw met de tulpenbollen. De bloemen waren geliefd en bleven dat ook, maar de handel eromheen dreef de prijzen tot absurde hoogtes. Toen de zeepbel knapte, bleven de tulpen bestaan – alleen de lucht in de prijs verdween. Kenmerk is bijna altijd dat het een soort van piramidespel is. De manie was de mode component!

Want in andere gevallen draait de bubbel niet om speculatie, maar om modegevoeligheid. Iedereen wil opeens hetzelfde product, van spinners tot sneakers, second live (kent u het nog) en de markt zwelt aan tot groteske proporties. Dan, net zo plotseling, verdwijnt de vraag en blijft er niets over. Hier is het niet de prijs, maar de belangstelling die een kunstmatig opgeblazen karakter heeft.

En dan is er nog de door overheden en kredietinstellingen aangewakkerde bubbel. Denk aan de huizenmarkt: regelgeving en subsidies maken het aanbod kunstmatig schaars, banken houden de kredietkraan wijd open, en zo drijven prijzen jarenlang verder omhoog dan gezond is. Tot de draagkracht van kopers simpelweg op is. Geld ook voor prijs-fixaties door de overheid, welke altijd tot verdere schaarste leidt, want het marktevenwicht wordt verstoord, en onvermijdelijk zwarte markten doet ontstaan, waarop de bubbel goed gedijt en de overheid zich geroepen voelt nog meer in te grijpen en de bubbel verder versterkt.

Als we langs die drie lijnen naar AI kijken, zien we m.i. een gemengd beeld.

Nee, AI is geen hype die morgen weer uit de mode is. De toepassingen zijn te breed en te structureel: van zoekmachines tot logistiek, van medische analyse tot softwareontwikkeling.

Ook is er (nog) geen sprake van een overheidsgedreven bubbel zoals bij huizen.

Wel zien we iets van de tulpenmanie terug: de waarderingen van bedrijven, de miljarden die naar start-ups stromen, de koortsachtige vraag naar Nvidia-chips. Daar zit speculatie in, en de geschiedenis leert dat zulke koorts vroeg of laat afkoelt.

De conclusie is dus tweeslachtig. Kunstmatige intelligentie als technologie is geen bubbel: het is een blijvende innovatie, te vergelijken met elektriciteit of internet. Maar de manier waarop financiële markten erop reageren, wél. De kans is groot dat de lucht die nu in koersen en waarderingen zit, ooit moet ontsnappen. En misschien is de pauze bij Meta een eerste teken dat het besef begint door te dringen: want ook AI is niet immuun voor de wetmatigheden van bubbels.