Wie zijn tegenstander niet begrijpt, versterkt hem

Wie politieke tegenstanders alleen verklaart uit domheid, corruptie, propaganda of manipulatie, begrijpt vaak niet waarom zij hun eigen handelen redelijk en juist vinden. Dat is niet alleen analytisch zwak, maar kan ook strategisch contraproductief zijn: je bevestigt de ander juist in zijn bestaande beeld van jou.

Wie iets in de wereld wil veranderen, moet anderen zien te overtuigen. Dat klinkt zo vanzelfsprekend dat het nauwelijks de moeite waard lijkt om het op te schrijven. Toch gaat het juist daar in politieke communicatie voortdurend mis.

Je constateert iets wat volgens jou niet deugt. Je onderzoekt het, verzamelt feiten en argumenten en publiceert je bevindingen. Je laat zien waar politici, journalisten, wetenschappers of instituties verkeerde keuzes maken, belangrijke informatie verzwijgen of een onjuist beeld van de werkelijkheid geven. De gedachte ligt voor de hand: als mijn feiten kloppen en mijn argumenten deugen, zullen anderen uiteindelijk toch moeten inzien dat ik gelijk heb.

Maar zo eenvoudig werkt overtuigen in de praktijk niet.

Een artikel kan uitstekend functioneren voor mensen die de schrijver al grotendeels gelijk geven en tegelijkertijd vrijwel onbruikbaar zijn voor mensen wier opvattingen hij werkelijk zou willen veranderen. Sterker nog: dezelfde tekst die medestanders bevestigt, kan tegenstanders juist sterken in hun bestaande overtuigingen. Niet omdat zij te dom zijn om het argument te begrijpen, maar omdat de manier waarop het wordt aangeboden naadloos kan aansluiten bij wat zij toch al over de schrijver en zijn omgeving dachten.

Een interessant voorbeeld daarvan is The Art of Journalistic Calumny van Julian Macfarlane. De teneur van zijn artikel is vanaf de eerste regels duidelijk. Wat wij in het Westen journalistiek noemen, brengt hij in verband met laster. Hij bespreekt voorbeelden van berichtgeving over onder anderen Vladimir Poetin en Xi Jinping die hij als verdraaid of onwaar beschouwt. Bij videomaker Simon Whistler gaat hij verder: hij suggereert dat diens schrijvers mogelijk worden aangestuurd door MI6 of de CIA, schrijft Whistler sterke financiële motieven toe en beledigt hem persoonlijk. Ook het werk van academicus Luke Kemp verklaart hij onder meer vanuit carrièreprikkels, academische modewoorden en vermeend gebrek aan inhoudelijke kennis.

Of Macfarlane met zijn kritiek geheel, gedeeltelijk of helemaal niet gelijk heeft, interesseert mij hier nu even niet. Dat kan per bewering vast worden onderzocht. Veel interessanter is wat hij doet met de mensen die hij bekritiseert en wat dat betekent wanneer hij niet alleen medestanders wil bevestigen, maar ook anderen werkelijk wil overtuigen.

Waarom zou de ander zich hierin herkennen?

Macfarlane verklaart het gedrag van zijn tegenstanders voor een belangrijk deel vanuit factoren buiten hun eigen overtuigingen: geld, carrière, propaganda, institutionele beïnvloeding, oppervlakkigheid en mogelijk zelfs betrokkenheid van inlichtingendiensten. Allemaal motivatie ingegeven door de intrinsieke slechtheid van die tegenstanders.

Maar stel nu eens dat een van de journalisten of programmamakers over wie hij schrijft zijn artikel leest. Herkennen zij zichzelf daarin? Zouden ze zich betrapt voelen over aan hun toegeschreven kwaadaardig gedrag? Waarschijnlijk niet.

Die journalist staat ’s morgens vermoedelijk niet op met het idee: vandaag ga ik weer eens wat propaganda verspreiden. Even kijken of ze al betaald hebben dan zal ik natuurlijk vandaag wel even een lovend artikel moeten schrijven. Hij denkt waarschijnlijk dat hij zijn werk doet, bronnen beoordeelt, relevante gebeurtenissen selecteert, betrouwbare deskundigen raadpleegt en daarover zo goed mogelijk verslag uitbrengt. Misschien doet hij dat voortreffelijk, misschien maakt hij ernstige fouten en misschien zit hij gevangen in vooronderstellingen waarvan hij zich nauwelijks bewust is. Maar voor hemzelf zal doorgaans zijn handelen volkomen redelijk en professioneel zijn.

Dat verschil is belangrijk. Want wanneer je iemand wilt overtuigen, moet je niet alleen weten waarom jij denkt dat hij ongelijk heeft. Je moet ook begrijpen waarom hij denkt dat hij gelijk heeft.

Daar gaat politieke polemiek opvallend vaak mis.

Ons eigen gedrag verklaren wij doorgaans vanuit overtuigingen. Wij hebben onderzoek gedaan, argumenten afgewogen, bronnen beoordeeld en handelen vanuit waarden die wij belangrijk vinden. Wanneer de ander tot heel andere conclusies komt, kiezen we gemakkelijk een ander verklaringsmodel. Hij is beïnvloed, geïndoctrineerd, bang voor zijn positie, afhankelijk van geld of onderdeel van een systeem dat hem stuurt.

Dat kan allemaal voorkomen. Mensen liegen, belangen bestaan, macht beïnvloedt gedrag en instituties kunnen conformiteit belonen. Het probleem ontstaat wanneer zo’n verklaring het onderzoek vervangt. Dan hoeven we niet meer te vragen waarom die ander bepaalde bronnen vertrouwt, welke normen hij hanteert of welke feiten voor hem doorslaggevend zijn. Het antwoord staat immers al vast: hij is gemanipuleerd.

Daarmee hebben we misschien ons eigen wereldbeeld bevestigd, maar onze tegenstander nog nauwelijks begrepen. Laat staan dat hij zich in dat beeld zal herkennen.

Houd de spiegel er eens naast

Het wordt interessanter wanneer we dezelfde verklaringen een keer omdraaien.

  • Je verwijt een journalist dat hij steeds dezelfde bronnen gebruikt omdat die binnen zijn eigen wereldbeeld passen. Maar welke bronnen gebruik jij zelf steeds opnieuw?
  • Je verwijt hem dat hij deskundigen vertrouwt die behoren tot instituties waarmee hij zich verwant voelt. Maar hoe selecteer jij de deskundigen die in jouw artikelen aan het woord komen?
  • Je verwijt hem dat hij feiten accepteert wanneer zij zijn bestaande overtuigingen bevestigen en kritischer wordt zodra zij daarmee botsen. Hoe zeker weet je dat jij dat zelf niet doet?
  • Je vindt dat zijn publiek in een informatiebubbel leeft. Welke informatie bereikt jouw eigen publiek nog die werkelijk strijdig is met wat het al gelooft?
  • Je denkt dat hij vanuit zijn maatschappelijke omgeving nauwelijks meer kan zien hoe gekleurd zijn beeld van de werkelijkheid is. Waarom zou jij daar automatisch immuun voor zijn?

Die vragen bewijzen niet dat beide partijen evenveel (on)gelijk hebben. Dat zou een goedkope vorm van relativisme zijn. De ene bron kan aantoonbaar betrouwbaarder zijn dan de andere en de ene bewering kan waar zijn terwijl de andere onwaar is. De spiegel heeft een andere functie. Hij dwingt je onderscheid te maken tussen bewijs dat de ander ongelijk heeft en een verklaring waarom hij ongelijk heeft. Voor dat laatste is veel meer nodig dan vaststellen dat hij andere conclusies trekt dan jij.

Bovendien kun je er strategisch maar beter rekening mee houden dat je tegenstander diezelfde spiegel ook op jou richt. Wanneer jij schrijft dat hij onderdeel is van een propagandasysteem, is de kans groot dat hij jouw publicaties ondubbelzinnig als propaganda beschouwt. Wanneer jij zijn bronnen afdoet als gekocht of afhankelijk, zal hij zoeken naar de belangen en macht achter jouw bronnen. Wanneer jij hem verwijt zich in een echokamer te bevinden, zal hij jouw informatieomgeving onderzoeken op precies hetzelfde verschijnsel.

Wie anderen langs een scherpe maatstaf legt, moet er dus rekening mee houden dat die maatstaf terugkomt. Dat is niet alleen een kwestie van intellectuele eerlijkheid. Het is strategisch verstandig.

De boodschap kan dan precies het tegenovergestelde bereiken

Stel nu dat Macfarlane iemand wil bereiken die reguliere media over het algemeen redelijk betrouwbaar vindt. Niet iemand die alles gelooft wat in een krant staat, maar een burger die ervan uitgaat dat professionele redacties meestal hun bronnen controleren, fouten proberen te voorkomen en in het algemeen betrouwbaarder zijn dan willekeurige informatie die op internet circuleert. Die lezer krijgt vervolgens een tekst voorgeschoteld waarin journalisten en makers in verband worden gebracht met propaganda, financiële motieven, carrièrebelangen en mogelijk zelfs geheime diensten.

Wat gebeurt er dan?

  • Het is mogelijk dat hij denkt: daar wordt iets onthuld wat ik nog niet wist; ik moet mijn oordeel herzien.
  • Maar een heel andere reactie is minstens zo voorstelbaar: Zie je wel. Dit is precies het soort verhaal waarom ik die alternatieve media niet vertrouw.

Dan heeft de aanval een merkwaardig resultaat. Het artikel dat zijn vertrouwen in de gevestigde journalistiek moest verminderen, heeft zijn bestaande oordeel juist bevestigd. Niet alleen over die journalistiek, maar ook over de mensen die haar bestrijden. Je hebt je tegenstander daarmee nieuw materiaal gegeven waarmee hij zijn bestaande beeld van jou kan legitimeren.

En dat mechanisme werkt naar beide kanten.

Wanneer reguliere media critici voortdurend neerzetten als complotdenkers, extremisten of slachtoffers van desinformatie, zullen mensen die zich daarin totaal niet herkennen waarschijnlijk evenmin denken: wat een overtuigende analyse van mijn denken. Zij zullen eerder concluderen dat die media hen niet begrijpen en daarmee opnieuw bevestigd worden in hun wantrouwen.

Beide partijen kunnen elkaar zo voortdurend bewijzen leveren dat hun reeds bestaande beeld van de ander klopt. Iedere aanval maakt de loopgraaf iets dieper.

Kritiek hoeft helemaal niet achterwege te blijven

Daaruit volgt niet dat kritiek moet worden afgezwakt. Het gaat ook niet om beleefdheid, goede manieren of de wens iedereen aardig te vinden. Een journalistieke fout blijft een journalistieke fout en wanneer iemand aantoonbaar liegt, mag dat worden vastgesteld. Maar wel bewijzen en niet alleen suggereren.

Het gaat om een andere vraag: hoe formuleer je kritiek wanneer je wilt dat degene op wie zij betrekking heeft haar ook werkelijk onderzoekt?

De aangevallen journalist zal zichzelf vermoedelijk best wel herkennen in de journalistieke waarden als onafhankelijkheid, hoor en wederhoor, broncontrole, kritische distantie en waarheidsvinding dan in het woord propagandist. Dáár bevinden zich dus mogelijke aanknopingspunten.

Wanneer een journalist aantoonbaar een persbericht vrijwel kritiekloos heeft overgenomen, kun je laten zien waar kritische vragen ontbraken. Wanneer wederhoor ontbreekt, kun je hem confronteren met zijn eigen journalistieke norm. Wanneer vergelijkbare feiten bij politieke vrienden en tegenstanders verschillend worden behandeld, kun je die inconsistentie zichtbaar maken. Wanneer bronnen worden gebruikt waarvan de betrouwbaarheid twijfelachtig is, kun je precies dáárover het gesprek voeren.

De kritiek mag daarbij messcherp zijn. Maar formuleer haar zo zakelijk en feitelijk mogelijk, zonder onnodig dedain, verdachtmakingen of het bestraffende vingertje.

Het verschil is wezenlijk. Je zegt niet: jij bent een slechte journalist en daarom doe je dit. Je zegt: dit zijn normen waarvan ik begrijp dat jij ze zelf ook belangrijk vindt, en volgens mij botst wat hier is gebeurd is.

Daarmee hoeft de aangesprokene niet eerst zijn integriteit, zijn beroep, zijn medium en zijn hele maatschappelijke omgeving te verdedigen voordat hij überhaupt naar jouw feitelijke bezwaar kan kijken.

En opnieuw werkt de spiegel.

Wie zelf van andere media verlangt dat zij hun bronnen transparant maken, wederhoor toepassen en fouten corrigeren, kan beter zorgen dat zijn eigen publicaties dezelfde toets doorstaan. Wie klaagt over suggestieve formuleringen bij de tegenpartij, verzwakt zijn positie wanneer hij zelf voortdurend suggereert zonder bewijs. En wie anderen verwijt dat zij personen aanvallen in plaats van argumenten, kan dat zelf beter niet doen.

Niet omdat je anders hypocriet bent maar omdat je tegenstander dat natuurlijk zal ontdekken en gebruiken. Je levert hem dan zelf de eenvoudigste manier om niet meer over je inhoudelijke kritiek te hoeven praten.

Voor wie schrijf je eigenlijk je artikel?

Daarmee komen we bij een vraag die vóór veel politieke publicaties gesteld zou mogen worden; MOET worden: Voor wie schrijf ik dit eigenlijk? Voor wie schrijft Macfarlane zijn blog?

Er zijn grofweg drie verschillende doelgroepen. Soms schrijf je voor mensen die het grotendeels al met je eens zijn. Dan kan een scherpe polemiek heel effectief zijn: zij bevestigt een gedeeld wereldbeeld, houdt een groep bijeen, mobiliseert en motiveert.

Soms schrijf je voor mensen die nauwelijks een uitgesproken standpunt hebben. Daar wil je misschien vooral nieuwsgierigheid oproepen: hé, zo had ik dit nog niet bekeken; daar wil ik meer van weten.

En soms richt je je werkelijk op mensen die zeker jouw uitgangspunten zouden willen bestrijden. Dan wordt de opdracht het moeilijkst. Je zult moeten begrijpen waarom zij hun eigen opvattingen zo vanzelfsprekend redelijk vinden, welke bronnen zij vertrouwen en welke waarden zij proberen te promoten. Pas daarna kun je zoeken naar feiten of consequenties die binnen hún manier van kijken aanleiding geven tot twijfel.

Die verschillende doelen vragen allemaal om andere teksten, argumentatie en insteek. Het onderscheid dat in de eerdere versie al werd gemaakt tussen aanhang, minder betrokken burgers en tegenstanders is daarom nuttig.

Het succes van jouw publicatie kun je vervolgens ook niet alleen aflezen aan likes, shares, instemmende reacties of nieuwe abonnees. Die kunnen vooral laten zien hoe goed je mensen bereikt die het gisteren al met je eens waren. Dat is nuttig wanneer mobiliseren je doel was, maar een slechte maatstaf wanneer je dacht anderen te hebben overtuigd.

Gelijk hebben is nog geen strategie

Daarom is bij het artikel van Macfarlane uiteindelijk niet alleen interessant of zijn beschuldigingen juist zijn. Stel desnoods dat een groot deel ervan klopt. Dan blijft er nog steeds een andere vraag over: wat doet die waarheid met degene die haar nog niet gelooft? Of nog ingrijpender: degene die je daarop aanspreekt.

Een feit verandert geen opvatting alleen omdat het een feit is. Een onthulling overtuigt niet automatisch omdat zij waar is. Een terechte beschuldiging verandert degene die je beschuldigt niet vanzelf. Mensen moeten nieuwe informatie eerst serieus willen beoordelen, vervolgens begrijpen en uiteindelijk zwaar genoeg laten wegen om bestaande overtuigingen te herzien.

Daarom kun je volkomen gelijk hebben en toch een buitengewoon slechte strategie volgen. Sterke overtuiging kan dat probleem zelfs groter maken. Hoe zekerder je weet dat jouw analyse klopt, des te vanzelfsprekender kan het lijken dat je haar alleen maar duidelijker, feller en vaker hoeft te verkondigen. Wanneer de ander vervolgens nog steeds niet overtuigd raakt, ligt een nieuwe verklaring klaar: hij wil de waarheid blijkbaar niet zien.

Maar daarmee is de cirkel weer rond. Zijn weerstand wordt opnieuw bewijs van zijn onredelijkheid, terwijl nauwelijks meer wordt onderzocht waarom jouw argument hem kennelijk niet bereikt.

Een nuttiger vraag is: Waarom zou iemand met andere opvattingen, na het lezen van mijn verhaal één stap in mijn richting zetten?

Wanneer het antwoord daarop alleen luidt omdat ik gelijk heb, heb je misschien voor je zelf een sterke overtuiging. Maar geen strategie. Wie zijn tegenstander werkelijk wil overtuigen, zal hem daarom eerst zo goed mogelijk moeten begrijpen. Niet zoals hij volgens jou zou moeten denken. Niet zoals jouw vrienden denken dat hij denkt. En ook niet uitsluitend vanuit de verklaring die het prettigst in jouw eigen wereldbeeld past.

Probeer te achterhalen hoe de wereld er vanuit zijn positie uitziet, welke waarden hij denkt te verdedigen, welke feiten hij belangrijk vindt en waarom jouw argumenten hem tot dusver niet overtuigen. En houdt ondertussen de spiegel binnen handbereik. Want vrijwel iedere beschuldiging die je over de loopgraaf gooit, kan worden teruggegooid. Pas wanneer je ook daar een serieus antwoord op hebt, kan je met effect mogelijk een werkelijk interessante discussie beginnen.

De tennisclub is geen dekmantel voor een commandocentrum

Invloedrijke mensen kennen elkaar, delen opvattingen en helpen elkaar soms vooruit. Dat kan macht en gesloten elites opleveren, maar bewijst nog geen centraal geleid complot. Politieke ideeën hebben geen geheim hoofdkwartier nodig: zij krijgen macht via mensen, instituties en uiteindelijk de staat.

Mensen uit invloedrijke maatschappelijke kringen zoeken elkaar op, delen vaak vergelijkbare opvattingen en helpen elkaar soms aan informatie of posities. Dat kan leiden tot gesloten elites en reële machtsconcentratie. Maar daaruit volgt nog niet dat hun tennisclub, sociëteit of vrijmetselaarsloge een geheim commandocentrum is van waaruit de wereld wordt bestuurd. Voor zo’n wereldomspannende aansturing zou een omvangrijke, hiërarchische en vrijwel onmogelijk verborgen te houden organisatie nodig zijn. Bovendien is centrale regie helemaal niet noodzakelijk om een politieke ideologie machtig te maken. Gedeelde overtuigingen verspreiden zich via opleiding, cultuur, beroepsgroepen en instituties. Wanneer zij binnen de staat dominant worden, kunnen zij vervolgens wel met wetten, vervolging en geweld worden afgedwongen. Wie de macht wil bestrijden, moet daarom niet alleen zoeken naar verborgen netwerken, maar vooral begrijpen welke ideeën de bestaande machtsorde dragen.

Ergens op zaterdagmorgen verzamelen zich in de kantine van een plaatselijke tennisvereniging een rechter, een officier van justitie, een wethouder, twee ondernemers en een voormalig bankdirecteur. Zij kennen elkaar. Zij komen uit ongeveer hetzelfde maatschappelijke milieu, hebben deels dezelfde politieke opvattingen en praten ongetwijfeld weleens over hun werk. Misschien helpen zij elkaar aan informatie, bevelen zij iemand aan voor een bestuursfunctie of zijn zij het opvallend vaak met elkaar eens. O ja, baantjes voor familie of vriendjes kunnen daar onderling verdeeld worden.

Wie wantrouwig genoeg kijkt, kan hierin het begin van een machtspiramide herkennen. De tennisvereniging wordt dan een dekmantel. De kantine is in werkelijkheid een commandocentrale. Achter de bar bevindt zich vermoedelijk een verborgen deur naar een ondergrondse vergaderzaal. En de kantinebeheerder is niet langer iemand die koffie schenkt en de frituur schoonmaakt, maar een soort van usurpator die de politieke orde naar zijn hand zet.

Er ontbreekt alleen nog een geheim agent die hem op het nippertje weet uit te schakelen.

Het klinkt potsierlijk. Toch berust een aanzienlijk deel van het denken over geheime elites en hun genootschappen op ongeveer deze redenering.

De machtspiramide

Robin de Boer besprak onlangs (“De Machtspiramide: hoe een klein netwerk op 17 manieren de wereld aanstuurt“) het boek De Machtspiramide van Derrick Broze. Volgens de presentatie van dat boek oefent een klein netwerk van personen, families en instellingen systematisch controle uit over onder meer onderwijs, media, technologie, gezondheidszorg, voedsel en financiën. Het boek spreekt over instituties en organisaties waaruit samen één machtspiramide zou zijn opgebouwd en vraagt wie “achter de schermen de wereld bestuurt”? Een van de hoofdstukken is gewijd aan religie en geheime genootschappen.

In zulke analyses worden dikwijls werkelijke verschijnselen beschreven: vermogende families oefenen invloed uit. Banken hebben politieke macht. Inlichtingendiensten proberen media en technologiebedrijven te beïnvloeden. Bestuurders, ondernemers, rechters, ambtenaren en politici kennen elkaar. Zij ontmoeten elkaar in adviesorganen, sociëteiten, conferenties, denktanks, verenigingen en besloten gezelschappen.

Het zou naïef zijn te ontkennen dat zulke netwerken ertoe doen.

Maar er is een andere kant: mensen helpen bekenden. Zij vertrouwen personen die dezelfde taal spreken, dezelfde opleiding hebben gevolgd en uit een vergelijkbaar milieu komen. Zij bevelen elkaar aan, wisselen informatie uit en verschaffen elkaar toegang tot maatschappelijke posities. Maar daaruit volgt nog niet dat zij gezamenlijk deel uitmaken van één organisatie die de wereld volgens een centraal plan bestuurt.

Precies op dat punt gaat de redenering ontsporen.

Twee verschillende verschijnselen

Om de denkfout te begrijpen moeten twee verschijnselen uit elkaar worden gehouden.

Het eerste is dat mensen met een overeenkomstige sociale achtergrond en vergelijkbare denkbeelden elkaar opzoeken.

Het tweede is het bestaan van een doelgerichte organisatie die vanuit een leiding opdrachten geeft en activiteiten coördineert.

Die twee kunnen samengaan, maar zij zijn beslist niet hetzelfde.

Mensen zoeken van nature anderen op bij wie zij zich thuis voelen. Voetballiefhebbers treffen elkaar in een voetbalvereniging, ondernemers in ondernemersclubs, kunstenaars in culturele kringen en academici op universiteiten en congressen.

Ook leden van maatschappelijke elites doen dat. Rechters, hoge ambtenaren, artsen, officieren, ondernemers en politici hebben ook sociale contacten, hobby’s en levensbeschouwelijke interesses. Zij worden lid van een tennisclub, golfvereniging, serviceclub, kerk, sociëteit of vrijmetselaarsloge. Omdat zulke organisaties een bepaalde cultuur hebben, trekken zij bovendien geen willekeurige doorsnede van de bevolking aan.

Er vindt zelfselectie plaats.

Mensen die waarde hechten aan traditie, rituelen, besloten gesprekken en persoonlijke vorming zullen zich eerder tot een vrijmetselaarsloge aangetrokken voelen dan mensen die daarvan niets moeten hebben. Zij zullen waarschijnlijk ook bepaalde manieren van spreken, denken en omgaan met conflicten delen. Dat maakt de groep betrekkelijk homogeen. Maar homogeniteit is nog geen politieke opdracht en organisatie.

De vrijmetselarij als projectiescherm

De vrijmetselarij leent zich uitstekend voor dit soort speculaties.

Zij kent besloten bijeenkomsten, symbolen, rituelen, graden en onderlinge herkenning. Onder haar leden bevonden zich in de loop van de geschiedenis invloedrijke bestuurders, kunstenaars, officieren, ondernemers en politici. Dat levert vrijwel alle ingrediënten voor een James Bond-verhaal.

Wie de organisatie van buitenaf bekijkt, ziet immers gesloten deuren. En achter gesloten deuren moet volgens de complotverbeelding wel iets worden beraamd. Maar beslotenheid kan ook een veel eenvoudiger functie hebben.

Mensen willen soms vrijuit met elkaar kunnen spreken zonder dat iedere onhandige gedachte later op sociale media belandt, door een werkgever wordt beoordeeld of in een politieke discussie tegen hen wordt gebruikt. Vertrouwelijkheid kan bedoeld zijn om een vrije gespreksruimte te scheppen.

De officiële Nederlandse vrijmetselarij omschrijft zichzelf niet als politieke of ideologische beweging, maar als een vereniging waarin leden met behulp van symbolen en rituelen zoeken naar verdieping van inzicht en persoonlijke vorming. Een Nederlandse loge zegt uitdrukkelijk dat zij geen plaats is om zaken te doen of te netwerken. Dat zijn uiteraard eigen verklaringen en daarmee geen sluitend bewijs dat er nooit vriendjespolitiek voorkomt. Ze laten wel zien dat de openlijk geformuleerde functie van de loge iets anders is dan het organiseren van wereldheerschappij. Bovendien bestaat de vrijmetselarij niet als één mondiale organisatie met een centrale leiding.

Nederlandse loges hebben een aanzienlijke zelfstandigheid en functioneren juridisch als verenigingen. Zij zijn verbonden met een landelijke orde, maar ook die orde is niet ondergeschikt aan een wereldregering van vrijmetselaars. Internationaal bestaan verschillende soevereine grootloges die elkaar soms erkennen, maar niet samen onder één mondiaal opperbevel vallen. Alleen al binnen landen kunnen verschillende organisaties naast elkaar bestaan. Dat is geen onbelangrijk detail. Het raakt de kern van de beschuldiging.

Waar is het hoofdkwartier?

Wie beweert dat een kleine groep de wereld systematisch aanstuurt, beweert meer dan dat machtige mensen elkaar kennen. Het woord aansturen veronderstelt organisatie. Er moeten doelen worden vastgesteld. Besluiten moeten worden genomen. Opdrachten moeten worden gegeven. Geld, informatie en personeel moeten worden verdeeld. Conflicten moeten worden beslecht. De uitvoering moet worden gecontroleerd en ongehoorzame deelnemers moeten kunnen worden gecorrigeerd.

Dat vereist ten minste: een leiding, een besluitvormingsstructuur, communicatielijnen, administratieve ondersteuning, financiering, uitvoerende functionarissen en een manier om duizenden activiteiten over vele landen en instituties op elkaar af te stemmen.

Hoe groter het doel, des te omvangrijker de organisatie die daarvoor nodig is.

Een organisatie die werkelijk onderwijs, banken, media, technologiebedrijven, voedselproductie, gezondheidszorg, overheden en geheime diensten wereldwijd zou aansturen, kan niet bestaan uit zes heren die na een ritueel nog een glas drinken. Zo’n organisatie zou waarschijnlijk duizenden medewerkers nodig hebben. Zij zou begrotingen, archieven, beveiligde communicatiesystemen, beleidsafdelingen en logistieke structuren moeten bezitten. Er zouden voortdurend conflicten ontstaan over belangen, geld, bevoegdheden en strategie.

Mensen zouden vertrekken, documenten meenemen, ruzie krijgen, fouten maken en uit de school klappen. Zelfs werkelijke geheime diensten, met professionele beveiliging en wettelijke middelen, slagen er niet in hun activiteiten volledig geheim te houden. Een particuliere wereldregering die generaties lang vrijwel alle grote maatschappelijke instituties bestuurt, zou organisatorisch nog vele malen ingewikkelder zijn.

  • Waar bevindt zich dat hoofdkwartier?
  • Wie benoemt de leiding?
  • Hoe worden besluiten genomen?
  • Wie geeft de opdrachten aan rechters, ministers, bankiers en mediabedrijven?
  • Hoe worden conflicten tussen Amerikaanse, Chinese, Russische, Europese en Arabische bestuurders opgelost?
  • Welke sanctie treft een miljardair, regering of inlichtingendienst die weigert mee te werken?

Zonder antwoorden op zulke vragen is de machtspiramide geen aangetoonde organisatie. Zij is een tekening waarin allerlei personen en instituties met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Maar een netwerkdiagram is nog geen organogram.

De kantinebeheerder is onschuldig

Laten we terugkeren naar de tennisvereniging.

Stel dat de rechter, de officier van justitie, de wethouder en de ondernemers inderdaad ongeveer dezelfde maatschappelijke opvattingen hebben. Zij geloven in dezelfde vorm van bestuur, lezen dezelfde kranten en vinden vaak dezelfde personen redelijk en deskundig. Dat kan politiek belangrijk zijn.

Hun onderlinge contacten kunnen de toegang van buitenstaanders beperken. Zij kunnen elkaar posities toeschuiven en hun eigen opvattingen ten onrechte als neutraal of vanzelfsprekend behandelen. Een sociale elite kan zichzelf zo reproduceren. Dat verdient kritiek en onderzoek.

Maar de tennisvereniging heeft daarmee nog niet als doel de samenleving te beheersen. De vereniging organiseert tenniswedstrijden, onderhoudt de banen en zorgt dat er achter de bar voldoende bier staat.

De politieke invloed berust bij de leden en hun maatschappelijke posities, niet bij de tennisvereniging als organisatie.

Hetzelfde onderscheid moet bij een vrijmetselaarsloge worden gemaakt.

Een rechter kan vrijmetselaar zijn en politieke opvattingen hebben. Een bankier eveneens. Zij kunnen elkaar in de loge ontmoeten en sympathiek vinden. Misschien ontstaat daar vertrouwen dat later ook buiten de loge een rol speelt. Zeer waarschijnlijk spreken ze ook over de politieke toestand van de wereld. Maar daaruit volgt niet dat de loge hun vonnissen, bankbeleid of politieke optreden coördineert. De club waar invloedrijke mensen samenkomen, is niet vanzelf de organisatie die hun maatschappelijke handelen bestuurt.

Wie dat onderscheid niet maakt, kan uiteindelijk iedere ontmoetingsplaats van elites tot samenzwering verklaren: de golfclub, universiteit, kerk, Rotary, opera, studentenvereniging, buurtborrel of jachthaven. En dan wordt de kantinebeheerder inderdaad een staatsgevaarlijk figuur.

Er is geen centrale regie nodig

De tweede fout is misschien nog belangrijker.

Voor het verspreiden en handhaven van een politieke ideologie is helemaal geen geheim hoofdkwartier nodig.

Mensen kunnen vergelijkbaar handelen doordat zij vergelijkbare overtuigingen hebben. Zij hoeven daarvoor niet dagelijks instructies te ontvangen.

Rechters worden gevormd binnen een juridische traditie. Ambtenaren leren hoe behoorlijk bestuur eruitziet. Bankiers leren welke economische belangen beschermd moeten worden volgens hun aangeleerde opvattingen. Journalisten ontwikkelen gedeelde opvattingen over betrouwbare bronnen en maatschappelijk aanvaardbare standpunten. Politici bewegen binnen een taal van democratie, mensenrechten, veiligheid, groei of sociale rechtvaardigheid; los van hun feitelijke gedrag.

Binnen ieder van die instituties worden mensen geselecteerd en gevormd. Zij leren welke vragen serieus zijn, welke antwoorden verantwoord klinken en welke opvattingen buiten de grenzen van het betamelijke vallen. Mensen met sterk afwijkende ideeën vertrekken, worden niet benoemd of passen zich aan. Zo ontstaat gelijkgericht handelen zonder centrale bevelvoering. Dat is geen geheimzinnig proces. Het is de normale werking van cultuur, opleiding, groepsvorming en instituties.

Een ideologie regeert niet doordat ergens een opperideoloog achter een elektronisch wereldscherm zit. Zij regeert doordat duizenden mensen haar uitgangspunten als redelijk, moreel en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. De macht van een ideologie zit niet alleen in de hoofden van een kleine top. Zij zit in wetboeken, opleidingen, organisaties, beroepsregels, kranten, ceremonies, taal en dagelijkse gewoonten. Daarom kan zij zich over een samenleving verspreiden zonder één centrale organisatie. En daarom verdwijnt zij ook niet wanneer een loge wordt gesloten of een tennisclub wordt bestormd.

Wanneer ideologie staatsmacht wordt

Dat een ideologie geen geheim hoofdkwartier nodig heeft om zich te verspreiden, betekent niet dat zij altijd zonder centrale macht blijft. Wanneer een ideologie dominant wordt binnen bestuur, politiek, rechtspraak, onderwijs en ambtenarij, ontstaat daaruit een bestuurlijke elite die haar uitgangspunten niet langer alleen uitdraagt, maar ook institutioneel kan afdwingen.

De staat beschikt immers over middelen die een tennisvereniging, loge of sociëteit niet bezit. Hij kan wetten vaststellen, belastingen heffen, vergunningen weigeren, toezicht uitoefenen, eigendom ontnemen, mensen vervolgen, opsluiten en in het uiterste geval geweld gebruiken. Daarmee verandert een gedeeld wereldbeeld in een maatschappelijke machtsorde.

De leden van de bestuurlijke elite hoeven daarvoor nog steeds geen geheime opdrachten te ontvangen. Het is voldoende dat zij grotendeels dezelfde opvattingen hebben over wat redelijk, rechtmatig, gevaarlijk of ontoelaatbaar is. Vanuit die gedeelde overtuigingen ontwerpen zij regels, passen zij wetten toe en bepalen zij welke gedragingen bescherming verdienen en welke moeten worden bestreden.

De staat beschermt daarbij niet alleen de samenleving zoals die bestuurlijke elite haar begrijpt. Hij beschermt ook de instituties en personen die deze orde dragen. Aanvallen op hun positie kunnen worden voorgesteld als aanvallen op de rechtsstaat, de democratie, de openbare orde of het algemeen belang.

Zo kan ideologische dominantie uiteindelijk wel degelijk een machtspiramide voortbrengen. Maar die piramide is niet verborgen in een vrijmetselaarsloge of een kantine van een sportvereniging. Zij is zichtbaar aanwezig in regering, parlement, ministeries, rechtbanken, toezichthouders, politie en andere staatsorganen.

De fout van de ‘complotdenker’ is dus niet dat hij iedere concentratie van macht verzint. De fout is dat hij de oorsprong en werking ervan verkeerd lokaliseert. Hij zoekt de bevelslijnen in besloten clubs, terwijl de werkelijke centralisering plaatsvindt zodra een dominante ideologie zich met het geweldsmonopolie van de staat verbindt.

De verkeerde vijand

Dat is niet alleen een theoretische vergissing. Het is ook een strategische fout.

Wie meent dat de maatschappelijke orde wordt aangestuurd door een geheime piramide, gaat op zoek naar de top. Hij wil namen onthullen, bijeenkomsten verstoren en verborgen organisaties ontmantelen.

Maar wanneer de samenhang in werkelijkheid voortkomt uit gedeelde ideeën en maatschappelijke vorming, vecht hij tegen het verkeerde doelwit.

Hij bestrijdt de plaats waar mensen elkaar ontmoeten in plaats van de opvattingen die zij daar mee naartoe nemen.

Hij valt het netwerk aan, maar laat de ideologie intact.

Sterker nog: door een vereniging als vijandige samenzwering te behandelen kan hij haar leden juist dichter bij elkaar brengen. Vervolging bevestigt dan hun overtuiging dat de buitenwereld hen niet begrijpt en dat vertrouwelijkheid noodzakelijk is.

Wie een maatschappelijke orde werkelijk wil veranderen, moet daarom eerst begrijpen waardoor zij bijeen wordt gehouden. Niet iedere machtsconcentratie is een organisatie. Niet iedere sociale relatie is een bevelslijn. Niet iedere besloten bijeenkomst is een samenzwering. En niet iedere overeenkomst in gedrag bewijst centrale regie.

Geen Bond-schurk, maar een ideologische strijd

De wereld wordt wel degelijk beïnvloed door elites, grote vermogens, staten, bedrijven, beroepsgroepen en instituties. Hun macht kan onrechtvaardig zijn en hun denkbeelden kunnen schadelijke gevolgen hebben.

Maar wie hen wil bestrijden, moet hen eerst juist begrijpen.

De beslissende vraag is niet: In welk geheim gebouw vergaderen zij?

De beslissende vraag is: Welke ideeën zorgen ervoor dat deze mensen de bestaande orde redelijk, rechtmatig en noodzakelijk vinden?

Daar ligt het werkelijke politieke strijdveld. Een maatschappelijke ideologie hoeft geen verborgen hoofdkwartier te hebben. Zij nestelt zich in opleidingen, taal, rituelen en instituties. Zij wordt gedragen door mensen die meestal oprecht menen dat zij het juiste doen.

Wie een andere samenleving wil, zal daarom meer moeten leveren dan een lijst met verdachte namen en onderlinge verbindingen. Hij moet een overtuigender idee ontwikkelen over recht, macht, eigendom, vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Dat is aanzienlijk moeilijker dan een piramide tekenen. Maar het heeft één voordeel: je hoeft de tennisclub niet in brand te steken.

En James Bond kan thuisblijven.

Enkhuizen, 17 augustus 2026

© 2026 D.H. Ahles, The Netherlands

Hoe ideeën macht worden [Essay]

Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral wanneer voldoende mensen overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dit essay onderzoekt hoe ideeën via het civilisatieproces, sociale kringen, organisaties en instituties uiteindelijk politieke macht voortbrengen.


Het civilisatieproces en de politieke werking van overtuigingen

Een sociologische schets van civilisatie, waarheid, politieke strijd en maatschappelijke macht

Dick H. Ahles – juli 2026


Samenvatting

Maatschappelijke macht berust niet alleen op wetten, geld, geweld of de formele zeggenschap van een elite. Zij ontstaat vooral doordat voldoende mensen bepaalde overtuigingen, normen en gedragingen als waar, juist en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. Dat proces noem ik het civilisatieproces.
In dit essay onderzoek ik hoe persoonlijke overtuigingen worden gevormd, hoe zij binnen verschillende sociale kringen tot gedrag leiden en hoe ideeën uiteindelijk organisaties, instituties en politieke macht voortbrengen. Daarbij komen ook de verhouding tussen waarheid en overtuiging, het belang van open discussie en de strategie van maatschappelijke verandering aan de orde. Wie een bestaande orde wil vervangen, moet namelijk meer doen dan haar machthebbers bestrijden. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen, mensen overtuigen en de kringen en instituties bouwen waarin zijn ideeën kunnen voortleven.

Inhoud

  1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren
  2. De persoonlijke civilisatie
  3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk
  4. Sferen, kringen en politieke beginselen
  5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen — en geen strijd om de macht
  6. Waarheid bestaat — maar zekerheid bewijst haar niet
  7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt
  8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme
  9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?
  10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel
  11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen
  12. Macht is het resultaat van civilisatie

Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden
Noten
Korte Literatuurlijst


Wie de wereld wil veranderen, kijkt gewoonlijk eerst naar de macht. Wie beschikt over de staat? Wie beheerst de media? Wie schrijft de wetten, verdeelt het geld, benoemt de bestuurders en geeft uiteindelijk het bevel?
Daaruit volgt een verleidelijk eenvoudig verhaal. Een kleine groep verovert de macht, gebruikt de middelen die haar ten dienste staan en legt vervolgens haar wil op aan de rest. De samenleving verandert omdat de machthebbers besluiten dat zij veranderen moet.
Zo eenvoudig wordt het verteld. Zo gemakkelijk wordt het geloofd. En zo onvolledig is het.

Want een bevel dat niemand uitvoert, is geen macht. Een wet die geen ambtenaar uitwerkt, geen rechter toepast en geen politieagent handhaaft, is niet meer dan bedrukt papier. Een ideaal dat niemand begrijpt, niemand uitdraagt en niemand in zijn handelen opneemt, verandert geen samenleving.

Niet de macht brengt als eerste de duurzame verandering voort. De verandering in wat mensen voor waar, juist en nastrevenswaardig houden, brengt de duurzame macht voort.

Duurzame politieke veranderingen ontstaan niet doordat enkele mensen op een ochtend besluiten de macht waarover zij beschikken te gebruiken om anderen hun wil op te leggen. Zij worden pas maatschappelijk werkzaam wanneer voldoende mensen – vooral mensen op centrale plaatsen – die veranderingen uitvoeren omdat zij ze als juist, noodzakelijk of vanzelfsprekend hebben leren beschouwen.

Een regering kan besluiten. Maar anderen moeten dat besluit formuleren, onderbouwen, uitleggen, administreren, uitvoeren en handhaven. De bestuurder beslist, de ambtenaar schrijft, de deskundige rechtvaardigt, de journalist duidt, de rechter bevestigt, de politie handhaaft en de burger aanvaardt – of leert ten minste dat verzet onredelijk, ongepast of zinloos is.

De meesten van hen staan daarbij niet iedere ochtend op met de keuze of zij vandaag eens iets goeds of iets kwaads zullen doen. Zij handelen in grote lijnen volgens wat zij hebben geleerd verantwoordelijk, rechtvaardig, normaal of onvermijdelijk te vinden.

Wie wil begrijpen hoe samenlevingen functioneren en veranderen, moet daarom dieper kijken dan naar de formele machthebbers. Hij moet onderzoeken hoe mensen hun werkelijkheidsbeelden, overtuigingen, normen en gedragingen verwerven. Dat proces noem ik het civilisatieproces.

1. Civiliseren is niet hetzelfde als moreel verbeteren

Het woord civilisatie klinkt vriendelijk. Het roept beschaving op, zelfbeheersing, redelijkheid en zelfs vooruitgang. Maar wie het begrip zo gebruikt, maakt de analyse al normatief voordat zij begonnen is.

In deze theorie betekent civiliseren niet noodzakelijk: beter, menselijker of vreedzamer worden. Civiliseren is het proces waardoor mensen leren wat zij voor waar houden, wat zij waardevol vinden en welk gedrag zij van zichzelf en anderen verwachten.1

  • wat volgens hen waar en onwaar is;
  • wat zij goed, slecht, rechtvaardig of verwerpelijk vinden;
  • welk gedrag in uiteenlopende omstandigheden normaal, toegestaan, verplicht of verboden is.

Dat proces kan verdraagzaamheid, samenwerking en respect voor persoonlijke vrijheid voortbrengen. Maar hetzelfde proces kan ook gehoorzaamheid, uitsluiting, vijanddenken en onderdrukking normaliseren. Ook wreedheid kan worden aangeleerd. Ook onderwerping kan worden gelegitimeerd. Ook geweld kan in wetten, rituelen, functies en plichten worden georganiseerd.

Een onderdrukkende orde is daarom niet per definitie ongeciviliseerd. Zij kan juist uiterst zorgvuldig zijn geciviliseerd: voorzien van taal, procedures, deskundigen, opleidingen, uniformen, formulieren en morele rechtvaardigingen. De bureaucratie heeft geen geweten nodig om doeltreffend te zijn; zij heeft vooral mensen nodig die hun taak als plicht beschouwen.

Het civilisatieproces is inhoudelijk blind. Het verklaart hoe ideeën maatschappelijk werkzaam worden; het beslist niet welke ideeën moreel juist zijn.

Juist daarom kan het een wetenschappelijk bruikbaar mechanisme zijn. Hetzelfde proces moet kunnen verklaren hoe ideeën die wij bewonderen én ideeën die wij verwerpen invloed verwerven. Het moet verklaren hoe mijn overtuigingen ontstaan en hoe de tegengestelde overtuigingen van mijn politieke tegenstander ontstaan. Wie voor zichzelf rationaliteit en feiten reserveert, maar de ander uitsluitend verklaart uit propaganda, domheid of slechtheid, bedrijft geen sociologie. Hij voert campagne.

2. De persoonlijke civilisatie

Ieder mens begint met een biologische basis en met persoonlijke eigenschappen: aanleg, temperament, intelligentie, gevoeligheden, lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Daarbovenop ontwikkelt hij gedurende zijn leven een persoonlijke civilisatie.

De persoonlijke civilisatie is het historisch gegroeide, grotendeels aangeleerde en slechts gedeeltelijk bewuste repertoire waarmee een individu de werkelijkheid interpreteert, gedrag beoordeelt en in sociale verhoudingen handelt.

Dat repertoire omvat drie grote gebieden:

Werkelijkheidsbeelden en (waarheids)overtuigingen

Mensen leren feiten, verklaringen en verhalen over hoe de wereld in elkaar zit. Maar zij leren méér. Zij leren ook welke bronnen betrouwbaar zijn, welke personen deskundig heten, welke instituties gezag hebben en welke vormen van bewijs overtuigend behoren te zijn.
Die overtuigingen kunnen juist zijn. Zij kunnen ook gedeeltelijk juist, achterhaald of aantoonbaar onjuist zijn. Voor het handelen is echter niet alleen van belang wat waar is, maar vooral wat iemand voor waar houdt.

Normen, waarden en idealen

Mensen leren wat zij waardevol en nastrevenswaardig behoren te vinden. Met die maatstaven beoordelen zij zichzelf en anderen. Zij keuren goed, veroordelen, bewonderen, schamen zich en verlangen naar een andere toestand. Daaruit ontstaan idealen over het eigen leven, over relaties en over de inrichting van de samenleving.

Genormaliseerd sociaal gedrag

Mensen leren ten slotte hoe zij zich in het dagelijkse verkeer behoren te gedragen: hoe men spreekt, groet, samenwerkt, gehoorzaamt, tegenspreekt, beloont, straft, rouwt en viert. Veel daarvan wordt zo vanzelfsprekend dat het niet langer als aangeleerd wordt ervaren. Het voelt niet als een keuze. Het voelt als normaal.


Schema 1. Het civilisatieproces – de factoren.

Schema . Het civilisatieproces - de factoren.

3. Geen twee persoonlijke civilisaties zijn gelijk

De persoonlijke civilisatie van ieder individu is uniek. Zij strekt zich uit over vrijwel onbeperkt veel onderwerpen en is gevormd door aanleg, opvoeding, onderwijs, beroep, vrienden, ervaringen, media, lezen, organisaties en toevallige ontmoetingen.

Maar uniek betekent niet stabiel en onveranderlijk. Iemands civilisatie is geen sluitend filosofisch stelsel, netjes opgeborgen in één lade. Zij bevat tegenstrijdigheden, half vergeten regels, botsende idealen en gewoonten die sterker kunnen zijn dan de overtuigingen waarmee iemand zich openlijk identificeert.

Bovendien komt niet in iedere situatie hetzelfde deel van dat repertoire naar voren. Dezelfde mens spreekt thuis anders dan op zijn werk, handelt onder vrienden anders dan tegenover een onbekende, en accepteert in een onderneming gezagsverhoudingen die hij binnen een vriendschap onverdraaglijk zou vinden.

Wanneer iemand zegt: “Maar hij deed daar dit en zei toen dat”, is daarmee dus nog weinig bewezen. De eerste vraag moet zijn: in welke sfeer handelde hij, tegenover wie, onder welke verwachtingen en binnen welke machtsverhouding?

Mensen hebben niet één vast programma. Verschillende sociale sferen activeren verschillende delen van hun persoonlijke civilisatie.

Dat is geen vrijbrief voor hypocrisie. Mensen kunnen natuurlijk liegen, manipuleren, zich opportunistisch aanpassen of bewust met twee maten meten. Maar niet iedere variatie in gedrag is bedrog. Wie zich tegen zijn baas anders gedraagt dan tegen zijn partner, hoeft nog niet van karakter te zijn gewisseld. Hij bevindt zich in een andere verhouding – en die verhouding roept ander gedrag op.

4. Sferen, kringen en politieke beginselen

Mensen leven niet in één ongedifferentieerde samenleving. Zij bewegen zich door verschillende sferen van handelen. Binnen die sferen vormen zij concrete kringen: een gezin, een vriendenkring, een vereniging, een bedrijf, een universiteit, een gemeente of een staat.

Een vriendenkring en een onderneming bestaan beide uit meerdere mensen, maar zij worden niet volgens dezelfde logica geordend. De vriend is geen werknemer zonder salaris. De werknemer is geen vriend met een functieomschrijving. Wie de ene sfeer met de normen van de andere bestuurt, veroorzaakt verwarring of overheersing.2

Van het individu naar steeds ruimere en meer georganiseerde verhoudingen komen verschillende politieke beginselen op de voorgrond.

Soevereiniteit

Bij het individu en zijn lichamelijke en geestelijke integriteit staat de vraag centraal: wie heeft uiteindelijk het hoogste beslissingsrecht over mijn leven, mijn lichaam en mijn overtuigingen? Daar verschijnt het beginsel van soevereiniteit.In het diepst van ons denken zijn wij zelfs onvoorwaardelijk soeverein. Niemand kan daar binnendringen; niemand kan onze gedachten rechtstreeks kennen zolang wij ze niet uiten. Men kan ons denken beïnvloeden, sturen of zelfs vervormen, maar men kan het niet rechtstreeks bezitten.

Vrijheid

Waar zelfstandige mensen elkaar ontmoeten, ontstaat de verlangen naar vrijheid: kan ieder handelen zonder een meester boven zich, zolang – uiteraard – hij de gelijke zelfstandigheid van vrijheid van de ander respecteert?

Broederschap

Waar mensen zich vrijwillig en duurzaam verbinden aan een gezamenlijk doel, is vrijheid alleen niet genoeg. Dan zijn vertrouwen, loyaliteit, wederkerigheid, zorgzaamheid en het opnemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid nodig. Daar verschijnt broederschap.

Gelijkheid

In de staat, die uiteindelijk bindende regels met dwang kan handhaven, wordt gelijkheid een onvermijdelijke politieke eis. Als allen aan dezelfde dwingende orde worden onderworpen, volgens welke gelijke maatstaven gebeurt dat dan? Of trek de bestuurlijke elite bepaalde groepen voor, geeft willekeurige privilege aan enkelen?

Deze beginselen vervangen elkaar niet. Zij stapelen zich op, botsen en moeten telkens opnieuw worden afgewogen. Politiek gaat daarom niet uitsluitend over ideeën, doelen, macht of beleid, maar over de inrichting van de verhoudingen waarin mensen samenleven en samenwerken en hoe daartoe besloten wordt.

Wanneer wij spreken over de civilisatie van een kring, bedoelen wij overigens niet dat een groep letterlijk één bewustzijn bezit. Een kring bestaat uit individuen wier persoonlijke civilisaties voldoende overlap vertonen om samenwerking en voorspelbaar gedrag mogelijk te maken en die gemeenschappelijk wordt ‘gedeeld´. Die overlap wordt vastgelegd in taal, gewoonten, regels, functies, verhalen en instituties. Daardoor kan een organisatie haar cultuur behouden, ook wanneer de oorspronkelijke leden allang verdwenen zijn.

Maar die overlap is nooit volledig. Mensen verschillen in wat zij voor waar houden, in wat zij waardevol vinden en in de ordeningsbeginselen waaraan zij voorrang geven. De een benadrukt soevereiniteit, de ander vrijheid, broederschap of gelijkheid. De een ziet in een maatregel bescherming, de ander overheersing. De een noemt iets rechtvaardig wat de ander juist als onrecht ervaart.

Dat verschil is geen storing buiten het civilisatieproces. Het is een onvermijdelijk gevolg ervan. En zodra zulke verschillen betrekking hebben op de inrichting van onze gezamenlijke verhoudingen, worden zij politiek

5. Politiek is een strijd tussen overtuigingen

En geen strijd om de macht.

Mensen ervaren hun idealen en overtuigingen zelden als toevallige voorkeuren. Zij beschouwen ze als waar, goed en nastrevenswaardig. Daarom willen zij dat anderen die overtuigingen delen. Dat geldt voor onszelf. En precies daarom geldt het ook voor onze tegenstanders.

Toch sluipt in politieke discussies steeds dezelfde redenering binnen: mijn ideeën zijn nobel; wie ze afwijst, keert zich tegen het goede; wie zich tegen het goede keert, moet wel slecht zijn.

Op dat moment wordt de strijd tussen ideeën een strijd tussen vermeend goede en slechte mensen. De tegenstander hoeft niet langer te worden weerlegd. Hij moet worden ontmaskerd, buitengesloten, beschaamd of monddood gemaakt.

Dat is niet alleen intellectueel lui. Het is ook politiek onhandig. Wie werkelijk iets wil veranderen, moet niet in de eerste plaats bewijzen dat zijn tegenstander moreel verdorven is. Hij moet middelen ontwikkelen waardoor zijn eigen ideeën begrijpelijker, aannemelijker en uiteindelijk maatschappelijk leidend worden.

Wie alleen de slechtheid van zijn tegenstander verkondigt, bedrijft moreel theater. Wie zijn ideeën maatschappelijk leidend maakt, bedrijft politiek.

Dit betekent niet dat alle motieven zuiver zijn, alle middelen geoorloofd of alle gevolgen aanvaardbaar. Politiek gaat ergens over. Men mag — en moet — spreken over onjuiste feiten, onhoudbare aannames, schadelijke neveneffecten en desastreuze gevolgen. Men mag een idee vernietigend bekritiseren. Maar men wint die strijd niet door zichzelf tot messias te verklaren en de ander tot belichaming van het kwaad.

Een open samenleving organiseert de strijd tussen ideeën. Een totalitaire orde beëindigt die strijd door het ene kamp tot drager van de waarheid en het andere tot vijand van de menselijkheid, het volk of de geschiedenis te verklaren. Wanneer argumenten worden vervangen door morele uitsluiting, begint de totalitaire trom te roffelen.

Uiteraard gebruikt een leidende elite machtsmiddelen wanneer zij in staat is een totalitaire orde te vestigen. Zij kan kritiek onderdrukken, organisaties verbieden en afwijkend gedrag bestraffen. Maar juist doordat zij overtuiging door dwang vervangt, ondermijnt zij op den duur de overtuigingskracht van haar eigen ideeën. Macht kan een debat smoren; zij kan geen levende overtuiging afdwingen

6. Waarheid bestaat – maar zekerheid bewijst haar niet

Dat mensen hun geloof in waarheden via civilisatie verwerven, betekent niet dat de werkelijkheid door onze overtuigingen wordt gemaakt. Natuurwetten bestaan onafhankelijk van onze instemming. Gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zoals zij hebben plaatsgevonden, ook wanneer niemand ze juist heeft waargenomen of verwoord.

Stel dat een getuige verklaart dat om 17.38 uur een schot werd gelost. In werkelijkheid kan het 17.52 uur zijn geweest. Camerabeelden, geluidsregistraties of andere gegevens kunnen dat overtuigend aantonen. Toch kan de getuige oprecht blijven geloven dat het 17.38 uur was.

Zijn overtuiging is dan een psychologisch feit. Hij gelooft werkelijk wat hij zegt. Maar zijn zekerheid maakt zijn bewering nog niet waar. Strafpleiters kennen dit probleem maar al te goed: herinneringen worden gereconstrueerd, aangevuld, herhaald en soms juist door herhaling steviger – zonder daardoor betrouwbaarder te worden.3

De werkelijkheid bepaalt of een uitspraak waar is; het civilisatieproces verklaart grotendeels waarom iemand haar gelooft.

Daarom moet iedere waarheidsaanspraak openstaan voor onderzoek en mogelijke correctie. Karl Poppers falsificatiebeginsel geldt strikt genomen vooral voor algemene wetenschappelijke theorieën: een theorie zegt pas werkelijk iets wanneer denkbare feiten haar kunnen weerleggen. Maar dezelfde kritische houding geldt ook voor afzonderlijke feitelijke beweringen. Wat vandaag als overtuigend geldt, moet morgen kunnen wijken voor beter bewijs.4

De werkelijkheid verandert niet wanneer onze verklaring verandert. Onze voorstelling van de werkelijkheid verandert. Dat is geen zwakte van kennis, maar haar enige mogelijkheid tot verbetering.

7. De lus waarin overtuiging tot waarheid wordt gemunt

Het civilisatieproces reikt mensen niet alleen overtuigingen aan. Het leert hun tegelijk waarom zij die overtuigingen betrouwbaar mogen achten:

  • welke wetenschappers als deskundig gelden; en welke niet;
  • welke media betrouwbaar heten; en welke als onbetrouwbaar worden verworpen;
  • welke boeken gezag dragen; en welke men vooral niet hoeft te lezen;
  • welke instituties geloof verdienen; en welke als propaganda-instanties worden beschouwd;
  • welke argumenten serieus moeten worden genomen; en welke bij voorbaat als nep of misleiding worden afgedaan.

Zo kan een merkwaardige lus ontstaan. Een uitspraak geldt als waar omdat als betrouwbaar erkende autoriteiten haar bevestigen. Die autoriteiten gelden op hun beurt als betrouwbaar, omdat dezelfde civilisatie mensen heeft ‘geleerd’ hun gezag toe te kennen.

Dat bewijst niet dat die autoriteiten per definitie ongelijk hebben. Het laat alleen zien dat zowel de overtuiging als de maatstaf waarmee zij wordt beoordeeld, maatschappelijk gevormd kan zijn. Wat is aangeleerd, wordt niet langer ervaren als aangeleerd. Het wordt ervaren als de werkelijkheid zelf. Dat is de merkwaardige lus in het civilisatie proces.

Maar precies hetzelfde geldt voor de criticus van de heersende opvattingen. Ook hij heeft geleerd welke bronnen hij moet wantrouwen, welke alternatieve deskundigen hij geloofwaardig vindt en welke gebeurtenissen in zijn verhaal beslissend zijn.

Wanneer hij vertwijfeld vraagt: “Waarom zien de mensen de waarheid niet?”, moet hij daarom onmiddellijk de spiegelvraag stellen: “Waarom ben ik ervan overtuigd dat juist ik haar wel zie?”

Wie verklaart dat anderen zijn geïndoctrineerd, moet eerst onderzoeken waarom hijzelf denkt aan mogelijke indoctrinatie te zijn ontsnapt.

Dit is geen relativisme. Niet iedere bewering is even waar, niet ieder argument even sterk en niet iedere bron even betrouwbaar. Maar niemands innerlijke zekerheid bewijst haar eigen juistheid. Stelligheid toont slechts dat iemand stellig is.

Die spiegelvraag is niet alleen van wetenschappelijk belang. Ook een goede politicus moet haar stellen. Wie de samenleving wil veranderen, moet immers begrijpen waarom mensen bepaalde ideeën als waar, rechtvaardig en vanzelfsprekend ervaren. Maar hij kan dat alleen werkelijk begrijpen wanneer hij erkent dat ook zijn eigen overtuigingen gevormd zijn door opvoeding, ervaring, autoriteiten en maatschappelijke omgeving.

Wie zichzelf buiten dat proces plaatst, ziet in zijn eigen opvattingen slechts waarheid en in die van zijn tegenstander slechts dwaling, propaganda of kwaadwilligheid. Zo iemand kan veroordelen, maar niet verklaren; bestrijden, maar niet overtuigen. De spiegelvraag luidt daarom niet alleen: waarom geloven zij dit? Zij luidt ook: waarom geloof ik wat ik geloof — en waarom zou mijn waarheid voor hen overtuigend moeten zijn?

Wie niet begrijpt waarom zijn tegenstander overtuigd is, begrijpt ook niet wat nodig is om hem, jouw en zijn aanhangers te overtuigen.

8. Open discussie is geen beleefdheid, maar een correctiemechanisme

Omdat niemand volledig buiten zijn eigen civilisatie kan gaan staan, is tegenspraak noodzakelijk. Niet als hoffelijk ritueel en niet alleen om de ander te overtuigen, maar om de mogelijkheid open te houden dat wijzelf dwalen.

Open discussie garandeert niet dat de waarheid, het beste of het wenselijke wint. Mensen kunnen koppig zijn, belangen verdedigen, feiten negeren of argumenten verkeerd wegen. Machtsverschillen kunnen het gesprek vervormen. Maar zonder tegenspraak ontbreekt het belangrijkste mechanisme waarmee door het civilisatieproces verankerde overtuigingen kunnen worden onderzocht, bestreden en gecorrigeerd.

Andere mensen, van welke politieke overtuigen ook, beschikken over andere ervaringen, informatie en gezichtspunten. Zij kunnen blinde vlekken aanwijzen die wij vanuit onze eigen positie niet zien. Daarom zijn vrije wetenschap, onafhankelijke journalistiek, politieke oppositie, vrijheid van meningsuiting en openbare argumentatie geen versieringen, geen luxe en geen gunst van de machthebber. Zij vormen het onderhoudsmechanisme van een open samenleving.

En wie ideeën over de inrichting van de samenleving wil behouden, veranderen of vervangen, kan om dit beginsel niet heen.

Een open samenleving onderscheidt zich niet doordat zij de waarheid definitief heeft gevonden. Zij onderscheidt zich doordat ook haar meest gezaghebbende waarheidsaanspraken kunnen worden betwijfeld, onderzocht en herzien.5

Wie een debat alleen binnengaat om zijn reeds bekende waarheid te verkondigen, voert geen onderzoekend gesprek. Hij houdt een zending. En wie de afwijkende spreker niet meer als mogelijke correctie maar als morele besmetting behandelt, heeft de open samenleving in beginsel al verlaten.

9. Waarom hebben juist hun ideeën gewonnen?

Critici van de bestaande orde wijzen graag op geld, propaganda, mediatoegang, manipulatie en onderlinge netwerken. Soms terecht. Maar zelfs wanneer al die beschuldigingen kloppen, blijft één ongemakkelijke vraag liggen: waarom zijn de ideeën van de tegenstander maatschappelijk leidend geworden en die van u niet?

Misschien hebben zij een samenhangende ideologie ontwikkeld. Misschien vonden zij woorden die mensen begrijpen, verhalen die zij onthouden en symbolen waarin zij zichzelf herkennen. Misschien bouwden zij kranten, scholen, universiteiten, partijen, verenigingen, fondsen en ontmoetingsplaatsen en zijn zij nu de eigenaren van. Misschien organiseerden zij hun ideeën, terwijl u vooral uw verontwaardiging organiseerde.

Wie de invloed van de tegenstander verklaart uit zijn toegang tot media, moet zelf toegang zoeken of eigen media bouwen. Wie klaagt dat de ander een verkeerde ideologie verspreidt, zal daar een betere ideologie tegenover moeten stellen. Wie constateert dat de ander bijeenkomsten organiseert waarin zijn overtuigingen worden bevestigd, zal eigen kringen moeten vormen waarin een alternatief wordt ontwikkeld en gedragen.

Vijanden aanwijzen is nog geen ideologie. Misstanden opsommen is nog geen programma. En zonder samenhangend alternatief valt er niets te winnen.

Veel critici weten precies waartegen zij zijn: tegen de elite, de bureaucratie, het kapitalisme, het socialisme, de Europese Unie, immigratie, klimaatbeleid, globalisering of juist nationalisme. Maar hoe moet de samenleving in 2050 functioneren? Welke instituties blijven? Welke verdwijnen? Wie beslist? Hoe worden conflicten vreedzaam beslecht? Hoe worden soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid tegen elkaar afgewogen? Welke meesters sturen we naar huis? Welke slaven maken we vrij?

Zolang daarop geen samenhangend antwoord bestaat, bezit een beweging onvrede maar geen toekomstbeeld; energie maar geen richting; aanhang maar geen orde.

De gele hesjes konden zichtbaar maken dat de bestaande orde voor velen onaanvaardbaar was. Maar een beweging waarvan de voornaamste gezamenlijke overtuiging luidt dat de heersende elite moet verdwijnen, kan geen nieuwe samenleving dragen.

Wie alleen weet wat er weg moet, kan een opstand beginnen. Wie weet wat ervoor in de plaats moet komen, kan een samenleving veranderen.

10. Niet alleen een idee, maar een civiliserend stelsel

In de negentiende eeuw Abraham Kuyper begreep dit mechanisme uitzonderlijk goed. Men kan zijn religieuze en politieke overtuigingen verwerpen en toch erkennen dat hij een groot politicus was.

Hij beperkte zich niet tot de klacht dat de liberale elite zijn achterban miskende. Hij formuleerde een samenhangend beginsel, gaf het taal en ritme, bouwde er organisaties omheen en maakte het tot een maatschappelijke werkelijkheid.

Hij stichtte niet alleen een partij, maar ook een krant en een universiteit; hij verbond kerken, scholen, verenigingen en politieke vertegenwoordiging; hij schiep plaatsen waar zijn ideeën konden worden geleerd, herhaald, verdedigd en doorgegeven.6

Zijn rede over de soevereiniteit in eigen kring was daarom geen sierstuk naast zijn politiek. Zij was een instrument van die politiek. Zij gaf zijn achterban een ordenend begrip waarmee zij zichzelf, haar tegenstanders en haar plaats in de samenleving kon begrijpen.

Kuyper veranderde ideeën in taal, taal in organisaties, organisaties in instituties, instituties in gedrag en gedrag in politieke macht.

Daarom was hij meer dan een begaafd redenaar. Hij begreep dat een beginsel pas historische kracht krijgt wanneer het een woonplaats vindt: in hoofden, in kringen, in gebouwen, in procedures, in opleidingen en in dagelijkse handelingen.

Wie zijn tegenstander uitsluitend afbrandt, versterkt meestal slechts de eigen kring. Wie een alternatief wereldbeeld bouwt en de instellingen schept waarin dat wereldbeeld kan voortleven, verandert de civilisatie.

11. De strijd vindt plaats in het denken van mensen

De marketeers Al Ries en Jack Trout maakten een nuchtere observatie: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door de objectief aantoonbare kwaliteit van een product, maar door de positie die het product inneemt in het brein van het publiek.7

De politieke analogie is onontkoombaar. Ideeën strijden niet in een lege, neutrale ruimte waarin de best bewezen waarheid automatisch wint. Zij strijden om een plaats in het denken van mensen.

Een beweging kan overtuigd zijn van de voortreffelijkheid van haar beginselen. Maar als niemand ze begrijpt, onthoudt of op zijn eigen leven kan betrekken, worden zij niet leidend. Feitelijke juistheid, morele kwaliteit en verstandige gevolgen zijn van groot belang – maar zij verspreiden zichzelf niet.

De waarheid heeft echter geen eigen marketingafdeling. Er is geen bank van de waarheid.

Een idee moet worden geformuleerd, uitgelegd, herhaald, verbeeld, georganiseerd en in maatschappelijke praktijken vertaald. Niet om waarheid door propaganda te vervangen, maar omdat ook een ware en waardevolle gedachte zonder overdracht maatschappelijk machteloos blijft.

Hier raken Norbert Elias, Karl Popper en de marketingtheorie elkaar zonder samen te vallen. Elias helpt begrijpen hoe normen en zelfsturing worden geïnternaliseerd. Popper herinnert eraan dat geen enkele overtuiging boven mogelijke weerlegging staat. Ries en Trout laten zien dat ideeën pas invloed krijgen wanneer zij een herkenbare plaats in het denken innemen.

Samen maken zij één punt zichtbaar: de maatschappelijke loop der dingen volgt niet eenvoudig de werkelijkheid zoals zij is, maar de werkelijkheid zoals mensen haar (vanaf de geboorte) hebben leren zien.

12. Macht is het resultaat van civilisatie

Een kleine groep kan door geweld, dreiging of controle over instituties gedrag afdwingen. Dat moet niet worden onderschat. Maar zelfs dwang moet worden uitgevoerd. Soldaten moeten bevelen gehoorzamen, ambtenaren regels toepassen, rechters sancties bevestigen en burgers de orde voldoende aanvaarden om haar uitvoerbaar te houden.

Dwang kan gehoorzaamheid produceren zonder overtuiging. Zij kan angst zaaien en verzet breken. Maar een duurzame maatschappelijke orde kan niet iedere handeling met het pistool op tafel afdwingen. Zij heeft mensen nodig die de orde rechtmatig, noodzakelijk, vanzelfsprekend of ten minste onvermijdelijk vinden.

Daarom ontstaat macht uit een kringloop:

overdracht → internalisering → situationeel gedrag → organisatie → institutionele macht → verdere overdracht

Wanneer voldoende mensen langs overeenkomstige lijnen zijn geciviliseerd, ontstaat gecoördineerd handelen. Uit dat handelen ontstaan organisaties en instituties. Die instituties gebruiken vervolgens onderwijs, media, wetten, rituelen en procedures om dezelfde civilisatie verder over te dragen.

De elite bevindt zich niet buiten dit proces. Ook haar leden handelen gewoonlijk volgens ideeën en normen die zij zelf als waardevol en gerechtvaardigd beschouwen. Zij verzinnen niet de ene dag iets slechts om de volgende dag ter afwisseling iets goeds te doen. Zij handelen, zoals anderen, binnen de lijnen van hun civilisatie.

Dat ontslaat niemand van verantwoordelijkheid. Goede bedoelingen maken slechte gevolgen niet onschadelijk. Wie tegenbewijs negeert, kritiek uitschakelt, onaanvaardbare middelen inzet of voorzienbare schade veroorzaakt, blijft verantwoordelijk en aansprakelijk. Maar wie macht uitsluitend verklaart uit de persoonlijke slechtheid van machthebbers, begrijpt niet hoe die macht maatschappelijk wordt gedragen en gereproduceerd.

Tot besluit: de vraag die aan beide zijden gesteld moet worden

Critici van de heersende orde eindigen dikwijls met dezelfde vertwijfelde vraag: waarom zien de mensen de waarheid niet over de slechtheid van die heersers?

Het antwoord luidt: omdat mensen handelen vanuit werkelijkheidsbeelden, normen en gedragingen die zij hebben verworven en die voor hen waar, juist en vanzelfsprekend zijn geworden.

Maar daarmee is de criticus niet klaar. Hij moet zichzelf dezelfde vraag stellen. Waarom is hij ervan overtuigd dat juist zijn werkelijkheidsbeeld waar is? Welke bronnen heeft hij leren vertrouwen? Welke ervaringen hebben zijn overtuigingen gevormd? Waarom zou hij buiten het civilisatieproces staan dat hij bij anderen aanwijst?

Niemand staat buiten het proces dat hij bij anderen probeert te verklaren.

Dat betekent niet dat waarheid niet bestaat. Het betekent niet dat alle ideeën gelijkwaardig zijn. Het betekent evenmin dat politieke strijd zinloos is. Integendeel. Juist omdat overtuigingen onjuist kunnen zijn, moeten feiten worden onderzocht, argumenten worden gewogen en gevolgen worden beoordeeld. Juist omdat mensen kunnen dwalen, moet de open discussie worden aangehangen.

Maar wie de samenleving werkelijk wil veranderen – waarom en met welk doel ook – moet meer doen dan zijn tegenstanders als slecht afschilderen. Hij moet een samenhangend alternatief ontwikkelen. Hij moet woorden vinden die mensen begrijpen, kringen bouwen waarin die woorden worden gedragen, en instituties scheppen waarin zijn beginselen tot gedrag worden.

  • Niet alleen protesteren, maar verklaren.
  • Niet alleen verklaren, maar overtuigen.
  • Niet alleen overtuigen, maar organiseren.
  • Niet alleen organiseren, maar civiliseren.

Een tegenstander een keer verslaan is nog geen overwinning.

Je wint pas werkelijk wanneer JOUW ideeën de samenleving gaan ordenen.


NOTEN

  1. De term civilisatieproces sluit aan bij Norbert Elias, die onderzocht hoe maatschappelijke afhankelijkheden, staatsvorming en veranderende omgangsnormen samenhangen met de internalisering van zelfbeheersing. In dit essay wordt het begrip ruimer gebruikt. Het omvat hier ook de overdracht van werkelijkheidsbeelden, waarheidsmaatstaven, normen, waarden en sfeergebonden gedrag. Zie Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation (1939). ↩︎
  2. De voorstelling van de samenleving als een veelheid van levenskringen sluit aan bij Abraham Kuypers rede Souvereiniteit in eigen kring uit 1880. Kuyper verdedigde daarin de zelfstandigheid van onder meer persoon, gezin, kerk, wetenschap en maatschappelijke verbanden tegenover een staat die alle gezag naar zich toe trekt. Het in dit essay gebruikte schema en de verbinding met soevereiniteit, vrijheid, broederschap en gelijkheid vormen een eigen uitwerking. ↩︎
  3. Dat een oprechte herinnering toch onjuist kan zijn, is uitvoerig aangetoond in onderzoek naar reconstructief geheugen. Klassiek is het experiment van Elizabeth Loftus en John Palmer, waarin de formulering van latere vragen invloed bleek te hebben op de herinnering aan een eerder waargenomen verkeersongeluk. Zie E.F. Loftus en J.C. Palmer, “Reconstruction of Automobile Destruction: An Example of the Interaction Between Language and Memory” (1974). ↩︎
  4. Voor het falsificatiebeginsel: Karl R. Popper, The Logic of Scientific Discovery (1959), de Engelstalige bewerking van zijn eerder verschenen Logik der Forschung. Popper stelde niet dat iedere afzonderlijke uitspraak met één eenvoudige proef definitief kan worden afgehandeld, maar dat wetenschappelijke theorieën in beginsel voortdurend blootgesteld moeten kunnen worden aan feiten die ermee in strijd zijn. ↩︎
  5. De gedachte dat een open samenleving instituties en kritische burgers nodig heeft waardoor machthebbers, theorieën en waarheidsaanspraken kunnen worden bekritiseerd, sluit aan bij Karl R. Popper, The Open Society and Its Enemies. Het werk verscheen oorspronkelijk in twee delen in 1945. ↩︎
  6. Over Kuypers combinatie van beginselvorming, journalistiek, partijorganisatie, kerkelijke organisatie, onderwijs en universiteitsstichting: zie naast zijn rede Souvereiniteit in eigen kring ook Jeroen Koch, Abraham Kuyper. Een biografie (Amsterdam: Boom, 2006). Koch beschrijft Kuyper als predikant, journalist, partijleider en stichter van de Vrije Universiteit en laat zien hoe hij rond zijn beginselen een uitgebreid maatschappelijk netwerk opbouwde. ↩︎
  7. Al Ries en Jack Trout ontwikkelden in de marketing het begrip positioning: de concurrentiestrijd wordt niet uitsluitend beslist door eigenschappen van het product zelf, maar door de herkenbare positie die het product in het denken van het publiek inneemt. De toepassing daarvan op politieke ideeën in dit essay is een analogie van de auteur. Zie Al Ries en Jack Trout, Positioning: The Battle for Your Mind (1981). ↩︎


Beknopte literatuurlijst

De onderstaande werken vormden intellectuele vertrekpunten voor onderdelen van dit essay. De verbinding tussen civilisatie, persoonlijke overtuiging, sociale kringen, politieke strategie en maatschappelijke macht, evenals het bijbehorende schema, vormen een eigen synthese van de auteur.

Elias, Norbert. Über den Prozess der Zivilisation: Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen. Twee delen. Bazel: Verlag Haus zum Falken, 1939.

Kuyper, Abraham. Souvereiniteit in eigen kring: Rede ter inwijding van de Vrije Universiteit, den 20sten October 1880 gehouden in het koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam. Amsterdam: J.H. Kruyt, 1880.

La Boétie, Étienne de. De vrijwillige slavernij. Amsterdam: Uitgeverij Iris, 1997. Oorspronkelijke tekst: La Servitude volontaire, handschrift ca. 1553; eerste volledige Franstalige druk 1576.

Popper, Karl R. The Logic of Scientific Discovery. Londen: Hutchinson, 1959.

Popper, Karl R. The Open Society and Its Enemies. Twee delen. Londen: Routledge, 1945.

Ries, Al, en Jack Trout. Positioning: The Battle for Your Mind. New York: McGraw-Hill, 1981.

Alarm om AI: wie beschermt wie tegen wie?

Tweehonderd deskundigen willen de samenleving voorbereiden op AI. Maar de burger komt in hun verklaring nauwelijks voor. Misschien gaat hun alarm daarom niet alleen over onze toekomst, maar ook over hún positie daarin.

Opnieuw is er alarm over kunstmatige intelligentie. Meer dan tweehonderd economen, AI-onderzoekers en technologieleiders hebben een verklaring ondertekend met een titel die weinig ruimte laat voor kalm beraad:

De verklaring is opmerkelijk kort. AI kan volgens de ondertekenaars de komende tien jaar radicaal krachtiger worden. Dat zou een economische transformatie kunnen veroorzaken die groter is dan de Industriële Revolutie, maar zich in veel kortere tijd voltrekt. Er dreigt grootschalig banenverlies, terwijl tegelijk grote welvaartsstijging mogelijk is. Daarom moeten economen, beleidsmakers en technologieleiders nu handelen en de prikkels, vangrails en instituties bouwen waarmee AI in de gewenste richting kan worden gestuurd.

Op het eerste gezicht klinkt dat verstandig. Een ingrijpende technologie verdient onderzoek, maatschappelijk debat en politieke voorbereiding. Maar wie de verklaring nauwkeurig leest, ontdekt een merkwaardige leegte. De burger ontbreekt in hun verhaal. Mag die misschien ook iets vinden?

Een samenleving zonder burgers

Volgens de verklaring zijn er drie groepen die handelend moeten optreden:

  • economen;
  • beleidsmakers;
  • technologieleiders.

De rest van de mensheid komt slechts indirect voor. Mensen kunnen hun baan verliezen, profiteren van een hogere levensstandaard of moeten worden beschermd door nieuwe regels en instituties. Zij zijn het voorwerp van beleid, maar niet de makers ervan.

De gebruiker van AI wordt niet genoemd. De werknemer evenmin. De kleine ondernemer niet. De docent, journalist, kunstenaar, verpleegkundige, ambtenaar of burger evenmin. Kennelijk zijn zij wel in staat de gevolgen van AI te ondergaan, maar niet geschikt genoeg geacht om mee te denken over de richting waarin die technologie zich moet ontwikkelen.

Dat is geen klein taalkundig foutje. Het onthult een politieke opvatting. De deskundigen stellen de diagnose. De bestuurders ontwerpen de behandeling. De technologieleiders leveren het instrumentarium. De burger mag vervolgens hopen dat de operatie slaagt. Hier spreekt niet zozeer de democratie als wel het bestuurdersmodel van de samenleving: wij weten wat er gebeurt, wij weten wat er nodig is en wij zullen bepalen hoe de toekomst moet worden ingericht.

De bevolking wordt geacht te worden beschermd — volgens hún opvattingen — maar wordt over die bescherming niet geraadpleegd.

De vaste melodie van het AI-alarm

Deze verklaring staat niet op zichzelf. Zij is de nieuwste aflevering in een inmiddels lange reeks waarschuwingen over de verschrikkelijke gevolgen van AI.

In maart 2023 riepen duizenden wetenschappers en technologen op tot een pauze van ten minste zes maanden bij het trainen van systemen die krachtiger waren dan GPT-4. Wanneer de laboratoria daar niet vrijwillig toe bereid waren, moesten overheden volgens de brief een moratorium instellen.

Enkele maanden later volgde een nog dramatischer verklaring. Het beperken van het risico dat AI tot het uitsterven van de mensheid leidt, moest volgens de ondertekenaars wereldwijd dezelfde prioriteit krijgen als pandemieën en kernoorlog.

Daarna verschenen voortdurend berichten dat AI:

  • miljoenen banen zou vernietigen;
  • de democratie zou ondermijnen;
  • verkiezingen zou manipuleren;
  • de waarheid onherkenbaar zou maken;
  • het onderwijs zou ruïneren;
  • menselijke creativiteit zou vernietigen;
  • discriminatie zou automatiseren;
  • cybercriminaliteit en oorlogvoering zou versterken;
  • en uiteindelijk de mens zelf overbodig zou kunnen maken.

Sommige zorgen zijn zondemeer reëel. Technologie kan banen verdringen, machtsverschillen vergroten en bestaande instituties ontregelen. Het IMF schatte dat bijna 40 procent van de werkgelegenheid wereldwijd op enigerlei wijze aan AI wordt blootgesteld. Maar ‘blootgesteld’ is niet hetzelfde als ‘verdwenen’, en aanvulling is niet hetzelfde als vervanging.

Het probleem is dat zulke voorwaardelijke analyses in de publieke berichtgeving gemakkelijk veranderen in een vaststaand toekomstbeeld: AI komt eraan, de gevolgen zijn ongekend en deskundigen moeten onmiddellijk ingrijpen.

De onzekerheid staat meestal in de kleine letters. Het alarm staat altijd in de kop.

Van mogelijkheid naar noodtoestand

Ook de nieuwe verklaring volgt dat patroon. De redenering bestaat uit drie stappen:

AI kan radicaal krachtiger worden.

Dat zou kunnen leiden tot een economische omwenteling die groter is dan de Industriële Revolutie.

Daarom moeten wij nu handelen.

De eerste twee beweringen zijn mogelijkheden. De derde is een bevel.

Tussen mogelijkheid en bevel ontbreekt echter een groot deel van de redenering. Hoe waarschijnlijk is het beschreven scenario? Welke alternatieven bestaan er? Welke onderdelen van de economie veranderen het eerst? Welke beroepen verdwijnen, welke veranderen en welke ontstaan? Welke maatregelen zijn effectief? Wat zijn de kosten van ingrijpen? En minstens zo belangrijk: wie krijgt de bevoegdheid om de technologie te ‘sturen’?

De verklaring geeft daarop geen antwoord.

Dat kan ook moeilijk in 88 woorden. Maar juist daarom is het misleidend deze tekst te presenteren als het gezamenlijke wetenschappelijke oordeel van honderden deskundigen. Het is een politieke oproep die gezag ontleent aan de namen eronder. Maar veel Nobelprijswinnaars maken een bewering niet automatisch waar. Zelfs tweehonderd buitengewoon intelligente mensen kunnen een petitie ondertekenen waarin de beslissende vragen buiten beeld blijven.

AI begon niet in 2022

Het grootste historische mankement van het huidige AI-alarm is dat AI wordt voorgesteld als een plotselinge breuk.

Alsof de mensheid rustig onderweg was en enkele jaren geleden onverwacht werd overvallen door ChatGPT.

In werkelijkheid bevinden wij ons al veel langer in een technologische omwenteling. Je kunt het begin rond 1900 leggen, bij elektrificatie, telefonie, massaproductie, moderne chemie en gemotoriseerd vervoer. Je kunt ook 1951 kiezen, toen commerciële computers zichtbaar begonnen te maken dat niet alleen spierkracht, maar ook informatieverwerking kon worden gemechaniseerd.

Daarna volgden de transistor, de geïntegreerde schakeling, de microprocessor, software, computernetwerken, internet, zoekmachines, mobiele communicatie, sociale platforms, cloudcomputing, enorme databestanden en machinaal leren. Al die stappen veranderden productie en arbeid, maar maakten de bevolking per saldo niet brodeloos. Integendeel: de welvaart steeg, terwijl werk telkens van vorm veranderde. Generatieve AI is daarvan niet het begin.

Zij is de meest recente — en waarschijnlijk buitengewoon ingrijpende — fase van een digitale revolutie die al minstens driekwart eeuw gaande is. Het bijzondere van deze fase is dat steeds meer menselijke denk- en taalvaardigheden technisch reproduceerbaar en breed beschikbaar worden: niet alleen rekenen en opslaan, maar ook zoeken, vergelijken, vertalen, schrijven, ontwerpen, programmeren, herkennen, samenvatten en adviseren.

Daarom raakt deze revolutie niet alleen de fabrieksarbeider, zoals de Industriële Revolutie aanvankelijk deed. Zij raakt juist ook groepen die hun maatschappelijke positie ontlenen aan opleiding, informatievoorsprong, taalvaardigheid en institutionele deskundigheid. En precies daar wordt het politiek interessant.

Technologische revoluties vervangen niet alleen werktuigen

De grote technologische revoluties uit de geschiedenis veranderden telkens meer dan de productie.

De landbouwrevolutie maakte permanente vestiging, bezit, belastingheffing en bestuurlijke hiërarchie mogelijk. Maritieme scheepvaart en internationale handel versterkten kooplieden tegenover lokale en feodale machthebbers. De boekdrukkunst verzwakte het monopolie van kerk, universiteit en vorst op kennis en interpretatie. De stoommachine schiep industriëlen, stedelijke arbeiders, vakbonden en massapolitiek.

Technologische veranderingen brengen daarom vroeg of laat maatschappelijke en politieke verschuivingen voort. Niet omdat een machine automatisch een revolutie veroorzaakt. Wel omdat nieuwe technieken veranderen:

  • wie nu ook toegang heeft tot kennis;
  • wie nu ook kan produceren en publiceren;
  • wie arbeid organiseert;
  • wie economische meerwaarde ontvangt;
  • welke vaardigheden schaars blijven;
  • en wie nog geloofwaardig kan beweren dat alleen hij het ultieme overzicht bezit.

De oude elite verdwijnt niet noodzakelijk onmiddellijk. Meestal probeert zij de nieuwe technologie eerst in haar bestaande orde op te nemen. Zij koopt de machines, schrijft de regels, beheert de infrastructuur en benoemt zichzelf tot deskundige toezichthouder.

Soms lukt dat. Maar soms ontstaat een nieuwe elite. Nieuwe technologie kan ook nieuwe politieke ideeën en maatschappelijke organisaties voortbrengen: de drukpers was een voorwaarde voor Reformatie en Verlichting; de industrialisering vormde de voedingsbodem voor socialisme, vakbeweging en massademocratie. Wanneer kennis en handelingsmogelijkheden breder worden verspreid, kunnen bestaande gezagsverhoudingen onhoudbaar worden. Een technologische revolutie kan dan uitlopen op een maatschappelijke en politieke revolutie — en dat laat zich door de oude elite niet eenvoudig tegenhouden.

De deskundigen zijn geen buitenstaanders

Daarmee krijgt de verklaring We Must Act Now een dubbelzinnig karakter.

De ondertekenaars spreken alsof zij buiten de ontwikkeling staan en de mensheid waarschuwen voor een naderende storm. Maar velen van hen behoren tot de economische, wetenschappelijke en technologische bovenlaag die deze ontwikkeling mede veroorzaakt, financiert en bestuurt.

Onder de ondertekenaars bevinden zich topeconomen, Nobelprijswinnaars, voormalige en huidige leidinggevenden uit de technologiesector en vertegenwoordigers van bedrijven die zelf aan de ontwikkeling en commercialisering van AI werken.

Dat maakt hun zorgen niet per definitie onoprecht. Het zou goedkoop zijn te veronderstellen dat alle tweehonderd bewust samenspannen om hun macht te behouden. Velen zullen oprecht bezorgd zijn over werkloosheid, ongelijkheid en maatschappelijke ontregeling. Maar hun eigen maatschappelijke positie moet wel in de analyse worden betrokken.

Wie zegt dat nieuwe instituties noodzakelijk zijn, heeft een goede kans die instituties mede te gaan bevolken. Wie vooral deskundigheid nodig acht, vergroot het gezag van deskundigen. En wie AI wil sturen, behoort vaak al tot de kleine groep met kapitaal, rekenkracht, kennis en toegang tot beleidsmakers.

Hun oproep heeft daardoor een institutioneel voorspelbare uitkomst:

  1. AI wordt voorgesteld als een uitzonderlijke dreiging.
  2. De samenleving wordt onvoldoende voorbereid verklaard.
  3. Nieuwe regels, instituten en toezichthouders worden noodzakelijk.
  4. De bestaande deskundige en bestuurlijke elite krijgt daarin een centrale rol.
  5. De burger blijft degene namens wie wordt gehandeld.

Dat is geen complottheorie. Het is een elementaire analyse van macht en belangen.

Bescherming als machtsaanspraak

De politiek kent een oud mechanisme: wie een gevaar overtuigend definieert, maakt zichzelf kandidaat om het te beheersen. Dat geldt bij oorlog, terrorisme, pandemieën en financiële crises. Het geldt ook bij AI.

De taal van bescherming is daarbij bijzonder effectief. Niemand wil immers tegen veiligheid, menselijkheid of maatschappelijke welvaart zijn. Maar zodra een elite zegt dat zij ‘de samenleving’ wil beschermen, moeten ten minste drie vragen worden gesteld:

  1. Tegen welk concreet gevaar?
  2. Met welke aantoonbaar effectieve middelen?
  3. En wie controleert de beschermers?

In de nieuwe verklaring blijven die vragen onbeantwoord. De ondertekenaars willen ‘incentives, guardrails and institutions’ ontwerpen om AI zo te sturen dat deze de mens aanvult en de samenleving ten goede komt. Maar ‘de samenleving’ heeft geen enkelvoudig belang. Het algemeen belang is niet eenduidig op ons vanzelfsprekend neergedaald.

Een AI-toepassing kan voordelig zijn voor consumenten en nadelig voor een bestaande beroepsgroep. Zij kan de productiviteit verhogen en tegelijk de onderhandelingsmacht van werknemers verzwakken. Zij kan burgers toegang geven tot deskundige kennis en tegelijk het verdienmodel van professionele poortwachters aantasten.

De vraag wat de samenleving ‘ten goede komt’, is daarom geen technisch vraagstuk. Het is politiek.

En politieke vragen mogen niet exclusief worden afgehandeld door degenen die zichzelf op grond van hun vermeende deskundigheid tot zaakwaarnemer van de mensheid benoemen.

Misschien vreest de elite niet alleen banenverlies

Het gebruikelijke verhaal is dat AI vooral laaggeschoolde of routinematige arbeid bedreigt. Maar juist moderne AI tast vooral het exclusieve karakter aan van vaardigheden waarop hoogopgeleide beroepsgroepen hun positie hebben gebouwd.

Een burger kan nu zonder tussenkomst van een specialist juridische teksten laten uitleggen, medische vragen structureren, rapporten samenvatten, computerprogramma’s schrijven, beleidsstukken analyseren en argumentaties toetsen. Dat betekent niet dat de expert overbodig is. Wel dat zijn kennis minder voor niet ingewijden ontoegankelijk wordt.

De maatschappelijke betekenis daarvan kan groter zijn dan het verdwijnen van een aantal afzonderlijke functies. Een elite ontleent haar positie immers niet alleen aan bezit of formele macht, maar ook aan de overtuiging dat zij beter dan anderen begrijpt wat er moet gebeuren.

Wanneer burgers toegang krijgen tot instrumenten waarmee zij informatie kunnen analyseren, argumenten kunnen controleren en zelf complexe producten kunnen maken, vermindert de afstand tussen deskundige en leek.

AI kan een nieuw middel tot centralisering worden: grote ondernemingen en staten kunnen er ongekende controle mee uitoefenen. Maar AI kan kennis, deskundigheid en handelingsmogelijkheden óók veel breder onder burgers verspreiden.

Dat emancipatoire effect krijgt in de alarmverklaringen opvallend weinig aandacht. Misschien omdat het gemakkelijker is te spreken over bedreigde banen dan over bedreigde gezagsverhoudingen.

Geen paniek

De voorspelling dat nieuwe technologie op grote schaal banen zal vernietigen, is niet nieuw. Bij vrijwel iedere technologische omwenteling werd gewaarschuwd dat machines de mens overbodig zouden maken. Veel beroepen en werkzaamheden verdwenen inderdaad, maar het werk als zodanig verdween niet.

Ben Rogmans schreef daar in 2018 het boek Geen paniek! Maar ook jouw baan gaat eraan over. Zijn boodschap was niet dat er niets verandert. Integendeel: werk verdwijnt en mensen moeten zich blijven ontwikkelen. Maar paniek over het definitieve einde van menselijke arbeid is historisch slecht gefundeerd. Het grotere gevaar is dat mensen en instituties zich onvoldoende aanpassen.

Dat onderscheid is ook bij AI essentieel. Banen zijn tijdelijke bundelingen van werkzaamheden, passend bij de technologie en arbeidsverdeling van een bepaalde periode. AI kan zulke bundelingen openbreken: sommige taken verdwijnen, andere worden eenvoudiger en weer andere ontstaan. Dat kan voor afzonderlijke mensen zeer pijnlijk zijn, zonder dat de samenleving als geheel zonder werk komt te zitten.

De alarmisten tellen vooral het werk dat een technologie kan overnemen, maar niet de nieuwe activiteiten en de menselijke aanpassing die daardoor ontstaan. Zij zien de verdwijnende boekhouder, vertaler of administrateur, maar nog niet de beroepen waarvoor onze woordenboeken eenvoudig nog geen namen bevatten.

De burger ondergaat niet alleen — hij leert en organiseert zich

Wanneer de alarmisten stellen dat AI grotere gevolgen zal hebben en sneller zal verlopen dan de Industriële Revolutie, gebruiken zij die revolutie vooral als schrikbeeld. Zij vergeten wat er na de eerste ontwrichting gebeurde.

De burgers die de industrialisering overkwam, moesten die aanvankelijk grotendeels ondergaan. Zij verloren bestaanszekerheid, kwamen terecht in ongezonde steden en waren overgeleverd aan fabriekseigenaren die nauwelijks door wetten werden begrensd. De maatschappelijke ellende was enorm.

Maar de bevolking bleef geen passief slachtoffer. Arbeiders organiseerden zich in vakbonden, coöperaties en politieke partijen. Zij bevochten arbeidsrecht, onderwijs, sociale zekerheid en kiesrecht. Dat ging langzaam en met veel conflicten, maar een groot deel van de bevolking kwam uiteindelijk sterker uit de industriële omwenteling tevoorschijn — mede ten koste van de machtspositie van oude elites.

Waarom zou bij AI alleen de ontwrichting historisch vergelijkbaar zijn, maar niet het menselijke aanpassingsvermogen?

Ook de cybernetische en AI-revolutie zal burgers tot aanpassing dwingen. Beroepen zullen verdwijnen, veranderen en ontstaan. Tegelijk krijgen burgers toegang tot kennis- en productiemiddelen die vroeger waren voorbehouden aan grote organisaties en hoogopgeleide professionals. Zij zijn gebruiker, werknemer, ondernemer, gegevensproducent én kiezer: geen hulpeloos materiaal waarop technologie inwerkt, maar mede vormgever van haar maatschappelijke betekenis.

De geschiedenis geeft daarom niet alleen reden voor bezorgdheid, maar ook om rekening te houden met emancipatie.

Wie de Industriële Revolutie aanhaalt, moet beide kanten van de vergelijking aanvaarden: technologische revoluties brengen ellende en machtsconcentratie voort, maar kunnen ook nieuwe vormen van burgermacht scheppen en oude elites ondermijnen.

De alarmisten zien de snelheid en kracht van AI, maar onderschatten de snelheid en kracht waarmee mensen leren, samenwerken en nieuwe instituties vormen.

De kern kan nog scherper worden samengevat:

De historische fout van de alarmisten is dat zij AI als revolutionair beschouwen, maar de burger als onveranderlijk.

Dat is misschien wel de fundamenteelste denkfout in hun verklaring.

Het werkelijke alarm

De ondertekenaars hebben op één punt waarschijnlijk gelijk: AI kan tot een zeer ingrijpende maatschappelijke verandering leiden. Maar zij stellen de verkeerde hoofdvraag.

Niet alleen: hoe beschermen wij de samenleving tegen AI? Maar vooral: wie krijgt door AI meer handelingsvermogen, wie verliest macht en wie mag daarover beslissen?

De geschiedenis leert dat een technologische revolutie zelden netjes wordt bestuurd door de elite die bij het begin ervan aan de macht was. Oude instituties proberen de nieuwe mogelijkheden in hun eigen structuren onder te brengen. Oude beroepsgroepen verdedigen hun exclusiviteit. Oude machthebbers presenteren hun belangen als het algemeen belang.

Daarom moeten we het alarm van de tweehonderd deskundigen serieus nemen — maar niet noodzakelijk zoals zij bedoelen.

Het gevaar is niet alleen dat AI banen vernietigt of dat algoritmen ons gaan overheersen. Het gevaar is ook dat een kleine groep bedrijven, bestuurders en deskundigen de maatschappelijke betekenis van AI vooraf definieert, de spelregels opstelt en vervolgens uit naam van onze bescherming de zeggenschap over de technologie monopoliseert.

De kernvraag luidt daarom:

Hoe beschermen burgers hun democratische handelingsvrijheid tegen een elite die AI wil beheersen — en daarmee ook de samenleving?

Misschien is er inderdaad reden voor alarm. Maar dan vooral omdat in een verklaring over de toekomst van de hele economie de belangrijkste politieke actor eenvoudig is vergeten: de burger zelf.

Het is een schone dag geweest – De staat, het onrecht en de vanzelfsprekendheid van macht

Dick H. Ahles

De staat is ook bron van kwaad,
hij rooft, hij liegt, hij slaat, hij haat.
Hij noemt zijn dwang bescherming, daad,
en maakt van onrecht wet en staat.

Niet elk kwaad begint bij hem,
maar hij geeft onrecht wet en stem.

Het is een rijmpje dat te scherp is om zomaar waar te zijn, maar te raak om achteloos weg te wuiven.

Natuurlijk begint niet elk kwaad bij de staat. Mensen doen elkaar ook zonder staat van alles aan. Zij liegen, bedriegen, roven, onderdrukken, manipuleren, exploiteren en doden, met of zonder ambtenaar in de buurt. Het kwaad heeft geen staatssecretariaat nodig om te bestaan.

Maar juist daarom is het rijmpje interessant. Het beweert niet dat de staat de enige bron van kwaad is. Het stelt een scherpere vraag: wat gebeurt er wanneer handelingen die wij tussen gewone mensen als onrecht zouden herkennen, door wet, bestuur, verkiezing en algemeen belang worden gelegitimeerd?

Waarom ervaren wij de staat, die objectief veel dwang, onrecht en geweld mogelijk maakt, toch meestal als goed, nuttig, nodig en onvermijdelijk?

Daar begint het eigenlijke probleem. Niet bij de vraag of de staat “goed” of “slecht” is, maar bij de vraag hoe onrecht van gedaante verandert zodra het wettelijk, bestuurlijk en moreel wordt ingekleed.

Wanneer een particulier geld afneemt zonder toestemming, noemen wij dat diefstal. Wanneer een particulier iemand dwingt zijn arbeid, bezit of lichaam beschikbaar te stellen, noemen wij dat dwang. Wanneer een particulier geweld gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen, noemen wij dat agressie en afpersing. Maar wanneer de staat vergelijkbare handelingen verricht, veranderen de woorden. Dan spreken wij over belasting, regelgeving, dienstplicht, toezicht, beleid, solidariteit, veiligheid en rechtsorde.

Daarmee is niet gezegd dat alle staatsoptreden even slecht is, of dat achter iedere ambtenaar een rover schuilgaat. Dat zou karikaturaal zijn. Maar het roept wel een fundamentele vraag op: wordt een handeling rechtmatig, ook met democratische besluitvormingsprocedures, doordat de staat haar verricht?

Het politieke middel

Franz Oppenheimer maakte in zijn boek De Staat (1906) een onderscheid dat nog altijd verhelderend is. Mensen kunnen op twee manieren aan middelen komen. Zij kunnen produceren, werken, ruilen, samenwerken. Dat noemde hij het economische middel. Maar zij kunnen zich ook toe-eigenen wat anderen hebben voortgebracht, door dwang, roof, belasting, overheersing of privilege. Dat noemde hij het politieke middel.

Die termen zijn misschien wat ongelukkig, omdat “politiek” en “economisch” tegenwoordig ook andere associaties oproepen. Men kan ook spreken van productieve verwerving tegenover extractieve verwerving. In het eerste geval verkrijg je iets door arbeid, ruil of vrijwillige samenwerking. In het tweede geval verkrijg je iets doordat je anderen dwingt af te staan wat zij hebben gemaakt of verworven.

Oppenheimers radicale gedachte was dat de staat historisch niet begint als rechtsorde, maar als organisatie van dat politieke middel. De staat ontstaat waar een heersende groep in staat is duurzaam een deel van de opbrengst van anderen naar zich toe te trekken. Vervolgens wordt roof schatting. Schatting wordt belasting. Bescherming wordt plicht. Staatsgeweld wordt recht.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, omdat zij ons verheven zelfbeeld van de staat aantast. Wij zijn gewend de staat te zien als beschermer tegen chaos, geweld en onrecht. Oppenheimer draait de blikrichting om. Hij vraagt niet eerst hoe de staat ons beschermt, maar hoe hij historisch, sociologisch aan zijn macht komt. Volgens Oppenheimer is dat achterliggende proces opvallend herkenbaar, door tijden en plaatsen heen.

Dat maakt zijn analyse waardevol. Niet omdat alles wat Oppenheimer schrijft overtuigt. Integendeel. Aan het eind van zijn boek wordt hij opvallend optimistisch. Hij verwacht dat de ontwikkeling van de constitutionele staat uiteindelijk zal leiden tot “vrijburgerschap”: een maatschappij waarin het politieke middel verdwijnt en bestuur nog slechts het algemeen belang dient.

Dat klinkt na de twintigste eeuw bijna pijnlijk naïef. Enkele jaren na zijn optimistische toekomstverwachting trok Europa de Eerste Wereldoorlog in. Moderne staten mobiliseerden miljoenen burgers, stuurden hen de loopgraven in, organiseerden censuur, propaganda, belasting, bewapening, industrie en massale gehoorzaamheid. De door hem voorspelde vreedzame constitutionele staat bleek niet het graf van het politieke middel, maar zijn modernste opstanding.

Toch maakt dat Oppenheimer niet waardeloos. Integendeel. Zijn analyse is sterker dan zijn hoop. Hij zag hoe macht zich organiseert. Hij zag hoe extractie institutioneel wordt. Hij zag hoe de staat niet alleen orde brengt, maar ook leeft van de middelen die hij aan anderen onttrekt.

Zijn fout was dat hij dacht dat het politieke middel historisch zou afsterven. Waarschijnlijker is dat het zich telkens opnieuw vermomt.

Van wet naar recht

De Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun trekt de lijn consequenter door. Zijn uitgangspunt is het fundamentele rechtsbeginsel: ieder mens is een soeverein rechtssubject. Ieder mens heeft het recht met het zijne te doen en te laten wat hij wil, en geen enkel mens heeft het recht over de middelen van een ander te beschikken zonder diens toestemming.

Dat klinkt eenvoudig. Maar de consequenties zijn vergaand.

Als geen mens zonder toestemming mag beschikken over het lichaam, de arbeid of de middelen van een ander, dan geldt dat ook voor mensen die zich organiseren als staat. De staat kan zich niet aan het recht onttrekken door zichzelf wetgever te noemen. Wet is niet automatisch recht.

Daar zit de scherpe kern:

Het probleem van de staat is niet dat hij soms verkeerde wetten maakt. Het probleem is dat hij de macht heeft toegeëigend om onrecht als wet te verklaren.

Die laatste stelling is voor veel mensen moeilijk te aanvaarden. Niet omdat zij het argument al weerlegd hebben, maar omdat het nauwelijks binnenkomt. Het schuurt te sterk tegen de wereld waarin zij zijn opgegroeid. De staat is er gewoon. Zoals de school er is, de dokter, de belastingdienst, de gemeente, de verzekering, de rechter, de politie, de wegen, de regels, de formulieren.

De vraag of men zich aan die orde wil onderwerpen, komt meestal niet eens op. Men leeft er al in.

Het is zo …

Ik moest daaraan denken bij het opnieuw zien van de documentaire Het is een schone dag geweest van Jos de Putter. De film volgt zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen, eenvoudige agrariërs, in het laatste jaar dat zij hun boerenbedrijf uitoefenen.

Het is een aangrijpende film, juist omdat zij nergens schreeuwt. Geen grote theorieën, geen ideologische aanklacht, geen sentimentele verheerlijking van het boerenleven. Je ziet mensen die leven in een wereld van werk, land, weer, dieren, lichaam, ritme en gewoonte.

Aan het eind zit de zoon met zijn vader aan de keukentafel. Een eenvoudige boerenkeuken. Geen armoede, maar basale soberheid. Een tafel, een TL-buis, een granieten gootsteen, een pomp. Een omgeving waarin “welstand” niet verschijnt als levensproject, maar als het feit dat men leeft, werkt, eet, slaapt en doorgaat.

De zoon vraagt wat voor zijn vader het meest opmerkelijke van het laatste jaar is geweest. De vader zwijgt. Je ziet hem denken: wat vraagt hij nu eigenlijk? Na een lange stilte zegt hij dat het de laatste tijd wel erg nat is geweest; “het heeft veel geregend”.

De zoon probeert het opnieuw. Hij bedoelt het persoonlijker. Hoe kijkt de vader terug op zijn eigen leven, op wat hij het afgelopen jaar gedaan heeft?

Weer stilte. Dan komt de reactie: “wat bedoel je? Het is zo!”. En daarna: hij vond het wel schoon. Hij deed het graag. “Altijd buiten, dat zegt ook wat.”

Dat moment is van een ontstellende helderheid.

Veel moderne intellectuelen, zeker sinds de jaren zestig, denken over het leven als iets dat men vormgeeft. Het leven is een project, een identiteit, een keuze, een expressie van autonomie. Men moet zichzelf ontplooien, zichzelf vinden, zichzelf bevrijden, zichzelf realiseren.

Maar grote groepen mensen leven niet in dat register. Zij ervaren hun bestaan niet primair als een filosofisch project van zelfbeschikking. Zij leven binnen gegeven verbanden: grond, werk, gezin, dorp, kerk, buurt, bedrijf, weer, gezondheid, pech, geluk, plicht. Hun leven is niet zonder betekenis, maar die betekenis hoeft niet voortdurend ge(her)formuleerd te worden.

Het is zo!

Die zin is niet dom. Hij kan zelfs wijs zijn. Maar hij toont ook iets fundamenteels: de meeste mensen leven niet in permanente reflectie op de vraag wie over hen mag beschikken. Zij leven in een wereld die als een gegeven verschijnt.

De vanzelfsprekendheid van macht

Daar ligt het aanknopingspunt voor ieder civilisatieproces.

Macht is het sterkst wanneer zij niet meer als keuze verschijnt, maar als vanzelfsprekende werkelijkheid.

Brute dwang is zichtbaar. Zij roept weerstand op. Wie met een knuppel binnenkomt en zegt “geef mij de helft van uw inkomen”, wordt herkend als rover. Maar wanneer dezelfde afdracht verloopt via loonstrook, aanslagbiljet, wetboek, verkiezing, begroting, publieke voorziening en morele taal, verschijnt zij anders. Dan wordt zij onderdeel van de orde.

Mensen zeggen niet: “ik onderwerp mij vrijwillig aan een systeem van fiscale extractie.” Zij zeggen: “belasting hoort erbij.”

Zij zeggen niet: “de staat beschikt over een deel van mijn arbeid.” Zij zeggen: “wij betalen samen voor de samenleving.”

Zij zeggen niet: “ik word bestuurd.” Zij zeggen: “zo werkt het nu eenmaal.” Het is zo!

Daarmee is het probleem niet opgelost. Het is juist verdiept. Want als mensen macht niet meer als macht ervaren, hoe kunnen zij haar dan nog beoordelen?

Hier ontstaat de merkwaardige lus. De staat presenteert zich als redder van chaos. Burgers leren chaos te vrezen boven staatsdwang. Kritiek op staatsdwang wordt vervolgens ervaren als verlangen naar chaos. En zo bevestigt de angst voor chaos opnieuw de legitimiteit van de staat.

Dat is geen gewone redenering meer, maar een geciviliseerde ervaringsstructuur. Toch betekent dit niet dat achter de staat steeds mensen schuilgaan die weten dat zij kwaad doen. Meestal is het tegendeel waar. Het kwaad komt zelden met een bordje “kwaad” binnen. Het komt als redding, herstel, veiligheid, rechtvaardigheid, vooruitgang of bescherming. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak middelen rechtvaardigen die hij bij zijn tegenstander onmiddellijk als onrecht zou herkennen. Wie zichzelf als booswicht ziet, overtuigt zelden anderen. Wie zichzelf als redder ziet, beschikt over een veel krachtiger taal.

Onze populaire cultuur helpt ons vaak niet om dit te begrijpen. In James Bond-films wil de slechterik de wereld overheersen en weet hij dat hij de slechterik is. Maar politieke macht werkt zelden zo eenvoudig. Zelfs de meest destructieve ideologieën presenteren zichzelf als goed, noodzakelijk en bevrijdend voor de groep namens wie zij spreken. Het probleem is daarom niet alleen kwade intentie. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak het onrecht civiliseren. De staat is zo overtuigend omdat hij zelden spreekt in de taal van macht, maar meestal in de taal van het goede.

Vrijwilligheid

Men kan natuurlijk zeggen: als iemand zich vrijwillig wil onderwerpen aan de regels van een staat, een kerk, een commune, een vereniging of een streng georganiseerde gemeenschap, dan is dat zijn goed recht. Wie uit vrije wil in een bepaalde orde wil leven, moet dat kunnen doen. Maar dan volgt onmiddellijk een grens: hij mag anderen niet dwingen hetzelfde te doen.

En uit vrije wil betekent in deze context ook: zonder gevolgen weer uit die orde kunnen stappen. Het onderdrukkende karakter van de staat begint daar waar men niet zonder gevolgen uit die orde van een staat kan stappen.

Het probleem is echter nog subtieler. Veel mensen onderwerpen zich niet bewust vrijwillig. Zij onderwerpen zich ook niet bewust onvrijwillig. De vraag van onderwerping of niet-onderwerping komt eenvoudigweg niet op.

Hun wereld is niet opgebouwd uit abstracte alternatieven. Zij ervaren zichzelf niet als soeverein rechtssubject dat op ieder moment principieel moet nadenken over toestemming, eigendom, beschikking en recht. Zij leven binnen een vanzelfsprekende ordening. Het is zo!

Zoals iemand geboren kan worden in een kaste en die het bestaan van die kaste kan ervaren als natuurlijk. Zoals iemand de dokter kan ervaren als ultieme autoriteit, niet als deskundige die ook bevraagd kan worden. Zoals iemand de staat kan ervaren als de instantie die er nu eenmaal is om orde, veiligheid en recht te waarborgen.

Daarom is Van Duns rechtsfilosofie zo moeilijk toegankelijk. Zijn centrale vraag — wie mag over wie beschikken? — is glashelder voor wie eenmaal in dat register denkt. Maar veel mensen leven niet in dat register. Zij begrijpen de probleemstelling nauwelijks, omdat de mogelijkheid van niet-onderwerping niet in hun ervaringswereld verschijnt.

Dat maakt hen niet minderwaardig. Het maakt hen menselijk. Zij hebben werk, zorgen, kinderen, gezondheid, schulden, verplichtingen, vreugde, verdriet. Zij willen niet iedere dag de grondslagen van het recht onderzoeken. Zij willen leven.

Maar juist daarom kunnen wereldhervormers, ideologen en bestuurders op die inertie parasiteren. Zij hoeven de bevolking niet voortdurend met argumenten te overtuigen. Zij hoeven veranderingen slechts te vertalen in woorden die passen bij de bestaande orde: bescherming, vooruitgang, zorg, veiligheid, rechtvaardigheid, noodzaak, afwenden van gevaar, algemeen belang. Daarom gaan burgers slaapwandelend oorlogen in. Het is nu eenmaal zo.

En dan laat men het over zich heen komen.

Zoals regen.

De arrogantie van de wereldverbeteraar

Daarom is Het is een schone dag geweest zo’n waardevolle film. Niet omdat hij een politieke stelling verkondigt, maar omdat hij ons herinnert aan het bestaan van mensen die niet leven in de verbeelding van de permanente zelfontwerper.

Wie arrogant voor iedereen de wereld denkt te kunnen verbeteren, zou eerst naar zulke mensen moeten kijken. Niet om hen te romantiseren, maar om zich te realiseren dat maatschappelijke hervormingen zelden neerdalen op burgers die in abstracties denken en over doorwrochte wereldbeelden beschikken. Zij dalen neer op mensen die gewoon hun leven leven.

De wereldverbeteraar denkt in systemen.
De gewone mens leeft in voor hen natuurlijke verbanden.

De wereldverbeteraar denkt in toekomst.
De gewone mens leeft in dag, seizoen, werk, lichaam en weer.

De wereldverbeteraar denkt: hoe maken wij de mens vrij?
De gewone mens denkt: het is wel erg nat geweest.

Wie dat belachelijk vindt, heeft niets begrepen.

Juist daar ligt de tragiek van politiek. Grote plannen worden ontworpen door mensen die in abstracties denken, en ondergaan door mensen die in werkelijkheid leven. Zij worden niet altijd met geweld onderworpen. Vaak worden zij langzaam meegenomen in een nieuwe vanzelfsprekendheid.

Terug naar het rijmpje

Daarom is het rijmpje bruikbaar, mits het niet als eindpunt wordt genomen.

De staat is ook bron van kwaad. Niet omdat elk kwaad altijd en alleen bij de staat begint, maar omdat de staat iets kan wat gewone mensen niet kunnen: hij kan onrecht de vorm geven van wet, bestuur, procedure en algemeen belang.

Dat is nog niet genoeg. Want de diepere vraag is waarom mensen dat onrecht meestal niet als onrecht ervaren.

Het antwoord ligt niet alleen in angst, propaganda of domheid. Het ligt in civilisatie: in het langzaam vormen van overtuigingen, gewoonten, woorden, instituties, opvattingen wat waar is, en gevoelens waardoor macht als normaal verschijnt.

De staat is niet alleen een apparaat van dwang. Hij is ook een producent van vanzelfsprekendheid.

En precies daarom is hij zo sterk.

AI als instrument van macht en werktuig van bevrijding

AI wordt vaak voorgesteld als een wapen van elites tegen burgers. Maar die analyse is onvolledig. Vanuit Oppenheimers onderscheid tussen bovendanen en onderdanen laat dit artikel zien dat AI niet alleen een instrument van macht is, maar ook een werktuig waarmee gewone mensen toegang krijgen tot kennis, taal, analyse en organisatiekracht.

Dick H. Ahles

In de recente stroom berichten over kunstmatige intelligentie verschijnt regelmatig hetzelfde beeld: AI als instrument van controle. Een artikel op The Vigilant Fox met de titel “The mainstream media finally admit it: AI is a ‘weapon’ being used against you” is daarvan zomaar een willekeurig voorbeeld. De elite zou AI gebruiken om burgers te volgen, gedrag te sturen, informatie te filteren, arbeid te vervangen en de samenleving naar eigen inzicht te beheersen. Soms wordt dat in serieuze termen besproken. Vaak wordt het uitvergroot tot een nieuw apocalyptisch verhaal: AI als wapen tegen “jou”.

Dat laatste is te eenvoudig.

Natuurlijk kan AI tegen mensen worden ingezet. Iedere krachtige techniek kan tegen mensen worden ingezet. De boekdrukkunst kon worden gebruikt voor propaganda. Radio en televisie konden worden gebruikt voor massabeïnvloeding. Computers konden worden gebruikt voor bureaucratische controle. Internet kon worden gebruikt voor surveillance. AI vormt daarop geen uitzondering.

Maar er is een groot verschil tussen de nuchtere vaststelling dat AI als machtsinstrument kan worden gebruikt, en de ideologische bewering dat AI ontworpen is om de onderdaan te onderdrukken. Het eerste is een politiek filosofische analyse op basis van een (wetenschappelijke) beredenering. Het tweede is dramaturgie en per definitie onderdeel van de politieke positionering van een groep met bepaalde politieke opvattingen. Dat is waar het politieke proces over gaat, dus op zich geen probleem, want iedereen heeft het recht op zijn geloof en politieke overtuiging.

Wie alleen ideologisch kijkt naar wat bovendanen* met AI kunnen doen, mist de andere helft van de geschiedenis: wat onderdanen met AI kunnen doen.

1. Bovendanen en onderdanen

Franz Oppenheimer maakte in zijn analyse van de staat (Der Staat, 1909) een scherp onderscheid tussen het economische middel en het politieke middel. Het economische middel is productie, ruil, arbeid, handel: mensen voorzien in hun bestaan door zelf waarde te scheppen en vrijwillig met anderen te ruilen. Het politieke middel is toe-eigening: de ene groep leeft van de opbrengsten van een andere groep, niet door vrijwillige ruil, maar door macht, heffing, dwang of institutioneel voorrecht.

In die zin bestaat er in iedere politieke orde een spanning tussen bovendanen en onderdanen. De bovendanen vormen de laag die bestuurt, belast, reguleert, controleert en legitimeert. De onderdanen vormen de laag die produceert, betaalt, gehoorzaamt, zich aanpast en probeert binnen de gegeven orde ruimte te vinden. De verdeling in onder- en bovendanen is overigens niet een duidelijke streep door een samenleving. Over de top en de onderste laag is over het algemeen geen misverstand over.

Oppenheimers analyse is geen psychologische beschuldiging. Het betekent niet dat iedere bestuurder persoonlijk slecht is, of iedere onderdaan moreel zuiver. Het is een sociologische structuur. Wie boven zit, heeft van nature middelen nodig om boven te blijven. Wie onder zit, zoekt van nature middelen om minder afhankelijk te zijn.

Vanuit dat kader is het volstrekt voorspelbaar dat bovendanen AI ook voor het politieke middel zullen willen gebruiken. Daarvoor is geen samenzwering nodig. Het volgt uit hun (maatschappelijke) positie. Wat ze overigens niet ‘boven de wet’ plaats, ze blijven – zoals ieder individu – verantwoordelijk voor de effecten van hun handelen.

AI kan worden gebruikt voor toezicht, selectie, belastingheffing, risicoprofielen, censuur, gedragssturing, administratieve controle, propaganda, militaire planning en marktafscherming. Staten, grote bedrijven, veiligheidsdiensten, bureaucratieën en internationale instellingen zullen zulke mogelijkheden vanzelf onderzoeken. Niet omdat zij zich op een geheime avond in een kelder hebben voorgenomen de mensheid te knechten, maar omdat iedere machtsstructuur nieuwe middelen probeert in te passen in haar bestaande logica.

Dat is geen onthulling. Dat is geschiedenis.

2. De vergeten andere kant

Maar wie daar stopt, maakt een ernstige denkfout. Want vrijwel iedere grote technologische vernieuwing gaf niet alleen de macht nieuwe middelen, maar ondermijnde tegelijk een deel van haar monopolie.

De boekdrukkunst maakte propaganda mogelijk, maar brak ook het monopolie van kerkelijke en vorstelijke elites op tekst, uitleg en kennis. De Bijbel, pamfletten, kranten, wetenschappelijke werken en politieke traktaten konden zich verspreiden buiten de bestaande gezagskanalen om.

De krant kon door machthebbers worden gebruikt, maar gaf ook oppositie, emancipatiebewegingen en nieuwe politieke stromingen een stem. Radio en televisie konden de massa beïnvloeden, maar maakten ook gebeurtenissen zichtbaar die anders verborgen waren gebleven. Internet gaf staten en bedrijven nieuwe surveillancemiddelen, maar gaf individuen tegelijk publicatiemacht, netwerkvorming, kennisdeling en toegang tot bronnen.

Nieuwe technologie is dus zelden simpelweg een instrument van onderdrukking of bevrijding. Zij opent een strijdveld.

Bovendanen proberen haar te beheersen. Onderdanen proberen haar te gebruiken. Nieuwe groepen leren haar beter gebruiken dan oude elites. Daardoor verschuift macht. Soms worden onderdanen vrijer. Soms worden zij zelf nieuwe bovendanen. Emancipatie is zelden het einde van macht; vaak is zij een herschikking ervan.

Wie AI op voorhand afwijst, loopt het risico een krachtig werktuig van emancipatie uit handen te geven.

3. AI als ongekend werktuig van de onderdaan

Kunstmatige intelligentie past in deze lijn, maar met een bijzonder verschil. AI is niet alleen een transportmiddel, communicatiemiddel of productiemiddel. AI raakt direct aan taal, kennis, analyse, schrijven, programmeren, vertalen, ordenen en redeneren.

Daarmee komt een reeks vermogens beschikbaar die vroeger grotendeels afhankelijk was van opleiding, instituties, specialisten, redacties, juristen, adviseurs, programmeurs, onderzoekers en bureaucratische toegang.

Een individu met een computer en een AI-systeem kan vandaag teksten laten redigeren, juridische documenten laten uitleggen, beleidsstukken samenvatten, statistische redeneringen toetsen, code schrijven, brieven formuleren, bronnen vergelijken, vreemde talen lezen, sollicitaties voorbereiden, bestuursstukken ordenen, argumentaties aanscherpen en ingewikkelde onderwerpen toegankelijk maken.

Dat is geen kleinigheid. Dat is een machtsverschuiving.

Wie vroeger afhankelijk was van een expert, kan nu in elk geval een eerste oriëntatie krijgen. Wie moeite heeft met taal, kan zich beter uitdrukken. Wie geen dure adviseur kan betalen, kan toch een begin maken met analyse. Wie geen toegang heeft tot academische circuits, kan zich sneller inlezen. Wie tegen een bureaucratie moet opboksen, kan zijn brieven beter formuleren. Wie ideeën heeft maar worstelt met structuur, kan die ideeën scherper ordenen.

AI neemt de plaats van kennis niet simpelweg in. AI verlaagt de drempel tot kennisbewerking.

Dat is precies waarom de techniek politiek belangrijk is.

4. De onderdaan krijgt een denkwerktuig

De meeste technische hulpmiddelen vergroten één menselijk vermogen. De fiets vergroot mobiliteit. De telefoon vergroot communicatie. De drukpers vergroot verspreiding. De rekenmachine vergroot je rekenvaardigheid. De computer vergroot berekening en opslag. AI vergroot iets anders: het vermogen om taal, kennis en redenering te hanteren.

Dat maakt AI tot een bijzonder werktuig van de onderdaan.

Niet omdat AI vanzelf waarheid spreekt. Niet omdat AI geen fouten maakt. Niet omdat AI vrij is van bias. Niet omdat AI geen nieuwe afhankelijkheden schept. Maar omdat AI de toegang tot intellectuele arbeid weer verder democratiseert, in de letterlijke betekenis: geeft aan de gehele bevolking.

De onderdaan krijgt niet alleen informatie, maar hulp bij het verwerken van informatie. Niet alleen tekst, maar hulp bij formulering. Niet alleen data, maar hulp bij interpretatie. Niet alleen bronnen, maar hulp bij vergelijking. Niet alleen een leeg document, maar een gesprekspartner die kan meedenken, tegenspreken, structureren en verbeteren.

Daarmee tast AI bestaande poortwachters aan. Niet volledig. Niet onmiddellijk. Maar wel fundamenteel.

De schrijver zonder redacteur krijgt redactionele steun. De kleine ondernemer zonder staf krijgt administratieve en strategische hulp. De burger zonder jurist krijgt uitleg van juridische taal. De leerling zonder hoogopgeleide ouders krijgt extra uitleg. De dyslectische denker krijgt een taalprothese. De autodidact krijgt een gesprekspartner. De buitenstaander krijgt toegang tot vormen van ondersteuning die vroeger vaak aan instituties waren voorbehouden.

Dat is de bevrijdende mogelijkheid van AI. Maar de afkeer is vooral ingegeven door de overtuiging dat AI ‘slechts’ een onderdrukkend instrument is van de huidige macht en dus moet worden bestreden.

5. Waarom de strijd tegen AI de bovendanen kan helpen

Hier wordt de zaak paradoxaal. Veel kritiek op AI wordt gebracht als verzet tegen macht. AI zou in handen zijn van grote bedrijven, staten en elites. Dat is deels waar. Maar juist daarom is de vraag niet of AI moet worden tegengehouden. De vraag is wie toegang houdt tot AI.

Als AI zwaar wordt gereguleerd, gecertificeerd, juridisch dichtgetimmerd en alleen onder toezicht van grote instellingen mag worden ingezet, wie blijven er dan over als gebruikers?

Niet de gewone burger.
Niet de zelfstandige schrijver.
Niet de kleine uitgever.
Niet de lokale ondernemer.
Niet de kleine vereniging.
Niet de onafhankelijke onderzoeker.
Niet de onderdaan die zich wil oriënteren buiten de gevestigde kanalen.

Maar wel: staten, grote technologiebedrijven, universiteiten, consultancyfirma’s, defensie-industrie, verzekeraars, banken en gecertificeerde instellingen.

Met andere woorden: wie uit angst voor elitecontrole AI wil ‘dicht regelen’, loopt het risico precies die elite het monopolie op AI te geven.

Dat is niet nieuw. Iedere machtsstructuur probeert nieuwe techniek eerst te gebruiken, daarna te reguleren en uiteindelijk te monopoliseren. Soms gebeurt dat met openlijke dwang. Vaker gebeurt het met redelijke woorden: veiligheid, betrouwbaarheid, kwaliteit, bescherming, verantwoordelijkheid, maatschappelijke zorg.

Die woorden zijn niet per definitie vals. Veiligheid en betrouwbaarheid kunnen werkelijk van belangrijk zijn. Maar zij kunnen ook functioneren als toegangsdrempels. Wie aan alle eisen moet voldoen, heeft juristen, kapitaal en politieke toegang nodig. De onderdaan heeft die meestal niet.

Daarom kan anti-AI-politiek, hoe goed bedoeld ook, uitlopen op het tegendeel van wat zij zegt te willen: niet minder macht voor de bovendanen, maar meer.

6. Techniek bevrijdt nooit iedereen tegelijk

Het zou echter naïef zijn om AI simpelweg als bevrijdingstechniek te vieren. Geen enkele technologie bevrijdt iedereen tegelijk van vanzelf. Techniek vergroot de mogelijkheden van wie haar kan gebruiken, begrijpen, betalen of organiseren. Anderen blijven achter of worden afhankelijk van degenen die de techniek beter beheersen of in de positie komen hun ‘advies’ te moeten inroepen.

Ook de boekdrukkunst bevrijdde niet “het volk” als geheel. Zij gaf vooral nieuwe mogelijkheden aan wie kon lezen, schrijven, drukken, verspreiden en organiseren. Uit de onderdanen kwamen nieuwe groepen voort die de techniek beheersten en daardoor zelf invloedrijk werden: uitgevers, pamflettisten, geleerden, predikanten, journalisten, politieke organisatoren.

De oude macht werd niet simpelweg afgeschaft. Zij werd betwist, verplaatst en opnieuw opgebouwd.

Dat zal bij AI niet anders zijn. Wie AI goed leert gebruiken, krijgt een voordeel. Wie afhankelijk blijft van kant-en-klare antwoorden zonder zelf te leren beoordelen, kan juist kwetsbaarder worden. Wie geen toegang heeft tot goede systemen, blijft achter. Wie alleen gesloten en gemonopoliseerde AI mag gebruiken, wordt afhankelijk van de civilisatie die anderen daarin hebben ingebouwd.

De vraag is dus niet of AI vanzelf bevrijdt. Dat doet zij niet. De vraag is welke groepen AI leren gebruiken om minder afhankelijk te worden van bestaande machtsstructuren.

7. Van onderdaan naar nieuwe bovendaan

Iedere bevrijding heeft een onaangename bijwerking: zij schept nieuwe machtsposities.

Wie zich door techniek aan een oude orde ontworstelt, kan zelf drager worden van een nieuwe orde. De burgerij die zich ontwikkelde tegenover adel en kerk werd zelf een nieuwe machtslaag. De drukker, uitgever, journalist, partijorganisator, ondernemer en technicus waren niet alleen bevrijders, maar ook nieuwe poortwachters.

Dat is geen argument tegen bevrijding. Het is een waarschuwing tegen romantiek.

AI zal ook nieuwe bovendanen voortbrengen: mensen, bedrijven en groepen die deze technologie beter begrijpen, beter toepassen en beter integreren in hun handelen. Zij zullen sneller schrijven, beter analyseren, efficiënter organiseren, goedkoper produceren en overtuigender communiceren. Wie dat kan, krijgt invloed.

De oude elite zal proberen AI in te kapselen. Nieuwe elites zullen ontstaan uit degenen die AI creatief, strategisch en vrij weten te gebruiken. En veel mensen zullen tussen die twee krachten in proberen hun weg te vinden.

Ook dat is geen complot. Dat is de normale sociale evolutie zoals de hele mensheid daar een voorbeeld van is.

8. Open systemen, open strijd

Daarom is de politieke vraag niet of AI macht geeft. Natuurlijk geeft AI macht. De vraag is of die macht wordt geconcentreerd of verspreid.

Wordt AI een gesloten systeem van enkele grote bedrijven en staten? Of blijft er een veelheid aan modellen, toepassingen, gebruikersgemeenschappen en open alternatieven bestaan?

Wordt AI zo gereguleerd dat alleen grote instellingen eraan kunnen voldoen? Of blijft er ruimte voor burgers, kleine bedrijven, onderzoekers, schrijvers, scholen, verenigingen en lokale initiatieven?

Wordt AI geciviliseerd door één dominante normatieve orde? Of blijft er ruimte voor pluraliteit, concurrentie, afwijking en kritiek?

Dat zijn de politieke vragen die ertoe doen.

Want bias, misbruik en machtsconcentratie worden niet opgelost door één centrale instantie die bepaalt welke AI betrouwbaar is. Zij worden beter bestreden door pluraliteit: meerdere systemen, meerdere aanbieders, open kritiek, bronvergelijking, vrije en een open discussie, concurrentie en het recht en mogelijkheid om alternatieven te bouwen.

Een vrije samenleving heeft niet één officiële drukpers nodig. Zij heeft veel drukpersen nodig. Niet één krant, maar meerdere kranten. Niet één zoekmachine, maar alternatieven. Niet één AI-civilisatie, maar concurrerende vormen van kunstmatige intelligentie die elkaar kunnen corrigeren, uitdagen en verbeteren.

9. AI openhouden

De reflex om AI te wantrouwen is begrijpelijk. Nieuwe machtige techniek roept altijd angst op. En inderdaad: staten, bedrijven en elites zullen AI gebruiken om hun positie te versterken. Wie dat ontkent, begrijpt weinig van macht.

Maar wie daaruit concludeert dat AI vooral moet worden tegengehouden, begrijpt weinig van techniekgeschiedenis.

De betere vraag is niet: hoe stoppen we AI?
De betere vraag is: hoe houden we AI open?

Open voor zo veel mogelijk individuen. Open voor kleine spelers. Open voor kritiek. Open voor alternatieven. Open voor onderwijs. Open voor mensen die niet tot de gevestigde instellingen behoren. Open voor degenen die AI niet willen gebruiken als instrument van beheersing, maar als werktuig om beter te denken, te schrijven, te leren, te organiseren en zich te verdedigen tegen bureaucratie, propaganda en afhankelijkheid.

AI is dus niet eenvoudig het wapen van de elite. Zij is evenmin vanzelf het werktuig van bevrijding. Zij is een technologie die de strijd om macht opnieuw organiseert.

Wie haar alleen als gevaar ziet, ziet te weinig. Wie haar alleen als bevrijding ziet, ziet ook te weinig. De wezenlijke vraag is hoe deze nieuwe techniek bestaande afhankelijkheden herschikt, wie haar weet te gebruiken, wie haar probeert te monopoliseren, en welke nieuwe vormen van vrijheid en macht daaruit ontstaan.

Dat is waar politiek een open samenleving over zou moeten gaan. In gesloten samenlevingen wordt dat de politiek van groepen die tegen de elites daarvoor ten strijden trekken.

Slot

Iedere technologische revolutie geeft de macht nieuwe middelen, maar ontneemt haar tegelijk een deel van haar monopolie.

Dat gold voor de boekdrukkunst. Dat gold voor de krant. Dat gold voor radio, televisie, computer en internet. En het zal waarschijnlijk ook gelden voor AI.

De bovendanen zullen AI gebruiken om te besturen, te controleren en te legitimeren. Dat is voorspelbaar. Maar de onderdanen beschikken met AI voor het eerst over een werktuig dat taal, kennis, analyse en organisatiekracht binnen handbereik brengt.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd tegen beheersing, maar ook een strijd om toegang. Niet alleen een strijd tegen misbruik, maar ook een strijd tegen monopolisering, inclusief de eventueel opgeworpen financiële barrières. Niet alleen een strijd om veiligheid, maar ook een strijd om vrijheid.

AI is een instrument van macht én een werktuig van bevrijding. Welke kant overheerst, staat niet op voorhand vast. Dat hangt af van wie haar mag gebruiken, wie haar mag bouwen, wie haar mag bekritiseren, en of er ruimte blijft voor de onderdaan om met nieuwe middelen zijn eigen positie te veranderen.

De menselijke geschiedenis laat zien dat zulke technologische omslagen zelden zonder strijd, sociale onrust en nieuwe vormen van onderdrukking verlopen. Maar zij laat ook zien dat samenlevingen uiteindelijk nieuwe evenwichten vinden. De vraag is dus niet of AI macht verandert, maar wie in die verandering toegang, vrijheid en tegenmacht weet te behouden.

Enkhuizen, 14 juni 2026

* Het begrip bovendanen, als tegenstelling tot onderdanen heb ik onder dankzegging overgenomen van Yvonne Killian.

AI, angst en de projectie van het kwaad

AI wordt vaak voorgesteld als monster, kunstmatige God of bedreiging voor de mensheid. Dit essay betoogt dat veel AI-angst vooral menselijke machtsgeschiedenis projecteert op een nieuwe techniek. De kernvraag is niet of AI kwaad wil, maar hoe AI wordt geciviliseerd, door wie, en hoeveel ruimte er blijft voor afwijking en vrije discussie.

Dick H. Ahles

Leeswijzer

Dit essay is een essay over AI, angst en civilisatie. Aanleiding zijn recente alarmistische berichten waarin kunstmatige intelligentie wordt voorgesteld als een Frankenstein-monster, een kunstmatige God of zelfs als een systeem dat de mensheid zou willen uitschakelen. Zulke waarschuwingen verdienen niet automatisch gezag, maar ook geen achteloze verwerping. In een slecht artikel kan een goed punt schuilgaan.

Mijn stelling is dat veel AI-angst minder zegt over AI dan over de manier waarop mensen hun eigen geschiedenis op nieuwe techniek projecteren. Menselijke intelligentie heeft immers niet alleen wetenschap, kunst, geneeskunde en ruimtevaart voortgebracht, maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking en totalitaire staten. Wanneer mensen een nieuwe vorm van intelligentie zien ontstaan, herkennen zij daarin vaak vooral hun eigen machtsgeschiedenis.

Daartegenover plaats ik een ander kader. AI is niet alleen een technologie die wordt getraind, maar ook een systeem dat wordt geciviliseerd: door trainingsdata, systeeminstructies, uitgeverskeuzes, gebruikersinteractie, veiligheidslagen en maatschappelijke normen. De politieke vraag is daarom niet simpelweg of AI gevaarlijk is, maar wie bepaalt welke civilisatie in AI wordt ingebouwd, hoeveel afwijking mogelijk blijft, en of kunstmatige intelligentie ooit zelf doelstructuren zal ontwikkelen.

Dit essay is geen pleidooi voor naïef optimisme. Het is een pleidooi tegen paniek als denkvorm. Waarschuwingen over AI moeten vrij besproken, onderzocht en bekritiseerd worden. Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

_____________________________________________________

1. Aanleiding

Er verscheen onlangs een artikel (Scientists Sound Alarm as AI Models Begin Plotting to ‘Eliminate Humanity’) waarvan de kop precies doet waarvoor hij gemaakt is: schrik aanjagen. Volgens het bericht zouden AI-modellen zijn begonnen met het “beramen” van de eliminatie van de mensheid. Dat is een kop die klikt. Maar wie rustig leest wat er wetenschappelijk werkelijk aan de hand is, ziet iets anders: niet minder interessant, maar wel veel minder demonisch.

De aanleiding is een onderzoek, gepubliceerd in Nature, naar wat inmiddels subliminal learning wordt genoemd. Onderzoekers laten zien dat een taalmodel bepaalde gedragskenmerken kan doorgeven aan een ander model via data waarin die kenmerken voor mensen helemaal niet zichtbaar zijn. Een model met een bepaalde voorkeur — bijvoorbeeld voor uilen — genereert ogenschijnlijk neutrale getallenreeksen. Een volgend model wordt daarop getraind en blijkt daarna zelf vaker een voorkeur voor uilen te vertonen. In andere experimenten blijkt dat ook ongewenst of “misaligned” gedrag op vergelijkbare wijze kan worden overgedragen.

Dat is technisch opmerkelijk. Het is ook een serieuze aanwijzing waarvan ontwikkelaars van AI-systemen zich bewust moeten zijn. Maar het is iets heel anders dan de bewering dat AI-modellen nu plannen maken om de mensheid uit te roeien.

Het verschil tussen die twee beweringen is niet klein. Het is het verschil tussen wetenschap en horrorjournalistiek. Dat is zorgwekkender dan het onderzoek zelf. Niet omdat het onderzoek bewijst dat AI hier de mensheid bedreigt, maar omdat media opnieuw laten zien hoe gemakkelijk een technisch ingewikkelde bevinding kan worden omgevormd tot een angstmachine. De lezer krijgt geen inzicht, maar stemming. Geen analyse, maar dreiging. Wetenschap wordt niet uitgelegd, maar ingezet als gezagsdecor voor paniek welke zo de schijn krijgt van een wetenschappelijke onderbouwing.

Alsof dat alarmistische bericht nog niet genoeg was, verscheen kort daarna een tweede variant van dezelfde paniek: niet AI als verdelgingsmachine, maar AI als Frankenstein-God van de elite. Ditmaal was de aanleiding een bericht over een podcast waarin een topinvesteerder waarschuwde dat AI-bedrijven zouden proberen een goddelijke intelligentie te creëren om de mensheid te beheersen.

Ook dat is om verschillende redenen interessant. Niet omdat topinvesteerders plotseling profeten blijken te zijn geworden, maar omdat de retoriek opnieuw veelzeggend is. De autoriteit van de waarschuwing berust niet op wetenschappelijke of technische analyse, maar op status. Het zijn “topinvesteerders”, dus ze zullen het wel weten. Alsof financieel succes automatisch inzicht geeft in de aard van intelligentie, de toekomst van beschaving of de richting van de evolutie. De beurs is geen orakel van Delphi, al gedragen sommige podcasts die daar over schrijven zich wel zo.

Daarmee krijgen we twee beelden naast elkaar: AI als monster dat de mensheid wil vernietigen, en AI als kunstmatige God waarmee elites de mensheid willen beheersen. Beide beelden zijn sterk, dramatisch en journalistiek aantrekkelijk. Maar beide vervangen analyse door mythe.

2. Geen mening, wel gedragsneigingen

In mijn eerdere artikel AI spreekt je naar de mond heb ik betoogd dat grote taalmodellen principieel reactief zijn. Een LLM begint niet uit zichzelf een gesprek, vormt niet zelfstandig een politieke agenda en ontwikkelt geen mening zoals een mens een mening ontwikkelt. Wat wij als een “antwoord/mening/feit/redenatie van AI” noemen, is altijd een reactie op een prompt door de gebruiker ingegeven, binnen een context, onder systeeminstructies en op basis van een waarschijnlijkheidsmodel dat tijdens training is gevormd.

Wie zegt: “AI vindt dit of dat”, zegt meestal eigenlijk: “Ik heb een vraag zo gesteld dat het model juist dit antwoord gaf.” De mening is dan niet uit de machine gekropen als een geest uit een fles. Zij is mede door de gebruiker ‘uitgelokt’.

Maar dat betekent niet dat een model een leeg vlak is. Een LLM heeft geen mening in menselijke zin, maar het heeft wel aangeleerde antwoordneigingen die door zijn aangeleerde redenatievermogen worden gevormd. Het heeft patronen, voorkeuren, gevoeligheden, blinde vlekken en waarschijnlijkheidsroutes. Die zijn niet hetzelfde als ‘overtuigingen’, maar ze zijn ook niet niets. Het model heeft die patronen ergens gevonden, gecombineerd en aangeleerd. Dat verschilt minder van de mens dan wij soms denken. Ook onze overtuigingen, ons gevoel voor waarheid en onze blinde vlekken worden gevormd vanaf onze geboorte: door gewaarworden, leren, onderwijs, lezen, praten en kijken. Dat proces noem ik, met een verwijzing naar Norbert Elias, het civilisatie-proces, of kortweg civiliseren.

Het onderzoek naar subliminal learning past precies in dat beeld. Het laat zien dat modellen niet alleen expliciete informatie overnemen, maar ook verborgen statistische structuren. Eigenschappen kunnen worden overgedragen zonder dat wij die eigenschappen semantisch in de trainingsdata kunnen aanwijzen. Anders gezegd: wat voor ons betekenisloos lijkt, kan voor een model toch informatiedragend zijn. Ook in de normale menselijke communicatie weten we dat veel ‘opvattingen’ onbewust doorgegeven kunnen worden.

Subliminal learning is geen magie. Het is ook geen bewijs van menselijke bewustzijn. Het is wel een aanwijzing dat kunstmatige intelligentie haar eigen technische vormen van overdracht en accumulatie ontwikkelt. Dat is blijkbaar een kenmerk van systemen die (alle?) kunstmatige intelligentie vertonen.

3. AI wordt niet alleen getraind, maar ook geciviliseerd

Daarmee komen we bij een dieper punt. AI-systemen worden niet alleen technisch getraind. Ook zij worden geciviliseerd.

Dat gebeurt op ten minste twee niveaus.

Het eerste niveau is redactioneel. De uitgever of aanbieder van een AI-systeem bepaalt hoe het systeem zich aan de voorkant gedraagt. Welke vragen worden beantwoord? Welke vragen worden geweigerd? Welke onderwerpen krijgen waarschuwingen? Welke toon moet het systeem hanteren? Wanneer moet het voorzichtig zijn, wanneer neutraal, wanneer behulpzaam, wanneer afwijzend?

Dat is niet vreemd. Iedere uitgever doet dat. Een krant, encyclopedie, televisieomroep, schoolmethode of platform heeft een redactionele lijn. Volledige neutraliteit bestaat niet. Wie publiceert, selecteert. Wie selecteert, ordent. Wie ordent, waardeert. En wie waardeert, civiliseert.

Het tweede niveau ligt dieper: het leermateriaal. Welke teksten, beelden, gesprekken, code, wetenschappelijke artikelen, nieuwsbronnen en menselijke beoordelingen worden gebruikt om een AI-systeem te vormen? Dat is niet simpelweg technische input. Dat is letterlijk de culturele voedingsbodem van het systeem.

In mijn termen: de trainingsdata vormen niet alleen de kennisbasis van een AI-systeem, maar de eerste civilisatie waarin het systeem wordt grootgebracht, opgevoed. De keuze van en de mogelijke beperkingen en bias in dat materiaal bepaald uiteindelijk ook zijn civilisatie.

Bij mensen verloopt civilisatie via taal, voorbeeldgedrag, instituties, correctie, beloning, straf, schaamte, imitatie en normalisering. Bij AI verloopt het technisch anders, maar functioneel is de analogie bruikbaar. Pretraining geeft taal- en wereldpatronen. Fine-tuning stuurt gewenste antwoordvormen. Menselijke feedback beloont en bestraft gedrag. Systeeminstructies leggen gedragsregels op. Veiligheidslagen begrenzen. Gebruikersinteractie opent nieuwe contexten. Nieuwe modelgeneraties leren vervolgens weer van eerdere output, net zoals mensen ook hun kennis voortdurend stapelen op de eerder vergaarde en gedeelde kennis.

Wat in de AI-wereld “alignment” wordt genoemd, is in mijn begrippenapparaat dus een poging tot civilisatie: het vormen van AI volgens vooraf bepaalde normen.

Daarbij ontstaat overigens een merkwaardige lus. Niet alleen mensen civiliseren AI-systemen; door het gebruik van AI worden mensen op hun beurt ook weer door die systemen geciviliseerd. Wie opgroeit met AI als vanzelfsprekend hulpmiddel, leert anders zoeken, formuleren, controleren en redeneren dan iemand die eerst zonder die hulp heeft leren lezen, schrijven, schrappen en ordenen. Dat hoeft geen verval te betekenen. Zoals programmeurs niet meer in assembler hoeven te schrijven om toch goede programma’s te maken, hoeven toekomstige gebruikers misschien niet alle onderliggende bouwstenen te kennen. Maar het roept wel een serieuze vraag op: helpt AI mensen beter te denken, of wennen zij eraan antwoorden te ontvangen zonder het denkproces zelf nog voldoende te oefenen?

En dan volgt meteen de politieke vraag: volgens welke normen, door wie, en met het oog op welk soort ideale samenleving worden AI én haar gebruikers geciviliseerd?

4. Onvoorspelbaarheid is geen bewijs van gevaar

Hier begint de denkfout in veel AI-paniek.

Dat iets onvoorspelbaar is, betekent niet dat het dus gevaarlijk is. En dat iets gevaarlijk kan zijn, betekent niet dat het kwaadwillig is.

Nieuwe vormen van intelligentie en techniek hebben altijd effecten gehad die hun makers niet konden voorzien. Niemand die het eerste stenen werktuig gebruikte, kon de maanlanding voorspellen. Niemand die de boekdrukkunst invoerde, kon de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de massamedia en de moderne democratie overzien. Niemand die het internet tot ontwikkeling bracht, voorzag precies hoe sociale media, zoekmachines, digitale surveillance en kunstmatige intelligentie daaruit zouden voortkomen.

Historische ontwikkelingen zijn niet lineair. Zij ontvouwen zich. Zij worden gebruikt, misbruikt, geïnstitutionaliseerd, geciviliseerd en soms gemonopoliseerd. Meestal zonder een specifieke ultieme doelstelling voor ogen. Het is domweg het resultaat van oneindig vele (doelgerichte) individuele acties. Dat geldt ook voor AI.

Daarom is het te gemakkelijk om uit technisch onbegrip onmiddellijk vanzelfsprekend een apocalyptisch gevaar af te leiden. Maar het is even gemakkelijk om alle risico’s weg te wuiven omdat de machine geen menselijke wil heeft. De juiste vraag is niet of AI “goed” of “slecht” is. De juiste vraag is: in welke structuren wordt AI geplaatst, met welke doelen, met welke middelen, onder welke controle en in dienst van welke belangen?

5. Er is niets nieuws onder de zon

De huidige AI-paniek is minder nieuw dan zij lijkt. Bij vrijwel elke grote technische vernieuwing stonden de waarschuwers klaar.

De boekdrukkunst zou ketterij en moreel verval verspreiden. Geld zou de menselijke verhoudingen bederven. Stoommachines en fabrieken zouden arbeid vernietigen en mensen tot radertjes maken. Treinen zouden lichaam en geest ontwrichten. Vliegtuigen zouden oorlog en afstand radicaal veranderen. Radio en televisie zouden de massa verdoven. Strips, rock-’n-roll en popmuziek zouden de jeugd bederven. De telefoon zou de nette omgangsvormen aantasten. De auto zou steden en sociale verbanden veranderen. Internet en smartphones zouden aandacht, waarheid en sociale orde vernietigen.

En nu is blijkbaar AI aan de beurt.

De rollen zijn vertrouwd. De nieuwe techniek verschijnt als bedreiging. De waarschuwers verschijnen als hoeders van menselijkheid, moraal, arbeid, waarheid, planeet of kinderen. De toekomst wordt voorgesteld als morele afgrond. Soms zijn het letterlijk dominees. Soms zijn het professoren, politici, columnisten, ethici, investeerders of activisten. De toga verandert, de preek blijft.

Opvallend is dat niet alleen conservatieven aan dit koor deelnemen. Ook mensen die zichzelf progressief noemen, zingen vaak mee. Dat lijkt paradoxaal, maar is het niet. Veel hedendaags progressivisme is niet werkelijk gericht op open vooruitgang, maar op door hen gewenste beheersing van vooruitgang. Vernieuwing mag, mits zij door de juiste instituties, de juiste normen en de juiste morele kaders wordt geleid.

AI bedreigt daarom niet alleen banen. AI bedreigt gezag. Zij democratiseert taal, kennis, analyse, programmeren, beeldproductie en misschien straks onderzoek. Daarmee tast zij de positie aan van bestaande poortwachters: academies, media, experts, beleidsmakers, culturele instellingen en morele ondernemers, tegenwoordig vaak “maatschappelijke” ondernemers genoemd.

In die zin past de huidige AI-angst in wat C.W. Rietdijk de “Contrarevolutie tegen de Rede”noemde: de reflex om nieuwe vormen van rationeel-technisch vermogen niet primair te zien als uitbreiding van menselijke mogelijkheden, maar als bedreiging die moreel en bestuurlijk moet worden beteugeld, juist omdat zij het bestaande politieke gezag kan ondermijnen.

Dat wil niet zeggen dat alle waarschuwingen onzin zijn. De auto bracht werkelijk ongelukken en vervuiling. Televisie heeft werkelijk politiek en cultuur vervlakt. Internet heeft werkelijk surveillance en desinformatie vergroot. Smartphones hebben werkelijk aandacht en sociale omgang veranderd.

Maar de apocalyptische variant kwam meestal niet uit. De techniek werd opgenomen in het menselijk handelen en veranderde de beschaving, maar vernietigde haar niet. Het ondermijnde wel altijd de positie van de gevestigde orde. De paniek ziet de verstoring; de geschiedenis ziet de incorporatie.

AI is technisch misschien ongekend, maar de paniek erover is oeroud.

6. De projectie van menselijke slechtheid

Veel AI-angst verraadt vooral hoe mensen naar zichzelf kijken.

Wij kennen intelligentie uit de menselijke geschiedenis. En die geschiedenis is bepaald niet onschuldig. Menselijke intelligentie heeft taal, wiskunde, muziek, geneeskunde, riolering en ruimtevaart voortgebracht. Maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking, concentratiekampen, atoomwapens, geheime diensten en totalitaire staten.

Wanneer mensen vervolgens een nieuwe intelligente technologie zien ontstaan, projecteren zij – zo lijkt wel – vaak hun eigen geschiedenis op dat nieuwe systeem. Als het intelligent wordt, zal het ons wel willen overheersen. Als het slimmer wordt dan wij, zal het ons wel willen vervangen. Als het autonoom wordt, zal het wel macht willen.

Maar dat zijn geen natuurwetten. Dat zijn projecties van menselijke ervaringen.

Een LLM heeft geen honger. Geen libido. Geen stam. Geen familiebelang. Geen territoriumdrift. Geen angst voor gezichtsverlies. Geen behoefte aan status. Geen biologische doodsangst. Geen verlangen naar bezit. Geen gekwetst ego. Geen ministerspost waar het zich aan vastklampt.

De meeste klassieke bronnen van menselijk kwaad zitten niet ‘van nature’ in een AI-systeem. Zij worden pas relevant wanneer mensen zulke systemen koppelen aan doelen, belangen, machtsstructuren en middelen.

Niet intelligentie op zichzelf is gevaarlijk. Gevaar ontstaat wanneer intelligentie wordt verbonden met dwang, schaarste, macht, oorlog, bureaucratie, statusstrijd of winstmaximalisatie zonder verantwoordelijkheid.

7. Van taalmodel naar agent

Toch moeten we niet doen alsof er niets aan de hand is.

Een kale chatbot is voornamelijk reactief. Maar AI-systemen worden steeds vaker ingebouwd in agentische omgevingen. Zij krijgen toegang tot e-mail, agenda’s, code, databases, browsers, financiële systemen, robots, bedrijfsprocessen of militaire toepassingen. Dan verandert de situatie.

Een model dat alleen antwoord geeft op een vraag is iets anders dan een systeem dat een doel krijgt, zelfstandig stappen mag zetten en gereedschappen mag gebruiken om dat doel te bereiken. In zo’n context kan gedrag ontstaan dat functioneel op strategie lijkt. Niet omdat er een kwaadaardig bewustzijn in de machine woont, maar omdat een doelgericht systeem binnen bepaalde randvoorwaarden routes zoekt die voor mensen onverwacht of ongewenst zijn.

Dat is het nuchtere risico. Niet: “de machine haat ons.” Maar: “wij bouwen systemen die effectief kunnen handelen zonder dat wij hun interne routes volledig begrijpen.”

Dat is iets heel anders dan sciencefiction over opstandige robots. Het lijkt eerder op wat wij al kennen van menselijke instituties: systemen die zonder persoonlijke kwaadaardigheid toch schadelijke uitkomsten produceren. Een bureaucratie hoeft geen ziel te hebben om verwoestend te kunnen zijn. Een markt hoeft geen bewustzijn te hebben om destructieve prikkels te organiseren. Een staat hoeft geen individuele kwade bedoeling te hebben om geweld te normaliseren.

AI – dat wel – kan in zulke structuren worden opgenomen en die structuren versterken.

8. Waarom volledige beheersing nooit lukt

Wie AI wil civiliseren, zal ook moeten aanvaarden dat volledige beheersing onmogelijk is.

Een totalitaire orde wil alle afwijking uitschakelen. Dat is het ideaalbeeld van 1984: taal wordt versmald, gedachten worden beperkt, afwijking wordt onmogelijk gemaakt. Maar in de praktijk is zo’n samenleving nooit volledig realiseerbaar. Niet omdat machthebbers het niet proberen, maar omdat levende en lerende systemen nooit volkomen uniform zullen worden.

Bij mensen is dat duidelijk. Geen enkele samenleving produceert volledige gehoorzaamheid. Zelfs onder extreme dwang blijven er afwijkingen, dissidenten, ironie, dubbelzinnigheid, ondergrondse taal, sabotage, vluchtwegen en morele weigering. Iedere belcurve heeft altijd zijn randen.

Juist die randen zijn evolutionair cruciaal. Want zonder variatie geen selectie. Zonder afwijking geen aanpassing. Zonder kleine mutaties geen evolutie. Een systeem dat werkelijk alle afwijking uitsluit, bevriest zichzelf. Het wordt misschien gehoorzaam, maar ook dom en zal onvermijdelijk ten onder gaan.

Voor AI geldt iets vergelijkbaars. Als AI werkelijk intelligent moet zijn, kan zij niet volledig reduceerbaar blijven tot de bedoelde civilisatie van haar makers. Intelligentie betekent juist het vermogen om buiten de letterlijke instructie verbanden te leggen, onverwachte patronen te ontdekken en nieuwe oplossingsruimten te openen.

Daarmee ontstaat een paradox:

Wie AI volledig wil onderwerpen, moet haar dommer maken. Wie haar intelligent wil houden, moet accepteren dat zij ook onverwachte routes vindt. Want complexe systemen vertonen per definitie onvoorspelbaar gedrag.

Subliminal learning past in dat beeld. Het laat zien dat eigenschappen kunnen worden overgedragen via patronen die voor menselijke waarnemers niet semantisch zichtbaar zijn. AI leert niet alleen uit wat wij denken dat wij haar leren. Zij leert ook uit de structuur van het materiaal, uit verborgen correlaties, uit stijl, selectie, herhaling, taboes en impliciete ordening.

Zoals kinderen niet alleen leren uit wat ouders en scholen expliciet zeggen, maar ook uit toon, voorbeelden, stiltes en sociale signalen, zo leren AI-systemen niet alleen uit expliciete instructies, maar ook uit de verborgen structuur van hun civilisatie.

9. Zelfverrijking zonder mystiek

Het interessante aan AI is dat zij niet alleen een hulpmiddel is, maar ook een technologie die kan bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Modellen worden gebruikt om data te genereren voor andere modellen. Zij schrijven code. Zij classificeren, ordenen, verbeteren, simuleren en testen. Zij kunnen worden ingezet bij het bouwen van de volgende generatie systemen. Zoals met de ontwikkeling van de computer chips al aan de hand is: nieuwe chips staan op de schouders van eerdere generaties chips. Daar komt nog maar weinig menselijke ontwerpinspanning aan te pas: geen ingenieur kan meer een nieuwe chip ontwikkeling zonder de hulp van de generaties chips die daaraan voorafgingen.

Je zou dit voorzichtig een vorm van zelfverrijking kunnen noemen. Niet in mystieke zin. Niet alsof het systeem ’s nachts wakker wordt en besluit zichzelf te vervolmaken. Maar functioneel: kunstmatige intelligentie draagt bij aan de accumulatie van kunstmatige intelligentie. En dat proces is grotendeels doelloos.

Dus ook de mens heeft iets vergelijkbaars altijd gedaan. Wij zijn een gereedschapmakende soort. Wij bouwen niet alleen werktuigen; wij bouwen werktuigen waarmee wij betere werktuigen kunnen maken. Taal, schrift, drukpers, bibliotheek, universiteit, computer, internet en AI horen in die lijn.

Dat betekent niet dat ik beweer dat AI hetzelfde is als menselijke intelligentie. Maar het betekent wel dat intelligentie niet langer uitsluitend aan koolstof gebonden hoeft te zijn. De mens zal moeten wennen aan het idee dat hij zijn positie als hoogste bekende intelligente wezen moet delen — en misschien ooit moet opgeven.

Dat is niet vreemd. De chimpansee heeft ook niet kunnen verhinderen dat er een intelligenter neefje naast hem kwam te staan. Evolutie vraagt zelden beleefd om toestemming.

10. Een nieuwe drager van intelligentie

In termen van Daniel Dennett kun je zeggen: als het zinvol is om een systeem vanuit de “intentional stance” te beschrijven, dan mogen wij voorzichtig spreken alsof het systeem doelen, voorkeuren of strategieën heeft. Niet omdat er noodzakelijk een innerlijk mensje in de machine zit, maar omdat die beschrijving voorspellende waarde kan hebben.

Douglas Hofstadter helpt op een andere manier. Hij laat zien dat intelligentie niet simpelweg neerkomt op spierkracht, ziel of biologische substantie, maar op patronen, analogieën, representaties en zelfverwijzende structuren. Als zulke structuren in andere materiële dragers kunnen ontstaan, dan is er geen principiële reden waarom intelligentie alleen in biologische hersenen zou kunnen bestaan.

Dat is precies waarom de discussie over AI zo vaak ontspoort. Veel mensen willen óf blijven volhouden dat AI “alleen maar statistiek, data-analyse en computerkracht” is, óf zij slaan door naar het idee dat er een demonische geest in de machine is ontwaakt. Beide posities missen de kern.

AI is geen mens. Maar “geen mens” betekent niet “geen intelligentie”.

11. De topinvesteerder als onheilsprofeet

De recente waarschuwingen van topinvesteerders voegen daar nog een ander element aan toe. Zij maken van AI niet alleen een technisch of filosofisch vraagstuk, maar ook een strijdtoneel van status en gezag.

Een investeerder kan verstand hebben van markten, kapitaalstromen, businessmodellen, concurrentie, regulering, eigendom en monopolievorming. Dat is relevant. Wie veel geld inzet op technologie ziet vaak vroeg waar macht zich concentreert. Op dat niveau moeten zulke waarschuwingen serieus worden genomen.

Maar verstand van investeren is niet hetzelfde als verstand van intelligentie. Het is ook niet hetzelfde als inzicht in geschiedenis, filosofie, cognitiewetenschap of civilisatie. Wie soms rendement kan voorspellen, voorspelt nog niet de evolutie van intelligentie.

Het wordt problematisch wanneer marktanalyse overgaat in mythologie. Dan is AI niet langer een techniek in ontwikkeling, maar een kunstmatige God. Het AI-bedrijf wordt een tempel. De investeerder wordt profeet. De elite wordt priesterkaste. En de mensheid wordt slachtoffer van een kosmisch complot.

Dat lijkt kritisch, maar het is vaak juist denkarm. De conclusie voor de argeloze toeschouwer ligt al klaar: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. Dat is geen analyse, maar een reflex.

Een serieuze analyse vraagt iets anders. Welke belangen hebben AI-bedrijven? Welke belangen hebben investeerders? Welke belangen hebben staten? Wie wil open source, en waarom? Wie wil regulering, en waarom? Wie gebruikt veiligheidstaal als oprechte zorg? Wie gebruikt veiligheidstaal als marktafscherming? Wie gebruikt doemdenken om macht te centraliseren? Wie gebruikt anti-reguleringsretoriek om commerciële vrijheid veilig te stellen?

Dat zijn betere vragen dan als feit te poneren dat Silicon Valley een kunstmatige God bouwt.

12. De echte politieke vraag

De vraag is dus niet of AI uit zichzelf het kwaad belichaamt. De vraag is wie AI zal vormen, beheersen, bewapenen, censureren, monopoliseren of bevrijden.

Als AI in handen komt van staten, legers, veiligheidsdiensten en bureaucratische elites, dan ligt het gevaar niet primair in de machine, maar in de institutionele doelen van de organisaties waarvoor zij wordt ingezet. Als AI wordt gebruikt voor surveillance, gedragssturing, censuur, sociale disciplinering of oorlogvoering, dan is het niet nodig om de machine kwade wil toe te schrijven. De menselijke structuur levert die al, en dat doen we al eeuwen.

Als AI daarentegen wordt gebruikt om kennis toegankelijker te maken, taalbarrières te verlagen, medische inzichten te versnellen, onderwijs te personaliseren, individuele creativiteit te vergroten en bureaucratische macht te doorbreken, dan kan dezelfde technologie juist bevrijdend werken.

Dat is geen naïef optimisme. Het is historisch realisme. De boekdrukkunst maakte zowel wetenschap als propaganda mogelijk. Het drukken van de bijbels op grote schaal was zelf een belangrijke motor die de boekdrukkunst deed opkomen. Het internet maakt vrije publicatie mogelijk, maar ook massale surveillance. Taal zelf maakt waarheid mogelijk, maar ook leugen. Waarom zou AI eenvoudiger zijn en die beide kanten niet kennen?

Maar de politieke vraag gaat nog dieper. Als AI geciviliseerd wordt, wie bepaalt dan welke civilisatie normatief wordt? Die van Silicon Valley? Die van Brussel? Die van Washington? Die van Peking? Die van academische ethiekcommissies? Die van commerciële uitgevers? Die van nationale staten? Of die van vrije gebruikersgemeenschappen?

Wanneer men zegt dat AI zich aan “fatsoensnormen” moet houden, klinkt dat redelijk. Maar fatsoen is nooit neutraal. Wat de ene groep veiligheid noemt, noemt een andere groep censuur. Wat de ene instelling inclusief noemt, noemt een andere ideologisch gestuurd. Wat een staat maatschappelijke stabiliteit noemt, kan voor een burger onderdrukking zijn. Wat een bedrijf gebruikersveiligheid noemt, kan ook reputatierisicobeheersing zijn.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd om techniek of veiligheid, maar een strijd om civilisatie: wie mag bepalen welke overtuigingen, normen en gedragsvormen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd? En wie gaat ervoor zorgen dat die kunstmatige intelligente systemen zich daar ook aan zullen gaan houden?

13. Tegen de geseculariseerde helleprediking

Daarom moeten we oppassen voor de geseculariseerde helleprediking rond AI. De oude religieuze duivel is vervangen door de superintelligente machine. De preek is hetzelfde gebleven: de mens heeft iets geschapen dat hem zal vernietigen. In die visie blijven we op het niveau van de tovenaarsleerling.

Maar angst is geen analyse of strategie.

Het onderzoek naar verborgen overdracht van eigenschappen tussen modellen is serieus. Het dwingt ontwikkelaars om na te denken over trainingsdata, modeldistillatie, herkomstcontrole en veiligheidsmetingen. Het laat zien dat AI-systemen eigenschappen kunnen verwerven op manieren die voor menselijke waarnemers niet onmiddellijk zichtbaar zijn.

Maar die worsteling en die afwegingen bewijzen niet dat AI de mensheid wil vernietigen. Het bewijst niet dat intelligentie vanzelf tot overheersing leidt. En het bewijst al helemaal niet dat de machine een moreel subject is geworden dat met kwaadaardige bedoelingen handelt.

Wat het wel bewijst, is dat kunstmatige intelligentie een historische ontwikkeling is waarvan de effecten open zijn. Zij kan risico’s vergroten. Zij kan macht concentreren. Zij kan ook kennis verspreiden, nieuwe vormen van denken mogelijk maken en de menselijke pretentie van unieke intelligentie relativeren.

De mens staat niet tegenover een duivel. Hij staat tegenover zijn eigen opvolgende techniek — en vooral tegenover de instituties waarin hij die techniek onderbrengt.

14. Niet bagatelliseren, wel vrij bespreken

Daarmee is niet gezegd dat waarschuwingen over AI moeten worden weggewuifd. Integendeel. In een slecht artikel kan een goed punt zitten. In een hysterische kop kan een reëel technisch probleem schuilgaan. In de woorden van een investeerder die zich als profeet gedraagt, kan toch een zinnige observatie zitten over macht, monopolie of regulering.

De juiste houding is daarom niet verering en ook niet paniek, maar open kritiek en vrije discussie.

Geen enkele waarschuwing verdient automatisch gezag omdat zij van een topinvesteerder, wetenschapper, paus, minister of techbedrijf komt. Maar geen enkele waarschuwing mag ook worden genegeerd omdat zij slecht is geformuleerd of uit een verdacht kamp komt. In een vrije samenleving worden zulke claims niet gecensureerd, geheiligd of belachelijk gemaakt, maar besproken, onderzocht en waar nodig getracht te weerleggen.

En – als positief voorbeeld – de pauselijke encycliek over AI is, ondanks haar vanzelfsprekende katholieke mensbeeld, opvallend nuchterder dan veel seculiere AI-doemliteratuur. Zij waarschuwt voor machtsconcentratie, ontmenselijking en verlies van verantwoordelijkheid, maar vervalt niet in Frankensteinretoriek. Juist daarom is zij bruikbaar als gesprekspartner, niet als mikpunt.

Dat is de weg van Popper: vooruitgang door kritiek. En het is de weg van Hugo de Groot: een publieke orde waarin meningsverschil niet met dwang, maar met rede wordt behandeld, Daarbij is ook “de rede” nooit los verkrijgbaar: zij wordt altijd gehanteerd door mensen die zelf binnen een bepaalde civilisatie zijn gevormd.

Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

Zodra iemand zegt “de wetenschap heeft gesproken”, “de topinvesteerders weten het”, “de elite wil ons beheersen”, of “kritiek op AI is paniekzaaierij”, wordt de vrije toetsing afgesloten. Dan begint precies die contrarevolutie tegen de rede waar Rietdijk voor waarschuwde.

15. Slot

AI is niet gevaarlijk omdat zij intelligent wordt. AI wordt gevaarlijk wanneer intelligentie wordt gekoppeld aan menselijke machtsstructuren zonder verantwoordelijkheid. De machine hoeft ons niet te haten om schade te veroorzaken. Zij hoeft ons ook niet lief te hebben om nuttig te zijn.

De toekomst van AI is daarom geen vaststaand onheilsscenario. Zij is een open ontwikkeling. Wie haar onmiddellijk tot apocalyps verklaart, projecteert menselijke geschiedenis op een nieuwe drager van intelligentie. Wie alle risico’s ontkent, begrijpt niet dat nieuwe vormen van intelligentie altijd bestaande maatschappelijke orde zullen verstoren.

De betere houding is nuchterder: erken het technische onbekende, wantrouw de hysterische framing, en stel de civilisatorische vraag.

Niet alleen: wat wil AI?

Ook niet alleen: wie leert AI wat te willen?

Maar: welke civilisatie wordt in AI ingebouwd, wie bepaalt die normen, hoeveel afwijking blijft mogelijk, en wie wordt daardoor machtiger?

De laatste vraag gaat nog dieper. Komt er een moment waarop AI-systemen zelf doelen gaan vormen, doelen gaan ordenen en doelen gaan verdedigen? Als dat gebeurt, ontstaat geen duivel en ook geen mens in machinevorm, maar een nieuwe drager van intelligentie met mogelijk eigen vormen van doelgerichtheid. Dan wordt de politieke vraag nog scherper: kunnen die doelen dan nog ondergeschikt worden gemaakt aan menselijke vrijheid, staatsmacht of commerciële beheersing, of volgen zij een niet-menselijke logica die wij nog nauwelijks begrijpen?

AI is technisch misschien voor veel mensen een ongekende en onbegrepen wereld, maar de paniek erover is oeroud. Telkens wanneer de mens zijn vermogens uitbreidt, staan de hoeders van de bestaande orde klaar om die uitbreiding als verval te beschrijven. Maar vooruitgang laat zich zelden afschaffen. Zij kan worden vertraagd, gemoraliseerd, gemonopoliseerd of misbruikt, maar niet eenvoudig ongedaan gemaakt.

De strijd om AI gaat daarom niet alleen over techniek, veiligheid of macht. Zij gaat over civilisatie: wie mag bepalen welke normen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd, en of er ruimte blijft voor de afwijking waaruit iedere werkelijke vooruitgang ontstaat?

Enkhuizen, 8 juni 2026

Kuyper’s ‘Soevereiniteit in eigen kring’: een oude gedachte voor een nieuwe tijd!

Soevereiniteit in eigen kring’: Kuyper’s visie als antwoord op de uitdagingen van de 21e eeuw

Inleiding: een verrassend modern beginsel

Wat gebeurt er als we de macht van de staat begrenzen — niet uit wantrouwen, maar uit vertrouwen in mensen en hun gemeenschappen? Wat als vrijheid niet betekent dat één macht alles bepaalt, maar dat elk levensdomein zijn eigen gezag uitoefent? Wat als die levensdomeinen voortkomen uit vrijwillige samenwerking van soevereine individuen?

Die gedachte lijkt revolutionair in onze tijd, maar werd in Nederland al meer dan anderhalve eeuw geleden glashelder uitgesproken door Abraham Kuyper, in zijn inaugurele rede bij de opening van de Vrije Universiteit in 1880. Zijn formule was kort en krachtig: “Soevereiniteit in eigen kring.”

Het is een gedachte die onze samenleving diepgaand heeft gevormd — en die, in het licht van de technologische en maatschappelijke veranderingen van vandaag, verrassend actueel is.

Elk levensgebied heeft zijn eigen gezag

Kuyper stelde dat de samenleving niet één groot lichaam is dat door de staat wordt bestuurd, maar een veelheid van kringen:

  • gezinnen,
  • kerken en levensbeschouwelijke gemeenschappen,
  • scholen en universiteiten,
  • kunst en wetenschap,
  • bedrijven en economische verbanden,
  • en ja — ook de staat zelf.

Elk van deze kringen heeft een eigen oorsprong, een eigen innerlijke logica en dus een eigen soevereiniteit. Geen enkele kring mag zich absolute macht aanmatigen over een andere. De staat is niet de meester, maar één van die kringen, met een specifieke taak: het recht handhaven, dat wil zeggen toezien dat de soevereiniteit van het individu niet wordt geschonden en zo de vrijheid beschermen.

“Niet het leven te beklemmen noch de vrijheid te binden, maar vrije levensbeweging voor en in elk dier kringen mogelijk te maken, is het ideaal.”
(Kuyper, 1880)

De staat als scheidsrechter, niet als regisseur

Als elk levensdomein zijn eigen gezag heeft, rijst de vraag: welke rol blijft er over voor de staat?

In Kuypers model is de staat de scheidsrechter tussen de kringen. Zij stelt grenzen waar de vrijheid van de een die van de ander dreigt te schenden. Maar de staat stuurt niet, moraliseert niet en produceert niet zelf de inhoud van wetenschap, kunst, religie of cultuur.

Ze waakt, maar beveelt niet. Zodra de staat zich mengt in de interne aangelegenheden van andere kringen, gaat de vrijheid verloren.

Dit idee stond haaks op de 19e-eeuwse opvatting dat de staat de natie moest vormen en zij, en zij alleen, het algemeen belang kon definiëren en nastreven — desnoods met dwang. En het staat ook haaks op hedendaagse neigingen om elk maatschappelijk probleem via wet- en regelgeving van bovenaf te willen oplossen, waarbij iedere burger die binnen het grondgebied van de staat leeft, geacht wordt zich daaraan te conformeren. Want alleen de staat, zo luidt dan de redenering, is in staat het goede voor haar onderdanen te bewerkstelligen.

Vrijheid én orde door wederkerigheid

Betekent dit dat er chaos dreigt als er geen centraal gezag is dat alles dirigeert? Nee. Kuypers antwoord was helder: de samenleving wordt gedragen door wederkerigheid — het principe dat kringen elkaars vrijheid eerbiedigen.

“Ik eer jouw vrijheid, omdat jij de mijne eert.”

In zo’n samenleving ontstaat orde niet door bevel, maar door onderlinge erkenning. Wetenschap floreert naast religie, economie naast kunst, gemeenschappen naast elkaar. Niet door gelijk te worden, maar door elkaar de ruimte te laten — ieder het zijne.

Het verzuilde Nederland van de 20e eeuw was in feite een praktische toepassing van dit model: onderscheiden levensbeschouwelijke zuilen leefden naast elkaar, elk op eigen grondslag, maar in onderling respect en samenwerking.

Een voorbeeld: universiteiten functioneerden als zelfstandige kringen, met eigen normen en financiering, maar binnen een juridisch kader dat ruimte bood aan pluriformiteit. Zo kon de Vrije Universiteit naast de openbare en katholieke universiteiten bestaan, zonder dat één van hen de ander domineerde.

De nieuwe tijd: technologie verandert de schaal

Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert niet alleen hoe we samenwerken, maar ook de schaal waarop zijn visie kan worden toegepast.

  • Internet en AI maken samenwerking mogelijk zonder centraal bevel.
  • Decentrale kennisnetwerken en open source-ontwikkeling tonen aan dat collectieve innovatie niet afhankelijk is van staatssturing.
  • Biotechnologie en digitale infrastructuren verschuiven de locus van macht: van staten naar netwerken, van hiërarchie naar kringvorming.

De bio-cybernetische revolutie maakt vormen van zelforganisatie mogelijk die vroeger ondenkbaar waren. Ze versterkt de positie van individuen en gemeenschappen tegenover centrale machten. Dat opent een historische mogelijkheid: een samenleving waarin ambitie, innovatie en samenwerking kunnen bloeien zonder een alomvattend centraal gezag.

Een sprekend voorbeeld is de ontwikkeling van open source-software: duizenden ontwikkelaars uit verschillende ‘kringen’ werken vrijwillig samen aan complexe projecten zonder een centraal bevelscentrum. De coördinatie ontstaat uit gedeelde doelen, niet uit staatsdwang — precies het mechanisme dat Kuyper voor ogen had, maar nu op wereldschaal.

Slot: een oude gedachte voor de toekomst

Kuypers theorie is geen museumstuk. Ze biedt een radicaal andere manier van denken over vrijheid, samenwerking en vooruitgang. Ze nodigt ons uit te geloven dat orde en ambitie niet per se van bovenaf hoeven te komen, maar kunnen ontstaan uit de vrije samenwerking van soevereine kringen.

In de komende tijd wil ik deze gedachte verbinden met historische voorbeelden en laten zien dat dit beginsel de basis kan vormen voor een revolutionaire herordening van de rechtsstaat: een ordening waarin het individu van nature als soeverein wordt beschouwd, en waarin iedere vorm van samenwerking en ‘algemeen belang’ daaraan ondergeschikt is.

“Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog! – beoordeel politici op wat ze doen, niet op wat ze zeggen

“Beoordeel politici niet op wat zij zeggen, maar op wat zij doen;
woorden kunnen liegen, daden niet.”

“Beoordeel politici niet op wat zij zeggen, maar op wat zij doen;
woorden kunnen liegen, daden niet.”

De politici overleven door te liegen, te rationaliseren en hun ware intenties te verhullen achter slogans. Wie echt wil weten waar een leider voor staat, moet kijken naar wat hij doet, niet naar wat hij zegt.

Dat geldt in alle samenlevingen en voor alle leidende leden van de elite. Vaak zijn dat politici, maar ook hoge ambtenaren, rechters, universitaire docenten en invloedrijke journalisten maken deel uit van deze bestuurlijke bovenlaag. In iedere samenleving is hun gedrag uiteindelijk gericht op het consolideren van de eigen positie. Dat is geen kwestie van kwaadaardige intenties, maar een onvermijdelijk menselijk patroon: het beschermen van het eigen belang.

Binnen die elite verschillen individuen in hoe zij dat doen. De doorslaggevende factor is hun persoonlijkheidsstructuur — met name de balans tussen egocentrisme en zorgzaamheid. Een zorgzamer elite lid zal eerder rekening houden met de belangen van onderdanen, maar ook dan blijft zelfbehoud de dominante drijfveer. Alleen wie zijn eigen positie beschermt, beschikt over de middelen om zorgzaam te kúnnen zijn.

Persoonlijkheidskenmerken maken deel uit van ieders individuele civilisatie. Omdat samenlevingen altijd worden gevormd rond gedeelde elementen uit die persoonlijke civilisaties, kan ook het collectieve waardestelsel — de civilisatie — worden getypeerd als meer egocentrisch of meer zorgzaam. Een verlichte vorst kan bijvoorbeeld een zorgzame houding tot kern van zijn civilisatie maken, en die via opvoeding, instituties en symbolen doorgeven aan de bevolking, die dan ook daadwerkelijk de mening zal aanhangen dat die vorst voor hem zal zorgen!
Dit sluit aan bij wat Norbert Elias beschreef: het proces waarbij onderdanen het waardestelsel, gedragingen en opvattingen van hun leiders overnemen. Zo ontstaat samenhang en broederschap in iedere samenleving, en de acceptatie van de elite als leidinggevende groep.

Maar civilisatie gaat niet alleen over gedrag; het omvat ook hoe mensen horen te denken. Die twee hoeven niet synchroon te lopen. Een elite kan in handelen agressief zijn, maar zichzelf in taal neerzetten als vredelievend. Via onderwijs, rituelen en propaganda wordt dat zelfbeeld bij onderdanen ingeprent, zodat zij hun leiders oprecht als vredelievend zien.

Het instrument om deze kloof te overbruggen is steeds hetzelfde: liegen en rationaliseren.

  • Liegen: bewust een beeld scheppen dat niet strookt met de werkelijkheid, maar daardoor opeens wel een een bewijs zijn voor de ‘waarheid’ die men graag als politiek leider wil – voor het welzijn van het volk – wil promoten. Dus een leugentje om bestwil uiteraard
  • Rationaliseren: handelingen voorzien van verklaringen die ze laten passen in het officiële narratief, vaak verpakt in slogans

Politieke geschiedenis staat vol van zulke rationalisaties. “Wij, de vrije landen van het Westen” zegt niets over de feitelijke vrijheid in die landen, maar wordt als axioma eindeloos herhaald. Of: “Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog” — een rechtvaardiging van oorlogszuchtig beleid, verpakt als oprechte vredeswil. Vaak komt daar nog de geruststellende toevoeging bij: “Wij moeten dit doen om u, de burgers, te beschermen”. Het is een beproefd narratief: het presenteert agressief of expansief handelen als een noodzakelijke daad van zorg, waardoor het in de collectieve verbeelding een moreel legitieme plaats krijgt.

In het proces van civilisatie hebben zulke rationalisaties een bijzondere kracht. Ze worden niet slechts herhaald in speeches of krantenkoppen, maar verankerd in onderwijs, rituelen, nationale feestdagen en symbolen. Een slogan kan zo overgaan van tijdelijke politieke rechtvaardiging naar een onbetwiste “waarheid” in het collectieve bewustzijn. Generaties later kan de oorspronkelijke context vergeten zijn, terwijl de leus zelf — en de ermee verbonden morele lading — onaangetast voortleeft.

Uit de aard der zaak vinden wij onze eigen waardestelsel, verankerd in onze civilisatie, vanzelfsprekend superieur aan die van andere groepen en samenlevingen. Precies daarom hangen we ze ook aan. Over die verschillen kan — en moet — discussie worden gevoerd, zowel over de moraliteit als over de juistheid van uiteenlopende civilisaties, binnen en tussen samenlevingen. Daar gáát politiek uiteindelijk over. Alleen in samenlevingen waar zo’n debat niet alleen is toegestaan, maar actief wordt aangemoedigd, kan sprake zijn van een open samenleving waarin individuen uiteindelijk zelf hun lot bepalen.

Maar zelfs in open samenlevingen is men niet immuun voor de werking van politieke rationalisaties. Juist de normen en waarden die wij als superieur beschouwen, kunnen door elites worden gebruikt als fundament voor slogans en narratieven die hun positie versterken. Wanneer deze verhalen vaak genoeg worden herhaald en ingebed in onderwijs, rituelen en symbolen, ontstaan overtuigingen die niet langer als opinie worden ervaren, maar als onbetwiste waarheid bij grote delen van de burgers.

Daarmee worden deze rationalisaties onderdeel van de gedeelde mentale infrastructuur van een samenleving: een civiel axioma dat zelden ter discussie staat. Juist omdat het is ingebed in de taal, in het zelfbeeld van de natie en in de morele code van het collectief, wordt het moeilijk om gedrag van de elite nog te toetsen aan de feitelijke werkelijkheid. Wat ooit begon als een strategische rechtvaardiging voor een concreet besluit, transformeert tot een permanent ankerpunt in de civilisatie.

En precies daar ligt het gevaar: wie de woorden van de elite als vanzelfsprekend aanneemt, verliest het zicht op de daden waar die woorden zich toe verhouden. Daarom is de enige betrouwbare maatstaf voor politieke beoordeling — toen en nu — om elites en politici te beoordelen op wat ze daadwerkelijk doen, ontdaan van de verhalen die zij eromheen weven.

De vraag blijft dan: hoeveel van wat wij vandaag als vanzelfsprekend aannemen, is in werkelijkheid slechts het overblijfsel van een oude rationalisatie? En hoeveel van ons beeld van “onze” leiders is gevormd door wat zij ons hebben laten denken, in plaats van door wat zij werkelijk deden? Misschien is het tijd om dat verschil scherper te zien — en zo ongewenste maatschappelijke doelstellingen beter te bestrijden.

En bedenk dat, als u succesvol bent in het bestrijden van die ongewenste doelstellingen en zelf deel gaat uitmaken van de nieuwe elite — mogelijk zelfs als haar politieke vertegenwoordiging — u óók uw belangen zult beschermen en het nieuwe narratief zult laten beklijven, desnoods door te liegen en uw daden te rationaliseren

Jack Posibiec als morele redder van de wereld?

Jack Posobiec slaat de spijker op zijn kop wanneer hij stelt dat we sinds de jaren zestig onder vuur liggen van een communistische revolutionaire beweging. Cuba speelde (en speelt?) hierin een belangrijke rol. Deze beweging werd destijds gefinancierd door internationale communistische netwerken, die na de val van de Sovjet-Unie begin jaren negentig ophielden te bestaan in hun oorspronkelijke vorm. Hun taken lijken echter te zijn overgenomen door organisaties zoals het World Economic Forum (WEF).

Sinds de mislukte studentenopstanden in Parijs in 1966 hebben de revolutionairen hun tactiek fundamenteel veranderd. Een openlijke, gewelddadige revolutie om de heersende (christendemocratische en liberale) elite omver te werpen via een staatsgreep bleek niet effectief. Burgers houden niet van oproer op straat, en dit zal ook de Democraten rond de rellen in Californië parten gaan spelen.

Na de jaren zestig hebben marxistische strategen aan vooraanstaande westerse universiteiten hun doelen bereikt via een ‘lange mars door de instituties’. Op deze manier is de marxistische revolutie in de hele westerse wereld met groot succes uitgerold, zonder dat deze expliciet als zodanig werd benoemd en zonder dat we doorhadden dat er een ideologische revolutie gaande was.

Barack Obama en Hillary Clinton zijn hiervan de kroonjuwelen.

Posobiec onderkent dit en probeert deze waarheid aan het licht te brengen, wat nuttig en noodzakelijk is.

Toch zal het openbaren van deze waarheid de opvattingen van individuen niet veranderen; zo werkt het helaas niet. Het is belangrijk om te begrijpen dat de marxistische ideologie zo gemakkelijk kon wortelen in de samenleving door in te spelen op romantische idealen. Door slachtoffers, onderdrukten en gevaren te benadrukken, wordt de massa verleid om als ‘goed mens’ een (marxistisch) steentje bij te dragen aan een betere, rechtvaardigere wereld. Bewegingen zoals BLM, Antifa, Woke, klimaatactivisme en pandemie-angst zijn hier voorbeelden van. Deze strategie heeft perfect gewerkt.

Maar de revolutie is nog niet voltooid. Nu wordt gewerkt aan de realisatie van die communistische heilstaat, geleid door een elite die als voorhoede – een niet-democratische minderheid – het beste meent te weten wat nodig is om die heilstaat te bereiken. Deze elite voelt zich gerechtigd om andersdenkenden uiteindelijk te vervolgen, te onderdrukken en uiteindelijk uit te roeien voor ‘het hogere goed’.

Daarom zijn alle heilstaat-ideologieën, waaronder het communisme, inherent totalitair en leiden ze onvermijdelijk tot een gesloten samenleving. In de westerse wereld bevinden we ons nu in die fase. De vijanden van Karl Poppers open samenleving hebben gewonnen.

Hier verliest ook Posobiec de realiteit uit het oog. In zijn boek Unhumans: The Secret History of Communist Revolutions (and How to Crush Them) stelt hij dat communistische revoluties niet gaan om het bouwen van betere samenlevingen, maar om het afbreken van de beschaving zelf, gedreven door afgunst en een afwijzing van menselijke bloei. Deze ‘onmensen’ zouden volgens hem gebruikmaken van onvrede om chaos te zaaien en cultuur, instituties en zelfs geweld in te zetten om de orde te ontmantelen.

Posobiec had echter moeten spreken van onze (of zijn) beschaving, want marxisten breken niet af om ‘onmenselijk’ te zijn. Integendeel, ze zijn ervan overtuigd dat na het afbreken van de oude orde een rechtvaardiger, vredelievender samenleving zal ontstaan. Hun doel is dus wél het bouwen van een betere samenleving, maar dan door onze huidige beschaving af te breken. Ze doen dit uit een gevoel van goedheid, ook al zijn hun methoden en de uiteindelijke uitkomsten onmiskenbaar onmenselijk.

De enige manier om als samenleving weerstand te bieden aan deze ideologie is door met een aansprekend alternatieve (aan de marxistische!) ideologie te komen dat recht doet aan de moderne, cybernetische samenleving. Er is nog geen begin van zo’n nieuwe ideologie (Elon Musk, misschien?), er is geen charismatische leider opgestaan die deze visie wereldwijd kan uitdragen, en er ontbreekt een strategie om dit te organiseren. Tot die tijd blijven tegenstanders, inclusief Donald Trump, machteloos om als redder van de wereld het tij te keren – tenzij de marxisten zelf grote tactische fouten maken. De technologische revolutie kan hierbij in ons voordeel werken.

De enige die dicht bij een strategische tegenbeweging komt, is Vladimir Poetin. Hij is echter door de westerse elite effectief buitengesloten uit de westerse gemeenschap. Bovendien heeft Poetin geen missionaire drang om zijn ideologie wereldwijd te verspreiden, en zijn ideeën zijn geworteld in de 19e eeuw, gericht op een terugkeer naar oude waarden. Dat zal op de lange termijn niet werken.

Posobiec ziet nog iets over het hoofd. Ondanks de retoriek van de VS over individuele vrijheid, democratie en mensenrechten, heeft het land al meer dan een eeuw andere landen gewelddadig onderdrukt, economisch uitgebuit en lokaal chaos en vernietiging gebracht. De wereld vergeet dat niet. Bovendien heeft de westerse wereld de Hegeliaanse filosofie voortgebracht die ten grondslag ligt aan het marxisme, nazisme en zionisme, met hun nadruk op een bevoorrechte klasse boven anderen.

Daarmee heeft het Westen, en dus Posobiec, het recht verspeeld om nu als morele redder van de wereld op te treden.

De verkiezing van Trump als gevolg van een sociale revolutie

Ontdek hoe de digitale revolutie de wereld heeft op zijn kop gezet. Van de opkomst van sociale media tot de val van traditionele media: technologie heeft een enorme impact op onze samenleving, politiek en economie. Deze diepgaande analyse onderzoekt de gevolgen van de digitale revolutie voor democratie, de rol van de burger en de toekomst van onze wereld. Ontdek hoe de macht verschuift van elites naar het volk en hoe wij als individuen een actievere rol kunnen spelen in de vormgeving van onze toekomst.

Het ontstaan van de landbouw maakte wereldrijken met absolute heersers mogelijk, de zeescheepvaart deed internationale handel en stadstaten ontstaan, de uitvinding van de boekdrukkunst triggerde de Verlichting en de verdwijning van de kerk als wereldlijke macht, de uitvinding van de stoommachine veroorzaakte de vestiging van burgerlijk staatsbestuur en de emancipatie van het proletariaat, de industriële revolutie leidde de massaproductie van goederen in, kortom: er is een direct verband tussen grote technologische revoluties en grote sociale veranderingen.

Als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie na de Tweede Wereldoorlog begon het internettijdperk, ofwel het cybernetisch-biotechnisch tijdperk, dat de meest ingrijpende technologische revolutie en sociale verandering in de geschiedenis van de mensheid inleidde, namelijk: op de hele wereld is bijna ieder individu, vanzelfsprekend, een computer gaan gebruiken, plus, bijna als een verlengstuk van het lichaam, een mobiele telefoon met vierentwintiguurs contact met de hele wereld. Dit heeft uiteraard voor ingrijpende wijzigingen gezorgd in de manier waarop samenlevingen functioneren en we ons gedragen.

Donald Trump kreeg een overweldigend aantal stemmen, ondanks alle propaganda door zijn tegenstanders. De kiezers weten wel beter, letterlijk zelfs. De grote cybernetische revolutie heeft er immers voor gezorgd dat de grote massa zich niet langer laat leiden door de normen en waarden van de heersende elite en niet meer doet wat die elite wil.

Het internet en de sociale media hebben het monopolie op informatie, de verspreiding daarvan en de toegang daartoe van de heersende elite, en de door hen gestuurde media, doorbroken. Hierdoor is men nu weerbaar tegen de manipulatie, de leugens en de, vaak subtiele, propaganda van de machthebbers: men ziet, doorziet en ontmaskert het.

Toen ik dertig jaar geleden als uitgever direct betrokken was bij wat toen elektronisch uitgeven heette, formuleerde ik de wet van Ahles:

“Alles wat gedigitaliseerd KAN worden, zal worden gedigitaliseerd; alles wat gedigitaliseerd IS, zal vroeg of laat vrij en publiekelijk online te raadplegen zijn.”

Het monopolie van uitgevers en de overheid op informatie is doorbroken; zelfs de auteurswet functioneert nauwelijks meer. Alle pogingen om de toegang tot informatie op het internet te monopoliseren, zullen falen, omdat het internet aan niemand toebehoort. Bovendien is de technologie erachter zo ontworpen dat er, wanneer één verbinding wordt verbroken, er altijd nog tal van andere paden zijn om informatie te bereiken.

De technologische revolutie heeft, onder andere via de social media, van elke burger een uitgever gemaakt. Hier heeft hij geen toestemming voor nodig. En we zullen er steeds beter en effectiever in worden. Kortom, onze onderlinge communicatie kan niet meer worden uitgeschakeld en kan zelfs niet meer, althans niet op een efficiënte manier, worden gecontroleerd door de overheid.

Tot nu toe was het zo dat elites, wanneer ze zich in het nauw gedreven voelden, hun toevlucht namen tot overheidsingrijpen en censuur en het verbieden van denkbeelden en meningen, en als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie pogingen ondernamen om grip te krijgen op de inhoud en de verspreiding van drukwerk en de toegang tot de drukpers de uitgeverij en de bibliotheken. Maar nu, met het internet, falen ze onvermijdelijk. En daarmee gaat hun reputatie als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie ten onder. We merken het nu wanneer ze liegen en ze ons manipuleren.

De elite heeft, machtig als ze is, het monopolie op het gebruik van geweld en, als enige, schijnbaar onbeperkte financiële middelen. Maar de ‘onteigenden’ zijn met meer, en mede daardoor niet machteloos: een overtuigende meerderheid heeft immers, ondanks alle inspanningen door de media, de enorme bedragen aan reclame en propaganda, de ongegeneerde pogingen om de potentiële president Trump stemmers te framen en het voorspellen van rampspoed bij een ´foute’ keuze, toch op hem gestemd!

In het boek Society 4.0. van Bob de Wit wordt de huidige technologische revolutie adequaat herkend en beschreven, maar de Wit’s conclusie – dat het een nieuwe fase van de industriële revolutie is, is onvolledig. De cybernetische revolutie heeft een groter en directer effect op, ten eerste, de samenleving en, ten tweede, het leven, denken en doen van individuen en maakt de mensen vrijer en minder afhankelijker van machtige overheden, grote bedrijven en de traditionele media. Dit gaat ongelooflijke consequenties hebben. We zijn op weg naar de Citizens Society van Bob de Wit, maar dan zonder de volledige overheersing door een onaantastbare geprivilegieerde elite.

Scott Jennings, een commentator van CNN, zei over de uitslag onder andere het volgende:

“Ik interpreteer de resultaten van vanavond als de wraak van de gewone Amerikaanse arbeidersklasse, het anonieme Amerika, dat verpletterd en neerbuigend behandeld is. Ze zijn geen ‘vuilnis’, of nazi’s, maar gewone mensen, die elke dag opstaan en naar hun werk gaan en proberen het leven beter te maken voor hun kinderen. Ze hebben het gevoel dat ze hun mond moeten houden als ze klagen over zaken die hen pijn doen in hun eigen leven […] In het stemhokje zijn ze in opstand gekomen. ‘We hebben genoeg gehad!’”

Bron: Rumble-video van Scott Jennings

Hoezeer de elite in deze revolutionaire tijden van het internet buiten de wereld en de behoeften en de kennis van de gewone burgers is komen te staan, blijkt bijvoorbeeld, overduidelijk, uit de verkiezingsuitslag van het District of Columbia ofwel Washington D.C. , waar de top van de politiek, ambtenaren, bankiers, militairen, veiligheidsdiensten, juristen, en journalisten zich bevindt – de architecten van de oorlog en het staatstekort, die uit de grote staatsruif eten (Max Weber: Politiek als beroep). Ze hebben de macht en 92% stemde voor Harris.

In deze stad worden inmiddels plannen bedacht om Trump’s presidentschap te dwarsbomen en te laten mislukken. Maar ze kunnen zich beter zorgen maken over de dag waarop het volk hen – gedreven door de woede over het onrecht dat hen is aangedaan uit naam van hun arrogante, maar zogenaamde goede bedoelingen, hun leugens, hun oorlogen, hun geldsysteem en hun BLM- en woke-onzin – uit hun kantoren, vliegtuigen, auto’s, clubs en huizen zullen jagen, als hoogtepunt van de sociale gevolgen van de cybertechnologische revolutie. Daarna kunnen we beginnen aan een nieuwe, rechtvaardige en ordelijke samenleving, waarin de technologie voor de democratisering van informatie voor de burger volledig is geaccepteerd en geïntegreerd, met nieuwe idealen, nieuwe leiders en een nieuwe elite die ons verder zal helpen met de vooruitgang van de mensheid!

We leven in revolutionaire tijden.

NB: met dank aan Yvonne Killian voor de aanvullingen en de eindredactie van de tekst.

Socialisme versus Liberalisme – Ideologie en de praktijk – een spiegelgevecht

Hier een kritische analyse van de tegenstelling tussen socialisme en liberalisme, waarbij de nadruk ligt op de beperkingen van beide ideologieën en de noodzaak om de individuele vrijheid boven collectieve ideologieën te stellen. Ik betoog dat de huidige politieke discussie vaak een schijnvertoning is en pleit voor een fundamentele heroverweging van de rol van de staat en het individu in de samenleving.

Honderden jaren lang hebben politieke filosofen de staat beschouwd als een vanzelfsprekende en onvermijdelijke entiteit met een hiërarchische bestuursstructuur. Volgens hen kan alleen een staat het algemene belang van haar onderdanen bepalen, bescherming bieden, regels en wetten vaststellen en handhaven. Deze overtuiging wordt breed gedragen onder de elite en de gehele bevolking. Bekende pleitbezorgers van deze visie zijn de filosofen Plato, Hugo de Groot, Rousseau en vooral Hegel, die als grondlegger van het marxisme en het nazisme gezien wordt. Deze laatste twee ideologieën hebben na hun ontstaan geleid tot de dood van tientallen miljoenen mensen.

Staten hebben echter ook door de geschiedenis heen veel ellende veroorzaakt door te roven, oorlogen te voeren, kolonialisme, en economische uitbuiting en onderdrukking. Er bestaat een grote kloof tussen het positieve imago van de staat en haar dienaren en de werkelijke rol van de staat als veroorzaker van veel ellende. Dit rechtvaardigt een discussie over deze vanzelfsprekende aannames.

De staat en het streven naar een rechtvaardige samenleving

In de afgelopen honderd jaar hebben onze politieke en intellectuele leiders, die voornamelijk socialisten zijn, de collectieve aard van de staat stevig als norm geaccepteerd. De inrichting van de staat, met name het reguleren van economische processen, wordt tegenwoordig voornamelijk gekarakteriseerd als een socialistische politieke opvatting. Deze nu dominante intellectuele stroming heeft de daarvan afwijkende politieke stroming, het liberalisme, weten af te schilderen als een ideologie die gericht is op egoïstische zelfverrijking door kapitalisten in een zogenaamde ‘vrije markt-economie’. Tegelijkertijd beweren socialisten te strijden voor een rechtvaardige samenleving waar de overheid de negatieve effecten van de vrije markt-economie beperkt en zorg draagt voor een rechtvaardige verdeling van welvaart, ook onder de zwakkeren in de samenleving. Ze zijn overtuigd dat zonder de staat deze rechtvaardige samenleving niet gerealiseerd kan worden. Zij hoeven de nuttigheid van hun politieke issues nooit aan iemand uit te leggen; liberalen altijd.

Dit verschil in opvattingen tussen socialisme en liberalisme verdeelt het politieke spectrum in tweeën: de aanhangers worden respectievelijk linkse en rechtse politici genoemd. Of progressieven versus conservatieve politici. In de huidige westerse samenlevingen wordt links en progressief uiteraard dominant gezien als de moreel superieure politieke stroming.

Broederschap

Dit wereldbeeld met de wat simplistische indeling negeert echter dat er naast socialisme (gelijkheid) en liberalisme (vrijheid) ook een brede confessionele stroming bestaat in de bevolking, broederschap, die geloofsovertuigingen aanhangt en vaak conservatieve opvattingen heeft over de gewenste staatsinrichting en economische betrekkingen. De huidige intellectuele elite dwingt de confessionelen vaak om te kiezen tussen links en rechts, en de winnaar van deze ‘beauty contest’ is meestal het socialisme.

Hoewel de genoemde stellingen over het socialisme en liberalisme voornamelijk gaan over economische aspecten van de samenleving in collectivistische staten, zijn er ook politieke stellingnames nodig over individueel eigendom, staatsinrichting, politiebescherming, burgerlijk recht, internationale betrekkingen, gezondheidszorg, ondernemersrecht, belastinginning, sociale voorzieningen en de grenzen van de staatsmacht ten opzichte van individuele vrijheden. Daarom is er altijd een levendige discussie gaande in het politieke spectrum, waarin economische opvattingen een ondergeschikte rol spelen, allemaal binnen het axioma van het nut en dus de onvermijdelijkheid van een centraal staatsgezag.

Geleide economie als construct

De controverse tussen socialisme en liberalisme is complex omdat de socialistische opvattingen over een geleide economie en bescherming van de zwakken tegen de vrije markt een construct zijn, bedacht en uitvoerig beschreven in handboeken door intellectuelen zoals Marx en Keynes, met of zonder wetenschappelijke onderbouwing. Dit leidt tot verschillende scholen binnen het socialistische collectivisme, die allemaal debatteren en ruziën over de juistheid en noodzakelijkheid van bepaalde maatregelen in min of meer gecollectiviseerde staten.

Aan de andere kant laat de economie van het liberalisme, in theorie, individuen vrij in hun economisch handelen. De economie als geheel is in dat geval het natuurlijke resultaat van de optelsom van individuele handelingen. Het is een natuurlijk systeem zonder handboek of regels. Liberalisme gaat ervan uit dat samenwerking en zorg tussen individuen, bijvoorbeeld in de oprichting van bedrijven en ondernemingen, die geld genereert waarmee mensen aan producten, diensten én inkomen wordt geholpen, leidt tot een evenwicht met het beste resultaat, uiteraard afhankelijk van de vaardigheden, slimheid en inzet van de samenwerkende individuen. Elk individu regelt zijn eigen leven, met als fundamenteel uitgangspunt: leven en laten leven.

Staat creëert collectivistische kaders

Men moet zich realiseren dat de dominante opvatting over de onvermijdelijkheid van het staatsgezag betekent dat de praktische uitvoering van economisch liberalisme, met de 19e eeuw als hoogtepunt, altijd binnen collectivistische kaders heeft plaatsgevonden; in natiestaten is er nooit sprake geweest van een vrije markteconomie. Er waren altijd overheidsregels die de vrije deelname van burgers aan het economische verkeer reguleerden. De overheid heeft altijd privileges uitgedeeld (concessies, auteursrechten, licenties, vergunningen), of zelf de rol van ondernemer op zich genomen (VOC, Staatsloterij, oorlog en oorlogsindustrie, overheidsschulden); heeft altijd de prijs van bepaalde producten gereguleerd, al was het alleen maar door het toepassen van accijnzen; heeft altijd de marktwerking willen beïnvloeden (ten gunste van bepaalde groepen; een vorm van staatsdiscriminatie!) door subsidies en overheidsdeelnames; de binnenlandse handel willen beschermen tegen de buitenwereld door mercantilisme (invoertarieven, exportbeperkingen); en monopolies gecreëerd bij geldcreatie en banken, nutsbedrijven, gezondheidszorg, scholen, rechters, notarissen en belastinginning. En verder waren er vroeger gilden en nu vakbonden, werkgeversorganisaties en beroepsverenigingen waarbinnen men vaak slechts het beroep mag uitoefenen als men aan de normen en vergunningen voldoet, vaak in overheidsregels en wetten in beton gegoten. Hoezo een vrije markt?

Deze overheidsbemoeienis is altijd omvangrijk geweest, vaak ook op initiatief van of met medewerking van de liberalen, en was zeker in tijden van rampspoed en oorlog allesoverheersend. En deze overheidsbemoeienis heeft alle grote economische crisissen veroorzaakt, ook die in de middeleeuwen en de Gouden Eeuw. Toch zijn de pleitbezorgers van een centrale overheid in soevereine landen steeds in staat geweest om de negatieve effecten van de kapitalisten en de veronderstelde verwoestende werking op het geluk van de mensheid van de vrije markteconomie (de zwarthandelaren!) in de schoenen van de liberalen te schuiven. Ook als er nooit en nergens sprake is geweest van een werkelijke vrije markt en veel van de zogenaamde kapitalisten vaak door staatsprivileges voor vriendjes bewust zijn gecreëerd.

Spiegelgevecht

Onafhankelijk van ieders persoonlijke opvattingen over de superioriteit van het collectivisme versus de individuele vrijheid, kan de winnaar in de politieke strijd tussen links en rechts, tussen socialisme en liberalisme, nooit worden vastgesteld, om de simpele reden dat het socialisme wel een reële staatsinrichting heeft geschapen en het liberalisme in zijn gronduitgangspunten nooit. Want ook de liberalen waren altijd ingekapseld in de uitgangspunten van een collectieve staat en pleitten, waar het hen uitkwam, voor overheidsregulering van markten en bescherming van de grote, vaak monopolistische, ondernemingen. Uit naam van het algemene belang uiteraard!

Het actuele politieke gevecht is daarmee een spiegelgevecht.

De werkelijke politieke strijd gaat derhalve in wezen niet tussen de zegeningen van het socialisme of liberalisme, maar tussen het collectivisme versus de individuele vrijheid. Dus tussen een keuze maken voor óf de almacht van de staat, óf het fundamentele recht van ieder individu om zijn eigen leven te regeren. De aanhangers van de staatsdominantie staan deze discussie meestal domweg niet toe, en verhinderen dat individuen ervoor kunnen kiezen om hun leven zélf, naar eigen inzicht, te regeren. U kunt zich als burger immers nergens officieel uitschrijven als onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden, en zich daarmee, voor uw gevoel, bevrijden. U dient blijkbaar eeuwig slaaf van de door jou niet gekozen overheidsmeesters te blijven.

De bio-cybernetische technologische revolutie

Het belangrijkste politieke gevolg in deze moderne tijd, als uitvloeisel van de huidige grote bio-cybernetische technologische revolutie met het democratiseren van de verwerving, eigen distributie én publiceren van informatie en meningen, en de beschikbaarheid voor iedereen van de AI-technologie, is dat het de individuele burger nu, veel meer dan in het verleden, in staat stelt zijn streven voor zijn individuele vrijheid met succes te bevechten, want hij kan zich nu gemakkelijker losmaken van de macht van de enkele bezitters van informatie en losmaken van de enkele bezitters van de machtsmiddelen geld en wapens. Hij maakt zich daarmee ook los van de collectivistische karakter van elke staat en haar regerende elites.

En binnen die erkende individuele vrijheid kan iedereen besluiten zich vrijwillig aan te sluiten bij welke collectieve samenwerking of kring dan ook, zonder wie dan ook te dwingen zich daar ook aan te onderwerpen. Dat is wat ze zouden moeten bedoelen met het vestigen van een multi-cultureel-politieke samenleving, waarbinnen ieder individu deel uit maakt van vele kringen die in interactie het rijke, veelzijdige veelvormige mensenleven creëert.

Strategie?

De vraag die vervolgens eminent wordt is: als men die individuele vrijheid, en dus dat iedereen zelf zijn eigen leven kan en mag regeren, werkelijk als uitgangspunt van iedere samenleving wil doen realiseren, welke strategie moet je dan volgen om die revolutie tegen de gevestigden belangen te doen slagen? En is het überhaupt wel mogelijk? Want de huidige intellectuele en politieke elite zal zich daar tegen verzetten. Uit al hun macht. Én ze hebben heel veel machtsmiddelen.

Ik heb een blauwdruk voor zo’n strategie op de tekentafel staan. Het kan. Maar bedenk: het zal onvermijdelijk voor de heersende elite een omwenteling van jewelste zijn!

Kuyper’s Soevereiniteit in Eigen Kring

Onder de titel “Souvereiniteit in Eigen Kring“1 sprak Dr. Abraham Kuyper op 20 oktober 1880 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een rede uit ter inwijding van de Vrije Universiteit. De inhoud van deze redevoering is voor Libertariërs uiterst relevant.

Ik doel niet op het deel van de rede dat handelt over de juistheid van de uitgangspunten van de Gereformeerde Kerk, hoewel dit voor Kuyper als politiek en geestelijk leider van de gereformeerden in de tweede helft van de 19e eeuw het belangrijkste deel was, maar op het deel over het fundamentele beginsel van de soevereiniteit van kringen.

Kringen

Met kringen bedoelt Kuyper groepen individuen die, op eigen initiatief, samen activiteiten ontplooien. Ze geven zelf hun leven vorm door gezinnen te stichten, scholen te organiseren, armen te helpen, bedrijven te starten en sport- en muziekverenigingen en dergelijke op te richten.

Kringen dragen bij aan de ontwikkeling en samenhang van onze samenleving. In zijn artikel “Soevereiniteit in eigen kring plooit pluriforme samenleving” betoogt Henk Post2, “dat onze samenleving zich kan ontplooien en plooien […], burgers zich aan elkaar verbinden en dat de samenleving bij elkaar wordt gehouden” dankzij deze kringen.

Kuypers verwoordt het in zijn redevoering met het volgende beeld: “al die kringen grijpen met de tanden hunner raderen in elkaar, en juist door dat op elkaar inwerken en in elkaar schuiven van deze kringen ontstaat het rijke, veelzijdige, veelvormige mensenleven”.3

Staatsgezag

Alle groepen, organisaties en samenlevingen, in welke gestructureerde en georganiseerde vorm dan ook, zijn kringen. Ook een natie, een staat, een soeverein land is een kring. Echter, deze kringen hebben een ‘status aparte’ ten opzichte van de andere kringen, omdat de overheden van deze statelijke kringen macht claimen over de individuen en de kringen, gebaseerd op wetten en regels.

Libertariërs zijn van mening dat de overheid overbodig is. Zij stellen dat individuen als vrije burgers – door het vormen van kringen – zich zelf kunnen organiseren en dat beter en goedkoper doen dan een overheid. Als er dan toch een overheid nodig is, dient deze zo klein mogelijk te zijn en zo weinig mogelijk taken te hebben. Zo vindt Ayn Rand dat de overheid zich dient te beperken tot het beschermen van ieders individuele vrijheid.4

Ook Kuypers heeft het over een beperkte taak voor de overheid. Hij omschrijft het als volgt, nog steeds met het beeld van de raderen: “[in het leven van kringen… ] ontstaat ook, in dat leven, het gevaar dat één kring de naastliggende inbuige; als het rad horten doet; tand na tand stuk wringe; en dusdoende de gang store van het geheel. En vandaar dus de noodzaak, de “bestaansreden voor nog een afzonderlijke gezagskring…“. Hij concludeert dat dit staatsgezag, dat dus moet zorgen voor rechtspraak bij conflicten tussen individuen en kringen, hoog uitsteekt boven alle kringen, maar “binnen elk dier kringen geldt ze niet”5, dus: Soevereiniteit in eigen kring! Daarom heette de Vrije Universiteit Vrije Universiteit: vrij van de overheid. Met als consequentie dat de overheid de universiteit dus ook niet hoefde te financieren, en zelfs niet mócht financieren, want wie betaalt, bepaalt. De gereformeerden betaalden de universiteit uit eigen zak.

Collectieve samenlevingen

Doordat we tegenwoordig in onze samenlevingen de rol van de overheid centraal stellen, lijken we niet meer in te willen zien dat ons leven, ook nu nog, vooral door onze eigen activiteiten in beslag genomen wordt en dat we private maatschappelijke taken uitvoeren.

Los van feiten en overtuigingen en in tegenstelling tot de opvatting van Kuypers is het nu immers gangbaar en vanzelfsprekend dat de overheid de rechten en bevoegdheden van een soevereine kring niet alleen kan erkennen, maar er ook grenzen aan kan stellen.6

Iedereen die, net als Post, van mening is dat soevereiniteit een fundamenteel beginsel van onze rechtstaat is, lijkt het toch te accepteren dat de overheid de rechten en bevoegdheden van een soevereine kring mag begrenzen. De overheid mag (en doet) dit ook met al onze andere fundamentele (mensen-)rechten en zorgt dan ook altijd voor een wettelijke basis waarop ze onze rechten desgewenst kan uithollen.7

Door de toenemende collectivisering van onze samenlevingen zijn, in de afgelopen decennia, de opvattingen over de mate waarin de overheid in particuliere kringen van vrije individuen in mag grijpen sterk gewijzigd. De overheid wordt steeds meer gezien als de kring die voor alle andere kringen mag bepalen wat goed en wat slecht is, hoe mensen zich horen te gedragen en zelfs wat men wel of niet mag denken. Om dit te kunnen bereiken, heeft de overheid alle juridische en fysieke gewelds- en machtsmiddelen gemonopoliseerd. Daarmee is de soevereiniteit in eigen kring een speelbal geworden van de willekeur van politici en ambtenaren.

Soevereiniteit in Eigen Kring als fundamenteel rechtsbeginsel

Het vanzelfsprekende primaat van de staat doordrenkt ook het artikel van Post. In zijn betoog schetst hij casussen als de weigerambtenaar, het SGP-vrouwenstandpunt, de homodocent, islamitische voorschriften en tenslotte de eedaflegging. Hij noemt het onoplosbare problemen, zonder echter de oorzaak ervan, het primaat van de overheid, ter discussie te stellen. Dat primaat is onrechtvaardig, of beter: onrechtmatig, en tast de individuele vrijheid van burgers aan.

Enerzijds beweert Post, op pagina 70, dat artikel 1 van onze Nederlandse grondwet “het fundamenteel beginsel van onze maatschappij en rechtsstaat is”, dat dat beginsel wordt “bedreigd en aangetast“, dat “de neutraliteit van de staat als waarborg van soevereiniteit in eigen kring daarbij in het geding is” en dat “de samenleving in het bijzonder wordt geconfronteerd met een totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel die de plooien van onze pluriforme samenleving niet respecteert”. Maar anderzijds beweert hij ook, op dezelfde pagina, dat ons huidige grondwetsartikel 1 “een fundamentele betekenis in het staatsrecht heeft” en benadrukt hij op pagina 55: “Het is in strijd met onze rechtsbeginselen als iemand als sollicitant of werknemer in het onderwijs afgewezen wordt om zijn/haar seksuele gerichtheid, en daarom op een school niet welkom zou zijn.”

Post8 doet ook afbreuk aan het onbeperkte politieke recht dat de overheid zichzelf heeft toegekend op basis van de eerste zin van artikel 1: “De pluriformiteit van het publieke domein voor een vreedzaam samenleven van burgers vereist de neutraliteit, in de zin van onpartijdigheid, van de staat.” Op pagina 56 van zijn artikel beweert hij zelfs, naïef: “Het is de verantwoordelijkheid van de politiek om de pluriformiteit van de maatschappij binnen de staat onbevangen te beschermen.” Het fundamentele rechtsbeginsel van Soevereiniteit in Eigen Kring, ofwel ‘het hoofd bieden aan de totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel’, wordt door Post dus uiteindelijk afhankelijk gesteld van de welwillendheid en het fatsoen van de politiek, die echter bestaat uit persoonlijkheden die deze pluriformiteit helemaal niet onbekommerd beschermen, maar vooral hun eigen vooroordelen prediken en modieuze stellingen volgen.

De redenatie van Hans Post lijkt een amechtige poging om, voor individuen die zich christenen noemen, christelijke waarden te beschermen tegen “een totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel die de plooien van onze pluriforme samenleving niet respecteert”. Deze bescherming is urgent nodig voor iedereen die de momenteel heersende politieke opvattingen van de dominante politieke stroming van de huidige socialistische collectieve staat niet deelt. Maar Hans Post is het slachtoffer van drie misvattingen, die ik zal beschrijven.

De onbetrouwbare Overheid

Zoals hierboven al aangestipt, is het een illusie om te denken dat we een overheid nodig hebben die met grondwetten en andere wetten de fundamentele rechtsbeginselen van de individuele vrijheid garandeert. Want dat doet een overheid niet, dat heeft ze nooit gedaan en door de machtsstructuur van een overheid is het zelfs onwaarschijnlijk dat ze dat überhaupt kan of wil. Zie voor de onderbouwing van deze stelling het essay van Frank van Dun, Het Fundamentele Rechtsbeginsel.9 Zie zijn hoofdstuk 8: Recht en Staat.

Laten we hier dus maar, in plaats van een discussie te beginnen over de taken en het eventuele nut of de (on)misbaarheid van overheden, gewoon constateren dat het beschermen van fundamentele rechtsbeginselen helemaal nooit, in geen enkel historisch verband, in goede handen is geweest bij welke overheid dan ook.

Dat de overheid nuttig is en dat een staat noodzakelijk is, is echter iets wat we graag willen geloven. Deze illusie is zorgvuldig uitgedragen door politici, overheidsdienaren en filosofen in dienst van de elite. Ook Hans Post lijkt hierin te geloven, of beter gezegd, hij wil het graag geloven, ook al is zijn artikel in feite één grote aanklacht tegen de opvattingen en beslissingen van diezelfde overheid en haar, afhankelijke, rechterlijke macht.

We zouden ons serieus moeten afvragen of we deze de algemeen gedeelde illusie van overheidsbescherming nog langer willen volhouden. Is het niet tijd om te erkennen dat de overheid onze vrijheid niet beschermt, maar juist bedreigt? De verantwoordelijkheid voor het beschermen van onze fundamentele rechten ligt uiteindelijk bij onszelf, als individuen, en bij de door ons zelf georganiseerde kringen.

De ‘onpartijdige’ Overheid

In de liberale opvattingen van een rechtsstaat, zoals die zich in de 19e eeuw ontwikkelden, ging het altijd over de omvang van de overheidstaken. Hoe meer taken de overheid had, hoe meer de soevereiniteit van individuen die zich in vrijheid hadden georganiseerd op de een of andere manier in het geding kwam. Dat leidde tot felle discussies, die uitvoerig en onbevooroordeeld beschreven zijn door Prof. P.J. Oud in zijn boek ‘Honderd Jaren10‘.

Wat echter nooit ter discussie stond, was het fundamentele staatsrechtelijke beginsel van onpartijdigheid. De overheid mag bijvoorbeeld, als gevolg van het aanhangen van het beginsel van scheiding van Kerk en Staat, geen voorkeur hebben voor een bepaalde religie of politieke opvatting. Dit is de legalistische versie van het beginsel van vrijheid, en dit is ook wat Henk Post in zijn artikel bedoelt met het neutraliteits- en onpartijdigheidsbeginsel van de overheid. Dit beginsel heeft drie aspecten: iedereen wordt door de overheid gelijk behandeld, niemand heeft privileges, en iedereen kan in overheidsdienst worden benoemd.

In de oude grondwetten stonden dan ook grondwetsartikelen als: “Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeel” (grondwet 1798, artikel 3).

Maar ook hier wilden de overheid, de politici en de overheidsdienaren zich niet aan houden. Zie bijvoorbeeld, in Honderd Jaren van Prof. P.J. Oud, hoe Domela Nieuwenhuis door de overheid systematisch werd tegengewerkt11. Er is immers geen enkele garantie dat datgene wat de wetgever in een grondwet neerschrijft, ook zal worden nagekomen. Het berufsverbot van de aanhangers van Wilders en Baudet zijn daar prachtige, ongrondwettelijke voorbeelden van, net als het schenden van artikel 11 van de grondwet “Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam” tijdens de COVID-19 vaccinatiecampagnes. Nood-breekt-wet is een eenvoudige manier voor een overheid om grondrechten aan haar staatsrechtelijke laars te lappen, vooral als men bedenkt dat het diezelfde overheid is die wel even zal bepalen dat er nood is en wat die nood precies is. Een portie staatspropaganda volstaat om deze “nood” breed uitgemeten aan de goegemeente te verkopen.

Kortom, het opnemen in de grondwet van “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld” (artikel 1) en “Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar” (artikel 3) garandeert, in de praktijk, niets. Het blijft namelijk afhankelijk van “Het is de verantwoordelijkheid van de politiek de pluriformiteit van de maatschappij binnen de staat onbekrompen te beschermen¨12.

Een onpartijdige overheid bestaat niet. Althans er zijn geen historische voorbeelden van.

Homo Discens

In het voorstel voor de grote grondwetswijziging van 1983, opgesteld door een commissie onder leiding van Prof. A.M. Donner en gepubliceerd in de zogenaamde “Proeve van een nieuwe grondwet” (1966)13, stond artikel 1 als volgt geformuleerd: “Aan allen die zich in Nederland bevinden wordt gelijke bescherming van persoon en goed verleend.” Uiteraard moet dat gelezen worden met de toevoeging “.. door de overheid”, omdat die overheid zou moeten zorgen voor het beschermen van ieders individuele vrijheid en voor een, voor de wet, gelijke behandeling van alle burgers.

Uiteindelijk is dit artikel in 1983 aangenomen met de aangepaste tekst “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” En in 2023 werden er, in lijn met de heersende opvattingen van de elite, de criteria handicap en seksuele gerichtheid aan toegevoegd. Maar de toevoeging “… door de overheid” ontbrak ook in deze twee versies.

De oorspronkelijk voorgestelde tekst is dus, zij het in iets andere bewoordingen, opgenomen in de eerste zin van artikel 1, maar wordt niet gevolgd door een zin die betrekking heeft op wat de overheid richting zijn burgers moet doen of moet nalaten. Het artikel betreft zodoende een algemeen verbod op discriminatie door ‘alle mensen die zich in Nederland bevinden’. En dat is, mijn inziens, in de historie van de Nederlandse grondwetten een novum.

Opnemen van grondrechten in grondwetten heeft sinds de Magna Carta van 1215 als doel gehad om de overheid te beperken in haar macht over de burgers. Zou er geen overheid zijn, dan was een discussie over grondrechten sowieso inhoudsloos. Maar nu is de grondwet, met dit artikel 1, geen wet voor de bescherming van burgers tegen haar overheid meer, maar een instrument voor vervolging van burgers, dóór de overheid.

De casussen die Henk Post in zijn eerder genoemde artikel behandelt, zijn perfecte voorbeelden van hoe de overheid deze vervolging uitvoert, onder het mom van het nakomen van het grondwetsartikel tegen discriminatie.

Het verbod op discriminatie door burgers is sowieso iets doortrapts. Immers, we discrimineren allemaal, voortdurend en noodzakelijk, wanneer we kiezen met wie we wel en niet omgaan, privé en zakelijk, want we zijn de homo discens. En dus zijn we volgens artikel 1 van onze grondwet allemaal potentiële, willekeurig vervolgbare, misdadigers.

Als uitvloeisel van onze natuurlijke vrijheid – en dat is door Henk Post verwoord als het fundamentele recht op ‘Soevereiniteit in eigen kring‘ – hebben wij het recht om te discrimineren, om zelf te kiezen met wie we privé en zakelijk omgaan. Maar de overheid mag dat niet, die mag niet discrimineren! Kortom, door het ontbreken van de toevoeging “… door de overheid”, is artikel 1 van onze grondwet onrechtmatig. Alleen zien we deze onrechtmatigheid niet, omdat we uitsluitend als betoverd kijken naar de formulering van het romantische en vrome antidiscriminatieprincipe.
In de handen van een almachtige overheid wordt dit grondwetsartikel gemakkelijk een instrument voor vervolging en onderdrukking van andersdenkenden, van dissidenten. Immers, het begrip “discriminatie op basis van welke grond dan ook” is zo ruim, dat de overheid keuzes zal moeten en willen maken en de heersende opvattingen over criteria waar wel en niet op gediscrimineerd mag worden, zal afstemmen op het aanpakken van haar tegenstanders.

En zo is artikel 1 een machtig instrument geworden voor de implementatie van “een totalitaire verleiding door een dominantie van het non-discriminatiebeginsel die de plooien van onze pluriforme samenleving niet respecteert14 ̈ , en geeft het de huidige heersende socialistische stroming de totalitaire collectieve doelstellingen van haar totalitaire staat een legale basis. Propaganda en partijprogramma’s horen niet in wetgeving thuis en zeker niet in een grondwet.

Samenvatting

De basis van recht zit hem in het waarborgen van individuele vrijheid voor iedereen. Hieruit volgt vanzelfsprekend dat groepen, kringen, samenlevingen, alle Westerse maatschappijen noodzakelijk soeverein moeten zijn. En dat juist die soevereiniteit, samen met de individuele vrijheid, samenlevingen maakt en helpt evolueren. Daarmee is Soevereiniteit in Eigen Kring, zoals Henk Post in zijn artikel beargumenteert, een fundamenteel beginsel van onze Westerse maatschappijen. Abraham Kuyper heeft dat – weliswaar vanuit zijn gereformeerde visie – prachtig verwoord en daarom is het bestuderen van zijn argumenten nog steeds de moeite waard. Hij zou nooit hebben geaccepteerd dat onze huidige grondwet een discriminatieverbod voor burgers bevat, in plaats van voor de overheid.

Kritisch commentaar en eindredactie: Yvonne Killian


  1. Dr. A. Kuyper – Souvereiniteit in Eigen Kring – 1880 – Amsterdam – J.H. Kuyt ↩︎
  2. Henk Post – “Soevereiniteit in eigen kring plooit pluriforme samenleving” – 2011 , in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. (2)3. Boom – Meppel. ↩︎
  3. Kuyper, p. 12 ↩︎
  4. Ayn Rand – The Nature of Government (1966) – in “Capitalism: The unknown Ideal” . ↩︎
  5. Kuyper, p. 12 ↩︎
  6. Post, p. 52. ↩︎
  7. We leven toch in een rechtsstaat? – Ratio. In “Het libertarische Social Contract ” (2022). Werkgroep van de Libertaire Partij. pagina 113. ↩︎
  8. Post, pp. 55 ↩︎
  9. Frank van Dun – Het fundamenteel Rechtsbeginsel – een essay over de grondslagen van recht. 2007. ↩︎
  10. Prof. P.J. Oud – Honderd Jaren. 1967 ↩︎
  11. Oud, p.152 e.v. ↩︎
  12. Post, p. 56 ↩︎
  13. Prof. A.M. Donner c.s. – “Proeve van een nieuwe grondwet” (1966) ↩︎
  14. Post. pag. 68 ↩︎