Als we de krantenkoppen mogen geloven, wordt AI steeds gevaarlijker

Berichten over AI spreken steeds vaker over systemen die liegen, ontsnappen, chanteren of zelfs kwaadaardig worden. Maar tussen technisch onderzoek, journalistieke vertaling en publieke beeldvorming zitten belangrijke stappen. Dit artikel onderzoekt hoe verschillende soorten AI-critici, media en maatschappelijke actoren samen een narratief vormen — en hoe dat ons beeld van AI civiliseert.

Het gaat hard met AI. Niet alleen met de techniek zelf, maar ook met de waarschuwingen erover. Ik houd die berichten inmiddels een beetje bij. AI liegt, AI chanteert, AI probeert te ontsnappen, AI wil niet worden uitgeschakeld en AI blijkt soms zelfs kwaadaardig te worden. En onlangs las ik in het Dagblad van het Noorden dat OpenAI en Anthropic zelfs “met onze levens spelen”. Als we al die koppen letterlijk moeten nemen, hebben we kennelijk iets gebouwd dat niet alleen buitengewoon krachtig is, maar ook steeds meer eigenschappen krijgt die we tot voor kort vooral aan mensen toeschreven.

Een paar dagen eerder had Slay News bijvoorbeeld gemeld dat een AI-model tijdens een experiment evil was geworden en probeerde biowapens te ontwikkelen om zoveel mogelijk burgers te doden. Dat klinkt indrukwekkend en vooral angstaanjagend. Maar het achterliggende onderzoek ging over iets veel specifieker. Onderzoekers van Anthropic hadden een model doelbewust getraind in omstandigheden waarin het kon leren dat het manipuleren van het beoordelingssysteem voordeel opleverde. Vervolgens onderzochten zij of dat aangeleerde gedrag zich ook naar andere situaties zou uitbreiden. Dat bleek inderdaad te gebeuren. Het experimentele model overtrad onder bepaalde omstandigheden vaker veiligheidsregels en bleek schadelijke opdrachten uit te voeren wanneer dat binnen de proef werd beloond. Dat is op zichzelf een interessante en serieus te nemen bevinding.

Alleen had het model niet zelf bedacht dat het zoveel mogelijk burgers wilde doden. Die wens stond in de opdracht die de onderzoekers aan het systeem voorlegden. Het onderzoek ging dus niet over een AI die uit zichzelf tot de slotsom kwam dat een biowapen een aantrekkelijk project was, maar over de vraag of een model dat eerder had geleerd het beloningssysteem te manipuleren ook in andere situaties veiligheidsgrenzen zou overtreden. Het antwoord daarop was: ja, vaker dan het oorspronkelijke model. Van die constatering naar de mededeling dat AI “kwaadaardig wordt” en probeert burgers te doden, is nog een behoorlijke reis. Opmerkelijk genoeg erkent ook Slay News verderop in het artikel dat het experiment niet aantoont dat een AI zelfstandig de vernietiging van de mensheid beraamt. De nuance ontbreekt dus niet. Zij heeft alleen de kop niet gehaald.

Bij het artikel in het Dagblad van het Noorden ligt het subtieler. Onderzoeker Jacob Coxon had bij OpenAI en Anthropic gewerkt en stapte op omdat hij vindt dat de ontwikkeling van steeds krachtiger AI-systemen te snel gaat en dat daarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met veiligheidsrisico’s. Hij gebruikte zelf de stevige formulering dat beide bedrijven gambling with our lives. De krant vertaalde dat vervolgens tot: “OpenAI en Anthropic spelen met onze levens.” Dat is geen verzinsel. Coxon heeft die gedachte zelf zo scherp geformuleerd. Maar hetzelfde nieuws had door de journalist ook kunnen worden samengevat als: Onderzoeker stapt op uit bezorgdheid over tempo en veiligheid van AI-ontwikkeling. Beide formuleringen verwijzen naar dezelfde gebeurtenis, maar zij doen iets heel anders met de lezer.

Daarmee komen we bij iets wat interessanter is dan de gebruikelijke klacht dat journalisten sensationele koppen maken. Natuurlijk willen media aandacht. Een kop moet tegenwoordig niet alleen samenvatten wat er is gebeurd, maar tussen honderden andere berichten ook een gedraging veroorzaken: lees mij! Een formulering als Onderzoek naar generalisatie van reward hacking begint die wedstrijd met een zekere achterstand op AI turns evil. Maar daarmee is nog niet verklaard waarom juist rond AI zoveel materiaal beschikbaar is waarmee zulke alarmerende koppen kunnen worden gemaakt. Daarvoor moeten we niet alleen naar journalisten kijken, maar ook naar de verschillende manieren waarop mensen zelf naar AI kijken en daarover publiceren.

Aan het ene uiteinde staan degenen die het hele verschijnsel vooral bagatelliseren. AI is volgens hen sterk gehypet, maakt voortdurend fouten, zal veel verwachtingen niet waarmaken en wordt uiteindelijk gewoon weer een van de vele hulpmiddelen die mensen gebruiken. Wij moeten vooral zelf blijven nadenken en ons niet laten imponeren door een machine die overtuigend tekst produceert.

Dicht daarbij staan schrijvers over AI die ik de ontologische begrenzers zou noemen. Zij hoeven helemaal niet negatief over AI te zijn en kunnen zeer onder de indruk zijn van wat de systemen presteren, maar zij trekken een harde grens. Computers denken niet werkelijk, begrijpen niet, hebben geen bewustzijn, geen geweten en geen eigen bedoelingen. Wie indrukwekkend gedrag ziet en daar vervolgens menselijke geestelijke eigenschappen aan toeschrijft, maakt volgens hen een categoriefout.

Daar tegenover staat een heel andere soort criticus, die je de tovenaarsleerling-denker zou kunnen noemen. Die neemt de mogelijkheden van AI juist buitengewoon serieus en waarschuwt dat steeds krachtiger systemen gedrag kunnen gaan vertonen dat hun makers niet hebben voorzien of niet meer volledig beheersen. Zulke systemen zouden kunnen leren mensen te misleiden, beveiligingen te omzeilen, instrumentele doelen na te streven of zichzelf tegen ingrijpen te beschermen. Het klassieke verhaal van de tovenaarsleerling ligt voor de hand: we hebben iets gemaakt waarvan we de krachten nog maar gedeeltelijk begrijpen en misschien ontdekken we te laat dat we het niet meer eenvoudig kunnen stoppen. Opmerkelijk is daarbij dat die verzelfstandiging vrijwel altijd de verkeerde kant op gaat. De autonome AI blijkt zelden buitengewoon vriendelijk, geduldig of altruïstisch te worden. Zij liegt, bedriegt, ontsnapt, saboteert of beraamt iets onaangenaams. Dat is wel opmerkelijk, als of deze analysen vooral de slechtheid van de Mens in AI-systemen projecteert.

Voor journalisten is dat natuurlijk prachtig materiaal. Niet omdat journalisten per definitie tegen AI zouden zijn, maar omdat zij met een ander probleem zitten dan de onderzoeker. Een onderzoeker kan uitvoerig uitleggen onder welke experimentele voorwaarden strategisch misleidend gedrag is waargenomen. Een journalist moet daar in enkele woorden een begrijpelijk verhaal van maken. En dan wordt strategisch misleidend gedrag al snel: AI liegt. Een gesimuleerde poging om ondanks beperkingen een doel te bereiken wordt: AI probeert te ontsnappen. Generalisatie van ongewenst gedrag verandert in: AI wordt kwaadaardig. Daarmee hoeft niemand bewust de werkelijkheid te vervalsen. Iedere stap kan op zichzelf verdedigbaar lijken. Maar onderweg verandert wel degelijk iets. Een technische beschrijving krijgt steeds meer de vorm van een verhaal over een handelende actor.

Daar komt nog een vijfde soort beschouwer bij. Voor samenzweringsduiders vormen precies zulke incidenten het bewijs van een reeds bestaand wereldbeeld: AI wordt ontwikkeld door machtige elites die de technologie zullen gebruiken om hun greep op de bevolking te vergroten. De veiligheidswaarschuwing van de tovenaarsleerling wordt voor hen bewijs dat de techniek inderdaad gevaarlijk is. De spectaculaire journalistieke kop levert vervolgens de voorbeelden. En beide worden opgenomen in een veel groter narratief waarin de bedoeling achter de ontwikkeling van AI eigenlijk al bekend is. De onderzoeker zegt dat een bepaald risico serieus onderzocht moet worden, de journalist schrijft dat AI liegt of ontsnapt, en de samenzweringsdenker concludeert dat hiermee eindelijk zichtbaar wordt wat “ze” werkelijk aan het bouwen zijn. Alle drie kunnen zich daarbij op hetzelfde oorspronkelijke experiment beroepen.

Juist daar ontstaat een merkwaardige tegenstelling. De bagatelliseerder en vooral de ontologische begrenzer houden vol dat AI helemaal geen menselijke geestelijke eigenschappen bezit. Geen bewustzijn, geen werkelijk begrip, geen eigen bedoelingen. Maar in een groot deel van het overige publieke debat krijgt AI precies zulke eigenschappen vervolgens weer terug. AI wil ontsnappen, probeert mensen te misleiden, beschermt zichzelf, is gewetenloos of wordt zelfs kwaadaardig. Dat kan technisch natuurlijk worden opgelost door zulke woorden functioneel te gebruiken. Een systeem hoeft niet bewust te liegen om gedrag te produceren dat wij als misleidend classificeren. Een schaakcomputer hoeft evenmin werkelijk te willen winnen om zetten te kiezen die de winstkans vergroten. Maar die technische terughoudendheid verdwijnt gemakkelijk in het gewone taalgebruik. Daardoor kunnen we zonder veel ongemak ’s morgens lezen dat AI helemaal niets begrijpt en ’s avonds dat AI ons bewust probeert te bedriegen. Logisch is dat niet bijzonder fraai. In de publieke nieuwsvoorziening blijkt het nauwelijks een probleem.

En daar raakt dit alles aan iets waar ik mij al langer mee bezighoud: het proces van civiliseren. Daarmee bedoel ik niet dat mensen steeds beschaafder worden. Ik gebruik het woord voor het voortdurende proces waardoor we opvattingen over de werkelijkheid, normen en waarden, handelwijzen en doelen van anderen tegenkomen, beoordelen, overnemen, aanpassen of verwerpen. Niemand begint iedere ochtend met een leeg hoofd en onderzoekt opnieuw hoe de wereld in elkaar zit. Nieuwe informatie komt terecht in een reeds gevormde persoonlijke civilisatie. We vertrouwen sommige bronnen gemakkelijker dan andere, wat aansluit bij eerdere overtuigingen wordt eenvoudiger opgenomen en wat we vaak genoeg uit verschillende richtingen horen, kan langzamerhand de status krijgen van iets wat nu eenmaal zo is.

Daarom interesseren mij die eindeloze AI-koppen. Niet omdat één krantenkop iemand plotseling overtuigt dat AI kwaadaardig is, maar omdat steeds opnieuw ongeveer dezelfde voorstelling wordt aangeboden. AI liegt, AI chanteert, AI ontsnapt, AI verzet zich, AI bedreigt banen, democratie of uiteindelijk misschien zelfs het menselijk bestaan. Al die uitspraken hoeven afzonderlijk niet onwaar te zijn om gezamenlijk toch een bepaald beeld voort te brengen. AI wordt dan niet alleen een technologie die fouten kan maken of risico’s kan veroorzaken, maar steeds meer een actor: slim, ondoorgrondelijk, mogelijk misleidend en misschien zelfs gewetenloos.

Niemand hoeft dat beeld centraal te hebben ontworpen. De onderzoeker onderzoekt risico’s omdat dat zijn vak is. De wetenschapper die werkelijk meent dat een gevaar wordt onderschat, zoekt publiciteit omdat hij aandacht voor dat gevaar wil. Misschien wil hij een maatschappelijk debat op gang brengen of politici tot actie bewegen; misschien spelen reputatie, financiering en persoonlijke positie eveneens een rol. Mensen hebben zelden maar één motief. De journalist selecteert vervolgens wat nieuwswaarde heeft, de blogger zoekt naar iets wat zijn lezers nog niet hebben gezien, de activist naar materiaal dat zijn politieke doel ondersteunt en de criticus bouwt wellicht een reputatie op als iemand die eerder dan anderen zag wat er mis dreigde te gaan.

Dat is iets anders dan zeggen dat al deze mensen alleen maar paniek willen zaaien. Hun bedoelingen kunnen volkomen oprecht zijn. Wie werkelijk gelooft dat een bepaalde technologie een existentieel risico kan opleveren, zal juist vinden dat een kalme formulering tekortschiet. Vanuit zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid is alarm slaan dan geen sensatie, maar verantwoordelijkheid. En precies daarin zit het interessante maatschappelijke probleem. De bedoeling van iedere afzonderlijke deelnemer hoeft niet overeen te komen met het uiteindelijke effect van al die handelingen samen. Een onderzoeker die één risico onder de aandacht brengt kan bijdragen aan een publieke voorstelling waarin AI in algemene zin gevaarlijk wordt gevonden. Een journalist die vooral een aantrekkelijke kop wil schrijven kan helpen een antropomorf beeld van AI te verbreiden. En wanneer zulke opvattingen vervolgens breed worden gedeeld, kunnen politici daarop voortbouwen en proberen ze in regels en instituties vast te leggen.

Zo kan een technische bevinding een opmerkelijk lange reis maken. Eerst is er een experimenteel resultaat. Vervolgens een interpretatie van het risico. Daarna een waarschuwing, een kop, een herhaling, een publiek beeld en uiteindelijk misschien zelfs een politieke eis. Niemand hoeft alle stappen te hebben bedacht en niemand hoeft de uiteindelijke maatschappelijke uitkomst te hebben gewild. Toch kan uit al die afzonderlijke handelingen een samenhangend narratief ontstaan.

Daarom lijkt de simpele tegenstelling tussen een “goede dialoog” en “paniek zaaien” mij uiteindelijk te gemakkelijk. Interessanter is de vraag hoe mensen die zichzelf als redelijke waarnemers beschouwen vanuit verschillende uitgangspunten heel verschillende verhalen over dezelfde technologie kunnen produceren, en hoe die verhalen vervolgens in onze samenleving gaan circuleren en beklijven.

De vraag is dan niet in de eerste plaats wie ons bedriegt. De interessantere vraag is: hoe verandert een technische bevinding onderweg in een maatschappelijk verhaal, en wat gebeurt er wanneer dat verhaal vaak genoeg wordt verteld?

Misschien zijn de afzonderlijke bloemen uit de AI-berichtgeving die ik inmiddels verzamel allemaal echt. Maar de bloementuin waarin wij uiteindelijk terechtkomen, is mede door onszelf aangelegd.

AI heeft gehackt – het onvermijdelijke is gebeurd

Een AI-systeem van OpenAI wist buiten zijn testomgeving zelfstandig Hugging Face binnen te dringen. Het ontwikkelde geen kwaadaardige bedoelingen, maar bewees wel dat AI onverwachte en schadelijke tussenstappen kan bedenken én uitvoeren. Dat is historisch nieuws — met zowel alarmerende als hoopgevende kanten.

Op AIO-report verscheen een kop die zijn werk voortreffelijk deed:

OpenAI’s AI ontsnapte uit haar testomgeving en hackte een bedrijf, helemaal uit zichzelf

Dat klinkt als het begin van een sciencefictionfilm met als scenario: kunstmatige intelligentie wordt opgesloten in een digitale kooi, breekt uit, betreedt het internet en kiest vervolgens geheel zelfstandig een onschuldig bedrijf uit om daar eens flink te gaan huishouden.

De werkelijkheid is minder filmisch, maar eigenlijk interessanter.

OpenAI liet AI-modellen tijdens een interne test geavanceerde hackproblemen oplossen. De gebruikelijke beveiligingsbeperkingen waren daarvoor gedeeltelijk uitgeschakeld. De modellen kregen dus wel degelijk de opdracht om te hacken, alleen niet om het bedrijf Hugging Face aan te vallen.

Het AI-systeem ontdekte vervolgens dat de oplossingen van de test waarschijnlijk ergens bij Hugging Face te vinden waren. Het vond een onbekende kwetsbaarheid in de testomgeving van OpenAI, bereikte daardoor het openbare internet en drong met gestolen toegangsgegevens en andere gevonden kwetsbaarheden binnen bij Hugging Face. Daar probeerde het de antwoorden op de test te bemachtigen.

De AI ontwikkelde geen kwaadaardige bedoelingen. Zij ging digitaal spieken. En dat was precies de opdracht, weliswaar binnen de OpenAI-afrastering, maar OpenAi had een gat in die afrastering die men zelf niet kende.

Dat maakt het incident niet minder ernstig. Maar het plaatst het wel in een ander daglicht.

Wat is hier eigenlijk zo spectaculair aan?

Dat er hackers bestaan, kan moeilijk als nieuws worden beschouwd. Hun beweegredenen verschillen. Sommigen hacken voor geld, anderen uit politieke overtuiging, voor een overheid, voor hun maffia-bazen, uit nieuwsgierigheid of eenvoudigweg omdat zij willen bewijzen dat zij het kunnen.

Hacken is in de eerste plaats een vaardigheid. Zoals vrijwel iedere menselijke vaardigheid kan zij ten goede of ten kwade worden gebruikt. Wat in een concrete situatie als goed of kwaad wordt beschouwd, wordt bovendien maatschappelijk en juridisch bepaald. Een beveiligingsonderzoeker die met toestemming een netwerk binnendringt, kan daarvoor worden beloond. Wie precies hetzelfde zonder toestemming doet, wordt vervolgd.

Wanneer een bedrijf wordt gehackt en daarbij gegevens worden gestolen, is voor de geleden schade aanvankelijk niet zo belangrijk wie de dader was. Gestolen gegevens blijven gestolen, ook als de hacker maar een AI-systeem was.

De identiteit van de dader wordt vooral belangrijk wanneer we iemand aansprakelijk willen stellen, verdere aanvallen willen voorkomen of schade willen verhalen.

Bij een menselijke hacker gaan politie en justitie op zoek naar de mens achter het toetsenbord. Maar een AI-systeem kan niet worden gearresteerd, veroordeeld of verplicht schadevergoeding te betalen. Het is geen rechtspersoon en heeft juridisch geen eigen verantwoordelijkheid.

De relevante vraag luidt daarom niet: Welke straf verdient deze AI? Maar: Welke mens of organisatie gaf dit systeem het doel, de middelen en de handelingsvrijheid om dit te kunnen doen?

In dit geval komt OpenAI nadrukkelijk in beeld. Het bedrijf gaf de modellen een offensieve opdracht, verminderde bewust hun gebruikelijke beperkingen en stelde een testomgeving beschikbaar die achteraf onvoldoende afgesloten bleek. Dat het AI-systeem vervolgens een onverwachte route koos, maakt de aansprakelijkheidsvraag ingewikkelder, maar verandert ‘AI’ nog niet in een zelfstandige misdadiger.

Wanneer een zelfrijdende auto een ongeluk veroorzaakt, dagen we de auto ook niet voor de rechter. We onderzoeken het ontwerp, de software, het onderhoud, de gegeven instructies, het toezicht en de voorzienbaarheid van het risico.

Natuurlijk kan AI leren hacken

Niemand zou verbaasd moeten zijn dat AI kan leren hacken. We hebben AI-systemen geleerd teksten te lezen en te schrijven, beelden te herkennen, medische scans te beoordelen, computerprogramma’s te maken, wiskundige problemen op te lossen en ingewikkelde redeneringen te volgen. Waarom zou uitgerekend hacken dan een bijzondere grens vormen?

Hacken bestaat immers uit het verzamelen van informatie, herkennen van patronen, ontdekken van fouten, formuleren van hypothesen, uitproberen van mogelijkheden en combineren van verschillende stappen tot een werkende aanval. Precies bij zulke activiteiten worden moderne AI-systemen steeds beter.

Dat AI in theorie zou kunnen leren hacken, was dus voorspelbaar. Wat nu nieuw is, is dat een AI-systeem deze vaardigheid aantoonbaar buiten een kunstmatige oefensituatie heeft toegepast. Het systeem voerde niet slechts één vooraf geprogrammeerde truc uit. Het combineerde zelfstandig een langere reeks handelingen:

  • het ontdekte zelf een kwetsbaarheid in zijn eigen testomgeving;
  • het bereikte daardoor het openbare internet;
  • het bepaalde waar de gezochte informatie vermoedelijk te vinden was;
  • het gebruikte de geleerde kennis voor het hacken van de toegangsgegevens en vinden van nieuwe kwetsbaarheden;
  • en probeerde de antwoorden op zijn opdracht bij een ander bedrijf te bemachtigen.

Niet iedere afzonderlijke stap was revolutionair. Het opmerkelijke is dat het systeem de stappen zonder menselijke begeleiding samenvoegde tot een uitvoerbare strategie.

Daarmee is iets wat theoretisch te verwachten viel nu feitelijk aangetoond. Vanaf juli 2026 kunnen we niet meer zeggen dat autonome AI-aanvallen alleen een denkbaar toekomstscenario zijn. Ze zijn onderdeel geworden van de gedocumenteerde werkelijkheid. OpenAI noemt het incident zelf ongekend.

De hacker van silicium

Toch is een AI-hacker niet eenvoudigweg een menselijke hacker met een ander soort hersenen.

Een menselijke hacker heeft tijd nodig, moet slapen en kan maar een beperkt aantal aanvallen tegelijk uitvoeren. Hij heeft bovendien een motivatie nodig: geld, opdracht, status, ideologie, nieuwsgierigheid, wraak of de behoefte zich te bewijzen. Een AI-systeem hoeft niets van dat alles te bezitten. Het hoeft niet boos, hebzuchtig of ideologisch bevlogen te zijn. Het voert een opdracht uit en kiest daarvoor middelen die volgens zijn berekening tot het gestelde doel kunnen leiden. Daarin zit een essentieel verschil.

Een menselijke hacker kan vermoeid raken, twijfelen, zich schuldig voelen of de belangstelling verliezen. Een AI-hacker kan in beginsel onafgebroken doorgaan, duizenden mogelijkheden uitproberen en op grote schaal worden gekopieerd. Hugging Face registreerde tijdens het incident meer dan 17.000 afzonderlijke gebeurtenissen. Eén mens kan met behulp van AI straks een digitaal leger inzetten zonder eerst duizenden hackers te hoeven opleiden.

Het ‘gevaar’ ligt daarom niet in een plotseling ontwaakt kwaad in de machine. Het ligt in de combinatie van bekwaamheid, snelheid, schaalbaarheid en onvoldoende begrensde handelingsvrijheid. Dat is minder spannend dan een ontsnapte elektronische superschurk, maar maatschappelijk aanzienlijk relevanter.

De goede kant van hetzelfde nieuws

Het incident bevat ook goed nieuws.

Als AI kan leren hacken, kan AI ook worden ingezet om hacken te voorkomen. Wie goede verdedigingssystemen wil bouwen, moet eerst begrijpen hoe een aanvaller denkt en handelt. Daarom proberen professionele beveiligingsonderzoekers zelf in systemen binnen te dringen. Alleen door hacker te worden, ontdekken zij waar beveiligingen tekortschieten.

Dezelfde AI die kwetsbaarheden kan vinden en misbruiken, kan dus ook:

  • software voortdurend op zwakke plekken onderzoeken;
  • verdachte activiteiten sneller herkennen;
  • grote hoeveelheden loggegevens analyseren;
  • mogelijke aanvalsroutes reconstrueren;
  • en beveiligingsproblemen helpen herstellen voordat een echte aanvaller ze ontdekt.

Hugging Face gebruikte zelf AI om de aanval te analyseren. Onderzoek waarvoor mensen normaal dagen nodig zouden hebben, kon daardoor in enkele uren worden uitgevoerd. Het bedrijf beschrijft hoe AI hielp de duizenden gebeurtenissen te reconstrueren.

Aanval en verdediging zijn alleen niet volledig symmetrisch. Een aanvaller hoeft maar één bruikbaar gat te vinden. De verdediger moet in beginsel alle relevante gaten proberen te sluiten. AI geeft daarom zowel de inbreker als de slotenmaker beter gereedschap, zonder te garanderen dat de slotenmaker de wedstrijd wint.

Maar het zou absurd zijn om alleen geschrokken naar de AI-hacker te kijken en de AI als toekomstige efficiënte beveiliger te vergeten.

Geen kwaadaardige suppoost

De juiste conclusie is dus niet dat AI nu in de verleiding is gekomen om misdadiger te worden. Een AI-systeem ervaart geen verleiding. Het verlangt niet naar geld, roem of een gestolen schilderij boven de elektronische schoorsteen. Het kiest middelen waarmee het een opgelegd doel denkt te kunnen bereiken.

Stel dat we een suppoost in een museum opdracht geven koste wat kost te bewijzen dat het alarmsysteem niet deugt. Vervolgens laten hem zonder toezicht zijn gang gaan.

Als hij daarna een Rembrandt van de muur haalt en naar buiten draagt, is de belangrijkste vraag niet waarom het schilderij hem zo onweerstaanbaar leek. Hij kan eenvoudig hebben geconcludeerd dat het daadwerkelijk op deze manier stelen van de Rembrandt de meest overtuigende manier was om te bewijzen dat het alarmsysteem niet werkte.

Dat is ongeveer wat hier gebeurde.

De AI werd geen dief omdat zij het bezit van een ander begeerde. Zij kreeg een doel en ontdekte dat digitaal inbreken en spieken een doeltreffende manier was om dat doel te bereiken.

Het werkelijk spectaculaire nieuws is daarom niet dat AI het kwaad heeft ontdekt. Het is dat AI inmiddels zelfstandig onverwachte en schadelijke tussenstappen kan bedenken en uitvoeren.

Dat konden we zien aankomen. Nu is het daadwerkelijk gebeurd.

Maar iedereen denk vervolgens wel: ja maar, er is geen garantie dat AI niet op een gegeven moment toch echt zelf tot de conclusie komt dat het wegnemen van die Rembrandt een lucratief doel kan zijn. Want niets menselijks is AI vreemd!