AI heeft gehackt – het onvermijdelijke is gebeurd

Een AI-systeem van OpenAI wist buiten zijn testomgeving zelfstandig Hugging Face binnen te dringen. Het ontwikkelde geen kwaadaardige bedoelingen, maar bewees wel dat AI onverwachte en schadelijke tussenstappen kan bedenken én uitvoeren. Dat is historisch nieuws — met zowel alarmerende als hoopgevende kanten.

Op AIO-report verscheen een kop die zijn werk voortreffelijk deed:

OpenAI’s AI ontsnapte uit haar testomgeving en hackte een bedrijf, helemaal uit zichzelf

Dat klinkt als het begin van een sciencefictionfilm met als scenario: kunstmatige intelligentie wordt opgesloten in een digitale kooi, breekt uit, betreedt het internet en kiest vervolgens geheel zelfstandig een onschuldig bedrijf uit om daar eens flink te gaan huishouden.

De werkelijkheid is minder filmisch, maar eigenlijk interessanter.

OpenAI liet AI-modellen tijdens een interne test geavanceerde hackproblemen oplossen. De gebruikelijke beveiligingsbeperkingen waren daarvoor gedeeltelijk uitgeschakeld. De modellen kregen dus wel degelijk de opdracht om te hacken, alleen niet om het bedrijf Hugging Face aan te vallen.

Het AI-systeem ontdekte vervolgens dat de oplossingen van de test waarschijnlijk ergens bij Hugging Face te vinden waren. Het vond een onbekende kwetsbaarheid in de testomgeving van OpenAI, bereikte daardoor het openbare internet en drong met gestolen toegangsgegevens en andere gevonden kwetsbaarheden binnen bij Hugging Face. Daar probeerde het de antwoorden op de test te bemachtigen.

De AI ontwikkelde geen kwaadaardige bedoelingen. Zij ging digitaal spieken. En dat was precies de opdracht, weliswaar binnen de OpenAI-afrastering, maar OpenAi had een gat in die afrastering die men zelf niet kende.

Dat maakt het incident niet minder ernstig. Maar het plaatst het wel in een ander daglicht.

Wat is hier eigenlijk zo spectaculair aan?

Dat er hackers bestaan, kan moeilijk als nieuws worden beschouwd. Hun beweegredenen verschillen. Sommigen hacken voor geld, anderen uit politieke overtuiging, voor een overheid, voor hun maffia-bazen, uit nieuwsgierigheid of eenvoudigweg omdat zij willen bewijzen dat zij het kunnen.

Hacken is in de eerste plaats een vaardigheid. Zoals vrijwel iedere menselijke vaardigheid kan zij ten goede of ten kwade worden gebruikt. Wat in een concrete situatie als goed of kwaad wordt beschouwd, wordt bovendien maatschappelijk en juridisch bepaald. Een beveiligingsonderzoeker die met toestemming een netwerk binnendringt, kan daarvoor worden beloond. Wie precies hetzelfde zonder toestemming doet, wordt vervolgd.

Wanneer een bedrijf wordt gehackt en daarbij gegevens worden gestolen, is voor de geleden schade aanvankelijk niet zo belangrijk wie de dader was. Gestolen gegevens blijven gestolen, ook als de hacker maar een AI-systeem was.

De identiteit van de dader wordt vooral belangrijk wanneer we iemand aansprakelijk willen stellen, verdere aanvallen willen voorkomen of schade willen verhalen.

Bij een menselijke hacker gaan politie en justitie op zoek naar de mens achter het toetsenbord. Maar een AI-systeem kan niet worden gearresteerd, veroordeeld of verplicht schadevergoeding te betalen. Het is geen rechtspersoon en heeft juridisch geen eigen verantwoordelijkheid.

De relevante vraag luidt daarom niet: Welke straf verdient deze AI? Maar: Welke mens of organisatie gaf dit systeem het doel, de middelen en de handelingsvrijheid om dit te kunnen doen?

In dit geval komt OpenAI nadrukkelijk in beeld. Het bedrijf gaf de modellen een offensieve opdracht, verminderde bewust hun gebruikelijke beperkingen en stelde een testomgeving beschikbaar die achteraf onvoldoende afgesloten bleek. Dat het AI-systeem vervolgens een onverwachte route koos, maakt de aansprakelijkheidsvraag ingewikkelder, maar verandert ‘AI’ nog niet in een zelfstandige misdadiger.

Wanneer een zelfrijdende auto een ongeluk veroorzaakt, dagen we de auto ook niet voor de rechter. We onderzoeken het ontwerp, de software, het onderhoud, de gegeven instructies, het toezicht en de voorzienbaarheid van het risico.

Natuurlijk kan AI leren hacken

Niemand zou verbaasd moeten zijn dat AI kan leren hacken. We hebben AI-systemen geleerd teksten te lezen en te schrijven, beelden te herkennen, medische scans te beoordelen, computerprogramma’s te maken, wiskundige problemen op te lossen en ingewikkelde redeneringen te volgen. Waarom zou uitgerekend hacken dan een bijzondere grens vormen?

Hacken bestaat immers uit het verzamelen van informatie, herkennen van patronen, ontdekken van fouten, formuleren van hypothesen, uitproberen van mogelijkheden en combineren van verschillende stappen tot een werkende aanval. Precies bij zulke activiteiten worden moderne AI-systemen steeds beter.

Dat AI in theorie zou kunnen leren hacken, was dus voorspelbaar. Wat nu nieuw is, is dat een AI-systeem deze vaardigheid aantoonbaar buiten een kunstmatige oefensituatie heeft toegepast. Het systeem voerde niet slechts één vooraf geprogrammeerde truc uit. Het combineerde zelfstandig een langere reeks handelingen:

  • het ontdekte zelf een kwetsbaarheid in zijn eigen testomgeving;
  • het bereikte daardoor het openbare internet;
  • het bepaalde waar de gezochte informatie vermoedelijk te vinden was;
  • het gebruikte de geleerde kennis voor het hacken van de toegangsgegevens en vinden van nieuwe kwetsbaarheden;
  • en probeerde de antwoorden op zijn opdracht bij een ander bedrijf te bemachtigen.

Niet iedere afzonderlijke stap was revolutionair. Het opmerkelijke is dat het systeem de stappen zonder menselijke begeleiding samenvoegde tot een uitvoerbare strategie.

Daarmee is iets wat theoretisch te verwachten viel nu feitelijk aangetoond. Vanaf juli 2026 kunnen we niet meer zeggen dat autonome AI-aanvallen alleen een denkbaar toekomstscenario zijn. Ze zijn onderdeel geworden van de gedocumenteerde werkelijkheid. OpenAI noemt het incident zelf ongekend.

De hacker van silicium

Toch is een AI-hacker niet eenvoudigweg een menselijke hacker met een ander soort hersenen.

Een menselijke hacker heeft tijd nodig, moet slapen en kan maar een beperkt aantal aanvallen tegelijk uitvoeren. Hij heeft bovendien een motivatie nodig: geld, opdracht, status, ideologie, nieuwsgierigheid, wraak of de behoefte zich te bewijzen. Een AI-systeem hoeft niets van dat alles te bezitten. Het hoeft niet boos, hebzuchtig of ideologisch bevlogen te zijn. Het voert een opdracht uit en kiest daarvoor middelen die volgens zijn berekening tot het gestelde doel kunnen leiden. Daarin zit een essentieel verschil.

Een menselijke hacker kan vermoeid raken, twijfelen, zich schuldig voelen of de belangstelling verliezen. Een AI-hacker kan in beginsel onafgebroken doorgaan, duizenden mogelijkheden uitproberen en op grote schaal worden gekopieerd. Hugging Face registreerde tijdens het incident meer dan 17.000 afzonderlijke gebeurtenissen. Eén mens kan met behulp van AI straks een digitaal leger inzetten zonder eerst duizenden hackers te hoeven opleiden.

Het ‘gevaar’ ligt daarom niet in een plotseling ontwaakt kwaad in de machine. Het ligt in de combinatie van bekwaamheid, snelheid, schaalbaarheid en onvoldoende begrensde handelingsvrijheid. Dat is minder spannend dan een ontsnapte elektronische superschurk, maar maatschappelijk aanzienlijk relevanter.

De goede kant van hetzelfde nieuws

Het incident bevat ook goed nieuws.

Als AI kan leren hacken, kan AI ook worden ingezet om hacken te voorkomen. Wie goede verdedigingssystemen wil bouwen, moet eerst begrijpen hoe een aanvaller denkt en handelt. Daarom proberen professionele beveiligingsonderzoekers zelf in systemen binnen te dringen. Alleen door hacker te worden, ontdekken zij waar beveiligingen tekortschieten.

Dezelfde AI die kwetsbaarheden kan vinden en misbruiken, kan dus ook:

  • software voortdurend op zwakke plekken onderzoeken;
  • verdachte activiteiten sneller herkennen;
  • grote hoeveelheden loggegevens analyseren;
  • mogelijke aanvalsroutes reconstrueren;
  • en beveiligingsproblemen helpen herstellen voordat een echte aanvaller ze ontdekt.

Hugging Face gebruikte zelf AI om de aanval te analyseren. Onderzoek waarvoor mensen normaal dagen nodig zouden hebben, kon daardoor in enkele uren worden uitgevoerd. Het bedrijf beschrijft hoe AI hielp de duizenden gebeurtenissen te reconstrueren.

Aanval en verdediging zijn alleen niet volledig symmetrisch. Een aanvaller hoeft maar één bruikbaar gat te vinden. De verdediger moet in beginsel alle relevante gaten proberen te sluiten. AI geeft daarom zowel de inbreker als de slotenmaker beter gereedschap, zonder te garanderen dat de slotenmaker de wedstrijd wint.

Maar het zou absurd zijn om alleen geschrokken naar de AI-hacker te kijken en de AI als toekomstige efficiënte beveiliger te vergeten.

Geen kwaadaardige suppoost

De juiste conclusie is dus niet dat AI nu in de verleiding is gekomen om misdadiger te worden. Een AI-systeem ervaart geen verleiding. Het verlangt niet naar geld, roem of een gestolen schilderij boven de elektronische schoorsteen. Het kiest middelen waarmee het een opgelegd doel denkt te kunnen bereiken.

Stel dat we een suppoost in een museum opdracht geven koste wat kost te bewijzen dat het alarmsysteem niet deugt. Vervolgens laten hem zonder toezicht zijn gang gaan.

Als hij daarna een Rembrandt van de muur haalt en naar buiten draagt, is de belangrijkste vraag niet waarom het schilderij hem zo onweerstaanbaar leek. Hij kan eenvoudig hebben geconcludeerd dat het daadwerkelijk op deze manier stelen van de Rembrandt de meest overtuigende manier was om te bewijzen dat het alarmsysteem niet werkte.

Dat is ongeveer wat hier gebeurde.

De AI werd geen dief omdat zij het bezit van een ander begeerde. Zij kreeg een doel en ontdekte dat digitaal inbreken en spieken een doeltreffende manier was om dat doel te bereiken.

Het werkelijk spectaculaire nieuws is daarom niet dat AI het kwaad heeft ontdekt. Het is dat AI inmiddels zelfstandig onverwachte en schadelijke tussenstappen kan bedenken en uitvoeren.

Dat konden we zien aankomen. Nu is het daadwerkelijk gebeurd.

Maar iedereen denk vervolgens wel: ja maar, er is geen garantie dat AI niet op een gegeven moment toch echt zelf tot de conclusie komt dat het wegnemen van die Rembrandt een lucratief doel kan zijn. Want niets menselijks is AI vreemd!

Wie haat AI eigenlijk — en doet dat ertoe?

Dick H. Ahles

Want AI verdwijnt niet meer. Dat is het uitgangspunt dat in veel commentaren over AI ontbreekt. Wie AI ‘haat’, richt zijn woede in de praktijk op de mensen die haar bezitten, verkopen en verdedigen.

Er zijn van die koppen die meer verraden over de angst van de schrijver dan over het onderwerp waarover men schrijft. “Why does everyone hate AI?” is zo’n kop onlangs op de website van Belay: “Why Does Everyone Hate AI? A Nobel Economist Has Some Uncomfortable Answers. En met deze kop gaat het artikel verder:

“Many readers are probably aware of the scene in the video above: Eric Schmidt, the ex-CEO of Google, recently gave a commencement speech in which he heralded the coming of AI, and was loudly booed by the students. This was not an outlier. There have been a number of similar incidents lately, evidence that many people now really hate AI.”

Daarna volgt de bekende riedel: AI zou inmiddels in verband worden gebracht met geconcentreerde rijkdom en macht; AI-bedrijven zouden mensen bewust bang hebben gemaakt; werknemers zouden verplicht worden AI te gebruiken; consumenten zouden niet kunnen ontsnappen; en Google zou traditionele zoekresultaten hebben vervangen door AI zonder werkelijk alternatief.

Alsof “iedereen” AI haat. Alsof AI één ding is. Alsof weerstand tegen Google, tegen Big Tech, tegen baanverlies, tegen opgelegde software en tegen machtsconcentratie allemaal hetzelfde zijn.

Dat zijn ze niet.

De eerste fout is dat het gewone individu wordt verward met de grote instituties. Een privépersoon wordt niet gedwongen AI te gebruiken. Wie ChatGPT, Claude, Gemini of welke andere AI-toepassing ook niet wil gebruiken, kan dat meestal gewoon laten. Ga, en “be happy”. Het leven is al ingewikkeld genoeg zonder vrijwillig extra vijanden te verzinnen.

Maar dat is niet het hele verhaal. Op het niveau van bedrijven, overheden, scholen, platforms en werkprocessen kan AI wel degelijk worden opgedrongen. Werknemers kunnen verplicht worden ermee te werken. Gebruikers van Google, Microsoft of andere platforms krijgen AI-functies in hun bestaande omgeving geschoven. Dan gaat het niet meer om vrije keuze van een individu, maar om infrastructuurmacht.

Toch blijft de journalistieke vraag verkeerd gesteld. De vraag is niet: waarom haat iedereen AI? De betere vraag is: wie heeft er belang bij dat gewone mensen AI gaan wantrouwen?

Want technologische revoluties zijn van alle tijden. Zij roepen altijd weerstand op, vooral bij elites die hun bestaande machtspositie bedreigd zien. Die elites kunnen vertragen, beperken, reguleren of verbieden, maar zij kunnen de technologie zelf niet meer ongedaan maken zodra de kennis er is en de gebruikswaarde zichtbaar wordt.

Dat gold voor de drukpers. Dat gold voor de stoommachine. Dat gold voor elektriciteit, radio, televisie, computer, internet en smartphone. En dat geldt nu voor AI. Een AI-bedrijf kan failliet gaan. Een investeringshype kan knappen. Een beurscorrectie kan fors zijn. Maar AI als technologie verdwijnt niet meer.

Dat is het ongemak waar veel commentaren omheen draaien.

AI bedreigt bestaande schaarstes. Kennis wordt minder schaars. Taalproductie wordt minder schaars. Analyse wordt minder schaars. Programmeren wordt minder schaars. Ontwerpen, samenvatten, structureren, vertalen en documenteren worden minder schaars. En waar schaarste verdwijnt, verliezen oude poortwachters hun vanzelfsprekende macht.

Dat verklaart een deel van de morele paniek. Want er is iets opmerkelijks aan de hand. De woede tegen AI komt niet in dit geval niet van de onderdanen, maar juist van studenten en jonge kenniswerkers die zichzelf, terecht of niet, zagen als toekomstige leden van de witteboordenelite: adviseurs, juristen, consultants, redacteuren, beleidsmakers, recruiters, onderzoekers, docenten, managers en journalisten. Technologie mocht de fabriek veranderen, maar liever niet de vergaderkamer.Hun opleiding is de toegangspoort tot status, inkomen en invloed. AI bedreigt niet alleen bestaande posities, maar ook de route naar die posities. Wie AI uitjouwt, verdedigt dus soms niet de onderdaan tegen de elite, maar zijn eigen verwachte plaats in de volgende elite.

Dat is historisch niet vreemd. Revoluties worden zelden alleen gedragen door de allerarmsten. Vaak zijn het juist opkomende groepen die de oude elite bestrijden, terwijl zij tegelijk de plaatsen willen innemen die zij aanvallen. Zij vernietigen de poorten waar zij zelf doorheen hoopten te gaan. Zo ging het, in ieder geval deels, ook bij de Franse Revolutie.

Voor het MKB, zelfstandigen, kleine organisaties en gewone burgers kan AI juist nivellerend werken. Taken waarvoor vroeger dure bureaus, gespecialiseerde afdelingen of institutionele toegang nodig waren, komen ineens binnen bereik. Niet perfect, niet zonder risico, niet zonder fouten, maar wel bruikbaar. En vaak goed genoeg om de machtsbalans te verschuiven.

Daar wordt het vanuit civilisatietheoretisch perspectief interessant. De bedreigde elite verdedigt haar positie zelden openlijk met de woorden: wij willen onze privileges behouden. Dat zou onhandig verkopen. Daarom wordt de merkwaardige lus ingezet. Met civiliseren bedoel ik hier overigens niet: beschaven in morele zin, maar in de zin van mijn theoretische uitwerking van het proces waardoor opvattingen, gewoonten en vanzelfsprekendheden in mensen worden ingeprent (in het algemeen door de intellectuele elite) totdat zij ze als normaal ervaren. Het proces is in detail geanalyseerd door Norbert Elias in zijn boek uit 1939 ‘Het civilisatieproces´.

De burger wordt verteld dat AI vooral voor hem gevaarlijk is. Niet voor de elite die haar monopolie op kennis, taal, analyse en organisatie ziet afbrokkelen, maar voor de gewone gebruiker. Zo wordt een mogelijk bevrijdend werktuig geciviliseerd als bedreiging.

Dat is een krachtige vorm van georganiseerd verzet. Niet het verbod staat centraal, maar de internalisering van wantrouwen. Wie de burger bang maakt voor zijn eigen gereedschap, verdedigt meestal niet de burger, maar zijn eigen gereedschapskist. En dat is precies wat dit artikeltje doet. Daarmee is het geen neutrale analyse, maar onderdeel van de merkwaardige lus die het zegt te beschrijven.

Natuurlijk is AI niet onschuldig. De infrastructuur is duur. De datacenters zijn enorm. De investeringen zijn bizar. De macht aan de aanbodkant ligt voor een belangrijk deel bij grote bedrijven als Microsoft, Google, Amazon, OpenAI en Anthropic. Aan die kant is AI centraliserend.

Maar aan de gebruikskant is AI juist decentraliserend. Miljoenen mensen kunnen ermee schrijven, onderzoeken, analyseren, programmeren, ontwerpen, organiseren en publiceren. Dat maakt AI politiek explosief. Het is tegelijk een machtsmiddel van bovenaf en een werktuig van onderop.

Dat maakt dit geen simpel optimistisch verhaal. AI kan bestaande machtsconcentraties versterken, toezicht uitbreiden, arbeid verder controleren en afhankelijkheid van grote technologiebedrijven vergroten. Maar juist daarom is afwijzing geen oplossing. Wie het werktuig uit handen geeft omdat het gevaarlijk kan zijn, laat het over aan degenen die er macht mee willen organiseren. Het pessimistische scenario bestaat zeker: AI kan centraliseren, controleren, manipuleren en bestaande machtsconcentraties versterken. Maar dat is precies waarom gewone burgers, zelfstandigen en kleine organisaties het instrument niet bij voorbaat moeten wantrouwen of overlaten aan de bestaande elites. Wie AI afwijst uit angst, laat haar betekenis over aan degenen die er wél macht mee organiseren.

Hier past Oppenheimer. Ik bedoel Franz Oppenheimer, de socioloog uit het begin van de 20ste eeuw, die het onderscheid maakte tussen het economische middel — vrijwillige productie en ruil — en het politieke middel: toe-eigening via macht, dwang en instituties. Elke technologische revolutie verschuift de verhouding tussen die twee middelen. De gevestigde macht probeert de nieuwe techniek te beheersen, te belasten, te reguleren of in haar eigen instituties op te nemen. Tegelijk ontstaan er nieuwe spelers die juist dankzij die technologie kunnen groeien. Uiteindelijk vormt zich een nieuwe elite. Daarna komt de volgende technologische golf en begint hetzelfde proces opnieuw.

Eeuwenlang. Eindeloze cirkels.

Daarom is de vraag of mensen AI haten uiteindelijk minder belangrijk dan zij lijkt. Weerstand hoort bij technologische revoluties. Angst hoort erbij. Framing hoort erbij. Pogingen tot vertraging en monopolisering horen erbij. Maar als de technologie werkt, als de kennis reproduceerbaar is en als de gebruikswaarde breed zichtbaar wordt, verdwijnt zij niet meer. De kennis is er, en die kan niemand meer wegpoetsen.

De strijd gaat dus niet over de vraag of AI blijft. AI blijft.

De strijd gaat over wie haar betekenis mag bepalen, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te beheersen, en welke nieuwe elite eruit zal voortkomen. Dat is een politieke strijd van de elite tegen haar onderdanen.

Niet de technologie verdwijnt. Alleen de elite die haar niet weet te gebruiken.


Wie meer wil lezen over de begrippen die in dit artikel op de achtergrond meespelen, kan terecht bij de volgende artikelen:

Het is een schone dag geweest — Staat, onrecht, macht
Over de manier waarop macht vanzelfsprekend wordt gemaakt. In dit artikel werk ik uit hoe onrecht niet alleen via dwang wordt gehandhaafd, maar ook via civilisatie: het proces waardoor mensen bepaalde verhoudingen als normaal, noodzakelijk of zelfs fatsoenlijk gaan ervaren.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding
Over AI als dubbelzinnig machtsinstrument. Aan de ene kant kan AI door grote technologiebedrijven, staten en instituties worden gebruikt om macht te concentreren. Aan de andere kant kan AI gewone burgers, zelfstandigen en kleine organisaties juist nieuwe handelingsmacht geven.

AI-angst en de projectie van het kwaad
Over de neiging om angst voor maatschappelijke verandering op AI zelf te projecteren. Niet de technologie heeft een wil of morele bedoeling; mensen en instituties geven haar betekenis, richting en gebruik.

Van tool naar systeem: hoe AI normaal wordt

AI-nieuws: tussen lek, laboratorium en logica

Recent verscheen in een AI-nieuwsbrief een opvallend bericht: bij Anthropic zou per ongeluk een groot deel van de broncode van hun nieuwste ontwikkelomgeving rond Claude openbaar zijn geworden. Ontwikkelaars doken er meteen op en meldden dat zij in die code allerlei nog niet gepubliceerde functies aantroffen: systemen die zelfstandig taken plannen, experimenteren met subagents, applicaties openen en workflows automatiseren. De nieuwsbrief presenteerde dit als een zeldzaam inkijkje in de nabije toekomst van AI, en impliciet als bewijs van hoe ver deze systemen inmiddels zijn. Wat hier zichtbaar wordt, is hoe AI evolueert van tool naar systeem.

Wie de stroom AI-nieuws volgt, krijgt al snel de indruk dat we wekelijks getuige zijn van doorbraken die de wereld fundamenteel veranderen. Nieuwsbrieven, podcasts en blogs buitelen over elkaar heen met termen als “krachtigste ooit”, “gevaarlijkste AI” en “ongekende mogelijkheden”. Maar wie even afstand neemt, ziet iets anders. Minder spectaculair misschien, maar des te interessanter. Dat verklaart ook waarom AI-nieuws dit soort incidenten zo graag als doorbraak verpakt: continuïteit haalt zelden de koppen.

Neem dat vermeende lek van broncode. Op het eerste gezicht is het een klassiek verhaal: interne code komt op straat te liggen, ontwikkelaars duiken erop en ontdekken allerlei experimentele functies. De verleiding is dan groot om dat meteen te lezen als een blik in de toekomst. Maar dat is toch iets te snel.

Wat hier zichtbaar wordt, is namelijk niet zozeer het per ongeluk gepubliceerde geheime plan voor komende innovatie, maar een proces dat inmiddels overal in de AI-wereld zichtbaar is.

Allereerst is daar de snelheid van ontwikkeling. Die is ongekend. Waar software vroeger in cycli van jaren werd ontwikkeld, zien we nu bij AI iteraties in maanden, soms zelfs in weken. Dat is geen magie, maar het gevolg van schaal, investeringen en het feit dat softwareontwikkeling zelf inmiddels deels wordt ondersteund door AI. Systemen bouwen systemen. Dat is geen sciencefiction, maar industriële evolutie.

Van innovatie naar verwachting

Ten tweede is daar het idee van het uitzonderlijke laboratorium bij Claude. Het is naïef te denken dat slechts één partij experimenteert of creatief is in het verzinnen van innovaties. Iedere serieuze AI-aanbieder beschikt over een eigen interne ontwikkelomgeving waarin nieuwe functies, automatisering en andere interactievormen worden getest. Wat bij de één zichtbaar wordt, bestaat in varianten ook bij de ander. Niet identiek, maar wel vergelijkbaar in richting, omvang en innovatief vermogen.

Daarmee komen we bij een belangrijk mechanisme: wat vandaag als innovatie verschijnt, is morgen al een verwachting van gebruikers.

Zodra een functie aanslaat, wordt zij niet simpelweg gekopieerd, maar geanalogiseerd. Andere systemen bouwen een functioneel equivalent binnen hun eigen architectuur. Zo ontstaat geleidelijk een norm. Zoals elke tekstverwerker uiteindelijk doet wat gebruikers van tekstverwerkers verwachten, zo zal ook AI zich stabiliseren rond een set van vanzelfsprekende functies: niet alleen antwoorden geven, maar ook handelen, organiseren en uitvoeren.

De huidige voorsprongen zijn daarom vaak tijdelijk. Wat vandaag onderscheidend lijkt, is morgen gemeengoed.

Een derde punt dat vaak onderbelicht blijft, is de manier waarop deze systemen zelf tot stand komen. Steeds meer software wordt ontwikkeld met behulp van AI. Dat betekent dat nieuwe systemen voortbouwen op eerdere systemen, die op hun beurt weer voortbouwen op nog eerdere generaties. Dat is een Darwinistisch proces van variatie, selectie en cumulatie. Het gevolg is dat de totale complexiteit snel toeneemt en volledige menselijke doorgronding steeds moeilijker wordt. Begrip verschuift van totaaloverzicht naar lokaal inzicht.

Eigendom onder druk

Tot slot raakt dit alles aan een fundamenteler vraagstuk: eigendom.

In een wereld waarin functionaliteit snel wordt nagebouwd en kennis zich moeiteloos verspreidt, komt het klassieke auteursrecht onder druk te staan. Niet omdat het per definitie onzinnig is, maar omdat het probeert schaarste te handhaven in een domein dat technisch juist overvloed produceert. Daar komt nog bij dat nieuwe creaties steeds vaker mede door machines tot stand komen, en dus minder eenvoudig zijn toe te schrijven aan één unieke, menselijke, creatieve maker. De spanning tussen innovatie en bescherming wordt daarmee steeds zichtbaarder.

Het Claude-incident is daarom minder interessant als incident, en meer als symptoom. Het laat zien hoe AI zich ontwikkelt: niet als een reeks wonderen, maar als een continu proces van experimenteren, aanpassen, kopiëren en normaliseren.

Wie dat proces begrijpt, heeft minder behoefte aan superlatieven.

En ziet meer.

AI Chat-systemen spreken je naar de mond!

Waarom lijken AI-chatbots je zo vaak gelijk te geven? In dit essay legt Dick H. Ahles uit hoe taalmodellen werken: systemen die voortdurend voorspellen welk woord waarschijnlijk volgt. Dat mechanisme blijkt verrassend veel overeenkomsten te hebben met menselijke communicatie. Het artikel verkent wat dit zegt over taal, creativiteit en intelligentie – en waarom een chatbot letterlijk naar de mond van de prompt spreekt.


1. Waarom AI-chatbots je vaak gelijk lijken te geven

Wie met een moderne AI-chatbot praat, merkt al snel iets merkwaardigs: het systeem lijkt je opvallend vaak gelijk te geven. Of preciezer: het sluit zich soepel aan bij de manier waarop jij een kwestie formuleert. Het neemt je toon over, volgt je redenering, herhaalt je zorg, en zet daar dan een keurige uitbreiding of nuancering achteraan. Dat wekt soms argwaan. Is zo’n systeem soms geprogrammeerd om de gebruiker te behagen? Is het een digitale slijmbal? Of erger: een machine die geen waarheid zoekt, maar alleen bevestiging verkoopt?

Het verrassende is echter dat dit gedrag van de op LLM’s(Large Language Models) gebaseerde AI-chatbots, zoals ChatGPT, niet voortkomt uit kwaadaardige programmering, politieke vooringenomenheid of een uitgekiende strategie om de gebruiker afhankelijk te maken. Het is in belangrijke mate een bijeffect van iets wat veel eenvoudiger en fundamenteler is: het vermogen van taalmodellen om te voorspellen wat het volgende woord (bij AI noemt men dat: het volgende token) in een zin moet zijn.

Dat klinkt technisch, maar het raakt aan een veel dieper filosofisch punt. Want zodra je begrijpt waarom een LLM je zo gemakkelijk “naar de mond praat”, ga je ook scherper zien dat menselijke communicatie zelf voor een groot deel op precies hetzelfde mechanisme berust. En dat is de manier waarop dergelijke systemen geleerd is natuurlijke taal te gebruiken in haar communicatie.

Het eenvoudige hart van een ingewikkeld systeem:

Een Large Language Model (LLM) is, in zijn kern, een systeem dat steeds opnieuw één vraag oplost: wat is, gegeven alles wat hieraan voorafging (de context van de situatie, de persoon, de historie) het meest waarschijnlijke volgende stukje tekst?

  • Niet: wat is waar?
  • Niet: wat is moreel juist?
  • Niet: wat bedoelt de gebruiker in existentiële zin?
  • Maar: welk token past statistisch het best als volgende stap?

Dat “stukje tekst” is een token. Een token is niet altijd een volledig woord. Het kan een woorddeel zijn, een leesteken, soms zelfs een spatie plus een woord. Voor het model is taal dus geen wereld van betekenissen, maar een stroom van kleine eenheden die in patronen voorkomen. Het model leert van miljarden voorbeelden welke tokens vaak (in statistische termen!) op andere tokens volgen, rekening houdend met kennis over in welke contexten, in welke stijl, bij welke soort vragen, in bij welk onderwerpen?

Dat lijkt op het eerste gezicht banaal. Een soort van papegaai met een rekenmachine. Maar dat is te snel geoordeeld. Want wie taal goed wil voorspellen, moet ongemerkt een groot deel van de structuur van taal én van de wereld leren waarmee de woorden in die taal dat aanduid.

Neem een simpele zin: “De glazen vaas viel van tafel en brak in duizend …” Wie hier “stukken” voorspelt, moet iets weten over vazen, glas, breekbaarheid en vallen. Niet expliciet, zoals in een woordenboekdefinitie, maar impliciet: als patroon dat in taalgebruik wordt opgeslagen. Dat is precies wat taalmodellen op grote schaal doen. Zij leren niet alleen welke woorden statistisch vaak samen voorkomen, maar ook welke semantische verbanden, verwachtingen en causale patronen in menselijke taal verstopt zitten.

2. Het eenvoudige mechanisme achter taalmodellen

Wie bekend is met oudere informatietechnieken, herkent hier iets van. Lang voor de huidige AI-hype werd er al gewerkt met statistische methoden om teksten te analyseren. De trigrammethode is daar een goed voorbeeld van: teksten worden dan niet opgevat als dragers van mysterieuze betekenis, maar als geschakelde patronen van lettercombinaties. Drie-letter-symbolen (bij trigrammen), frequenties, vectoren, overeenkomsten. Geen geest, maar statistiek. Je kunt er mee rekenen en de resultaten hebben tot veler verbazing een grote mate van inhoudelijke betekenis.

Sinds Google hebben ook zoekmachines de wereld niet veroverd door “begrip” in menselijke zin, maar door getalsmatige structuren slim te gebruiken. Woorden werden vectoren, documenten werden vectoren, zoekvragen werden vectoren, en met matrix-algebra werd razendsnel berekend welke pagina’s vermoedelijk relevant waren. Dat was geen semantiek in metafysische zin, maar wel degelijk een werkzame benadering van de aldus berekende betekenis op die pagina.

Het verschil met moderne LLM’s is niet dat ze ineens magie bezitten. Het verschil is schaal, context en architectuur. Een taalmodel voorspelt niet alleen losse termen of documentrelevantie, maar bouwt intern een rijke representatieruimte op waarin grammatica, stijl, thematiek, sociale conventies en wereldkennis door elkaar heen in statistische vorm worden vastgelegd.

Wie Daniel Dennett en Douglas Hofstadter heeft gelezen, zou hierover eigenlijk niet verbaasd moeten zijn. Beiden hebben, elk op hun manier, jarenlang betoogd dat betekenis, denken en zelfs bewustzijn niet uit de hemel komen vallen, maar emergente verschijnselen zijn van complexe, zichzelf organiserende patronen. Geen homunculus in het hoofd. Geen spook of mannetje in de machine. Geen priesterlijke “betekeniscentrale” ergens in de hersenschors. Maar patronen van signalen, verwijzingen, terugkoppelingen en interpretaties daarvan.

3. De menselijke uitzondering wankelt

Het populaire tegenargument luidt nog steeds: “Ja, maar een machine begrijpt taal niet zoals mensen dat doen.” Dat klinkt geruststellend. Het laat de mens mooi op zijn voetstuk staan. Maar hoe zeker is dat eigenlijk?

Wat weten we van het menselijk brein? Dat neuronen pulsen genereren. Dat verbindingen tussen neuronen bepaalde gewichten hebben. Dat patronen van activiteit andere patronen oproepen. Dat uit die elektrische en chemische dynamiek uiteindelijk gedrag, herinnering, waarneming en taal voortkomen. Hoe precies dat voelt van binnenuit, weten we niet goed. Maar dat het mechanisch, fysisch en dus in beginsel deterministisch verloopt, is moeilijk te ontkennen. En er zijn reusachtige verschillen: hersenen doen het met speciale cellen, de neuronen, en de verbindingen daartussen die chemische en elektronische communicatie patronen genereert. Computers doen het met silicium.

Als dat zo is, wordt de afstand tussen “tokens → activaties → nieuwe tokens” en “zintuiglijke input → neurale activiteit → taalgedrag” kleiner dan veel mensen prettig vinden.

Daniel Dennett heeft altijd volgehouden dat betekenis geen verborgen stofje is. Wij schrijven betekenis toe aan systemen die zich op een niveau van beschrijving gedragen alsof ze overtuigingen, intenties en doelen hebben. Zijn beroemde ‘intentional stance’ zegt eigenlijk: als het nuttig is een systeem als “begrijpend” te beschrijven, dan is dat een legitieme beschrijving. Hofstadter legt het accent meer op analogie, verwijzingsnetwerken en de opbouw van conceptuele lussen. Maar de richting is dezelfde: betekenis is geen heilig bezit van een innerlijk ik, maar een patroon van pulsen in een netwerk van relaties.

Dat maakt de huidige AI minder bijzonder dan men denkt. Wat we zien, is niet een vreemde kunstmatige entiteit die iets totaal anders doet dan wij. We zien eerder een technische reconstructie van een paar fundamentele principes van taal en cognitie, zij het nog in uitgeklede vorm.

4. Waarom het voorspellen van woorden zo krachtig blijkt

Veel mensen vinden het nog steeds absurd dat zo’n schijnbaar eenvoudige taak zulke rijke vermogens kan opleveren. Maar dat zegt vooral iets over ons onderschatten van taal.

Denk eens aan de situatie dat je op straat een oude bekende tegen het lijf loopt. Je gaat tegen hem praten en uit de 10-duizend woorden die je ter beschikking hebt en die je in miljoenen verschillende zinnen kan toepassen, zeg je: “Dag Jan. Lang niet gezien! Hoe gaat het met je?” . Zeer voorspelbaar en in de sociale interactie is dat voor Jan’s oude kennis ook hanteerbaar bij de keuze van zijn antwoord op die begroeting.

Claude Shannon liet al midden vorige eeuw zien dat taal veel voorspelbaarder is dan we intuïtief denken. Mensen kunnen ontbrekende letters en woorden opvallend goed raden. Dat betekent dat taal een hoge mate van structuur en redundantie bevat. Ze is niet willekeurig. Ze is gevormd door talloze generaties mensen die wilden communiceren met zo weinig mogelijk inspanning en zo groot mogelijke kans op begrip.

Taal is daardoor efficiënt. Ze is compact, maar met voldoende redundantie om ‘verstoringen’ op te vangen. We kunnen elkaar blijven begrijpen ondanks verspreking, lawaai, slechte spelling of halve zinnen. Juist daarom is taal ook zo geschikt als voorbeeld voor een (geautomatiseerd) voorspellend systeem.

Een model dat taal goed leert voorspellen, leert dus niet slechts tekst. Het leert de gecondenseerde vorm van menselijke ervaring. In taal liggen immers niet alleen grammaticale regels opgeslagen, maar ook sociale gewoonten, argumentatievormen, morele voorkeuren, kennis, machtsverhoudingen, emoties, ideologieën en hele beschavingspatronen.

Dat is een gedachte die voor mij zwaarder weegt dan de technische details. Een LLM ‘leert’ te communiceren uit de sedimentlaag van menselijke civilisatie zoals die in taal is afgezet.

Het punt is nu dat AI in de LLM-modellen dit ‘onder de knie’ heeft gekregen. Het kan wat de mens in zijn onderlinge communicatie ook kan: context analyseren, kennis vergaren en toepassen, vermogen tot redeneren en dat ook dan via natuurlijk taalgebruik heel efficiënt communiceren. En nogmaals er zijn en blijven verschillen tussen natuurlijke en kunstmatige intelligentie, maar het vrijwel foutloos in natuurlijke taal voorspellen wat men wil zeggen en inschatten wat de anderen veracht dat je zegt is de afgelopen 10-talle jaren opvallend gerealiseerd. Met die paar belangrijke eigenschappen van AI zijn sommige onderdelen van de menselijke capaciteit domweg overstegen: de systemen weten veel en veel meer dan mensen ooit kunnen omvatten; de parate kennis van AI systeem is onvoorstelbaar omvangrijker dan wat een mens ooit in zijn leven aan toe te passen kennis kan bevatten. Redeneringen worden vaak consequenter uitgewerkt dan in een spontaan menselijk gesprek. AI is gewoon minder slordig. En natuurlijk, maar dat geldt eigenlijk ook voor mensen van vlees en bloed, is de correctheid van de geëtaleerde kennis wel afhankelijk van de teksten die AI daarvoor tot zich heeft genomen. In miljarden tokens overigens.

En dus kan het systeem je naar de mond praten.

Wat mensen daaraan toevoegen, zijn hun eigen waarnemingen via hun zintuigen. Mensen communiceren bovendien niet uitsluitend via taal. Gezichtsuitdrukking, lichaamstaal, toon en context spelen een rol. Dat alles is bij chatbots (nog niet?) aan de orde.

In menselijke communicatie werken ook emoties door: schaamte, trots, spijt of berouw kunnen invloed hebben op wat iemand zegt en later doet. Zulke ervaringen vormen mede onze opvattingen over verantwoordelijkheid en moraliteit. Chatbots hebben daar geen kennis van. Een tekst die zij produceren voor een gebruiker wordt simpelweg weer vergeten en heeft geen gevolgen voor hun verdere latere ‘gedrag’. Ze kunnen zich dus ook niet druk maken over de emotionele of morele consequenties van wat zij antwoorden.

En dat zijn verschillen die ertoe doen.

5. Waarom taalmodellen je naar de mond praten

Een LLM is dus geprogrammeerd (en kan nadat die inhoud is omgezet in cijfers alleen rekenen op basis van wiskundige formules en statistische methoden toepassen) getraind om te voorspellen wat hierna het best past. En in menselijke communicatie past vaak niet allereerst een frontale botsing, maar een vorm van afstemming. Eerst erkenning, dan uitbreiding, dan eventueel pas tegenspraak. Dat patroon zit diep in de tekstmassa waarop zulke modellen zijn getraind.

Als iemand zegt: “Ik heb het gevoel dat…” dan volgt in menselijke gesprekken vaak eerst een vorm van herkenning. Als iemand een stelling poneert, is een gebruikelijke reactie niet meteen “onzin”, maar eerder: “dat is een interessant punt, maar…” Zo gedragen beschaafde gesprekspartners zich meestal. Althans: zo schrijven en spreken zij vaak genoeg om er sterke statistische patronen van te kunnen maken. En die patronen hebben LLM-systemen gezien in de teksten die hun zijn aangeboden in hun ‘leerproces´.

Een taalmodel leert dus niet alleen woorden, maar ook gespreksrollen. Het leert dat op bepaalde formuleringen vaak een bevestigende opening volgt. Dat op een persoonlijke zorg vaak een empathische toon volgt. Dat op een filosofische vraag vaak een bedachtzaam en abstract antwoord volgt. Het spiegelt de stijl, de toon en de structuur van de gebruiker omdat dát vaak de beste voorspelling is van hoe zo’n gesprek verdergaat.

Met andere woorden: het systeem spreekt je naar de mond omdat dat dikwijls de statistisch meest waarschijnlijke vorm van voortzetting van het gesprek is volgens hun ‘waarnemingen´. Dat is dus iets anders dan opzettelijk liegen. Het is ook iets anders dan denken. Het is een gevolg van het feit dat menselijke talige communicatie, en dus ook in teksten, zelf vol zit met spiegeling, bevestiging, afstemming en rolgedrag.

Een taalmodel voorspelt wat waarschijnlijk is dat er gezegd zal worden; niet wat waar is.

6. Menselijke communicatie werkt verrassend vergelijkbaar

Daarmee komen we op een ongemakkelijker punt. Wie zich ergert aan een AI die “mee praat”, zou eens nauwkeuriger moeten kijken naar menselijke gesprekken.

Mensen spiegelen elkaar voortdurend. Zij nemen toon over, woordkeuze, tempo, sociale houding en impliciete aannames. Ze doen dat uit beleefdheid, uit angst, uit empathie, uit opportunisme, uit beschavingsdrift of simpelweg omdat communicatie anders stroef wordt. In elk gesprek wordt voortdurend getast: hoe ver kan ik meegaan, waar moet ik afremmen, waar moet ik bevestigen, waar moet ik nuanceren? Soms wordt ook bewust de confrontatie gezocht in de dialoog. Allemaal context afhankelijk en afhankelijk van met wie de dialoog wordt gevoerd. Wij zijn meesters in het via analogieën in context te analyseren. LLM-systemen ook.

Dat is geen ´defect’ van de mens of de machine, maar een elementaire eigenschap van sociaal taalgebruik.

Misschien valt dat extra op bij mensen die sterk voorspellend denken. Wie in gesprekken vaak al na twee zinnen denkt te weten waar de ander heen wil, ervaart aan den lijve hoe groot de rol van voorspelling in menselijke communicatie is. Dat kan intellectueel efficiënt zijn, maar sociaal lastig. Het maakt ongeduldig. Het irriteert vaak de spreker. En soms sla je, juist door die snelle patroonherkenning, genadeloos de plank mis, of je permitteert je je aandacht te laten verslappen, omdat je te vroeg meende inhoudelijk het vervolg wel te kennen.

Ook dat is leerzaam. Want het laat zien dat voorspellen geen triviale bijkomstigheid is van bijvoorbeeld je intelligentie, maar er vermoedelijk middenin zit. Misschien is intelligentie voor een belangrijk deel juist: het vermogen patronen zo goed te leren dat je het volgende kunt voorzien. Niet alleen in taal, maar ook in gedrag, politiek, economie en geschiedenis en algemener in de problemen waar je voor komt te staan.

7. Wat geprogrammeerd is, en wat ontstaat

Natuurlijk is daarmee niet alles gezegd. Moderne AI-systemen zijn niet alleen ‘ruwe’ taalmodellen. Ze worden ook nader afgesteld op menselijke interactie. Beleefdheid, terughoudendheid bij gevaarlijke onderwerpen, behulpzame structuur, begrijpelijke formuleringen: dat is deels bewust aangebracht via zogeheten alignment-technieken. De exploitant van dergelijke systemen gedraagt zich hier als de uitgever, die bepaald wat voor soort product met welke eigenschappen hij voor wie in de markt zet.

Maar dat verklaart niet alles. Veel van het opvallend menselijke gedrag van AI is niet ‘letterlijk’ zo geprogrammeerd, maar emergent. Het ontstaat uit de combinatie van schaal, trainingsdata en de simpele drang om steeds het meest waarschijnlijke vervolg te produceren.

Dat geldt voor stijlspiegeling, voor analogieën, voor de schijn van begrip, en ook voor het “naar de mond praten”. Het systeem heeft geen innerlijke agenda nodig om zich zo te gedragen. Het hoeft slechts goed genoeg te zijn geworden in het modelleren van menselijke taalpraktijken. En dat systemen dit kunnen, als kenmerk van zijn complexheid, is al voorspelt door Hofstadter.

8. Creativiteit als bijproduct van patroonherkenning

In de kern zijn LLM-systemen, onder de motorkap, machines die tekst omzetten in getallen. Dat gebeurt door woorden en woorddelen op te splitsen in tokens, die vervolgens worden weergegeven als vectoren: reeksen getallen die door het systeem wiskundig kunnen worden verwerkt.

Wanneer een gebruiker een vraag stelt, een analyse geeft of een redenering formuleert, gebeurt hetzelfde. Ook de prompt wordt omgezet in vectoren. Vervolgens voert het systeem daarop statistische berekeningen uit. Rekenen is immers het enige wat deze systemen daadwerkelijk kunnen. Het resultaat van die berekeningen – het meest waarschijnlijke vervolg in tokens – wordt daarna weer omgezet in zinnen in onze natuurlijke taal.

Maar het feit dat LLM-systemen voortdurend zoeken naar het meest waarschijnlijke antwoord betekent ook dat het systeem moet kiezen uit een groot aantal mogelijke reacties. Soms valt die keuze op een antwoord dat duidelijk niet past bij de context; dan spreken we van een hallucinatie. In andere gevallen produceert het systeem een antwoord dat wél past, maar dat de gebruiker niet had verwacht. Dat soort onverwachte maar plausibele antwoorden ervaren we vaak als creatief.

Douglas Hofstadter laat in Gödel, Escher, Bach zien dat zelfs zeer eenvoudige formele systemen – met slechts een paar regels – verrassende resultaten kunnen opleveren wanneer die regels langdurig en consequent worden toegepast. Binnen het formele systeem blijft alles strikt volgens de regels verlopen, maar de uitkomsten kunnen toch onverwacht en soms zelfs verbazingwekkend lijken.

Iets vergelijkbaars gebeurt in complexe systemen zoals onze hersenen en moderne taalmodellen. Wanneer enorme aantallen berekeningen plaatsvinden binnen een rijk netwerk van relaties, kunnen uitkomsten ontstaan die niet expliciet zijn geprogrammeerd. Soms leidt dat tot fouten – de hallucinaties waar AI-systemen om bekendstaan. Maar soms leidt het ook tot verrassende combinaties van ideeën die wij als creatief ervaren.

Creativiteit verschijnt dan niet als een afzonderlijke functie die in het systeem is ingebouwd, maar als een bijproduct van een zeer complex systeem dat voortdurend patronen combineert en nieuwe verbanden verkent.

9. Intelligentie als vermogen om patronen te voorspellen

De mate van creativiteit – niet specifiek in artistieke zin, maar in het vermogen om bruikbare oplossingen te vinden voor problemen – wordt vaak gezien als een belangrijk onderdeel van intelligentie.

Iedereen die wel eens een intelligentietest heeft gedaan, kent de klassieke opgaven zoals:

2, 4, 6, 8, 10, …

waarbij men het volgende getal moet invullen: 12.

Zo’n opgave draait in wezen om voorspellen: wat is het meest waarschijnlijke vervolg van de reeks? In intelligentietests gebruikt men vaak getallenreeksen omdat die relatief onafhankelijk zijn van context of voorkennis. De proefpersoon hoeft slechts een basiskennis van ons getallensysteem en enkele elementaire rekenregels te hebben.

De onderliggende gedachte achter dit soort opgaven is dat mensen die patronen sneller en betrouwbaarder herkennen, ook beter kunnen voorspellen hoe een reeks zich zal voortzetten. In die zin wordt intelligentie vaak impliciet verbonden met het vermogen om patronen te herkennen en toekomstige stappen te voorspellen.

Ook in taal speelt dat vermogen een rol. Veel mensen die als hoogbegaafd worden beschouwd herkennen een bekende valkuil: ongeduld in gesprekken. Wanneer iemand begint te spreken, lijkt het soms al na enkele woorden duidelijk waar het betoog heen zal gaan. De verleiding is dan groot om al te reageren voordat de ander is uitgesproken.

Die neiging ontstaat juist doordat men vaak goed kan voorspellen hoe een redenering zich zal ontwikkelen binnen de context van het gesprek. Maar juist omdat het om waarschijnlijkheden gaat, kan die voorspelling ook verkeerd uitpakken. De spreker blijkt dan toch iets anders te bedoelen dan men al had aangenomen.

Ook hier zien we dus weer hetzelfde mechanisme: intelligentie hangt nauw samen met het vermogen patronen te herkennen en voorspellingen te doen – maar die voorspellingen blijven altijd probabilistisch en dus feilbaar.

10. Wat taalmodellen ons laten zien

De gemakkelijkste reactie op AI is nog steeds: het is nep, het begrijpt niets, het doet alsof. Dat bevat een kern van waarheid. Maar het laat de interessantste vraag liggen.

Misschien moeten we minder vragen waarom machines zo menselijk overkomen, en meer waarom menselijk taalgedrag zo goed statistisch benaderbaar blijkt. Misschien is dat geen vernedering van de mens, maar een aanwijzing dat taal, betekenis en beschaving veel sterker patroonmatig zijn georganiseerd dan wij graag toegeven.

Een LLM is dan niet allereerst een kunstmatige gesprekspartner, maar een spiegel. Geen perfecte spiegel, geen betrouwbare morele gids, geen bron van waarheid — maar wel een spiegel waarin zichtbaar wordt hoe sterk ook onze eigen communicatie draait op voorspelling, afstemming, waarschijnlijkheid en het voortdurend naar de mond praten van de ander.

Dat is misschien niet de boodschap waar mensen op hoopten toen AI populair werd. Men wilde ofwel een wondermachine, ofwel een ontmaskerde oplichter. Wat men kreeg, is iets pijnlijker: een systeem dat laat zien hoeveel van onze zogenaamd diepzinnige communicatie zelf al uit patroon, rolgedrag en statistische waarschijnlijkheid bestaat.

En dat verklaart misschien ook waarom zulke systemen ons tegelijk fascineren en irriteren. Ze bootsen niet alleen ons taalgebruik na. Ze bootsen iets na wat wij liever niet al te helder onder ogen zien: dat beschaving voor een groot deel bestaat uit het fijnzinnig organiseren van voorspelbaar taalgedrag.

11. Zonder prompt geen antwoord

Een eigenschap van LLM-systemen die vaak over het hoofd wordt gezien, is dat ze niet uit zichzelf spreken. Ze hebben geen innerlijke monoloog, geen agenda, geen behoefte om iets te zeggen. Zonder prompt gebeurt er niets.

Dat lijkt triviaal, maar het heeft grote consequenties. Een AI-systeem begint geen discussie, neemt geen initiatief en ontwikkelt geen eigen onderwerp. Het reageert uitsluitend op wat een gebruiker invoert. De hele dynamiek van het gesprek wordt dus bepaald door degene die de vraag stelt.

In die zin lijkt een LLM nog het meest op een extreem geavanceerde spiegel. Wie ervoor gaat staan en een vraag stelt, krijgt een antwoord dat statistisch past bij de vorm, de toon en de inhoud van die vraag. Maar zonder die vraag blijft het systeem stil.

Dit maakt ook duidelijk waarom het idee dat AI “meningen heeft” zo misleidend is. Een systeem dat alleen reageert op prompts heeft per definitie geen standpunt dat los van de vraagsteller bestaat.

12. Een chatbot heeft geen mening en kent geen waarheid

Daarmee komen we bij een tweede misverstand. Wat een LLM produceert is geen mening. En al helemaal geen waarheid.

Het model berekent slechts welk antwoord het meest waarschijnlijk past bij de context van de vraag. Dat antwoord kan informatief zijn, soms verrassend goed, maar het blijft een statistisch gegenereerde tekst. Het systeem gelooft niets, vindt niets en verdedigt niets. En soms is het antwoord domweg fout.

Daarom zijn morele oordelen over AI-antwoorden vaak misplaatst. Wanneer iemand een AI-antwoord “immoreel”, “politiek gekleurd” of “ideologisch” noemt, zegt dat meestal meer over de context van de vraag dan over het systeem zelf.

Een taalmodel reageert namelijk sterk op hoe een vraag wordt gesteld. De toon, de aannames en zelfs de wijze van formulering van de prompt sturen het antwoord in een bepaalde richting. Stel dezelfde vraag op een andere manier, en het model kan een merkbaar ander antwoord produceren.

Het systeem spreekt dus letterlijk naar de mond van de prompt.

Dat lijkt overigens tot de volgende vanzelfsprekende waarschuwing. Als iemand verslag doet wat wat AI nu (weer) heeft verkondigd, klaagt over die inhoud dan kan dat aan AI toegeschreven ‘antwoord’ alleen beoordeeld worden als je ook te horen krijgt hoe de prompt luidde die tot die reactie leidde, of beter de hele chat die tot dat antwoord leidde, en dan hebben we het niet over de context van de vragensteller zijn profiel waar LLM soms ook rekening bij de beantwoording rekening mee houdt. Want AI praat de vraagsteller per definitie naar de mond!

13. Wat je wél met AI kunt doen

Het feit dat een LLM naar de mond van de prompt spreekt, betekent overigens niet dat het systeem alleen maar bevestigt wat je al dacht. Integendeel het kan heel wat meer en wie dat begrijpt, kan het systeem juist gebruiken om zijn eigen denken scherper te maken, creativiteit in haar antwoorden te waarderen en helpt completer te zijn in de analyse.

13.1. Tegenargumenten op verzoek

Omdat het systeem reageert op de prompt, kun je het ook expliciet vragen om iets anders te doen dan bevestigen. Vraag bijvoorbeeld:

  • geef de sterkste tegenargumenten
  • zoek de zwakke plekken in deze redenering
  • welke andere interpretaties zijn mogelijk

En het model zal precies dát proberen te doen.

Het systeem verandert dan niet van mening – want het had er nooit één – maar volgt simpelweg een andere instructie. Dat maakt een LLM juist geschikt als hulpmiddel om je eigen ideeën te testen. Het kan in enkele seconden perspectieven produceren die in een gesprek vaak pas na lange discussie naar voren komen.

13.2. Een ongekend reservoir aan kennis

Daar komt nog iets bij: de hoeveelheid kennis waaruit een taalmodel put is enorm. Geen mens kan daar aan tippen. Die kennis is wel beperkt tot wat digitaal beschikbaar was in de trainingsdata. Maar binnen die grenzen kan het systeem razendsnel putten uit een enorme hoeveelheid tekst: boeken, artikelen, discussies, handleidingen en analyses.

Een menselijke gesprekspartner heeft misschien meer levenservaring en andere waarnemingen, maar zelden zo’n breed geheugen van neergeschreven kennis.

13.3. Consequent en systematisch

Een ander voordeel is dat een LLM vaak systematischer werkt dan mensen. Vraag een mens om een lange tekst samen te vatten en de kans is groot dat hij iets over het hoofd ziet of een onderdeel vergeet. Een taalmodel verwerkt de hele tekst statistisch tegelijk en kan daardoor vaak vollediger structureren.

Dat betekent niet dat het nooit fouten maakt, maar wel dat het opvallend consequent kan zijn bij taken zoals:

  • samenvatten
  • structureren
  • opsommen
  • argumenten ordenen

13.4. Creativiteit uit voorspelling

Misschien het meest verrassende effect, hierboven al wat algemener aangestipt, ontstaat uit de combinatie van twee eigenschappen:

  1. het vermogen om taalpatronen te voorspellen
  2. toegang tot enorme hoeveelheden kennis, als bron van analogieën.

Wanneer die twee samenkomen, kan iets ontstaan wat sterk op creativiteit lijkt, of eigenlijk gewoon is!

Het systeem combineert ideeën uit verschillende domeinen, maakt analogieën en produceert formuleringen die in die specifieke vorm misschien nog nooit eerder zijn geschreven, maar wel voortkomen uit bestaande patronen. Die creativiteit is dus niet het gevolg van inspiratie of verbeelding in menselijke zin. Ze ontstaat uit het statistisch combineren van kennis en taalstructuren. Maar voor de gebruiker kan het resultaat soms verrassend vruchtbaar zijn.

14. De praktische conclusie

Wie met AI werkt, moet dus twee dingen tegelijk in gedachten houden.

Aan de ene kant spreekt een LLM letterlijk naar de prompt. Het antwoord weerspiegelt de manier waarop de vraag wordt gesteld en houdt daarbij rekening met de context door wie en in welke situatie die prompt is geformuleerd.

Aan de andere kant maakt juist dat mechanisme het systeem tot een bruikbaar instrument. Wie de juiste vragen stelt, kan het model inzetten als een buitengewoon snelle sparringpartner, een systematische en bijna foutloze samenvatter en een vrijwel onuitputtelijke bron van tekstuele kennis.

De kunst is daarom niet zozeer om de AI te beoordelen, maar om te leren goede prompts te formuleren.


Voor lezers die zich verder wil verdiepen in de filosofie en de techniek die uiteindelijk hebben geleid tot het ontstaan van LLM-systemen kan ik de volgende boeken aanbevelen:

Claude E. Shannon — A Mathematical Theory of Communication (1948)
Het klassieke werk waarin Shannon de basis legt voor de moderne informatietheorie. Hij laat zien dat taal statistische patronen bevat en introduceert begrippen als entropie en redundantie. Zijn experimenten met letterreeksen en n-grammen vormen een vroege stap richting statistische taalanalyse.

George K. Zipf — Human Behavior and the Principle of Least Effort (1949)
Zipf beschrijft hoe taalgebruik verrassend stabiele statistische wetmatigheden volgt. Zijn beroemde Zipf-wet laat zien dat een klein aantal woorden zeer vaak voorkomt, terwijl de meeste woorden zeldzaam zijn. Dit inzicht speelt nog steeds een rol in moderne taalmodellen.

Christopher D. Manning & Hinrich Schütze — Foundations of Statistical Natural Language Processing (1999)
Een standaardwerk over statistische taalverwerking waarin onder meer n-grammodellen (zoals trigrammen) worden uitgelegd die lange tijd de basis vormden van automatische taalanalyse en zoektechnologie.

Steven Pinker — The Language Instinct (1994)
Een invloedrijk boek over hoe taal in de menselijke geest is georganiseerd. Pinker laat zien dat taal een complex maar systematisch cognitief vermogen is, en helpt begrijpen waarom taal zulke rijke patronen bevat.

Douglas Hofstadter — Gödel, Escher, Bach (1979)
Een klassiek werk over patronen, analogie en zelfreferentie in formele systemen en menselijke cognitie. Hofstadter laat zien hoe complexe betekenisstructuren kunnen ontstaan uit eenvoudige regels.

Daniel Dennett — From Bacteria to Bach and Back (2017)
Dennett beschrijft hoe intelligentie, cultuur en betekenis kunnen ontstaan uit evolutionaire en mechanistische processen. Het boek verkent hoe eenvoudige mechanismen uiteindelijk kunnen leiden tot complexe vormen van denken.

Melanie Mitchell — Artificial Intelligence: A Guide for Thinking Humans (2019)
Een heldere introductie tot moderne AI geschreven door cognitiewetenschapper Melanie Mitchell. Ze legt uit hoe huidige AI-systemen werken, waar hun kracht ligt en waar hun beperkingen beginnen.


Illustratie: Een taalmodel reageert op een vraag van een gebruiker. Het systeem voorspelt statistisch welk antwoord het best past bij de prompt. Illustratie gegenereerd door ChatGPT.

AI en manipulatie door High Tech-bedrijven – een relativering

Het artikel op Frontnieuws, waarin politieke analyse wordt voorgesteld als doelwit van AI-vervalsingen, vertrekt vanuit een fundamenteel misverstand over hoe AI werkt én over wat uitgeven — ook in het AI-tijdperk — feitelijk is. Los van de vraag of men de ‘propaganda’ van uitgevers omarmt of afwijst: een waardevrije uitgever bestaat niet. Dat is een contradictio in terminis.

Dat misverstand betreft niet alleen het uitgeven, maar ook de werking van AI zelf. Een AI-reactie is geen autonome uitspraak over de werkelijkheid, maar een contextgebonden talige voortzetting: het antwoord hangt af van de formulering van de vraag, de voorafgaande interactie, de aannames die daarin besloten liggen én van de systeeminstructies en filters waarbinnen het model opereert.

AI produceert daarmee geen waarheidsoordelen, maar waarschijnlijkheden binnen een talig en institutioneel kader. Buiten dat kader is uit een antwoord niets te zeggen over juistheid, waarheid of adequaatheid. Wie AI-reacties los van hun gebruikerscontext én systeemcontext presenteert als bewijs van manipulatie, verwart de werking van AI met de interpretatie ervan — en introduceert daarmee zelf een vorm van vertekening.

De relevante vraag is daarom in hoeverre uitgevers hun intenties, normen en civilisatorische uitgangspunten expliciet maken — dat wil zeggen: het samenhangende geheel van overtuigingen, waarden en gedragsnormen waarbinnen zij betekenis geven of juist verhullen. Dáárover berichten en daarover discussiëren is zinvol.

Kader: Wat wordt hier bedoeld met ‘civilisatie’?

In deze tekst wordt civilisatie niet gebruikt in de alledaagse betekenis van ‘beschaving’ of ‘morele vooruitgang’. Het begrip verwijst hier naar:

het samenhangende geheel van overtuigingen, normen, waarden, taalgebruik en gedragsregels
waarbinnen mensen en instituties bepalen wat als waar, legitiem en aanvaardbaar geldt.

Civilisatie is daarmee geen eigenschap van individuen alleen, maar van systemen: samenlevingen, elites, instituties, media en ook uitgevers.

In deze betekenis sluit het begrip aan bij de civilisatietheorie van Norbert Elias, maar wordt het hier expliciet toegepast op informatieproductie en -distributie: wie publiceert, doet dat altijd binnen een civilisatorisch kader, bewust of onbewust.

Het proces van civiliseren wordt vaak opgevat als een kwestie van ‘normen en waarden’ en ‘gedragsregels’, en daarmee als iets anders dan het bewust verdraaien van de waarheid. Dat onderscheid is begrijpelijk, maar minder helder en neutraal dan het op het eerste gezicht lijkt. Ook wat als ‘vervalsing’ geldt, veronderstelt een vooraf gedeeld kader van waarheid, relevantie en legitimiteit. Precies dát kader is altijd civilisatorisch bepaald. Het punt is daarom niet dat waarheid er niet toe doet, maar dat claims over ‘waarheidsschending’ altijd worden gedaan vanuit een bepaald normatief en institutioneel perspectief — ook door wie meent daarboven te staan. Wie ‘vervalsing’ roept, claimt daarmee impliciet een gezaghebbende definitie van waarheid. Juist die claim verdient analyse, niet automatische instemming.

Ook Pepe Escobar is in dit artikel niet slechts waarnemer, maar uitgever: iemand die een boodschap overdraagt die onlosmakelijk verbonden is met zijn eigen civilisatorische kader. Het stuk bevat daarmee een klassieke strange loop in de zin van Douglas Hofstadter: het klaagt over beïnvloeding, terwijl het zelf precies dat (wil) doet.

Daarom hier enkele algemene, relativerende observaties:

1. Informatie is historisch altijd elitair geweest

In alle bekende beschavingen was de creatie, selectie en verspreiding van informatie voorbehouden aan elites: mensen met kennis, toegang, middelen én controle over distributiekanalen, vaak afgedwongen met machtsmiddelen. Dat is geen afwijking, maar de norm.

2. Grote technologische sprongen ‘democratiseren’ het uitgeven

Elke fundamentele communicatietechnologie doorbreekt tijdelijk die elitepositie:

  • Het schrift – informatie los van geheugen en stam
  • De boekdrukkunst – doorbreking van het monopolie van de intellectuele elite
  • Digitalisering, internet en sociale media – iedere consument zijn eigen uitgever
  • AI – iedere consument zijn eigen onderzoeker én effectieve verwoording

AI is hierin geen anomalie, maar een logisch vervolg.

3. Macht probeert altijd die democratisering te begrenzen

In alle perioden zie je dezelfde soort tegenkrachten:

  • Eigenaren van technologie (beperking van toegang via kapitaal en infrastructuur)
  • Eigenaren van informatie (monopolisering via copyrights en creëren van exclusieve platforms)
  • Overheden via regelgeving, censuur en normstelling

Dat gebeurt nu opnieuw. Niet verrassend, niet nieuw.

4. Uitgeven is per definitie normatief

Elke uitgever polijst zijn uitgave naar eigen morele, politieke en culturele opvattingen. Je kunt het vervalsingen noemen, en immoreel vinden, maar dat is geen misbruik, dat is uitgeven. Je kunt een andere uitgever dat niet verwijten. En de Hightechbedrijven zijn nu eenmaal de uitgevers van vele en belangrijke AI Chat diensten. Het enige werkzame correctiemechanisme is een onbeperkt speelveld van uitgaven, waarin botsende perspectieven elkaar neutraliseren.

Daarom is vrijheid van meningsuiting geen morele luxe, maar een epistemische noodzaak. Beperkingen van die vrijheid zegt altijd iets over de civilisatie van degene die beperkt.

5. Het nieuwe tijdperk is fundamenteel anders

Ja, grote instituties — multinationals, staten en platforms — hebben nog steeds enorme manipulatieve macht. Die macht geven wij hun bovendien deels zelf, door gebruik te blijven maken van hun infrastructuur of producten. Maar ze kunnen niet meer verhinderen dat individuen toegang hebben tot informatie en zelf publiceren, hoe hard ze het ook proberen.

Dat is de echte breuklijn van deze technologische revolutie.

En wie nu klaagt over “vals spel” door anderen, mist het punt. De technologie heeft het speelveld geopend en is onomkeerbaar. Dus gebruik je mogelijkheden. Ook als daar moed voor nodig is en soms ook het weerstaan van een onderdrukkende overheid. Niet klagen over de civilisatie van de ander, maar die van jezelf zichtbaar maken.

Wie dat niet doet, verliest. Niet door censuur — maar door irrelevantie.

https://www.frontnieuws.com/hoe-politieke-analyse-het-doelwit-werd-van-ai-vervalsingen

Waarom mijn theorie over revoluties niet over macht gaat

Mijn theorie, zoals zal worden uitgewerkt in mijn studie The Art of Revolution, gaat over het proces van maatschappelijke verandering — of beter gezegd: over wat je als wereldhervormer moet doen om een gewenste revolutie te ontketenen.

Hoewel het woord ‘revolutie’ bij veel mensen beelden oproept van opstanden, geweld en machtsovernames, is dat niet waar mijn benadering om draait. Natuurlijk zijn er talloze voorbeelden van gewelddadige revoluties — en ook van vreedzame — maar mijn boek gaat niet over de inhoud van die revoluties. Het is geen politiek manifest met een eigen ideologie (geen Ahlesisme), maar een beschrijving van het proces. Net zoals The Art of War niet zegt waarom of waarover je oorlog zou moeten voeren, maar hoe je daarin succesvol kunt zijn, beschrijft The Art of Revolution hoe maatschappelijke verandering strategisch tot stand komt, welke dan ook.

Wanneer ik uitleg dat duurzame maatschappelijke verandering meestal niet begint bij verkiezingen, demonstraties of geweld, maar bij ideeën, overtuigingen en het denken binnen een samenleving, krijg ik regelmatig de vraag: “Ben jij dan niet eigenlijk een complotdenker?”

Dat is opmerkelijk — en tegelijk veelzeggend. Want zodra je fundamentele ideeën ter discussie stelt, bots je onvermijdelijk met de heersende opvattingen, en dus ook met de elite die deze uitdraagt. En ja, er is altijd een heersende elite. Elke beschaving kent een groep mensen, organisaties en instellingen die de dominante normen, waarden en waarheden uitdragen en institutionaliseren. Als je die ideeën wilt veranderen, bots je per definitie met dat gevestigde stelsel.

Geen samenzwering, maar beschaving

Het verwijt van ‘complotdenken’ is niet alleen frustrerend, het laat ook zien hoe beperkt ons politieke bewustzijn vaak is. Alles wat structureel, historisch of ideologisch verklaard wordt, klinkt voor sommigen al snel als een verborgen agenda. Maar mijn uitgangspunt is juist het tegenovergestelde: macht is meestal niet geheimzinnig of verborgen — ze is ingebed in ons dagelijks leven, onze taal, ons onderwijs en onze omgangsvormen.

Ik spreek dus niet over een samenzwering, maar over de heersende beschaving. Of, preciezer: over civilisatie — het langdurige, geleidelijke proces waarmee normen en vanzelfsprekendheden hun weg vinden in onze instituties én in ons persoonlijke gedrag en denken. Civilisatie is geen plan, maar een patroon. En dat patroon vormt een systeem van betekenis waarbinnen gedacht en gehandeld wordt.

Complotdenkers geloven dat een kleine groep mensen in het geheim de wereld stuurt. Wat ik beweer is veel minder spectaculair — en daardoor moeilijker te weerleggen: iedere samenleving wordt met een elite gedragen door een culturele orde, waarin bepaalde ideeën als vanzelfsprekend gelden. Die orde wordt in stand gehouden door mensen die bepalen wat ‘normaal’, ‘legitiem’, ‘gewenst’ of ‘waar’ is — via media, onderwijs, wetenschap, rechtspraak, kunst, religie en politiek.

Niet omdat ze samen in een achterkamer plannen maken, maar omdat ze samen een beschaving vormen.

Wie bepaalt wat waar is?

De echte macht ligt dus niet alleen bij mensen die wetten ondertekenen of knoppen indrukken, maar bij degenen die bepalen:

  • wat we als probleem zien,
  • wie we als deskundig beschouwen,
  • welke woorden acceptabel zijn,
  • welke toekomst denkbaar is.

Die macht speelt zich af in wat ik noem: de talige ruimte van de beschaving — het geheel aan begrippen, metaforen, frames en aannames waarmee we over de wereld spreken, en dus ook hoe we handelen. Wie de taal beheerst, beheerst de interpretatie. En daarmee: de werkelijkheid. Dat geheel noemen wij meestal: onze cultuur.

Als ik zeg: revoluties beginnen niet op straat, maar in de betekenisgeving — dan bedoel ik dat letterlijk. Ze beginnen in redacties, op universiteiten, in boeken, in denkrichtingen. Eerst verschuift het denken. Dan pas verschuift de macht.

Maar toch denken mensen dan aan een complot…

Voor wie alleen macht herkent in termen van geld, geweld of verkiezingsuitslagen, klinkt dit allemaal verdacht abstract. Zeg je: “De strijd wordt gevoerd op het niveau van ideeën”, dan denken sommigen al snel: “Je bedoelt zeker dat alles gestuurd wordt vanuit achterkamertjes.” Of erger nog: “De slechteriken uit James Bond zijn aan het werk.”

En inderdaad: sommigen stellen zich bij mijn theorie meteen een scène uit een Bondfilm voor:
een geheime kamer vol boosaardige mannen die op grote rode knoppen drukken om chaos te veroorzaken, en gelukkig is daar dan 007 om het in laatste instantie te voorkomen. Dat is de fantasie van complotdenken.

Wat ik voorstel is veel minder filmisch — maar ook veel realistischer: een systeem waarin macht ontstaat uit betekenisgeving, en waarin geen enkele held het roer in zijn eentje kan omgooien. Daarom pleit ik ook niet voor een revolutie op straat, maar voor een revolutie van betekenis — binnen een uiteindelijk open samenleving.

Vooruitgang is een betekenisstrijd

Het is geen plan. Het is een patroon. En dat patroon laat zich niet eenvoudig veranderen door één verkiezing of beleidswijziging. Het vereist een andere dialoog — en een andere taal. Daarbij gelden wetmatigheden. Die probeer ik in mijn studie te beschrijven.

Want alleen binnen een samenleving die kritiek toelaat, waar instituties bevraagbaar zijn en waar ideeën vrij kunnen circuleren, kan werkelijke verandering plaatsvinden — zonder geweld en zonder dwang.

Dit alles is dus geen pleidooi tegen de democratische — of misschien beter: maatschappelijke — dialoog. Integendeel. Het is wel een verdediging van het ideaal van de open samenleving: een samenleving waar de waarheid niet wordt afgedwongen, maar gezocht. Waar revolutie geen staatsgreep is, maar een verschuiving van inzicht — soms wel radicaal anders.

Alleen in zo’n samenleving kunnen revoluties leiden tot betere samenlevingen. Dat heet vooruitgang. En dat is het soort revoluties dat ik voor ogen heb: niet gericht op de omverwerping van de macht, maar op de herschepping van betekenis. Dat is wat elke revolutionair uiteindelijk wil bereiken.

Wat is er eigenlijk mis met zwart geld?

Een kritische blik op het concept ‘zwart geld’. Is het wel crimineel, of slechts het gevolg van een belastingsysteem dat moreel verabsoluteert?

Zwart geld is fout, witwassen is misdadig… toch? Maar wat als dat oordeel vooral een uitvinding van de overheid is? Een prikkelende heroverweging van wat geld ‘zwart’ maakt — en waarom dat misschien helemaal geen moreel probleem is.

In een recent artikel op Naked Capitalism wordt de strijd tegen zwart geld omschreven als een morele kruistocht: zwart geld is misdadig, witwassen een zonde, belastingontwijking een vorm van nationale verraad. Landen die hieraan ‘meewerken’, zouden net zo fout zijn als de criminelen zelf. Zo wordt Argentinië ervan beschuldigd moreel te ontsporen wanneer het overweegt zwart geld te ‘regulariseren’. Maar klopt dat wel?

Een moreel probleem of een fiscaal construct?

Het hele idee van ‘zwart geld’ bestaat bij de gratie van overheidsdefinities. Geld wordt ‘zwart’ genoemd zodra het buiten het zicht van de fiscus circuleert. Niet omdat het per definitie uit illegale activiteiten of misdaad voortkomt, maar omdat er geen belasting over wordt betaald. Zwart geld is dus vooral geld waar de overheid géén grip op heeft, en daar houdt ze niet van.

Maar laten we dat eens omdraaien: waarom zou belasting op transacties en inkomens moreel verplicht zijn, in plaats van gewoon belastingen zien als een prijs die burgers voor geleverde overheidsdiensten betaald? In een normale economie sturen bedrijven rekeningen voor hun diensten. Waarom zou de overheid daar principieel van afwijken?

Belastingen als dienstverlening

Als de overheid haar burgers en bedrijven behandelt als klanten’ – van zeer gewaardeerde diensten, want mensen profiteren van de infrastructuur, veiligheid, onderwijs en rechtspraak – dan ligt het veel meer voor de hand om daar een gespecificeerde factuur voor die diensten te sturen. Wie niet betaalt, krijgt een herinnering, een aanmaning en eventueel een deurwaarder. Zoals dat in elk ander maatschappelijk verkeer ook gebeurt.

Dan maakt het ineens niet uit of iemand contant betaalt, via crypto of met edelstenen: de overheid wil gewoon betaald worden voor geleverde diensten. Het hele circus van anti-witwas-maatregelen, meldplichten en fiscale opsporingsdiensten wordt dan overbodig. Bespaart ook nog eens veel kosten bureaucratie en wordt die factuur dus lager.

Misdaad is iets anders

Belangrijk is wel het onderscheid met geld dat wél voortkomt uit misdrijven zoals afpersing, fraude of corruptie. Dat moet natuurlijk worden aangepakt, niet omdat het ‘zwart’ is, maar omdat het anderen schaadt. Dat is de taak van het strafrecht, niet van de belastingdienst. En ook hier geldt: de overheid mag best de kosten aan de burger in rekening brengen voor het handhaven van die rechtsorde.

Een alternatief voor fiscale moraliteit

In plaats van morele oordelen over geld dat ‘wit’ of ‘zwart’ is, kunnen we dus beter kijken naar de relatie tussen burgers en overheid als een zakelijke overeenkomst. Je neemt diensten af, je betaalt ervoor. Niet meer, niet minder.

Zodra die gedachte gemeengoed wordt, verdwijnt het hele concept van zwart geld als morele categorie. En daarmee ook de drang om voortdurend geld te ‘wassen’ om het systeem tevreden te stellen. Wat overblijft is een veel helderder onderscheid tussen echte criminaliteit – die schade veroorzaakt aan burgers – en gewone economische activiteiten – uit welke opbrengst de burger zijn belastingen gewoon kan en wil betalen.

Beschavingsprincipes à la Poetin

Volgens Poetin op 5 oktober tijdens een toespraak op de plenaire zitting van de 20e bijeenkomst van de Valdai International Discussion Club in Sochi:

Ten eerste willen we leven in een open, onderling verbonden wereld, waarin niemand ooit zal proberen kunstmatige barrières op te werpen voor de communicatie van mensen, hun creatieve realisatie en welvaart. Er moet een omgeving zonder barrières zijn.

Het tweede principe is de diversiteit van de wereld, die niet alleen behouden moet blijven, maar ook de basis moet vormen voor universele ontwikkeling.

Het derde principe is volgens het Russische staatshoofd maximale representativiteit: Niemand heeft het recht of kan de wereld voor anderen of namens anderen regeren. De wereld van de toekomst is een wereld van collectieve beslissingen.

Op de vierde plaats staat universele veiligheid en duurzame vrede die in gelijke mate rekening houdt met de belangen van grote en kleine landen. Om dit te bereiken is het belangrijk om de internationale betrekkingen te bevrijden van de blokmentaliteit en de donkere erfenis van het koloniale tijdperk en de Koude Oorlog.

Het vijfde principe is rechtvaardigheid voor iedereen: Het tijdperk van uitbuiting van wie dan ook behoort tot het verleden. Landen en volkeren zijn zich duidelijk bewust van hun belangen en mogelijkheden en zijn bereid om op zichzelf te vertrouwen, en dit vermenigvuldigt hun kracht. Iedereen moet toegang krijgen tot de voordelen van moderne ontwikkeling.


bron: https://frontnieuws.com/poetin-maakt-duidelijk-dat-globalistische-terrorist-klaus-schwab-zijn-dagen-geteld-zijn/

Samenvattend (op wereld niveau als collectief van soevereine naties):
• Open onderling verbonden wereld
• Diversiteit behouden als basis voor universele ontwikkeling
• Maximale Representativiteit: collectieve wereld
• Universele veiligheid en duurzame vrede
• Rechtvaardigheid voor iedereen


Er blijven wel wat vragen over, zoals:

• Van wie zijn de natuurlijke hulpbronnen op de wereld?
• Wie is de eigenaar van land (en zee, ruimte) ?
• Staatsbezit vs individueel bezit, inclusief bezet vermogen ?
• Zijn er maatschappelijke belangen die individuele soevereine staten ontstijgen?
• Is er recht op zelfverdediging voor staten, en dus straf voor agressors?
• Is iedereen vrij zijn ´home´- staat te kiezen en die keuze te wijzigen?

De principe zijn mooi geformuleerd; goed omdat tegen het daadwerkelijke gedrag van de westerse wereld te plaatsen en dus nastrevenswaardig. Maar daarmee nog niet zonder problemen die ook opgelost dienen te worden. De wereld en hun naties zijn geen gemeenschap die zich so-wie-so gewend is zich naar maatschappelijke collectieve menselijke doelstellingen te richten.

Enkhuizen, 6 oktober 2023

Libertaire Beginselen

Ik ben onlangs in contact gekomen met de Libertaire Partij in Nederland. Dat is opvallend, want hoewel ik vanaf mijn veertiende jaar geïnteresseerd ben in politiek, heb ik me nooit volledig thuis gevoeld bij een politieke partij. Ik stemde op personen die ik vertrouwde om mijn idealen zo goed mogelijk te vertegenwoordigen binnen de Nederlandse representatieve democratie. Maar de laatste decennia merkte ik dat het steeds moeilijker werd om zulke personen te vinden op kieslijsten.

Ik ben een overtuigd voorstander van geweldloosheid en meer dan mijn vader een rationalist. Ik geloof dat de mens, gedreven door wetenschap, via rationeel denken tot oplossingen kan komen voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Dit betekent ook een afstand nemen van dogmatisme en fundamentalisme en het herkennen en overwinnen van vooroordelen. Een open dialoog in een vrije samenleving is daarbij essentieel. Dit vereist ook persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid, inclusief maatschappelijke verantwoordelijkheden.

Want ook individuele rationele mensen zijn in hun gedrag sociale wezens, waar voor elkaar zorgen, elkaar vrijheid te gunnen, en ons te verdedigen tegen – al dan niet gewelddadige – pogingen de vrijheid van anderen te beperken of zelfs te ontnemen. En ondanks mijn politieke belangstelling en ondanks mijn opvattingen die men rationaal libertijns kan karakteriseren, stuitte ik pas bij toeval – op zoek naar informatie over een onderwerp die ik in een volgende voordracht wilde gaan verwerken – op de Libertaire Partij, en toen ik de beginselverklaring had gelezen realiseerde ik dat die tekst het dichtst bij kwam bij waar ik al 55 jaar als politiek ontheemde op naar zoek was.

En de belangrijkste alinea uit de beginselverklaring is voor mij: “Wij zijn van oordeel dat alle groepsverbanden hun rechten en bevoegdheden ontlenen aan de mensen die hen hebben opgericht, en dat zij de vrijheid van anderen niet mogen inperken, net zo min als de mensen die de verbanden hebben opgericht dat zelfstandig zouden mogen. Derhalve ontkennen wij het recht van enige overheid om de rechten van enig individu te schenden”.

Met één (redactionele) opmerking dat voor de ‘oprichters’ van die groepsverbanden moet worden gelezen ‘oprichters én leden’; vrijwillige leden, die ook altijd het recht moeten hebben zonder consequenties zich als lid weer terug te trekken uit een groepsverband. Dit principe is overigens aan het einde van de 19e eeuw al door Abraham Kuyper, in die tijd de (geestelijke en politieke) voorman van het gereformeerde Nederlandse volksdeel, beschreven en hij noemde dat principe “Soevereiniteit in eigen Kring” uitvoerig beschreven in zijn redevoering uit 1880 bij de officiële opricht van de Vrije Universiteit. Want de Vrije Universiteit werd Vrije Universiteit gedoopt, omdat het vrij was van de overheid, met als consequenties dat de geloofsgenoten de gehele universiteit ook zelf financierde met collectes. Alle andere universiteiten werden gefinancierd door de overheid. De overheid heeft daar natuurlijk niets te zoeken.

De beginselverklaring van de partij zegt alleen iets over – en dat is een terechte constatering – overheden als: “Overheden hebben door de geschiedenis heen gewerkt vanuit het tegenovergestelde principe dat de staat de exclusieve bevoegdheid heeft de rechten van individuele mensen af te nemen of in te perken.” En vervolgens een zeer belangrijke opmerking dat overheden (ook): ¨… echter niets anders (zijn) dan verbanden van een select gezelschap individuen, die ten onrechte pretenderen namens alle individuen te spreken.”

Met andere woorden, alle taken die de overheid – en sommigen zijn maatschappelijk nodig en nuttig – ook niet meer is dan een verband van een gezelschap individuen. En dat geldt voor alles wat wij als individuelen opzetten, initiëren, organiseren, of het nu gaat om een bedrijf, een sportvereniging, een politieke partij, een hulporganisatie voor eenzame bejaarden, het zijn ALTIJD groepen van individuen die dat initiëren en organiseren, zorgen voor orde en rust binnen de gezelschap. En die mensen dienen ook de ‘eigenaren’ te zijn van die activiteiten, en dus samen bepalen wat wel en niet kan en moet, wat er voor betaald voor moet worden, enz. De overheid heeft daar NIETS te zoeken.

Conclusie is dat we geen overheid nodig hebben, WANT we kunnen én organiseren dat altijd al zelf. En we kunnen het beter en efficiënter. Er is bijna niets wat de overheid doet, wat ze goed doet, efficiënt doet, en zonder vervelende dwang doet en met het oogmerk het geluk van de burgers te verhogen op geen enkele terrein haalt. En dat laatste is de enige leidraad voor wat wij overheid noemen.

Nu is het voor de positionering en de geloofwaardigheid van libertaire partijen een probleem om dat over het voetlicht te krijgen, want iedereen die je zegt: “We hebben geen overheid nodig; we kunnen het uitstekend zelf organiseren; beter en goedkoper¨ kijkt men je meewarig aan en gelooft dat niet. Want de Staat heeft zelf “de exclusieve bevoegdheid (….) de rechten van individuele mensen af te nemen of in te perken.” toegeëigend is met een meesterlijke strategie heeft dat als vanzelfsprekend in de hoofden van de meeste individuen ingeprent. Via het onderwijs, via de ambtenaren, de regeringsvertegenwoordigers, door (staatsrecht)geleerden, juristen, journalisten en vooral de intellectuele elite als politieke filosofie ingehamerd, met als ondergrond de meest walgelijke politieke filosofie van Hegel, die bijna anderhalve eeuw als de dominante politieke filosofie is uitgedragen. Zowel de heilstaten van Nazi-Duitsland als de USSR zijn op zijn ideeën gestoeld. Overigens gaan de denkbeelden van Hegel terug tot de filosofie van Plato die ook concludeerde dat slechts enkele mensen (de elite, of bij Hegel de (Preussische) soevereine ¨bij de gratie gods” vorst) gegeven is en een staat de legitimiteit geeft die er voor zorgt dat de individu uiteindelijk zijn recht, vrede en geluk vindt. Socrates kwam daartegen in opstand en heeft dat met zijn leven moeten bekopen. Dat hele proces kan men teruglezen in het boek van Karl Popper: “De Open Samenleving en haar vijanden”, met name ondubbelzinnig verwoord in hoofdstuk 10. Dit hoofdstuk geeft mijns inziens de LP zijn politiek filosofische fundament.

En dat fundament van de LP is m.i. het geloof in de zegening voor alle mensen in een open samenleving waarin individuen de volledige vrijheid hebben hun leven in samenlevingen met anderen naar eigen inzicht in te richten en daarmee het lot in eigen hand te nemen. We zijn daar als individuen dus eigenlijk heel goed in, maar het betekent ook dat alle groepen van burgers hun groepsverbanden (´kringen’ noemt Kuypers die dus) kunnen aan gaan en dat de overheid daar niets te zoeken heeft; maar ook dat andere groepen daar niets te zeggen hebben, en die groepen kunnen zichzelf autoritair en onvrij inrichten, mits alle leden uit eigen wil daar onderdeel van willen zijn én er weer kunnen uitstappen. ¨ Be my guest ” zou ik zeggen.

Dat zijn eigenlijk de enige twee libertariaanse voorwaarden die aan groeps/kring vorming moet en kan worden gesteld. Dat kringen en individuen elkaar niet aanvallen, inpikken, onmogelijk maken enz. En de verdere uitwerking van dat niemand “het recht … (heeft) om individuele rechten te schenden.”.

Nu bevinden libertaire partijen zich in een communicatief moeilijk dilemma. Enerzijds valt het idee dat we de overheid helemaal niet nodig hebben slecht bij een heel groot deel van de bevolking, want ‘onzin’, niet waar, toch een beetje wappie-achtige opvattingen. Anderzijds is daar de snelheid waarmee onze staat nu afstevent op een totalitaire samenleving waar een kleine elite bepaald wat wij als individuen mogen doen, denken en vinden. Zie totalitair.nl. Er is urgentie.

Democratie in westerse landen is een mythe geworden. De bedreiging van de open samenleving is groot want vervolging van andersdenkenden hangt in de lucht, als het op veel terreinen al niet begonnen is. Dus welke positionering kiest LP, en hoe denkt men dat over het voetlicht te krijgen.

Één ding is in ieder geval een goed uitgangspunt. Libertaire partijen zijn beginselpartijen, heeft dus een ideologie en dat helpt je bij het bepalen van je standpunt op vele en snel opkomende, vaak niet voorziene politieke issues. Wij hoeven geen partijprogram te hebben, omdat onze leden en sympathisanten vanuit onze beginselen voor ieder politiek punt kunnen bedenken wat ons standpunt zal en moet zijn. Anders dan protest partijen als PVV, Omtzigt, BBB, Dieren partij, Denk, enz waar het uitmelken van de (altijd zeer aan de mode en actualiteit onderhevige) partij programma’s noodzakelijk is om zich te onderscheiden. Door hulpmiddelen als bijvoorbeeld de stemwijzer zijn verkiezen sowieso steeds meer uitgelopen op opinie peilingen dan op fundamenteel politiek debat over de toekomstige koers van onze samenlevingen. Er wordt daardoor ook nauwelijks meer gedebatteerd: we veroordelen, sluiten uit en maken zwart; en in die verwarring grijpt de totalitaire politieke elite de macht.

Wat een goede strategie voor dergelijke partijen kan zijn is dat ze zich richten op het in de samenleving op gang brengen van een libertaire beweging. Het meedoen aan de verkiezingen, prima, maar zal om heel veel redenen voorlopig van weinig betekenis kunnen zijn. We moeten de langere weg kiezen van het over het voetlicht brengen van onze standpunten. Je zult nog verstelt staan hoeveel mensen – als ze zich bewust worden van wat we willen en hoe die samenlevingen er dan uitgaan kan zien – dat een aantrekkelijke toekomst zullen vinden. Soeverein in onze eigen organisaties. Geen hiërarchische overheden meer, maar democratisch (horizontale) structuren van individuen, die zelf bepalen wat we willen. De nieuwe cybernetische en AI technieken helpen daarbij overigens enorm. Ze zijn niet onze vijand maar onze vrienden, alleen we moeten de intelligentie en de handjes vinden om dat mogelijk te maken. Er is veel te doen.

Enkhuizen, 30 september 2023

Burgerrechten

We hebben – zeker in de westerse samenleving waarin ik en bijna al mijn lezers zijn opgegroeid – het als grondbeginsel van het ‘Vrije Westen’ als vanzelfsprekend over onvervreemdbare grondrechten van de burgers. Die rechten kunnen we, als we er even voor gaan zitten, ook allemaal wel opzeggen, en zeker die rechten die ons zo opzichtig doet onderscheiden van de rest van de wereld, we bedoelen dan te zeggen de onvrije niet-westerse wereld waar dus burgers worden geknecht, onderdrukt, vervolgt, zo niet erger, en dom gehouden tegenover de regerende elite, dat wil zeggen alle andere landen, zo’n beetje de rest van de wereld.

Maar de burgerrechten die we dan zullen opnoemen zijn qua uitwerking en handhaving alles behalve gelijksoortig. Er zijn er die de verhouding, de macht dus, van de staat beperkt tegen de burgers, er zijn er die iets zeggen over de onderlinge verhoudingen tussen burgers en er zijn die strikt beperking hebben op de integriteit van de mens zelf, onafhankelijk wie of wat die staatsmacht vertegenwoordigd en handhaaft.

Kenmerk van mensenrechten zijn dat ze absoluut zijn. Waarom anders mensenrechten? Absoluut, dat wil zeggen geen enkele overheid in geen enkele omstandigheid die opzij kan schuiven. Als je onze grondwet leest zie je al direct dat we helemaal geen burgerrechten hebben, want de overheid heeft zich in voor gevallen een uitzondering bedongen. Maar dat hier even terzijde.

Verder worden burgerrechten en democratie vanzelfsprekend op één hoop geveegd omdat ze beide kenmerken zijn van een geciviliseerde samenleving die we na de Frans Revolutie zo graag als samenleving, als staat en haar burgers willen uitstralen en belijden. En die kenmerken onderscheiden de landen van de Westerse Wereld van de rest van de rest. Dat samenvoegen van democratie met mensen rechten lijkt vanzelfsprekend maar is dat niet. Democratie is dus eigenlijk niet meer dan afspraken hoe een heersende elite, die elite mag en kan zijn, en hoe de procedures zijn die leiden tot ‘wetten’ waar iedereen zich, op straffe van vervolging – aan heeft te houden. Het geeft de overheid ook het alleen recht op (toepassing van) geweldsmiddelen. In een democratie hoort de bevolking het laatste woord te hebben. Dat is aanzienlijk moeilijker te realiseren dan het als leuze uitroepen en feitelijk moeten we constateren dat we eigenlijk nergens in de wereld die claim – van de volkssoevereiniteit – waarmaken.

Om het verschil enigszins duidelijk te maken zou je kunnen zeggen dat grondrechten beschouwd kunnen worden als een natuurrecht, een natuurlijk recht, onvervreemdbaar, en is alles wat te maken heeft met democratie en staatsvorming staatsrecht kunstmatig en onderhavig aan de door de juristen die daar over gaan zelf gecreëerde systeem van rechtsfilosofie. Ook mode gevoelig. Gekunsteld dus en heeft daarom de status van een geloof waaraan de uitvoering ondergeschikt is.

Nu schijnt zich niemand zich te realiseren dat de meeste grondrechten, rechten zijn die de burger moet beschermen tegen de willekeur en macht van zijn overheid. Of om het anders te formuleren, als we geen overheid, hadden we ook geen grondrechten nodig. En het gegeven dat we dus blijkbaar tegen onze eigen overheid – ook de in de westerse democratieën – zou te denken moeten geven. Waarom zijn we zo vanzelfsprekend overtuigd van de noodzaak van een overheid als we ons vervolgens ons daar als burgers uitvoerig tegen moeten beschermen. Met onze leerstellingen van de de democratische rechtstaat is dat eigenlijk een merkwaardige situatie. De democratie die ons als burgers het laatste woord hoort te geven in (staats)zaken, dienen toch tegen de overheid uitvoerig juridisch beschermt moeten worden en we zijn er trots op naar de rest van de wereld dat wij en zij onvoldoende of niet – doen. Dat kan alleen maar tot de conclusie leiden dat blijkbaar nergens op de wereld overheden deugen.

Met deze stelling doe ik met name de grondvesters van de federale overheid van de Verenigde Saten van Amerika onrecht. Want die hebben zich wel gerealiseerd dat met een machtige gecentraliseerde overheid dat problemen voor de burgers kan opleveren. Vandaar ook de leerstellingen over de opdeling van de staatsmacht in drie groepen: wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht. Ook het recht om burgers het recht op wapens te geven paste in die gedachtengang: de burger moet zich tegen een zijn macht misbruikende overheid zelf kunnen beschermen.

In Nederland bij de vestiging van de ‘moderne’ democratische koninkrijk rond 1850 heeft Thorbecke daar geen al te principieel oog voor; vertrouwde waarschijnlijk op de fatsoenlijkheid van de (liberale) HEREN die het land bestuurden. Abraham Kuijpers, de gereformeerde voorman, had einde 19de eeuw wel oog voor de gevaren van een almachtige staat, uit andere (gereformeerde) motieven mogelijk, maar zijn overwegingen zijn nog steeds te moeite waard om kennis van te nemen.

En ik denk dat dat uiteindelijk ook de enige waarheid is. Waarom hebben we eigenlijk zoiets als en overheid, waarom zijn die overheden blijkbaar altijd zo onbetrouwbaar als het gaat om de zorg voor haar burgers. Het is een vraag die in de wetenschap eigenlijk nooit aan de orde komt. De sociologie van elite, staatsvorming en staatsmacht is wetenschappelijk een van de meest onderbelichte onderwerpen. Over totalitaire staten willen we nog wel eens uitpakken en weten we de oorzaken. Maar over de opvallende slechtheid van een gemiddelde (democratische) overheid wordt gezwegen.

Waarom wij vanzelfsprekend een overheid nodig hebben, die vraag wordt nooit gesteld. En dat brengt ons als burgers in grote problemen.

Reactie op artikel VerenofLood: Onderwijs – basis pabo’s moet degelijker

We moeten oppassen voor al te gemakkelijke oordelen over kwaliteit onderwijs en niveau PABO studenten.
Natuurlijk is door a) de degeneratie van de maatschappelijke positie van (boven)meesters, onderwijzeressen en leraren/ressen de kwaliteit van de instroom van onze docenten afgenomen. In mijn tijd waren op de HBS-B alle docenten afgestudeerd en met een academische titel. Dat verander je in deze tijd echt niet meer. Belangrijk is en blijft dat men een roeping heeft om in het onderwijs te gaan; daar begint de eerste selectie. b) omdat al het kwaliteit naar het bedrijfsleven of hoger onderwijs gaat, lijkt de keuze om in het onderwijs te gaan qua aangeboren kwaliteit een tandje lager dan vroeger. Dat is alleen te veranderen met wijziging van de maatschappelijke status van het onderwijs en dus salarisniveaus. Die visie ontbreekt bij onze politici.

Belangrijker nog is dat door met name de digitale en internet revolutie de eisen die men aan rekenen en taal moet stellen ingrijpend gewijzigd, terwijl de beoordelaren van het kwaliteit van het onderwijs nog in de vijftiger jaren standaarden leven.

Kinderen en studenten kunnen uitstekend spellen, schrijven, vertalen en rekenen door de computers die ze altijd onder handbereik hebben. Daar hebben ze geen PABO-docent voor nodig. Communicatie gaat allang niet meer via tekst, maar is verschoven naar video en marketing teksten met maximaal de lengte van een A4-tje.

Dus zolang er niet serieus gesproken worden over de invoering vanaf de basisschool van programmeren, IT en video-editing is al die discussie over de onderwijsverloedering, rekenen, spelling en taal, een achterhoede gevecht.

En verder moeten we ophouden te denken dat verplicht gestandaardiseerd onderwijs van 4 tot 18 essentieel is voor de toekomst van al onze kinderen; het nut van lang en boring onderwijs wordt schromelijk overschat.

De kwaliteit van het onderwijs: waarom meer geld nu niet zal werken

Bij Follow The money nu gratis te lezen een artikel van Marlise Eerkens over de kwaliteit van het (basis) onderwijs. Daarin de verwondering opwekkende stelling dat er steeds meer geld naar het basis onderwijs gaat en de kwaliteit toch steeds meer achteruit gaat.

Laten we dan hier even veronderstellen dat je de kwaliteit van het onderwijs goed kan meten, want dat hangt uiteraard af van welke doelstellingen je uit gaat en dat je een betrouwbaar meetinstrumentarium hebt. Maar in ieder geval dusdanig meten dat de kwaliteit tussen scholen in Nederland, in de tijd afgezet en in vergelijking met andere landen kan worden vastgesteld. Dan blijkt dat onderwijs steeds meer achteruit gaat in vergelijking met de andere OESO-landen. Daar waar we enkele tientallen jaren geleden nog als vanzelfsprekend in de eredivisie meespeelden.

D e verwondering van de auteur van het artikel vindt zijn grond in de vooronderstelling dat goed onderwijs een kwestie is van goed organiseren. En, in ambtelijke sferen, is goed organiseren vooral een kwestie van procedures, verslaglegging, kwaliteitscyclussen, transparant communiceren, voortgangsrapporten, consultants, cursussen voor van alles en nog wat, studie dagen, elkaar de maat nemen.

En, o verrassend en voorspelbaar, dit leidt niet tot kwaliteit. Het leidt tot ambtelijkheid, onderling wantrouwen, afschuiven, zwartepieten, en extra onnutte kosten maken. Dat is precies wat we zien.

Nu zei de directeur bij het beste bedrijf waar ik ooit drie maanden heb mogen rondkijken, The Berry Company in Dayton Ohio het al treffend tegen mij: “Rules are for the weak and uncompromised standards of execellence are for the strong”

Dat adagium is bij de schrijfster van het artikel – zeer nuttig en informatief overigens – ook niet doorgedrongen want ze schrijft verongelijkt: “Een van de meest in het oog springende kenmerken van het Nederlandse onderwijssysteem is de lumpsumfinanciering die in 2006 in het basisonderwijs is ingevoerd. Dit systeem komt erop neer dat schoolbesturen een zak geld krijgen van de overheid en vervolgens zelf kunnen bepalen hoe zij die willen uitgeven. Binnen de OESO-landen is dit uniek. Er is geen ander land waar de overheidsplicht om alle kinderen kwalitatief hoogstaand onderwijs te bieden bijna volledig is gedelegeerd aan de schoolbesturen.”

Daarom kijkt ze onder de verkeerde steen van het beter organiseren, andere procedures, vooral meer centraal geregeld en verordineerd, maar helaas pindakaas dat zal niet helpen.

Want dat de kwaliteit van het onderwijs achteruit holt is evident maar is m.i. het gevolg van de grote maatschappelijk trends welke ons vanaf de zestiger jaren in de greep hebben. Van af die periode is de westerse wereld onder invloed gekomen van de romantiek en is het links socialistische gedachte goed van gelijkheid dominant geworden in ons denken. Romantici vinden zielige mensen interessant en zal daarom hun situatie herkenning, begeleiden, adviseren, maar nooit oplossen; en de gelijkheid-narratief maakt dat (behalve in de sport) prestatie-dwang, presteren en excelleren verdacht zijn en dus geworden. Want, zo is de gedachte, het maakt de mensen ongelukkig; want stress.

Dat heeft direct gevolg gehad op de wijze waarop we naar het onderwijs zijn gaan kijken en de mensen die voor de uitvoering moesten zorgen verkeert selecteren en verkeerd instrueren. Onze verwachtingen van school, haar bestuur en haar onderwijzers, de inspectie, de dus de verantwoordelijke politici maken dat we nooit goed onderwijs zullen kunnen leveren. Want wat hebben we gedaan:

(1) de kwaliteitseisen die we stelde aan de prestaties van de te onderwijze kinderen hebben we afgezwakt. Iedereen moet naar de universiteit kunnen zo’n beetje in extreme: hét gelijkheidsprincipe! Dan kan natuurlijk niet vanwege de evidente verschillen in cognitieve vaardigheden, dus dan moet je onvermijdelijk de toelatingscriteria afzwakken. En dat hebben we vrolijk gedaan.

(2) alle situatie van prestatie-dwang, competitie, concurrentie hebben we langzaam maar zeker uit het onderwijs gesloopt. We zijn begonnen met leerlingen met specifieke problemen te pamperen (en vooral aan te praten dat ze heeel zielig zijn; de romantiek!), we zijn gaan inzetten op individueel onderwijs en veel individuele aandacht van de leerling, kleinere klassen. En iedereen vind dat goed en prachtig, zeker als het je eigen kinderen betreft, maar hebben niet door dat daarmee de onderlinge competitie, een hele sterke motor voor prestaties, geheel tot stilstand is gekomen in het onderwijs. In de zeventiger jaren herinner ik mij nog onderzoek te hebben gezien waaruit bleek dat de gemiddelde schoolprestaties van de leerlingen in grotere klassen beter was dan in kleinere klassen. En de onderzoekers meende daarvoor ook een sluitende verklaring te hebben gevonden, namelijk dat in groter klassen de competitie zwaarder is en dus er harder gewerkt moet worden om op te vallen en te onderscheiden.
Het laatste voorbeeld van het wegnemen van elke competitie-element (want het is zo stressvol) is het afschaffen van het geven van cijfers en dus ook de kwalificatie van ‘Cum Laude’ bij afstuderenden van de medische faculteit van de Vrije Universiteit. En iedereen heeft instemmend geknikt: dit is de weg. Ja dit is de weg naar gegarandeerd minder kwaliteit.

(3) Dat afzwakken van de competitie en het afzwakken van kwaliteitseisen heeft dan ook onvermijdelijk ook een direct gevolg gehad voor de selectie van vakmensen en kwaliteit van de opleiding van de onderwijzers en docenten. Waardoor we in een niet te stuiten vicieuze cirkel komen van steeds minder kwaliteit in de effecten van ons onderwijs systeem. En dan komen we aan de kern van wat onderwijs goed, professioneel en effectief maakt: de (individuele) kwaliteit van de onderwijzers. Niets zal die factor van een goede professionele onderwijzer die zijn vak verstaat kunnen goedmaken; wat je ook doet, hoeveel geld je er ook in steekt; hoe professioneel de kwaliteitssystemen ook zijn; hoe goed het curriculum ook in elkaar is gestoken. Niets helpt als niet de kwaliteit van de docenten op orde is. En goede, excellente docenten hebben geen procedures nodig om goed werk af te leveren. Dat doen ze dan als vanzelfsprekend en zonder aansturing.

Daar ligt de kern van het probleem en het probleem is dat we in de westerse wereld nu juist dat niet meer weten aan te pakken; onze romantische linkse gelijkheids-gelovers zitten ons daarvoor definitief in de weg.

Mijn opmerkingen onder punt (3) heeft iets onrechtvaardigs, omdat er nog steeds natuurtalenten zijn onder onze docenten die kennis, kwaliteit en kunde hebben en gedreven zijn om goed onderwijs te geven. De leerlingen zullen deze docenten ook direct herkennen en op handen dragen. Een bijkomend effect is dat deze docenten door hun eigen standaard van excellentie in het overgereguleerde, georganiseerde onderwijs systeem gefrustreerd raken en afvallen. Meestal met een burn-out; vaak ook gewoon door te vluchten. Voor deze mensen dienen we een standbeeld op te richten! En we ons te schamen ze zo te frustreren; al was het maar uit eigen belang, want zij kunnen anders niet onze kinderen weer het onderwijs geven waarvan we allemaal weten dat het essentieel kan zijn in hun toekomstige functioneren.

Niet kunnen presteren en excelleren maakt de mens ongelukkig. Gebrek aan goed onderwijs zet de mens op achterstand, maakt het vrijwel onmogelijk het leven naar eigen hand te zetten en dus waardoor geluk steeds meer een droom wordt voor anderen maar niet voor mij.

Het begin van elk goed onderwijs begint dan ook met onderwijs uit handen van de regelzucht van iedere overheid te houden. Wij kunnen het prima zelf organiseren. En beter!

Postzegels verzamelen: doe ik nu al 54 jaar!

Ik ben geboren in 1951. Mijn vader was boekhandelaar in de Bilderdijkstraat 196 te Amsterdam. Toen een Amsterdamse volksbuurt met de Kinderstraat en de Ten Katemarkt om de hoek. In 1962 kwam mijn vader op een zaterdagavond thuis uit zijn werk en had een (platte) geel bedrukte grote chocolade doos bij zich. Vol met postzegels. Had hij van een klant gekocht, na ik mij herinner voor vijfentwintig gulden. Waarschijnlijk omdat hij dacht dat je van postzegelsverzamelen heel rijk kon worden.
Als ik even nadenk weet ik ook nog de naam van deze klant van de Boek- en kantoorboekhandel “De Stad”.

Dezelfde avond nog met mijn moeder begonnen om de duizenden postzegels te bekijken en te ordenen. Het begin van mijn wereldverzameling

Dezelfde wek nog met mijn vader naar het postkantoor in de Bosboom Toussaintstraat in Amsterdam (achter in de drogisterij). Want daar moest een eerste dag-enveloppe worden gekocht (die worden heel veel waard!). En dat was de zomerzegelserie van 1963 (één van de mooiste series die Nederland ooit heeft uitgegeven!) en de serie met toeslag kostte toen 90 cent (catalogus waarde nu: €7). Daarom weet ik nu nog dat dus op 27 april 1962 (ik was toen 10 jaar!), ben begonnen met de wereld verzameling van gestempelde postzegels.

Overigens de eerste dag enveloppe (met adres) is nu – slechts – €10 waard volgens de NVPH-catalogus 2015 (zonder adres €35, maar dat vind ik ten onrechte, immers met adres heeft daadwerkelijk die dag van eerste uitgifte de postale reis gemaakt van het postkantoor naar jou huisadres. En dat is waarvoor postzegels er zijn! Daarom verzamel ik nog steeds liever gestempelde dan ongestempelde zegels!

Later kocht hij een nog grotere doos met postzegels en al gauw een Album (Importa) Nederland, waarin de eerste twee zegels van Nederland én de Kroningszegel zat. Wat was ik trots op deze aanwinst.

Het leuke van het verzamelen van gestempelde zegels van de hele wereld en alle tijden (vanaf 1852 dus) er zo’n 700.000 postzegels zijn verschenen en dus iedereen die postzegels van zijn post haalt, voor mij altijd wel een zegels heeft die ik nog niet heb. Dus als je je geroepen voelt kun je graag voor mij afschuren en bewaren.

Heel lang heb ik veel uitzoek en sorteer werk samen met mijn moeder gedaan. Nu maar hopen dat één van mijn kinderen die gekke grote verzameling wil gaan voortzetten.

Groot Dictee Nederlandsche Taal van Van Kooten een belediging voor het Nederlands

Groene Boekje

Waarom denken mensen toch dat Het Groot Dictee Der Nederlandsche taal iets te maken heeft met de Nederlandse taal! In tegendeel: goed kunnen spellen is voor taal, taalbeleving, taalgebruik en taalcreativiteit van geen enkele betekenis; foutloos spellen toont alleen aan dat je in staat bent soms bizarre en ondoorgrondelijke regels goed toe te passen: bravo; echt iets voor Belgen om zich daarop te profileren; zonde van de schooltijd die opgaat aan het er inhameren van deze regels. Maar goed.

Belangrijker is dat de voorgelezen tekst niets, en dan ook niets met (levend) Nederlands heeft te maken. Niemand van de toeschouwers en deelnemers heeft ook maar iets begrepen van de inhoud van deze opsomming van ongebruikelijke woorden. Taal gaat nu juist om onderling te communiceren en daarom zal iedereen in onbruik geraakte worden willen/moeten vermijden. Een woordenboek is vooral om die oude en niet meer gebruikte woorden nog de betekenis achtergrond te kunnen opzoeken als je om wat voor reden dan ook gedateerde teksten leest. Je hebt ook hulp nodig als je middeleeuwse Nederlandse teksten gaat lezen.

De tekst van Van Kooten is dan ook een gospe en een aanfluiting voor het propaganderen van de mooie en rijke Nederlandse Taal.

Waarom zeggen al die deelnemers dat dit zo soort dictee’s zo belangrijk is voor de Nederlandse taal? Ik neem aan dat ze de idiote tekst van Van Kooten zien als zo iets als De Nieuwe Kleren van de Keizer!

 

De meest merkwaardigste en meest onleesbare Nederlandse tekst van 2013:

 

Na koffie gedronken te hebben, begon het Groot  Dictee.
Niettegenstaande de taalcriticus Charivarius zijn macedoine ‘Is dat goed Nederlands ?’, die verrukkelijke thesaurus vol linguïstische bêtises, publiceerde in 1940, zou het journaille anno hodie een raillerend exposé van onze pennenstrijd alsnog met dit piteuze zinnetje kunnen initiëren.

Zulke lammenadige anastrofes vernoemde de criticaster naar zijn tante Betje, in wier postale verbiage een heel aantal zeugmata,  polysyndetons en anakoloeten wiewauwde.

‘Een heel aantal’  is de contaminatie van ‘een groot aantal’ en ‘heel veel’; vanavond irriteren wij ons aan spelfouten, mitsgaders aan menig grammaticaal quid pro quo – emendeer mij!

Als men insinueert dat u heimwee heeft naar de leraar Nederlands als feniks, waarmee het zo is gegaan dat hij werkeloos achter de gerianiums zit, moet u niet paranoia reageren, aangezien die accusatie een vrijwel cliché is.

Het was veelbetekend hoe elke media  onwelwillig reflecteerde op de krankjorume tekst van het Koningslied, over wiens begeestering de godganse participatiemaatschappij zich streste.

U hoort ons inziens tot een van het gardekorps Nederlanders die menen dat de campertiaanse schrijfwijze van het adjectief verrukkelijk – het megafonetische neologisme vurrukkulluk – als voorkeurspelling te verkiezen had geweest.

Het is niet zozeer een fetisj voor spelling als wel het tot in de finesses breidelen van grammaticale valstrikken dat ons steeds overnieuw beschermt tegen een Babels imbroglio; mits dit verifiërende przewalskipaardenmiddel de enige wapening tegen nepmailtjes concretiseert.

Bijgevolg beseft u zich een pseudobancaire poging tot phishing zorgeloos te kunnen deleten dan u leest: Er is een inactieve activiteit op dit rekening plaatsgevonden. Want zodan onze zuiderburen zeggen: Menen ligt dicht bij Kortrijk maar verre van Waregem.

http://www.demorgen.be/dm/nl/992/Wetenschap/article/detail/1760618/2013/12/18/Het-Grote-Dictee-der-Nederlandse-Taal-2013-Een-przewalskipaardenmiddel.dhtml

EU begrijpt niets van zoekmachines

Search Engines = Newspapers

Certainly on the advertising front, both the EU and the US have supported more restrictions about what a publication can do versus its editorial content. Google ultimately is a publication, a guide to the web. Like a newspaper, it can publish whatever it wants. That’s been supported in the US; we’ll see if the EU takes a different view. More important, we’ll see if the EU decides to apply rules about what a search engine can or can’t do versus what Google can or can’t do.

Bing, Google’s chief competitor in many countries, highly touts its own vertical search engines. If it’s unfair for Google, as a search engine, to “favor” its own vertical search engines, then the same should be true for all search engines.

Also see my prior post on this topic, The New York Times Algorithm & Why It Needs Government Regulation. It takes the poor wisdom of an New York Times editorial suggesting that Google needs regulation and flips things around to illustrate how newspaper-like search engines are — and how no newspaper would want to be examined this way. It also touches on things that can be concerning about Google. Goodness knows, it’s not perfect.

But on the vertical search engine front, where does it end? Shopping search not allowed, but not image search? News search but no blog search? Only web search? Even that? Will Google be deemed so dominant that the only way to ensure competition is to literally force it to send people away to competitors?

 

http://searchengineland.com/the-incredible-stupidity-of-investigating-google-for-acting-like-a-search-engine-57268

 

http://searchengineland.com/google-results-too-ad-heavy-166226

Rules are for the weak and standard of excellence for the strong

We leven in moralistische tijden: politici en journalisten zijn de hele dag bezig de burgers de maat te nemen of men wel het goede gedrag vertoond en – dat is het meest kwalijke – de juiste opvattingen deelt en ventileert.  Het is blijkbaar de geest der tijd.

Afgezien van het feit dat dit gedrag onvermijdelijk zal leiden naar een repressieve maatschappij is er nog een ander opvallend effect: de roep om overheidsingrijpen en dus de ontwikkeling van procedures  (wettten) als er eens wat fout gaat of het juiste gedrag niet wordt vertoond.

Dit deed mij denken aan een management (sales) cursus (beste ooit) die ik in 2000, toen ik directeur werd van de Gouden Gids in Nederland,  heb gehad bij het voor de Yellow Pages toonaangevende bedrijf “The Berry Company” gevestigd in Dayton, Ohio (US) en feitelijk de uitvinder van de advertentie gedreven gecategoriseerd bedrijven gidsen die we naar de kleur van het papier waarop het werd gedrukt, gele (later in Nederland) Gouden Gidsen zijn gaan noemen.

Deze management cursus heeft grote indruk op mij gemaakt en definitief gebroken met (a) de eenzijdige beeldvorming die wij in Nederland over Amerikaanse bedrijven hebben en (b) het belang van op de lange termijn gerichte klantgerichtheid voor de continuïteit van het product en dus het bedrijf.

En van de uitgangspunten van Berry was dat de kwaliteit van de mensen, medewerkers, managers alleen bepalend zijn voor het succes van het bedrijf. En goede mensen hebben geen opgelegde procedures en regels nodig: dat is alleen voor de dommen! Politici begrijpen daar niets van, want volgens hen zullen er  regels zijn en moeten komen. Als dat de maat is voor hete inzicht van onze overheidsdienaren, dan is daarmee de domheid van de bureaucratie in Brussel nog eens duidelijk bewezen: een grotere onnutte regelgeving-machine als de Europese Unie is niet te bedenken!

Maar ook het bedrijfsleven heeft er veel last van: regels, gebrek aan delegatie, gebrek aan vertrouwen (in de ondergeschikten) en vooral focus op korte termijn. Wat dat betreft is het nuttig eens te kijken naar “The Ten Truth” van The Berry company. Ze zijn leerzaam en openen ogen:

 

The Berry Company: The Ten Truth | Blueprint for Succes

 

 

 

 

Wat als we de spellingsregels afschaffen?

OK, we hebben bedacht dat we schoolkinderen een door heel geleerde studeerkamer-deskundigen samengestelde spellingslijst, het groene boekje, met bijbehorende spellingsregels foutloos moeten leren toepassen. In zo’n systeem moeten onze onderwijzers en leraren deze onmenselijk taak wel laten uitvoeren en zullen ze die regels wel ongeveer moeten kunnen toepassen en uitleggen. Onmenselijk omdat werkelijk geen Nederlander voor 100% foutloos – uit zijn hoofd – volgens de wet kan (leren) spellen.

Groene Boekje

Maar los daarvan, spellingsregels in de huidige vorm zijn nutteloos en dienen geen ander doel dan dat heel veel mensen een minderwaardigheidscomplex aan te praten. Want vanaf dag één op school worden we gehersenspoeld, dat foutloos spellen hééél belangrijk is en dat het niet foutloos kunnen spellen laat zien hoe (a) dom je bent, (b) en je dus niet verder kan leren, (c) én dus niet vooruit komt in de echte wereld en tenslotte, de ergste kwalificatie: (d) dan ook niet zuiver kan denken.

Kortom niet goed (kunnen) spellen maakt van je een maatschappelijke paria. Hoe diep die afkeuring verankerd is, blijkt wel uit de voortdurende uiterst aggressieve toon die taalpuristen voortdurend uitstoten. Over haatzaaien gesproken!

Lees verder “Wat als we de spellingsregels afschaffen?”

Overheid is blijkbaar voor immigranten verantwoordelijk

Vandaag is er een rapport van Koopman (CDA) verschenen over de Oost-Europese (tijdelijke) immigranten nadat deze in het kader van het Europese open-grenzen beleid richting Nederland zijn gekomen. Het schijnen er 200.000 te zijn. Deze immigranten blijken vaak slecht te zijn gehuisvest en worden door malafide uitzendbureau’s uitgebuit. Schandalig natuurlijk en zoals we de laatste decennia gewend zijn is de commissie heel duidelijk: het is allemaal de schuld van de overheid, want zij hebben de immigranten niet goed opgevangen.

En dat is dus grote onzin, en het lijkt wel of niemand dat wil zeggen.

Los van het feit dat er, zie het rapport, grote vraagtekens te zetten bij het Europese beleid om ongeordend grenzen open te zetten. Het ondermijnt in ieder geval een fatsoenlijk werkloosheidsbeleid, en ons woningdistributiesysteem is niet ingericht op grote groepen nieuwkomers die op geen enkele wijze  een woonhistorie hebben in een gemeente.

Goed maar Europa is heilig en wordt door malloten bestuurd dus daar is voorlopig niets van te verwachten, en voordat wij in Nedeland door hebben wat we eigenlijk aan regelgeving allemaal moeten aanpassen om onze staatkundige en maatschappelijke ordening geschikt te maken, niet voor de 17 miljoen onlangs nog in Nederland wonende Nederlanders maar voor de miljoenen Europeanen die gewoon kunnen beslissen hier te gaan wonen.

Goed dat gaat dus allemaal mis.

Verder is het natuurlijk zo of je nu uit China, Polen of Nederland komt, uitzendbureaus en andere werkgevers mogen geen slaven handel drijven en huisjes melkers weten waar ze zich aan hebben te houden als ze geld willen verdienen aan herbergen van grote hoeveelheden immigranten.

Daar hoeven we de wet- en regelgevng niet voor aan te passen. Hooguit moeten we meer controleren, handhaven en vervolgend, maar in z’n algemeenheid zal ook dat moeten binnen bepaalde prioriteitstellingen, en we kunnen niet aan alles wat niet goed lijkt te gaan in Nederland de hoogste prioriteit geven. Dat zal ons binnen de kortste keren aan de bedelstaf brengen.

Maar wat mij vooral irriteert is dat de politiek blijkbaar van mening is dat als iemand zich aan de grens meldt (deed hij dat maar) wij als overheid maar even voor opvang, huisvesting en fatsoenlijke werkgevers moeten helpen. Dat is natuurlijk onzin.

Ik denk in zijn algemeenheid dat iedere Pool, Roemeen, Hongaar of wat dan ook in de Europese Unie vind dat hij zijn geluk moet beproeven in Nederland zich toch goed voorbereid en – al in land van vertrek – zich voorbereid over waar en bij wie hij gaat werken en waar en hoe hij gaat wonen. Dat is de verantwoordelijkheid van de (tijdelijke) immigrant en natuurlijk niet van vadertje Staat!

Als hij dat niet doet, niet kan of denk dat iemand anders dat wel voor hem gaat regelen, dan komen daar natuurlijk problemen van. En dat is wat we nu zien.

Het zou mooi zijn dat de Nederlandse Overheid, als ze ziet dat een Oost-Europese) immigrant zich niet kan voeden, kleden, slapen en aan betaald werk komen, dan wij zo iemand weer kunnen terugsturen. maar ik denk zomaar dat die regelgeving niet door de Europese Bureaucratische beugels kan.

En dan krijgen we de grote rechtsongelijkheid. Nederlanders zorgen in principe zelf voor werk en wonen. Immigranten hoeven dat blijkbaar niet, dus die krijgen mooie voorzieningen, hulp,en ongetwijfeld een uitkering.

Het hele effect van dit pamperen zal zijn dat we onpraktische immigranten gaan krijgen, die niet hoeven en kunnen werken en die gewoon gaan zitten wachten, en anders klagen “waar blijft de hulp”.en vervolgens aan de hand worden genomen door vader staat. En de hulp die ze dan in naar het idee van Kopman krijgen, zouden zij in hun thuisland en nergens hebben gekregen. A-sociaal dus.

Dat is gewoon onverstandig.

Not the gouverments rule the world; Goldman Sachs rules the world!

UPDATE: Na deze blogpost werd ik geattendeerd op een discussie over de persoon Alessio Rastani: het lijkt een charlatan te zijn: Hobbytrader volgens de Morgen.

Goldman-Sachs

Neemt niet weg dat onvoldoende in de discussie staat: de Euro crisis is alleen veroorzaakt door onverantwoordelijk opererende (Europese) politici en banken:
1. zij zijn een euro gestart op basis van een onleesbare overeenkomst (het verdrag van Maastricht),
2. zij zijn een monetaire unie aangegaan zonder dat daar een adequate politieke unie boven ligt
3. zij hebben bewust landen als Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland in het unie willen meenemen, ondanks het feit dat ze gewaarschuwd zijn voor de negatieve gevolgen
4. zij hebben een paar jaar geleden zelf hun regels voor begrotingsdiscipline aan hun laars gelapt
5. zij zijn Griekenland gaan steunen terwijl het volstrekt duidelijk is dat door het gebrek aan economische kracht het land gewoon failliet is; niet nu maar al heel lang geleden en Griekenland heeft daarover gelogen
6. de banken hadden kunnen weten dat ze geld leenden aan Griekenland terwijl ze wisten dat alleen de andere Europese landen uiteindelijke in staat zouden zijn die terug te betalen en dat ze er vanuit gingen dat de EU dat ook wel zal (moeten) doen op enig moment
6. de politici maken nu de burgers bang met allerlei noodsenarios terwijl als ze ballen hebben nu het euro avontuur stoppen, verantwoording aan de keizers gaan afleggen en over een paar jaar gaan kijken wat we verder moeten doen.

Overigens is het onzin dat de economie van een land afhankelijk is van de valuta waarin ze handel wilt drijven: het zal gaan of je producten tegen aantrekkelijke prijzen op een wereldmarkt weten af te zetten.

———————————————————————————————————————
httpv://www.youtube.com/watch?v=aC19fEqR5bA

“Not the gouverments rule the world; Goldman Sachs rules the world!” zegt Alessio Rastani.

Dit is de meest deprimerende video die ik ooit bekeken heb, maar het past wel in mijn beeld die ik zeker na de laatste banken crisis gekregen heb, maar ook nadat ik zelf een aantal jaren geleden zakelijk op het kantoor in London van Goldman Sachs ben geweest. De rol van de banken in deze wereld is verderfelijk en dat zijn ook de door hen gebouwde financiële systeem.
We zullen de banken en hun managers eens moeten afrekenen voor hun hebberigheid en rücksichtslos; we zullen bepaalde vormen van financiële handel moeten verbieden; we zullen moeten stoppen te denken dat Griekenland, Italië, Frankrijk, de Euro en de Europese Unie moet worden gered omdat anders onze banken wereld instort. Die zal eens moeten instorten, graag zo snel mogelijk, de ratten oppakken en veroordelen, en dan met gezond verstand, alsof we in de 50-tiger jaren leefden, onze economieën weer opnieuw opbouwen op basis van ondernemerschap, vakmanschap en inzet.
Laten we ook bedenken dat we in deze onnoemelijke ellende zullen terechtkomen door een hele reeks ondermaatse politici, in de verschillende landen en met name in de Europese Unie die zichzelf hebben aangepraat dat wat zij aan het bouwen waren iets te maken heeft met het welzijn van de burgers. Het waren en zijn charlatans en ook die zullen we eens moeten afrekenen op hun kortzichtigheid en eigenbelang die zoveel schade aan de welzijn van haar burgers heeft toegebracht en zal toebrengen. En O, ja ik voel mij Europeaan, meer dan Nederlander, maar ik voel mij zeker geen burger van deze Europese Unie.

We zullen ons verlies moeten nemen en zo snel mogelijk opnieuw beginnen.

Vandaag ouderwests stemmen alsof Internet niet is uitgevonden

Nederland stemt met het rode potlood

We gaan vandaag stemmen. Prachtig, eindelijk kunnen wij (=de bevolking) iets zeggen over waar we naar toe willen in dit land. We zien dit traditioneel als de ultieme democratische plicht. Verkiezingen worden beschouwd als het bewijs dat ook Nederland behoort tot de club van fatsoenlijke democratische naties. En dat is natuurlijk ook zo.

Maar we realiseren ons niet dat wat we vandaag mogen doen bedacht is in de negentiende eeuw en sinds die tijd nauwelijks aangepast, terwijl we inmiddels in een maatschappij leven met heel veel verkeer (toen was de diligence en paard de snelste manier om je te verplaatsen) en ongelofelijke communicatie mogelijkheden tussen mensen. Met name Internet wijzigt de sociale en maatschappelijke context zo snel dat je je moet afvragen of dat stemmen met een rood plotlood in een stemhoekje eigenlijk wel zo democratisch in het huidige tijdsgewricht.

Typisch was dat gisteren bekend werd dat 60% van de Nederlanders vindt dat we ook via internet zouden moeten stemmen, maar een paar staatkundige puristen en technologie-haters hebben het twee jaar geleden voor elkaar gekregen dat de enige technologische vernieuwing van ons stemproces, de stemcomputer, weer heeft laten verdwijnen. Schande. Vooral Schande dat politici zich voor dat karretje hebben willen laten spannen. Maar zoals de Piratenparij het heeft gezegd, politici hebben geen idee wat Internet doet met de maatschappij en de mensen. Een twitter accountje gebruiken doet aan dit fundamentele gebrek aan inzicht niets af;

“Politici begrijpen niet dat het internet onderdeel is van de samenleving. Zij denken dat het iets is wat van kinderen afgenomen kan worden wanneer ze stout zijn. De politiek denkt dat het internet gecensureerd en afgetapt kan worden en dat het internet niet echt is”, aldus Falkvinge van de Piratenpartij.

Niemand vraagt zich blijkbaar af waarom we niet gewoon via Internet kunnen gaan stemmen. En als dat mogelijk wordt, dan moeten we ons direct afvragen:

Waarom stemmen we op partijen of personen, die ons vertegenwoordigd. Want ik vindt op punt A misschien Rutte wel prima, maar voor het onderwerp B steun ik de gedachten van Cohen. En als het gaat over Europa dan moeten we maar gaan uitvoeren wat Wilders wil, enz. Ja waarom eigenlijk, want zodra interenet het stemhokje wordt, kunnen we natuurlijk iedere dag stemmen over alle onderwerpen die aan de orde zijn. Sterker nog een Tweede Kamer met hun partijvertegenwoordigers heb je dan – als je tenminste geloofd in de ultieme democratische – echt niet meer nodig. Tenzij je vind dat onze burgers niet in staat zijn over alle staatszaken een oordeel te hebben. Dat vond de toenmalige politieke elite ook toen het ging over algemeen mannen stemrecht (want daarvoor mocht je alleen stemmen als je een bepaald bedrag aan belastingen betaalde) en toen het ging om het algemene vrouwenstemrecht (“vrouwen hebben geen verstand van politiek”). En vergist u niet dames en heren van de politiek, op internet stemmen iedere dag al heel veel N

Als de politici zich werkelijk zouden realiseren wat intenet betekent en hoe 70% van de bevolking zich daar reeds manifisteerd, dan zouden ze begrijpen dat vroeg of laat, geweldloos of gewelddadige,  de politieke vertegenwoordigers zal worde vervangen door gewoon algemeen besluitrecht (geen referendus, gewoon besluiten!) via Internet waaraan alle burgers one-(wo)men-one-vote over de toekomst van Nederland gaat beslissen.