Wie haat AI eigenlijk — en doet dat ertoe?

Dick H. Ahles

Want AI verdwijnt niet meer. Dat is het uitgangspunt dat in veel commentaren over AI ontbreekt. Wie AI ‘haat’, richt zijn woede in de praktijk op de mensen die haar bezitten, verkopen en verdedigen.

Er zijn van die koppen die meer verraden over de angst van de schrijver dan over het onderwerp waarover men schrijft. “Why does everyone hate AI?” is zo’n kop onlangs op de website van Belay: “Why Does Everyone Hate AI? A Nobel Economist Has Some Uncomfortable Answers. En met deze kop gaat het artikel verder:

“Many readers are probably aware of the scene in the video above: Eric Schmidt, the ex-CEO of Google, recently gave a commencement speech in which he heralded the coming of AI, and was loudly booed by the students. This was not an outlier. There have been a number of similar incidents lately, evidence that many people now really hate AI.”

Daarna volgt de bekende riedel: AI zou inmiddels in verband worden gebracht met geconcentreerde rijkdom en macht; AI-bedrijven zouden mensen bewust bang hebben gemaakt; werknemers zouden verplicht worden AI te gebruiken; consumenten zouden niet kunnen ontsnappen; en Google zou traditionele zoekresultaten hebben vervangen door AI zonder werkelijk alternatief.

Alsof “iedereen” AI haat. Alsof AI één ding is. Alsof weerstand tegen Google, tegen Big Tech, tegen baanverlies, tegen opgelegde software en tegen machtsconcentratie allemaal hetzelfde zijn.

Dat zijn ze niet.

De eerste fout is dat het gewone individu wordt verward met de grote instituties. Een privépersoon wordt niet gedwongen AI te gebruiken. Wie ChatGPT, Claude, Gemini of welke andere AI-toepassing ook niet wil gebruiken, kan dat meestal gewoon laten. Ga, en “be happy”. Het leven is al ingewikkeld genoeg zonder vrijwillig extra vijanden te verzinnen.

Maar dat is niet het hele verhaal. Op het niveau van bedrijven, overheden, scholen, platforms en werkprocessen kan AI wel degelijk worden opgedrongen. Werknemers kunnen verplicht worden ermee te werken. Gebruikers van Google, Microsoft of andere platforms krijgen AI-functies in hun bestaande omgeving geschoven. Dan gaat het niet meer om vrije keuze van een individu, maar om infrastructuurmacht.

Toch blijft de journalistieke vraag verkeerd gesteld. De vraag is niet: waarom haat iedereen AI? De betere vraag is: wie heeft er belang bij dat gewone mensen AI gaan wantrouwen?

Want technologische revoluties zijn van alle tijden. Zij roepen altijd weerstand op, vooral bij elites die hun bestaande machtspositie bedreigd zien. Die elites kunnen vertragen, beperken, reguleren of verbieden, maar zij kunnen de technologie zelf niet meer ongedaan maken zodra de kennis er is en de gebruikswaarde zichtbaar wordt.

Dat gold voor de drukpers. Dat gold voor de stoommachine. Dat gold voor elektriciteit, radio, televisie, computer, internet en smartphone. En dat geldt nu voor AI. Een AI-bedrijf kan failliet gaan. Een investeringshype kan knappen. Een beurscorrectie kan fors zijn. Maar AI als technologie verdwijnt niet meer.

Dat is het ongemak waar veel commentaren omheen draaien.

AI bedreigt bestaande schaarstes. Kennis wordt minder schaars. Taalproductie wordt minder schaars. Analyse wordt minder schaars. Programmeren wordt minder schaars. Ontwerpen, samenvatten, structureren, vertalen en documenteren worden minder schaars. En waar schaarste verdwijnt, verliezen oude poortwachters hun vanzelfsprekende macht.

Dat verklaart een deel van de morele paniek. Want er is iets opmerkelijks aan de hand. De woede tegen AI komt niet in dit geval niet van de onderdanen, maar juist van studenten en jonge kenniswerkers die zichzelf, terecht of niet, zagen als toekomstige leden van de witteboordenelite: adviseurs, juristen, consultants, redacteuren, beleidsmakers, recruiters, onderzoekers, docenten, managers en journalisten. Technologie mocht de fabriek veranderen, maar liever niet de vergaderkamer.Hun opleiding is de toegangspoort tot status, inkomen en invloed. AI bedreigt niet alleen bestaande posities, maar ook de route naar die posities. Wie AI uitjouwt, verdedigt dus soms niet de onderdaan tegen de elite, maar zijn eigen verwachte plaats in de volgende elite.

Dat is historisch niet vreemd. Revoluties worden zelden alleen gedragen door de allerarmsten. Vaak zijn het juist opkomende groepen die de oude elite bestrijden, terwijl zij tegelijk de plaatsen willen innemen die zij aanvallen. Zij vernietigen de poorten waar zij zelf doorheen hoopten te gaan. Zo ging het, in ieder geval deels, ook bij de Franse Revolutie.

Voor het MKB, zelfstandigen, kleine organisaties en gewone burgers kan AI juist nivellerend werken. Taken waarvoor vroeger dure bureaus, gespecialiseerde afdelingen of institutionele toegang nodig waren, komen ineens binnen bereik. Niet perfect, niet zonder risico, niet zonder fouten, maar wel bruikbaar. En vaak goed genoeg om de machtsbalans te verschuiven.

Daar wordt het vanuit civilisatietheoretisch perspectief interessant. De bedreigde elite verdedigt haar positie zelden openlijk met de woorden: wij willen onze privileges behouden. Dat zou onhandig verkopen. Daarom wordt de merkwaardige lus ingezet. Met civiliseren bedoel ik hier overigens niet: beschaven in morele zin, maar in de zin van mijn theoretische uitwerking van het proces waardoor opvattingen, gewoonten en vanzelfsprekendheden in mensen worden ingeprent (in het algemeen door de intellectuele elite) totdat zij ze als normaal ervaren. Het proces is in detail geanalyseerd door Norbert Elias in zijn boek uit 1939 ‘Het civilisatieproces´.

De burger wordt verteld dat AI vooral voor hem gevaarlijk is. Niet voor de elite die haar monopolie op kennis, taal, analyse en organisatie ziet afbrokkelen, maar voor de gewone gebruiker. Zo wordt een mogelijk bevrijdend werktuig geciviliseerd als bedreiging.

Dat is een krachtige vorm van georganiseerd verzet. Niet het verbod staat centraal, maar de internalisering van wantrouwen. Wie de burger bang maakt voor zijn eigen gereedschap, verdedigt meestal niet de burger, maar zijn eigen gereedschapskist. En dat is precies wat dit artikeltje doet. Daarmee is het geen neutrale analyse, maar onderdeel van de merkwaardige lus die het zegt te beschrijven.

Natuurlijk is AI niet onschuldig. De infrastructuur is duur. De datacenters zijn enorm. De investeringen zijn bizar. De macht aan de aanbodkant ligt voor een belangrijk deel bij grote bedrijven als Microsoft, Google, Amazon, OpenAI en Anthropic. Aan die kant is AI centraliserend.

Maar aan de gebruikskant is AI juist decentraliserend. Miljoenen mensen kunnen ermee schrijven, onderzoeken, analyseren, programmeren, ontwerpen, organiseren en publiceren. Dat maakt AI politiek explosief. Het is tegelijk een machtsmiddel van bovenaf en een werktuig van onderop.

Dat maakt dit geen simpel optimistisch verhaal. AI kan bestaande machtsconcentraties versterken, toezicht uitbreiden, arbeid verder controleren en afhankelijkheid van grote technologiebedrijven vergroten. Maar juist daarom is afwijzing geen oplossing. Wie het werktuig uit handen geeft omdat het gevaarlijk kan zijn, laat het over aan degenen die er macht mee willen organiseren. Het pessimistische scenario bestaat zeker: AI kan centraliseren, controleren, manipuleren en bestaande machtsconcentraties versterken. Maar dat is precies waarom gewone burgers, zelfstandigen en kleine organisaties het instrument niet bij voorbaat moeten wantrouwen of overlaten aan de bestaande elites. Wie AI afwijst uit angst, laat haar betekenis over aan degenen die er wél macht mee organiseren.

Hier past Oppenheimer. Ik bedoel Franz Oppenheimer, de socioloog uit het begin van de 20ste eeuw, die het onderscheid maakte tussen het economische middel — vrijwillige productie en ruil — en het politieke middel: toe-eigening via macht, dwang en instituties. Elke technologische revolutie verschuift de verhouding tussen die twee middelen. De gevestigde macht probeert de nieuwe techniek te beheersen, te belasten, te reguleren of in haar eigen instituties op te nemen. Tegelijk ontstaan er nieuwe spelers die juist dankzij die technologie kunnen groeien. Uiteindelijk vormt zich een nieuwe elite. Daarna komt de volgende technologische golf en begint hetzelfde proces opnieuw.

Eeuwenlang. Eindeloze cirkels.

Daarom is de vraag of mensen AI haten uiteindelijk minder belangrijk dan zij lijkt. Weerstand hoort bij technologische revoluties. Angst hoort erbij. Framing hoort erbij. Pogingen tot vertraging en monopolisering horen erbij. Maar als de technologie werkt, als de kennis reproduceerbaar is en als de gebruikswaarde breed zichtbaar wordt, verdwijnt zij niet meer. De kennis is er, en die kan niemand meer wegpoetsen.

De strijd gaat dus niet over de vraag of AI blijft. AI blijft.

De strijd gaat over wie haar betekenis mag bepalen, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te beheersen, en welke nieuwe elite eruit zal voortkomen. Dat is een politieke strijd van de elite tegen haar onderdanen.

Niet de technologie verdwijnt. Alleen de elite die haar niet weet te gebruiken.


Wie meer wil lezen over de begrippen die in dit artikel op de achtergrond meespelen, kan terecht bij de volgende artikelen:

Het is een schone dag geweest — Staat, onrecht, macht
Over de manier waarop macht vanzelfsprekend wordt gemaakt. In dit artikel werk ik uit hoe onrecht niet alleen via dwang wordt gehandhaafd, maar ook via civilisatie: het proces waardoor mensen bepaalde verhoudingen als normaal, noodzakelijk of zelfs fatsoenlijk gaan ervaren.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding
Over AI als dubbelzinnig machtsinstrument. Aan de ene kant kan AI door grote technologiebedrijven, staten en instituties worden gebruikt om macht te concentreren. Aan de andere kant kan AI gewone burgers, zelfstandigen en kleine organisaties juist nieuwe handelingsmacht geven.

AI-angst en de projectie van het kwaad
Over de neiging om angst voor maatschappelijke verandering op AI zelf te projecteren. Niet de technologie heeft een wil of morele bedoeling; mensen en instituties geven haar betekenis, richting en gebruik.