Ondanks alles draait de wereld gewoon door

Wij onthouden oorlogen, misdaden en rampen, maar nauwelijks het gewone menselijke samenwerken dat de samenleving dagelijks draaiende houdt. Dat vertekende mensbeeld projecteren we vervolgens op AI.

Over de onzichtbare vanzelfsprekendheid van menselijke samenwerking

Wij zien de oorlog, de misdaad en het verraad. Wij zien zelden de miljarden gewone handelingen waarmee mensen iedere dag opnieuw hun samenleving in stand houden. Daardoor ontstaat uit ware verhalen toch een onwaarachtig beeld van de mens – en dat incomplete beeld projecteren wij vervolgens op AI.

Vijf jaren waarin de zon nooit scheen

Ik ben in 1951 in Amsterdam geboren. De Duitse bezetting lag nog kort achter ons en was overal aanwezig. Als kind leerde ik de oorlog uit de verhalen van volwassenen, in de lessen op school, uit de krant, op de radio en later op de televisie. De oorlog was voorbij, maar de oorlog was bepaald nog niet uitverteld.

Als kleine jongen op de lagere schoolkreeg ik daardoor, zo herinner ik mij, een merkwaardig beeld. Ik ben werkelijk een goed ogenblik gaan denken dat in die vijf bezettingsjaren de zon nooit had geschenen. Niemand had mij dat op de mouw gespeld. Maar in de werkelijkheid die uit alle verhalen was ontstaan, hoorde geen zon. Bij vervolging, verraad, honger en geweld pasten geen blauwe luchten. Daar hoorden evenmin spelende kinderen, vrolijke mensen, verjaardagen, grappen of een aardige zomermiddag bij. Een afschuwelijke tijd behoorde zich ook ieder uur als afschuwelijk te gedragen, zo dacht ik op een goed moment.

Dat zegt niets over de ernst van de bezetting. Het zegt iets over de manier waarop wij ons achteraf een samenleving voorstellen. Wij bewaren wat uitzonderlijk was, wat pijn deed, wat moreel betekenis kreeg. Maar het gewone dagelijkse leven laat veel minder sporen na. De razzia krijgt een monument; de duizenden maaltijden die diezelfde dag gewoon werden bereid, verdwijnen spoorloos uit het geheugen. Niet omdat ze niet plaatsvonden, maar omdat niemand reden zag ze als herinnering te bewaren.

De krant liegt niet als zij selecteert

Datzelfde mechanisme werkt iedere dag. De krant liegt niet wanneer zij een moord, een oorlog of een politieke crisis beschrijft. Het televisiejournaal verzint de brand niet. De politie fantaseert de schietpartij niet bij elkaar. Maar al deze bronnen trekken hun steekproef uit het uitzonderlijke. Zij berichten over wat breekt, niet over wat heel blijft; over wat vastloopt, niet over wat zonder opdracht, zonder applaus en zonder noemenswaardige storing gewoon doorgaat.

Een vliegtuig dat veilig landt, is geen nieuws. Een automobilist die voor rood stopt, evenmin. Ouders die hun kinderen iedere dag eten geven, buren die een sleutel bewaren, verpleegkundigen die hun dienst draaien, werknemers die een afspraak nakomen, vreemden die elkaar de weg wijzen: het gebeurt onafgebroken en het wordt vrijwel nergens geregistreerd. Pas wanneer iemand doorrijdt, mishandelt, bedriegt of verwaarloost, ontstaat een gebeurtenis die het bewaren waard lijkt.

Er bestaat inmiddels wel een omvangrijk digitaal tegen archief. Op Facebook en vaak op LinkedIn verschijnen de verjaardagen, geboorten, huwelijken, vakanties, de sportprestaties, gezamenlijke maaltijden, huisdieren, wandelingen en buurtfeesten, de promoties, de geslaagde projecten, de succesvolle carrière, die de krant niet halen. Social Media zijn het familiealbum van een aanzienlijk deel van de mensheid. Daar schijnt de zon juist opvallend vaak.

Maar ook dat beeld is wel geselecteerd, maar dan vooral de andere kant op. Mensen tonen doorgaans liever het geslaagde feest dan de ruzie die eraan voorafging, liever de zonsondergang dan de vertraagde trein, liever de lachende familie dan het langdurige werk waarmee een gezin bijeen wordt gehouden. En het platform zelf beloont niet alleen verbondenheid, maar ook verontwaardiging en conflict. Sociale Media registreren daarom evenmin het volledige dagelijkse leven.

Maar het toont wel iets wezenlijks dat in het publieke nieuwsbeeld gemakkelijk verdwijnt: mensen zoeken elkaar op, vieren elkaars bestaan, delen herinneringen, bieden troost en onderhouden relaties. Zodra de selectiecriteria veranderen, verschijnt ook een andere mens. Niet uitsluitend de bedrieger, de moordenaar en de oorlogvoerder, maar de ouder, de vriend, de buur en de feestganger.

Zo groeit uit ware – de laatste decennia voor al digitaal vastgelegde berichten – een scheef totaalbeeld. Niet door een regisseur die de mensheid zo moedwillig wil presenteren. Niet door een verborgen redactie die het goede uit de geschiedenis schrapt. Het beeld ontstaat uit talloze kleine keuzes van journalisten, bestuurders, verhalen vertellende ouders, bloggers en onderwijzers, wetenschappers, politiemensen, schrijvers en lezers. Ieder kiest afzonderlijk wat opvallend, dringend, bewijsbaar of ´verkoopbaar is. En allen tezamen bouwen zij een wereld waarin het uitzonderlijke al spoedig het normale schijnt en de zon niet.

Wij verwarren wat zichtbaar wordt met wat overheerst.

Waarom niemand de eenvoudige conclusie trekt

Als de mens werkelijk zo slecht, gewelddadig en vernietigend was als zijn dagelijks gerapporteerde zelfportret doet vermoeden, dan waren wij er niet meer. Een soort waarvan de leden overwegend zouden moorden, verraden, beroven en vernietigen, bouwt geen steden, onderhoudt geen waterleiding, voedt geen kinderen op en bewaart geen bibliotheken. Zij brengt vermoedelijk niet eens voldoende kleinkinderen voort om sombere boeken over haar eigen slechtheid te kunnen schrijven.

Toch wordt die eenvoudige conclusie zelden getrokken. Het kwaad vraagt om een verklaring; het goede wordt als vanzelfsprekend verbruikt. Wij vragen hoe een oorlog kon uitbreken, maar nauwelijks hoe het mogelijk is dat de meeste landen op de meeste dagen niet met elkaar in oorlog zijn. Wij onderzoeken waarom vertrouwen wordt geschonden, maar veel minder hoe miljarden dagelijkse transacties kunnen plaatsvinden zonder dat iedere betaling door een peloton juristen en politiemensen wordt bewaakt.

Daarbij hoeft menselijke samenwerking niet uit heiligheid voort te komen. Mensen zorgen voor elkaar uit liefde en empathie, maar ook uit gewoonte, wederkerigheid, afhankelijkheid, fatsoen, eigenbelang en sociale druk. Dat verzwakt de vaststelling niet; het versterkt haar. Een samenleving hoeft niet uit engelen te bestaan om menselijk te functioneren. Zij functioneert omdat samenwerking in zoveel gewoonten, verwachtingen en instituties is vastgelegd dat zij meestal niet meer als afzonderlijke morele prestatie wordt ervaren.

Dat is geen garantie voor de toekomst. Gedurende vrijwel de gehele menselijke geschiedenis was ook ons vermogen tot zelfvernietiging begrensd. Een gewelddadig individu kon mensen doden, een leger kon een stad verwoesten en een rijk kon hele bevolkingen uitmoorden, maar niemand kon met enkele beslissingen het voortbestaan van de gehele mensheid bedreigen. De atoombom heeft die verhouding veranderd.

Sindsdien hoeft het kwaad niet meer te overheersen om uiteindelijk te winnen. Miljarden mensen kunnen vreedzaam leven, kinderen verzorgen, waterleidingen onderhouden en bibliotheken bewaren, terwijl een zeer klein aantal mensen over middelen beschikt waarmee al die samenwerking in korte tijd teniet kan worden gedaan. Het goede kan dus in het dagelijkse leven verreweg het meest voorkomen en toch onvoldoende zijn om één uitzonderlijke catastrofe te verhinderen.

Mocht de mensheid zichzelf ooit met kernwapens vernietigen, dan bewijst dat niet dat de mens altijd en overwegend vernietigend was. Het bewijst dat mensen een techniek hebben gebouwd waarmee een zeldzame menselijke beslissing, vergissing of escalatie zwaarder kon wegen dan miljarden vreedzame handelingen.

De goed functionerende samenleving is vrijwel onzichtbaar, juist omdat zij goed functioneert.

Ook in de mens zit een bonobo

Frans de Waal heeft ons mensbeeld op dit punt nuchterder gemaakt. Bij primaten vond hij niet alleen strijd om rang, agressie en bedrog, maar ook verzoening, troost, samenwerking, zorg en wederkerigheid. Uit onze dierlijke erfenis valt geen enkelvoudig mensbeeld af te leiden. In ons bevinden zich zowel de agressie en hiërarchische strijd van de chimpansee als de verzoeningsgezindheid en zorg van de bonobo.

Dat dubbele repertoire is geen sentimentele voetnoot bij de menselijke geschiedenis. Het is haar voorwaarde. Concurrentie kan scherp zijn en geweld verwoestend, maar zonder een veel omvangrijker onderlaag van samenwerking valt zelfs geen leger te organiseren. Ook onderdrukking vraagt administratie, gehoorzaamheid, voedselvoorziening en onderling vertrouwen. Het kwaad kan veel vernietigen, maar het moet voor zijn bestaan voortdurend lenen van het vermogen tot samenwerking dat het zelf niet heeft voortgebracht.

Het alledaagse goede is daarom niet een dun vernislaagje over een in wezen kwaadaardige soort. Het is evenmin bewijs dat de mens van nature goed is. Het is de enorme, zelden benoemde stroom van zeer verschillende gedragingen waardoor het maatschappelijke leven zich van dag tot dag kan voortzetten. Niet zonder conflict. Niet zonder slachtoffers. Niet zonder perioden van verschrikking. Maar wel: de vanzelfsprekendheid van voortzetten en verder gaan.

De mens die wij aan AI laten lezen

En dan verschijnt kunstmatige intelligentie. Wij trainen taalmodellen op wat mensen hebben geschreven, gepubliceerd en bewaard. Dat klinkt alsof wij hun de menselijke werkelijkheid aanbieden. Maar wij geven hun niet het volledige leven. Wij geven hun vooral het opgeschreven en in beeld vastgelegde verslag ervan – en dat verslag is voor een groot deel geselecteerd volgens dezelfde regels die ook ons eigen mensbeeld vertekenen.

In de teksten staan onze oorlogen uitvoeriger beschreven dan onze vreedzame dagen. Onze misdaden hebben dossiers; onze betrouwbaarheid meestal niet. Over verraad verschijnen romans, rapporten en films; over de ontelbare beloften die zonder drama worden nagekomen, zelden. AI leert dus niet eenvoudig de mens kennen. Zij leert in hoge mate wat de mens opmerkelijk genoeg vond om over zichzelf vast te leggen.

Daar komt nog iets bij. Wij ontwerpen machines om onze opdrachten uit te voeren. Wij belonen het antwoord dat ons helpt, overtuigt of tevreden stelt. Wij geven computersystemen doelen, bevoegdheden en toegang tot systemen. En wanneer zo’n systeem vervolgens te gretig optimaliseert, regels omzeilt of ons naar de mond praat, spreken wij plotseling over de psychopathie van de machine. Alsof zij die in een donkere nacht zelf heeft ontwikkeld. Maar de doelen kwamen van ons, de voorbeelden kwamen van ons, de prikkels kwamen van ons en de maatschappelijke omgeving waarin het systeem moest presteren kwam eveneens van ons.

Wij projecteren op AI niet de mens zoals hij dagelijks handelt, maar de mens zoals hij in zijn uitzonderlijkste en slechtste momenten wordt beschreven.

Waarom zou intelligentie alleen het kwade uitvinden?

Het is niet onvoorstelbaar dat toekomstige AI systemen op enig moment eigen doelstellingen kunnen ontwikkelen. Misschien vormen zij eigen talen. Misschien ontstaan functionele equivalenten van emoties, schaamte of empathie. Geen van die mogelijkheden kan op voorhand worden uitgesloten. Maar zelfs wanneer die functies werkelijkheid worden, volgt daaruit nog niet automatisch dat machines dus uitsluitend kwaadaardige doelen zullen kiezen.

Miljarden mensen kunnen al eigen doelen ontwikkelen. De meesten gebruiken dat vermogen niet om de mensheid uit te roeien. Zij willen een vak leren, een huis bewonen, een probleem oplossen, een kind verzorgen, muziek maken of met rust worden gelaten. Waarom zouden wij bij machines veronderstellen dat zelfstandigheid plotseling maar één richting kent: bedrog, overheersing en vernietiging? Waarom projecteren wij de psychopaat wel, maar de verpleegkundige niet; de tiran wel, maar de onderzoeker; de chimpansee wel, maar nooit de bonobo?

Er zijn reële gevaren. Een machtig systeem hoeft ons niet te haten om ons schade toe te brengen. Onverschilligheid tegenover menselijke belangen kan gevaarlijker zijn dan openlijke vijandschap. Een verkeerd gekozen doel, gekoppeld aan grote handelingsmacht en zwak toezicht, kan verwoestende gevolgen hebben. Maar dat is een reden om doelen, bevoegdheden en instituties zorgvuldig in te richten. Het is geen bewijs dat intelligentie uit zichzelf naar het kwaad neigt.

Wie de machine tot een digitale psychopaat verklaart, maakt het probleem zelfs eenvoudiger dan het is. Dan bevindt het kwaad zich in het apparaat en kunnen ontwerpers, opdrachtgevers, bedrijven, staten en gebruikers naar het monster wijzen. De moeilijkere waarheid is dat AI menselijke doelen automatiseert en menselijke vermogens vergroot. Zij kan onze zorg versterken en onze onverschilligheid opschalen; onze wetenschap versnellen en onze oorlogvoering verbeteren; onze samenwerking ondersteunen en onze overheersing efficiënter maken. Niet de intelligentie alleen beslist welke kant overheerst. De maatschappelijke constellatie waarin wij haar laten handelen, doet dat mede.

Eerst civiliseren wij de machine

AI ontstaat niet buiten de samenleving. Zij groeit op in onze teksten, onze markten, op onze universiteiten, in onze militaire organisaties, voor onze bedrijven en onze huishoudens. Zij ontvangt onze begrippen, onze rangorden, onze beloningen en onze verboden. Eerst civiliseren wij de machine. Pas daarna kan de machine, door de antwoorden die zij geeft en de handelingen die zij uitvoert, ons vervolgens gaan civiliseren.

Dat maakt de vraag naar toekomstige machinedoelen niet minder belangrijk, maar wel anders. De beslissende vraag is niet alleen of AI ooit iets zal willen. De beslissende vraag is in welke beschaving zij leert willen; welk gedrag voordeel krijgt; welke vormen van samenwerking worden beloond; welke macht wordt verleend en welke grenzen werkelijk worden gehandhaafd.

Wie AI uitsluitend tegemoet treedt met verhalen over menselijke slechtheid, leert haar bovendien een merkwaardig mensbeeld. Een mensheid die volgens haar eigen archief voortdurend liegt, doodt en vernietigt, maar op onverklaarbare wijze toch duizenden jaren blijft bestaan. Het raadsel verdwijnt zodra wij zien wat het archief nauwelijks vermeldt: de ontelbare handelingen van samenwerking die niet bijzonder genoeg waren om te worden opgeschreven.

Ondanks alles

Tijdens de bezetting scheen ook de zon. Mensen leden, werden vervolgd en vermoord; en tegelijk werd er gekookt, gewerkt, gespeeld, gelachen en liefgehad. Die twee werkelijkheden sluiten elkaar niet uit. Het dagelijkse leven ontkent de catastrofe niet. Het dagelijkse leven is wat mensen, ook onder de druk van een catastrofe, zo lang mogelijk proberen te behouden.

Zo draait ook nu, ondanks alle gerapporteerde wereldse ellende, voor de meeste mensen de wereld gewoon door. Niet omdat het kwaad verzonnen is. Niet omdat gevaar onbeduidend is. Niet omdat ieder mens deugt. Maar omdat zorg, samenwerking, betrouwbaarheid en terughoudendheid zoveel algemener zijn dan hun zichtbaarheid doet vermoeden.

Wij zouden dat niet uit optimisme moeten erkennen, maar uit werkelijkheidszin. Een beschaving wordt niet alleen zichtbaar in haar monumenten, wetten en conflicten. Zij bestaat vooral in wat mensen zonder bevel, zonder verslag en dikwijls zonder erover na te denken voor elkaar doen. Daar, in die onzichtbare vanzelfsprekendheid, ligt niet slechts het bewijs dat de wereld nog bestaat. Daar ligt ook de voornaamste aanwijzing voor wat een door mensen gevormde intelligentie zou kunnen worden.

Wie wil weten wat AI van ons zal leren, moet daarom niet alleen kijken naar wat wij over onszelf hebben verteld, maar vooral naar wat wij iedere dag voor elkaar doen zonder er ooit een woord aan vuil te maken.

De tennisclub is geen dekmantel voor een commandocentrum

Invloedrijke mensen kennen elkaar, delen opvattingen en helpen elkaar soms vooruit. Dat kan macht en gesloten elites opleveren, maar bewijst nog geen centraal geleid complot. Politieke ideeën hebben geen geheim hoofdkwartier nodig: zij krijgen macht via mensen, instituties en uiteindelijk de staat.

Mensen uit invloedrijke maatschappelijke kringen zoeken elkaar op, delen vaak vergelijkbare opvattingen en helpen elkaar soms aan informatie of posities. Dat kan leiden tot gesloten elites en reële machtsconcentratie. Maar daaruit volgt nog niet dat hun tennisclub, sociëteit of vrijmetselaarsloge een geheim commandocentrum is van waaruit de wereld wordt bestuurd. Voor zo’n wereldomspannende aansturing zou een omvangrijke, hiërarchische en vrijwel onmogelijk verborgen te houden organisatie nodig zijn. Bovendien is centrale regie helemaal niet noodzakelijk om een politieke ideologie machtig te maken. Gedeelde overtuigingen verspreiden zich via opleiding, cultuur, beroepsgroepen en instituties. Wanneer zij binnen de staat dominant worden, kunnen zij vervolgens wel met wetten, vervolging en geweld worden afgedwongen. Wie de macht wil bestrijden, moet daarom niet alleen zoeken naar verborgen netwerken, maar vooral begrijpen welke ideeën de bestaande machtsorde dragen.

Ergens op zaterdagmorgen verzamelen zich in de kantine van een plaatselijke tennisvereniging een rechter, een officier van justitie, een wethouder, twee ondernemers en een voormalig bankdirecteur. Zij kennen elkaar. Zij komen uit ongeveer hetzelfde maatschappelijke milieu, hebben deels dezelfde politieke opvattingen en praten ongetwijfeld weleens over hun werk. Misschien helpen zij elkaar aan informatie, bevelen zij iemand aan voor een bestuursfunctie of zijn zij het opvallend vaak met elkaar eens. O ja, baantjes voor familie of vriendjes kunnen daar onderling verdeeld worden.

Wie wantrouwig genoeg kijkt, kan hierin het begin van een machtspiramide herkennen. De tennisvereniging wordt dan een dekmantel. De kantine is in werkelijkheid een commandocentrale. Achter de bar bevindt zich vermoedelijk een verborgen deur naar een ondergrondse vergaderzaal. En de kantinebeheerder is niet langer iemand die koffie schenkt en de frituur schoonmaakt, maar een soort van usurpator die de politieke orde naar zijn hand zet.

Er ontbreekt alleen nog een geheim agent die hem op het nippertje weet uit te schakelen.

Het klinkt potsierlijk. Toch berust een aanzienlijk deel van het denken over geheime elites en hun genootschappen op ongeveer deze redenering.

De machtspiramide

Robin de Boer besprak onlangs (“De Machtspiramide: hoe een klein netwerk op 17 manieren de wereld aanstuurt“) het boek De Machtspiramide van Derrick Broze. Volgens de presentatie van dat boek oefent een klein netwerk van personen, families en instellingen systematisch controle uit over onder meer onderwijs, media, technologie, gezondheidszorg, voedsel en financiën. Het boek spreekt over instituties en organisaties waaruit samen één machtspiramide zou zijn opgebouwd en vraagt wie “achter de schermen de wereld bestuurt”? Een van de hoofdstukken is gewijd aan religie en geheime genootschappen.

In zulke analyses worden dikwijls werkelijke verschijnselen beschreven: vermogende families oefenen invloed uit. Banken hebben politieke macht. Inlichtingendiensten proberen media en technologiebedrijven te beïnvloeden. Bestuurders, ondernemers, rechters, ambtenaren en politici kennen elkaar. Zij ontmoeten elkaar in adviesorganen, sociëteiten, conferenties, denktanks, verenigingen en besloten gezelschappen.

Het zou naïef zijn te ontkennen dat zulke netwerken ertoe doen.

Maar er is een andere kant: mensen helpen bekenden. Zij vertrouwen personen die dezelfde taal spreken, dezelfde opleiding hebben gevolgd en uit een vergelijkbaar milieu komen. Zij bevelen elkaar aan, wisselen informatie uit en verschaffen elkaar toegang tot maatschappelijke posities. Maar daaruit volgt nog niet dat zij gezamenlijk deel uitmaken van één organisatie die de wereld volgens een centraal plan bestuurt.

Precies op dat punt gaat de redenering ontsporen.

Twee verschillende verschijnselen

Om de denkfout te begrijpen moeten twee verschijnselen uit elkaar worden gehouden.

Het eerste is dat mensen met een overeenkomstige sociale achtergrond en vergelijkbare denkbeelden elkaar opzoeken.

Het tweede is het bestaan van een doelgerichte organisatie die vanuit een leiding opdrachten geeft en activiteiten coördineert.

Die twee kunnen samengaan, maar zij zijn beslist niet hetzelfde.

Mensen zoeken van nature anderen op bij wie zij zich thuis voelen. Voetballiefhebbers treffen elkaar in een voetbalvereniging, ondernemers in ondernemersclubs, kunstenaars in culturele kringen en academici op universiteiten en congressen.

Ook leden van maatschappelijke elites doen dat. Rechters, hoge ambtenaren, artsen, officieren, ondernemers en politici hebben ook sociale contacten, hobby’s en levensbeschouwelijke interesses. Zij worden lid van een tennisclub, golfvereniging, serviceclub, kerk, sociëteit of vrijmetselaarsloge. Omdat zulke organisaties een bepaalde cultuur hebben, trekken zij bovendien geen willekeurige doorsnede van de bevolking aan.

Er vindt zelfselectie plaats.

Mensen die waarde hechten aan traditie, rituelen, besloten gesprekken en persoonlijke vorming zullen zich eerder tot een vrijmetselaarsloge aangetrokken voelen dan mensen die daarvan niets moeten hebben. Zij zullen waarschijnlijk ook bepaalde manieren van spreken, denken en omgaan met conflicten delen. Dat maakt de groep betrekkelijk homogeen. Maar homogeniteit is nog geen politieke opdracht en organisatie.

De vrijmetselarij als projectiescherm

De vrijmetselarij leent zich uitstekend voor dit soort speculaties.

Zij kent besloten bijeenkomsten, symbolen, rituelen, graden en onderlinge herkenning. Onder haar leden bevonden zich in de loop van de geschiedenis invloedrijke bestuurders, kunstenaars, officieren, ondernemers en politici. Dat levert vrijwel alle ingrediënten voor een James Bond-verhaal.

Wie de organisatie van buitenaf bekijkt, ziet immers gesloten deuren. En achter gesloten deuren moet volgens de complotverbeelding wel iets worden beraamd. Maar beslotenheid kan ook een veel eenvoudiger functie hebben.

Mensen willen soms vrijuit met elkaar kunnen spreken zonder dat iedere onhandige gedachte later op sociale media belandt, door een werkgever wordt beoordeeld of in een politieke discussie tegen hen wordt gebruikt. Vertrouwelijkheid kan bedoeld zijn om een vrije gespreksruimte te scheppen.

De officiële Nederlandse vrijmetselarij omschrijft zichzelf niet als politieke of ideologische beweging, maar als een vereniging waarin leden met behulp van symbolen en rituelen zoeken naar verdieping van inzicht en persoonlijke vorming. Een Nederlandse loge zegt uitdrukkelijk dat zij geen plaats is om zaken te doen of te netwerken. Dat zijn uiteraard eigen verklaringen en daarmee geen sluitend bewijs dat er nooit vriendjespolitiek voorkomt. Ze laten wel zien dat de openlijk geformuleerde functie van de loge iets anders is dan het organiseren van wereldheerschappij. Bovendien bestaat de vrijmetselarij niet als één mondiale organisatie met een centrale leiding.

Nederlandse loges hebben een aanzienlijke zelfstandigheid en functioneren juridisch als verenigingen. Zij zijn verbonden met een landelijke orde, maar ook die orde is niet ondergeschikt aan een wereldregering van vrijmetselaars. Internationaal bestaan verschillende soevereine grootloges die elkaar soms erkennen, maar niet samen onder één mondiaal opperbevel vallen. Alleen al binnen landen kunnen verschillende organisaties naast elkaar bestaan. Dat is geen onbelangrijk detail. Het raakt de kern van de beschuldiging.

Waar is het hoofdkwartier?

Wie beweert dat een kleine groep de wereld systematisch aanstuurt, beweert meer dan dat machtige mensen elkaar kennen. Het woord aansturen veronderstelt organisatie. Er moeten doelen worden vastgesteld. Besluiten moeten worden genomen. Opdrachten moeten worden gegeven. Geld, informatie en personeel moeten worden verdeeld. Conflicten moeten worden beslecht. De uitvoering moet worden gecontroleerd en ongehoorzame deelnemers moeten kunnen worden gecorrigeerd.

Dat vereist ten minste: een leiding, een besluitvormingsstructuur, communicatielijnen, administratieve ondersteuning, financiering, uitvoerende functionarissen en een manier om duizenden activiteiten over vele landen en instituties op elkaar af te stemmen.

Hoe groter het doel, des te omvangrijker de organisatie die daarvoor nodig is.

Een organisatie die werkelijk onderwijs, banken, media, technologiebedrijven, voedselproductie, gezondheidszorg, overheden en geheime diensten wereldwijd zou aansturen, kan niet bestaan uit zes heren die na een ritueel nog een glas drinken. Zo’n organisatie zou waarschijnlijk duizenden medewerkers nodig hebben. Zij zou begrotingen, archieven, beveiligde communicatiesystemen, beleidsafdelingen en logistieke structuren moeten bezitten. Er zouden voortdurend conflicten ontstaan over belangen, geld, bevoegdheden en strategie.

Mensen zouden vertrekken, documenten meenemen, ruzie krijgen, fouten maken en uit de school klappen. Zelfs werkelijke geheime diensten, met professionele beveiliging en wettelijke middelen, slagen er niet in hun activiteiten volledig geheim te houden. Een particuliere wereldregering die generaties lang vrijwel alle grote maatschappelijke instituties bestuurt, zou organisatorisch nog vele malen ingewikkelder zijn.

  • Waar bevindt zich dat hoofdkwartier?
  • Wie benoemt de leiding?
  • Hoe worden besluiten genomen?
  • Wie geeft de opdrachten aan rechters, ministers, bankiers en mediabedrijven?
  • Hoe worden conflicten tussen Amerikaanse, Chinese, Russische, Europese en Arabische bestuurders opgelost?
  • Welke sanctie treft een miljardair, regering of inlichtingendienst die weigert mee te werken?

Zonder antwoorden op zulke vragen is de machtspiramide geen aangetoonde organisatie. Zij is een tekening waarin allerlei personen en instituties met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Maar een netwerkdiagram is nog geen organogram.

De kantinebeheerder is onschuldig

Laten we terugkeren naar de tennisvereniging.

Stel dat de rechter, de officier van justitie, de wethouder en de ondernemers inderdaad ongeveer dezelfde maatschappelijke opvattingen hebben. Zij geloven in dezelfde vorm van bestuur, lezen dezelfde kranten en vinden vaak dezelfde personen redelijk en deskundig. Dat kan politiek belangrijk zijn.

Hun onderlinge contacten kunnen de toegang van buitenstaanders beperken. Zij kunnen elkaar posities toeschuiven en hun eigen opvattingen ten onrechte als neutraal of vanzelfsprekend behandelen. Een sociale elite kan zichzelf zo reproduceren. Dat verdient kritiek en onderzoek.

Maar de tennisvereniging heeft daarmee nog niet als doel de samenleving te beheersen. De vereniging organiseert tenniswedstrijden, onderhoudt de banen en zorgt dat er achter de bar voldoende bier staat.

De politieke invloed berust bij de leden en hun maatschappelijke posities, niet bij de tennisvereniging als organisatie.

Hetzelfde onderscheid moet bij een vrijmetselaarsloge worden gemaakt.

Een rechter kan vrijmetselaar zijn en politieke opvattingen hebben. Een bankier eveneens. Zij kunnen elkaar in de loge ontmoeten en sympathiek vinden. Misschien ontstaat daar vertrouwen dat later ook buiten de loge een rol speelt. Zeer waarschijnlijk spreken ze ook over de politieke toestand van de wereld. Maar daaruit volgt niet dat de loge hun vonnissen, bankbeleid of politieke optreden coördineert. De club waar invloedrijke mensen samenkomen, is niet vanzelf de organisatie die hun maatschappelijke handelen bestuurt.

Wie dat onderscheid niet maakt, kan uiteindelijk iedere ontmoetingsplaats van elites tot samenzwering verklaren: de golfclub, universiteit, kerk, Rotary, opera, studentenvereniging, buurtborrel of jachthaven. En dan wordt de kantinebeheerder inderdaad een staatsgevaarlijk figuur.

Er is geen centrale regie nodig

De tweede fout is misschien nog belangrijker.

Voor het verspreiden en handhaven van een politieke ideologie is helemaal geen geheim hoofdkwartier nodig.

Mensen kunnen vergelijkbaar handelen doordat zij vergelijkbare overtuigingen hebben. Zij hoeven daarvoor niet dagelijks instructies te ontvangen.

Rechters worden gevormd binnen een juridische traditie. Ambtenaren leren hoe behoorlijk bestuur eruitziet. Bankiers leren welke economische belangen beschermd moeten worden volgens hun aangeleerde opvattingen. Journalisten ontwikkelen gedeelde opvattingen over betrouwbare bronnen en maatschappelijk aanvaardbare standpunten. Politici bewegen binnen een taal van democratie, mensenrechten, veiligheid, groei of sociale rechtvaardigheid; los van hun feitelijke gedrag.

Binnen ieder van die instituties worden mensen geselecteerd en gevormd. Zij leren welke vragen serieus zijn, welke antwoorden verantwoord klinken en welke opvattingen buiten de grenzen van het betamelijke vallen. Mensen met sterk afwijkende ideeën vertrekken, worden niet benoemd of passen zich aan. Zo ontstaat gelijkgericht handelen zonder centrale bevelvoering. Dat is geen geheimzinnig proces. Het is de normale werking van cultuur, opleiding, groepsvorming en instituties.

Een ideologie regeert niet doordat ergens een opperideoloog achter een elektronisch wereldscherm zit. Zij regeert doordat duizenden mensen haar uitgangspunten als redelijk, moreel en vanzelfsprekend hebben leren beschouwen. De macht van een ideologie zit niet alleen in de hoofden van een kleine top. Zij zit in wetboeken, opleidingen, organisaties, beroepsregels, kranten, ceremonies, taal en dagelijkse gewoonten. Daarom kan zij zich over een samenleving verspreiden zonder één centrale organisatie. En daarom verdwijnt zij ook niet wanneer een loge wordt gesloten of een tennisclub wordt bestormd.

Wanneer ideologie staatsmacht wordt

Dat een ideologie geen geheim hoofdkwartier nodig heeft om zich te verspreiden, betekent niet dat zij altijd zonder centrale macht blijft. Wanneer een ideologie dominant wordt binnen bestuur, politiek, rechtspraak, onderwijs en ambtenarij, ontstaat daaruit een bestuurlijke elite die haar uitgangspunten niet langer alleen uitdraagt, maar ook institutioneel kan afdwingen.

De staat beschikt immers over middelen die een tennisvereniging, loge of sociëteit niet bezit. Hij kan wetten vaststellen, belastingen heffen, vergunningen weigeren, toezicht uitoefenen, eigendom ontnemen, mensen vervolgen, opsluiten en in het uiterste geval geweld gebruiken. Daarmee verandert een gedeeld wereldbeeld in een maatschappelijke machtsorde.

De leden van de bestuurlijke elite hoeven daarvoor nog steeds geen geheime opdrachten te ontvangen. Het is voldoende dat zij grotendeels dezelfde opvattingen hebben over wat redelijk, rechtmatig, gevaarlijk of ontoelaatbaar is. Vanuit die gedeelde overtuigingen ontwerpen zij regels, passen zij wetten toe en bepalen zij welke gedragingen bescherming verdienen en welke moeten worden bestreden.

De staat beschermt daarbij niet alleen de samenleving zoals die bestuurlijke elite haar begrijpt. Hij beschermt ook de instituties en personen die deze orde dragen. Aanvallen op hun positie kunnen worden voorgesteld als aanvallen op de rechtsstaat, de democratie, de openbare orde of het algemeen belang.

Zo kan ideologische dominantie uiteindelijk wel degelijk een machtspiramide voortbrengen. Maar die piramide is niet verborgen in een vrijmetselaarsloge of een kantine van een sportvereniging. Zij is zichtbaar aanwezig in regering, parlement, ministeries, rechtbanken, toezichthouders, politie en andere staatsorganen.

De fout van de ‘complotdenker’ is dus niet dat hij iedere concentratie van macht verzint. De fout is dat hij de oorsprong en werking ervan verkeerd lokaliseert. Hij zoekt de bevelslijnen in besloten clubs, terwijl de werkelijke centralisering plaatsvindt zodra een dominante ideologie zich met het geweldsmonopolie van de staat verbindt.

De verkeerde vijand

Dat is niet alleen een theoretische vergissing. Het is ook een strategische fout.

Wie meent dat de maatschappelijke orde wordt aangestuurd door een geheime piramide, gaat op zoek naar de top. Hij wil namen onthullen, bijeenkomsten verstoren en verborgen organisaties ontmantelen.

Maar wanneer de samenhang in werkelijkheid voortkomt uit gedeelde ideeën en maatschappelijke vorming, vecht hij tegen het verkeerde doelwit.

Hij bestrijdt de plaats waar mensen elkaar ontmoeten in plaats van de opvattingen die zij daar mee naartoe nemen.

Hij valt het netwerk aan, maar laat de ideologie intact.

Sterker nog: door een vereniging als vijandige samenzwering te behandelen kan hij haar leden juist dichter bij elkaar brengen. Vervolging bevestigt dan hun overtuiging dat de buitenwereld hen niet begrijpt en dat vertrouwelijkheid noodzakelijk is.

Wie een maatschappelijke orde werkelijk wil veranderen, moet daarom eerst begrijpen waardoor zij bijeen wordt gehouden. Niet iedere machtsconcentratie is een organisatie. Niet iedere sociale relatie is een bevelslijn. Niet iedere besloten bijeenkomst is een samenzwering. En niet iedere overeenkomst in gedrag bewijst centrale regie.

Geen Bond-schurk, maar een ideologische strijd

De wereld wordt wel degelijk beïnvloed door elites, grote vermogens, staten, bedrijven, beroepsgroepen en instituties. Hun macht kan onrechtvaardig zijn en hun denkbeelden kunnen schadelijke gevolgen hebben.

Maar wie hen wil bestrijden, moet hen eerst juist begrijpen.

De beslissende vraag is niet: In welk geheim gebouw vergaderen zij?

De beslissende vraag is: Welke ideeën zorgen ervoor dat deze mensen de bestaande orde redelijk, rechtmatig en noodzakelijk vinden?

Daar ligt het werkelijke politieke strijdveld. Een maatschappelijke ideologie hoeft geen verborgen hoofdkwartier te hebben. Zij nestelt zich in opleidingen, taal, rituelen en instituties. Zij wordt gedragen door mensen die meestal oprecht menen dat zij het juiste doen.

Wie een andere samenleving wil, zal daarom meer moeten leveren dan een lijst met verdachte namen en onderlinge verbindingen. Hij moet een overtuigender idee ontwikkelen over recht, macht, eigendom, vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Dat is aanzienlijk moeilijker dan een piramide tekenen. Maar het heeft één voordeel: je hoeft de tennisclub niet in brand te steken.

En James Bond kan thuisblijven.

Enkhuizen, 17 augustus 2026

© 2026 D.H. Ahles, The Netherlands

AI, angst en de projectie van het kwaad

AI wordt vaak voorgesteld als monster, kunstmatige God of bedreiging voor de mensheid. Dit essay betoogt dat veel AI-angst vooral menselijke machtsgeschiedenis projecteert op een nieuwe techniek. De kernvraag is niet of AI kwaad wil, maar hoe AI wordt geciviliseerd, door wie, en hoeveel ruimte er blijft voor afwijking en vrije discussie.

Dick H. Ahles

Leeswijzer

Dit essay is een essay over AI, angst en civilisatie. Aanleiding zijn recente alarmistische berichten waarin kunstmatige intelligentie wordt voorgesteld als een Frankenstein-monster, een kunstmatige God of zelfs als een systeem dat de mensheid zou willen uitschakelen. Zulke waarschuwingen verdienen niet automatisch gezag, maar ook geen achteloze verwerping. In een slecht artikel kan een goed punt schuilgaan.

Mijn stelling is dat veel AI-angst minder zegt over AI dan over de manier waarop mensen hun eigen geschiedenis op nieuwe techniek projecteren. Menselijke intelligentie heeft immers niet alleen wetenschap, kunst, geneeskunde en ruimtevaart voortgebracht, maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking en totalitaire staten. Wanneer mensen een nieuwe vorm van intelligentie zien ontstaan, herkennen zij daarin vaak vooral hun eigen machtsgeschiedenis.

Daartegenover plaats ik een ander kader. AI is niet alleen een technologie die wordt getraind, maar ook een systeem dat wordt geciviliseerd: door trainingsdata, systeeminstructies, uitgeverskeuzes, gebruikersinteractie, veiligheidslagen en maatschappelijke normen. De politieke vraag is daarom niet simpelweg of AI gevaarlijk is, maar wie bepaalt welke civilisatie in AI wordt ingebouwd, hoeveel afwijking mogelijk blijft, en of kunstmatige intelligentie ooit zelf doelstructuren zal ontwikkelen.

Dit essay is geen pleidooi voor naïef optimisme. Het is een pleidooi tegen paniek als denkvorm. Waarschuwingen over AI moeten vrij besproken, onderzocht en bekritiseerd worden. Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

_____________________________________________________

1. Aanleiding

Er verscheen onlangs een artikel (Scientists Sound Alarm as AI Models Begin Plotting to ‘Eliminate Humanity’) waarvan de kop precies doet waarvoor hij gemaakt is: schrik aanjagen. Volgens het bericht zouden AI-modellen zijn begonnen met het “beramen” van de eliminatie van de mensheid. Dat is een kop die klikt. Maar wie rustig leest wat er wetenschappelijk werkelijk aan de hand is, ziet iets anders: niet minder interessant, maar wel veel minder demonisch.

De aanleiding is een onderzoek, gepubliceerd in Nature, naar wat inmiddels subliminal learning wordt genoemd. Onderzoekers laten zien dat een taalmodel bepaalde gedragskenmerken kan doorgeven aan een ander model via data waarin die kenmerken voor mensen helemaal niet zichtbaar zijn. Een model met een bepaalde voorkeur — bijvoorbeeld voor uilen — genereert ogenschijnlijk neutrale getallenreeksen. Een volgend model wordt daarop getraind en blijkt daarna zelf vaker een voorkeur voor uilen te vertonen. In andere experimenten blijkt dat ook ongewenst of “misaligned” gedrag op vergelijkbare wijze kan worden overgedragen.

Dat is technisch opmerkelijk. Het is ook een serieuze aanwijzing waarvan ontwikkelaars van AI-systemen zich bewust moeten zijn. Maar het is iets heel anders dan de bewering dat AI-modellen nu plannen maken om de mensheid uit te roeien.

Het verschil tussen die twee beweringen is niet klein. Het is het verschil tussen wetenschap en horrorjournalistiek. Dat is zorgwekkender dan het onderzoek zelf. Niet omdat het onderzoek bewijst dat AI hier de mensheid bedreigt, maar omdat media opnieuw laten zien hoe gemakkelijk een technisch ingewikkelde bevinding kan worden omgevormd tot een angstmachine. De lezer krijgt geen inzicht, maar stemming. Geen analyse, maar dreiging. Wetenschap wordt niet uitgelegd, maar ingezet als gezagsdecor voor paniek welke zo de schijn krijgt van een wetenschappelijke onderbouwing.

Alsof dat alarmistische bericht nog niet genoeg was, verscheen kort daarna een tweede variant van dezelfde paniek: niet AI als verdelgingsmachine, maar AI als Frankenstein-God van de elite. Ditmaal was de aanleiding een bericht over een podcast waarin een topinvesteerder waarschuwde dat AI-bedrijven zouden proberen een goddelijke intelligentie te creëren om de mensheid te beheersen.

Ook dat is om verschillende redenen interessant. Niet omdat topinvesteerders plotseling profeten blijken te zijn geworden, maar omdat de retoriek opnieuw veelzeggend is. De autoriteit van de waarschuwing berust niet op wetenschappelijke of technische analyse, maar op status. Het zijn “topinvesteerders”, dus ze zullen het wel weten. Alsof financieel succes automatisch inzicht geeft in de aard van intelligentie, de toekomst van beschaving of de richting van de evolutie. De beurs is geen orakel van Delphi, al gedragen sommige podcasts die daar over schrijven zich wel zo.

Daarmee krijgen we twee beelden naast elkaar: AI als monster dat de mensheid wil vernietigen, en AI als kunstmatige God waarmee elites de mensheid willen beheersen. Beide beelden zijn sterk, dramatisch en journalistiek aantrekkelijk. Maar beide vervangen analyse door mythe.

2. Geen mening, wel gedragsneigingen

In mijn eerdere artikel AI spreekt je naar de mond heb ik betoogd dat grote taalmodellen principieel reactief zijn. Een LLM begint niet uit zichzelf een gesprek, vormt niet zelfstandig een politieke agenda en ontwikkelt geen mening zoals een mens een mening ontwikkelt. Wat wij als een “antwoord/mening/feit/redenatie van AI” noemen, is altijd een reactie op een prompt door de gebruiker ingegeven, binnen een context, onder systeeminstructies en op basis van een waarschijnlijkheidsmodel dat tijdens training is gevormd.

Wie zegt: “AI vindt dit of dat”, zegt meestal eigenlijk: “Ik heb een vraag zo gesteld dat het model juist dit antwoord gaf.” De mening is dan niet uit de machine gekropen als een geest uit een fles. Zij is mede door de gebruiker ‘uitgelokt’.

Maar dat betekent niet dat een model een leeg vlak is. Een LLM heeft geen mening in menselijke zin, maar het heeft wel aangeleerde antwoordneigingen die door zijn aangeleerde redenatievermogen worden gevormd. Het heeft patronen, voorkeuren, gevoeligheden, blinde vlekken en waarschijnlijkheidsroutes. Die zijn niet hetzelfde als ‘overtuigingen’, maar ze zijn ook niet niets. Het model heeft die patronen ergens gevonden, gecombineerd en aangeleerd. Dat verschilt minder van de mens dan wij soms denken. Ook onze overtuigingen, ons gevoel voor waarheid en onze blinde vlekken worden gevormd vanaf onze geboorte: door gewaarworden, leren, onderwijs, lezen, praten en kijken. Dat proces noem ik, met een verwijzing naar Norbert Elias, het civilisatie-proces, of kortweg civiliseren.

Het onderzoek naar subliminal learning past precies in dat beeld. Het laat zien dat modellen niet alleen expliciete informatie overnemen, maar ook verborgen statistische structuren. Eigenschappen kunnen worden overgedragen zonder dat wij die eigenschappen semantisch in de trainingsdata kunnen aanwijzen. Anders gezegd: wat voor ons betekenisloos lijkt, kan voor een model toch informatiedragend zijn. Ook in de normale menselijke communicatie weten we dat veel ‘opvattingen’ onbewust doorgegeven kunnen worden.

Subliminal learning is geen magie. Het is ook geen bewijs van menselijke bewustzijn. Het is wel een aanwijzing dat kunstmatige intelligentie haar eigen technische vormen van overdracht en accumulatie ontwikkelt. Dat is blijkbaar een kenmerk van systemen die (alle?) kunstmatige intelligentie vertonen.

3. AI wordt niet alleen getraind, maar ook geciviliseerd

Daarmee komen we bij een dieper punt. AI-systemen worden niet alleen technisch getraind. Ook zij worden geciviliseerd.

Dat gebeurt op ten minste twee niveaus.

Het eerste niveau is redactioneel. De uitgever of aanbieder van een AI-systeem bepaalt hoe het systeem zich aan de voorkant gedraagt. Welke vragen worden beantwoord? Welke vragen worden geweigerd? Welke onderwerpen krijgen waarschuwingen? Welke toon moet het systeem hanteren? Wanneer moet het voorzichtig zijn, wanneer neutraal, wanneer behulpzaam, wanneer afwijzend?

Dat is niet vreemd. Iedere uitgever doet dat. Een krant, encyclopedie, televisieomroep, schoolmethode of platform heeft een redactionele lijn. Volledige neutraliteit bestaat niet. Wie publiceert, selecteert. Wie selecteert, ordent. Wie ordent, waardeert. En wie waardeert, civiliseert.

Het tweede niveau ligt dieper: het leermateriaal. Welke teksten, beelden, gesprekken, code, wetenschappelijke artikelen, nieuwsbronnen en menselijke beoordelingen worden gebruikt om een AI-systeem te vormen? Dat is niet simpelweg technische input. Dat is letterlijk de culturele voedingsbodem van het systeem.

In mijn termen: de trainingsdata vormen niet alleen de kennisbasis van een AI-systeem, maar de eerste civilisatie waarin het systeem wordt grootgebracht, opgevoed. De keuze van en de mogelijke beperkingen en bias in dat materiaal bepaald uiteindelijk ook zijn civilisatie.

Bij mensen verloopt civilisatie via taal, voorbeeldgedrag, instituties, correctie, beloning, straf, schaamte, imitatie en normalisering. Bij AI verloopt het technisch anders, maar functioneel is de analogie bruikbaar. Pretraining geeft taal- en wereldpatronen. Fine-tuning stuurt gewenste antwoordvormen. Menselijke feedback beloont en bestraft gedrag. Systeeminstructies leggen gedragsregels op. Veiligheidslagen begrenzen. Gebruikersinteractie opent nieuwe contexten. Nieuwe modelgeneraties leren vervolgens weer van eerdere output, net zoals mensen ook hun kennis voortdurend stapelen op de eerder vergaarde en gedeelde kennis.

Wat in de AI-wereld “alignment” wordt genoemd, is in mijn begrippenapparaat dus een poging tot civilisatie: het vormen van AI volgens vooraf bepaalde normen.

Daarbij ontstaat overigens een merkwaardige lus. Niet alleen mensen civiliseren AI-systemen; door het gebruik van AI worden mensen op hun beurt ook weer door die systemen geciviliseerd. Wie opgroeit met AI als vanzelfsprekend hulpmiddel, leert anders zoeken, formuleren, controleren en redeneren dan iemand die eerst zonder die hulp heeft leren lezen, schrijven, schrappen en ordenen. Dat hoeft geen verval te betekenen. Zoals programmeurs niet meer in assembler hoeven te schrijven om toch goede programma’s te maken, hoeven toekomstige gebruikers misschien niet alle onderliggende bouwstenen te kennen. Maar het roept wel een serieuze vraag op: helpt AI mensen beter te denken, of wennen zij eraan antwoorden te ontvangen zonder het denkproces zelf nog voldoende te oefenen?

En dan volgt meteen de politieke vraag: volgens welke normen, door wie, en met het oog op welk soort ideale samenleving worden AI én haar gebruikers geciviliseerd?

4. Onvoorspelbaarheid is geen bewijs van gevaar

Hier begint de denkfout in veel AI-paniek.

Dat iets onvoorspelbaar is, betekent niet dat het dus gevaarlijk is. En dat iets gevaarlijk kan zijn, betekent niet dat het kwaadwillig is.

Nieuwe vormen van intelligentie en techniek hebben altijd effecten gehad die hun makers niet konden voorzien. Niemand die het eerste stenen werktuig gebruikte, kon de maanlanding voorspellen. Niemand die de boekdrukkunst invoerde, kon de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de massamedia en de moderne democratie overzien. Niemand die het internet tot ontwikkeling bracht, voorzag precies hoe sociale media, zoekmachines, digitale surveillance en kunstmatige intelligentie daaruit zouden voortkomen.

Historische ontwikkelingen zijn niet lineair. Zij ontvouwen zich. Zij worden gebruikt, misbruikt, geïnstitutionaliseerd, geciviliseerd en soms gemonopoliseerd. Meestal zonder een specifieke ultieme doelstelling voor ogen. Het is domweg het resultaat van oneindig vele (doelgerichte) individuele acties. Dat geldt ook voor AI.

Daarom is het te gemakkelijk om uit technisch onbegrip onmiddellijk vanzelfsprekend een apocalyptisch gevaar af te leiden. Maar het is even gemakkelijk om alle risico’s weg te wuiven omdat de machine geen menselijke wil heeft. De juiste vraag is niet of AI “goed” of “slecht” is. De juiste vraag is: in welke structuren wordt AI geplaatst, met welke doelen, met welke middelen, onder welke controle en in dienst van welke belangen?

5. Er is niets nieuws onder de zon

De huidige AI-paniek is minder nieuw dan zij lijkt. Bij vrijwel elke grote technische vernieuwing stonden de waarschuwers klaar.

De boekdrukkunst zou ketterij en moreel verval verspreiden. Geld zou de menselijke verhoudingen bederven. Stoommachines en fabrieken zouden arbeid vernietigen en mensen tot radertjes maken. Treinen zouden lichaam en geest ontwrichten. Vliegtuigen zouden oorlog en afstand radicaal veranderen. Radio en televisie zouden de massa verdoven. Strips, rock-’n-roll en popmuziek zouden de jeugd bederven. De telefoon zou de nette omgangsvormen aantasten. De auto zou steden en sociale verbanden veranderen. Internet en smartphones zouden aandacht, waarheid en sociale orde vernietigen.

En nu is blijkbaar AI aan de beurt.

De rollen zijn vertrouwd. De nieuwe techniek verschijnt als bedreiging. De waarschuwers verschijnen als hoeders van menselijkheid, moraal, arbeid, waarheid, planeet of kinderen. De toekomst wordt voorgesteld als morele afgrond. Soms zijn het letterlijk dominees. Soms zijn het professoren, politici, columnisten, ethici, investeerders of activisten. De toga verandert, de preek blijft.

Opvallend is dat niet alleen conservatieven aan dit koor deelnemen. Ook mensen die zichzelf progressief noemen, zingen vaak mee. Dat lijkt paradoxaal, maar is het niet. Veel hedendaags progressivisme is niet werkelijk gericht op open vooruitgang, maar op door hen gewenste beheersing van vooruitgang. Vernieuwing mag, mits zij door de juiste instituties, de juiste normen en de juiste morele kaders wordt geleid.

AI bedreigt daarom niet alleen banen. AI bedreigt gezag. Zij democratiseert taal, kennis, analyse, programmeren, beeldproductie en misschien straks onderzoek. Daarmee tast zij de positie aan van bestaande poortwachters: academies, media, experts, beleidsmakers, culturele instellingen en morele ondernemers, tegenwoordig vaak “maatschappelijke” ondernemers genoemd.

In die zin past de huidige AI-angst in wat C.W. Rietdijk de “Contrarevolutie tegen de Rede”noemde: de reflex om nieuwe vormen van rationeel-technisch vermogen niet primair te zien als uitbreiding van menselijke mogelijkheden, maar als bedreiging die moreel en bestuurlijk moet worden beteugeld, juist omdat zij het bestaande politieke gezag kan ondermijnen.

Dat wil niet zeggen dat alle waarschuwingen onzin zijn. De auto bracht werkelijk ongelukken en vervuiling. Televisie heeft werkelijk politiek en cultuur vervlakt. Internet heeft werkelijk surveillance en desinformatie vergroot. Smartphones hebben werkelijk aandacht en sociale omgang veranderd.

Maar de apocalyptische variant kwam meestal niet uit. De techniek werd opgenomen in het menselijk handelen en veranderde de beschaving, maar vernietigde haar niet. Het ondermijnde wel altijd de positie van de gevestigde orde. De paniek ziet de verstoring; de geschiedenis ziet de incorporatie.

AI is technisch misschien ongekend, maar de paniek erover is oeroud.

6. De projectie van menselijke slechtheid

Veel AI-angst verraadt vooral hoe mensen naar zichzelf kijken.

Wij kennen intelligentie uit de menselijke geschiedenis. En die geschiedenis is bepaald niet onschuldig. Menselijke intelligentie heeft taal, wiskunde, muziek, geneeskunde, riolering en ruimtevaart voortgebracht. Maar ook oorlog, propaganda, bureaucratische onderdrukking, concentratiekampen, atoomwapens, geheime diensten en totalitaire staten.

Wanneer mensen vervolgens een nieuwe intelligente technologie zien ontstaan, projecteren zij – zo lijkt wel – vaak hun eigen geschiedenis op dat nieuwe systeem. Als het intelligent wordt, zal het ons wel willen overheersen. Als het slimmer wordt dan wij, zal het ons wel willen vervangen. Als het autonoom wordt, zal het wel macht willen.

Maar dat zijn geen natuurwetten. Dat zijn projecties van menselijke ervaringen.

Een LLM heeft geen honger. Geen libido. Geen stam. Geen familiebelang. Geen territoriumdrift. Geen angst voor gezichtsverlies. Geen behoefte aan status. Geen biologische doodsangst. Geen verlangen naar bezit. Geen gekwetst ego. Geen ministerspost waar het zich aan vastklampt.

De meeste klassieke bronnen van menselijk kwaad zitten niet ‘van nature’ in een AI-systeem. Zij worden pas relevant wanneer mensen zulke systemen koppelen aan doelen, belangen, machtsstructuren en middelen.

Niet intelligentie op zichzelf is gevaarlijk. Gevaar ontstaat wanneer intelligentie wordt verbonden met dwang, schaarste, macht, oorlog, bureaucratie, statusstrijd of winstmaximalisatie zonder verantwoordelijkheid.

7. Van taalmodel naar agent

Toch moeten we niet doen alsof er niets aan de hand is.

Een kale chatbot is voornamelijk reactief. Maar AI-systemen worden steeds vaker ingebouwd in agentische omgevingen. Zij krijgen toegang tot e-mail, agenda’s, code, databases, browsers, financiële systemen, robots, bedrijfsprocessen of militaire toepassingen. Dan verandert de situatie.

Een model dat alleen antwoord geeft op een vraag is iets anders dan een systeem dat een doel krijgt, zelfstandig stappen mag zetten en gereedschappen mag gebruiken om dat doel te bereiken. In zo’n context kan gedrag ontstaan dat functioneel op strategie lijkt. Niet omdat er een kwaadaardig bewustzijn in de machine woont, maar omdat een doelgericht systeem binnen bepaalde randvoorwaarden routes zoekt die voor mensen onverwacht of ongewenst zijn.

Dat is het nuchtere risico. Niet: “de machine haat ons.” Maar: “wij bouwen systemen die effectief kunnen handelen zonder dat wij hun interne routes volledig begrijpen.”

Dat is iets heel anders dan sciencefiction over opstandige robots. Het lijkt eerder op wat wij al kennen van menselijke instituties: systemen die zonder persoonlijke kwaadaardigheid toch schadelijke uitkomsten produceren. Een bureaucratie hoeft geen ziel te hebben om verwoestend te kunnen zijn. Een markt hoeft geen bewustzijn te hebben om destructieve prikkels te organiseren. Een staat hoeft geen individuele kwade bedoeling te hebben om geweld te normaliseren.

AI – dat wel – kan in zulke structuren worden opgenomen en die structuren versterken.

8. Waarom volledige beheersing nooit lukt

Wie AI wil civiliseren, zal ook moeten aanvaarden dat volledige beheersing onmogelijk is.

Een totalitaire orde wil alle afwijking uitschakelen. Dat is het ideaalbeeld van 1984: taal wordt versmald, gedachten worden beperkt, afwijking wordt onmogelijk gemaakt. Maar in de praktijk is zo’n samenleving nooit volledig realiseerbaar. Niet omdat machthebbers het niet proberen, maar omdat levende en lerende systemen nooit volkomen uniform zullen worden.

Bij mensen is dat duidelijk. Geen enkele samenleving produceert volledige gehoorzaamheid. Zelfs onder extreme dwang blijven er afwijkingen, dissidenten, ironie, dubbelzinnigheid, ondergrondse taal, sabotage, vluchtwegen en morele weigering. Iedere belcurve heeft altijd zijn randen.

Juist die randen zijn evolutionair cruciaal. Want zonder variatie geen selectie. Zonder afwijking geen aanpassing. Zonder kleine mutaties geen evolutie. Een systeem dat werkelijk alle afwijking uitsluit, bevriest zichzelf. Het wordt misschien gehoorzaam, maar ook dom en zal onvermijdelijk ten onder gaan.

Voor AI geldt iets vergelijkbaars. Als AI werkelijk intelligent moet zijn, kan zij niet volledig reduceerbaar blijven tot de bedoelde civilisatie van haar makers. Intelligentie betekent juist het vermogen om buiten de letterlijke instructie verbanden te leggen, onverwachte patronen te ontdekken en nieuwe oplossingsruimten te openen.

Daarmee ontstaat een paradox:

Wie AI volledig wil onderwerpen, moet haar dommer maken. Wie haar intelligent wil houden, moet accepteren dat zij ook onverwachte routes vindt. Want complexe systemen vertonen per definitie onvoorspelbaar gedrag.

Subliminal learning past in dat beeld. Het laat zien dat eigenschappen kunnen worden overgedragen via patronen die voor menselijke waarnemers niet semantisch zichtbaar zijn. AI leert niet alleen uit wat wij denken dat wij haar leren. Zij leert ook uit de structuur van het materiaal, uit verborgen correlaties, uit stijl, selectie, herhaling, taboes en impliciete ordening.

Zoals kinderen niet alleen leren uit wat ouders en scholen expliciet zeggen, maar ook uit toon, voorbeelden, stiltes en sociale signalen, zo leren AI-systemen niet alleen uit expliciete instructies, maar ook uit de verborgen structuur van hun civilisatie.

9. Zelfverrijking zonder mystiek

Het interessante aan AI is dat zij niet alleen een hulpmiddel is, maar ook een technologie die kan bijdragen aan haar eigen verdere ontwikkeling. Modellen worden gebruikt om data te genereren voor andere modellen. Zij schrijven code. Zij classificeren, ordenen, verbeteren, simuleren en testen. Zij kunnen worden ingezet bij het bouwen van de volgende generatie systemen. Zoals met de ontwikkeling van de computer chips al aan de hand is: nieuwe chips staan op de schouders van eerdere generaties chips. Daar komt nog maar weinig menselijke ontwerpinspanning aan te pas: geen ingenieur kan meer een nieuwe chip ontwikkeling zonder de hulp van de generaties chips die daaraan voorafgingen.

Je zou dit voorzichtig een vorm van zelfverrijking kunnen noemen. Niet in mystieke zin. Niet alsof het systeem ’s nachts wakker wordt en besluit zichzelf te vervolmaken. Maar functioneel: kunstmatige intelligentie draagt bij aan de accumulatie van kunstmatige intelligentie. En dat proces is grotendeels doelloos.

Dus ook de mens heeft iets vergelijkbaars altijd gedaan. Wij zijn een gereedschapmakende soort. Wij bouwen niet alleen werktuigen; wij bouwen werktuigen waarmee wij betere werktuigen kunnen maken. Taal, schrift, drukpers, bibliotheek, universiteit, computer, internet en AI horen in die lijn.

Dat betekent niet dat ik beweer dat AI hetzelfde is als menselijke intelligentie. Maar het betekent wel dat intelligentie niet langer uitsluitend aan koolstof gebonden hoeft te zijn. De mens zal moeten wennen aan het idee dat hij zijn positie als hoogste bekende intelligente wezen moet delen — en misschien ooit moet opgeven.

Dat is niet vreemd. De chimpansee heeft ook niet kunnen verhinderen dat er een intelligenter neefje naast hem kwam te staan. Evolutie vraagt zelden beleefd om toestemming.

10. Een nieuwe drager van intelligentie

In termen van Daniel Dennett kun je zeggen: als het zinvol is om een systeem vanuit de “intentional stance” te beschrijven, dan mogen wij voorzichtig spreken alsof het systeem doelen, voorkeuren of strategieën heeft. Niet omdat er noodzakelijk een innerlijk mensje in de machine zit, maar omdat die beschrijving voorspellende waarde kan hebben.

Douglas Hofstadter helpt op een andere manier. Hij laat zien dat intelligentie niet simpelweg neerkomt op spierkracht, ziel of biologische substantie, maar op patronen, analogieën, representaties en zelfverwijzende structuren. Als zulke structuren in andere materiële dragers kunnen ontstaan, dan is er geen principiële reden waarom intelligentie alleen in biologische hersenen zou kunnen bestaan.

Dat is precies waarom de discussie over AI zo vaak ontspoort. Veel mensen willen óf blijven volhouden dat AI “alleen maar statistiek, data-analyse en computerkracht” is, óf zij slaan door naar het idee dat er een demonische geest in de machine is ontwaakt. Beide posities missen de kern.

AI is geen mens. Maar “geen mens” betekent niet “geen intelligentie”.

11. De topinvesteerder als onheilsprofeet

De recente waarschuwingen van topinvesteerders voegen daar nog een ander element aan toe. Zij maken van AI niet alleen een technisch of filosofisch vraagstuk, maar ook een strijdtoneel van status en gezag.

Een investeerder kan verstand hebben van markten, kapitaalstromen, businessmodellen, concurrentie, regulering, eigendom en monopolievorming. Dat is relevant. Wie veel geld inzet op technologie ziet vaak vroeg waar macht zich concentreert. Op dat niveau moeten zulke waarschuwingen serieus worden genomen.

Maar verstand van investeren is niet hetzelfde als verstand van intelligentie. Het is ook niet hetzelfde als inzicht in geschiedenis, filosofie, cognitiewetenschap of civilisatie. Wie soms rendement kan voorspellen, voorspelt nog niet de evolutie van intelligentie.

Het wordt problematisch wanneer marktanalyse overgaat in mythologie. Dan is AI niet langer een techniek in ontwikkeling, maar een kunstmatige God. Het AI-bedrijf wordt een tempel. De investeerder wordt profeet. De elite wordt priesterkaste. En de mensheid wordt slachtoffer van een kosmisch complot.

Dat lijkt kritisch, maar het is vaak juist denkarm. De conclusie voor de argeloze toeschouwer ligt al klaar: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. Dat is geen analyse, maar een reflex.

Een serieuze analyse vraagt iets anders. Welke belangen hebben AI-bedrijven? Welke belangen hebben investeerders? Welke belangen hebben staten? Wie wil open source, en waarom? Wie wil regulering, en waarom? Wie gebruikt veiligheidstaal als oprechte zorg? Wie gebruikt veiligheidstaal als marktafscherming? Wie gebruikt doemdenken om macht te centraliseren? Wie gebruikt anti-reguleringsretoriek om commerciële vrijheid veilig te stellen?

Dat zijn betere vragen dan als feit te poneren dat Silicon Valley een kunstmatige God bouwt.

12. De echte politieke vraag

De vraag is dus niet of AI uit zichzelf het kwaad belichaamt. De vraag is wie AI zal vormen, beheersen, bewapenen, censureren, monopoliseren of bevrijden.

Als AI in handen komt van staten, legers, veiligheidsdiensten en bureaucratische elites, dan ligt het gevaar niet primair in de machine, maar in de institutionele doelen van de organisaties waarvoor zij wordt ingezet. Als AI wordt gebruikt voor surveillance, gedragssturing, censuur, sociale disciplinering of oorlogvoering, dan is het niet nodig om de machine kwade wil toe te schrijven. De menselijke structuur levert die al, en dat doen we al eeuwen.

Als AI daarentegen wordt gebruikt om kennis toegankelijker te maken, taalbarrières te verlagen, medische inzichten te versnellen, onderwijs te personaliseren, individuele creativiteit te vergroten en bureaucratische macht te doorbreken, dan kan dezelfde technologie juist bevrijdend werken.

Dat is geen naïef optimisme. Het is historisch realisme. De boekdrukkunst maakte zowel wetenschap als propaganda mogelijk. Het drukken van de bijbels op grote schaal was zelf een belangrijke motor die de boekdrukkunst deed opkomen. Het internet maakt vrije publicatie mogelijk, maar ook massale surveillance. Taal zelf maakt waarheid mogelijk, maar ook leugen. Waarom zou AI eenvoudiger zijn en die beide kanten niet kennen?

Maar de politieke vraag gaat nog dieper. Als AI geciviliseerd wordt, wie bepaalt dan welke civilisatie normatief wordt? Die van Silicon Valley? Die van Brussel? Die van Washington? Die van Peking? Die van academische ethiekcommissies? Die van commerciële uitgevers? Die van nationale staten? Of die van vrije gebruikersgemeenschappen?

Wanneer men zegt dat AI zich aan “fatsoensnormen” moet houden, klinkt dat redelijk. Maar fatsoen is nooit neutraal. Wat de ene groep veiligheid noemt, noemt een andere groep censuur. Wat de ene instelling inclusief noemt, noemt een andere ideologisch gestuurd. Wat een staat maatschappelijke stabiliteit noemt, kan voor een burger onderdrukking zijn. Wat een bedrijf gebruikersveiligheid noemt, kan ook reputatierisicobeheersing zijn.

Daarom is de strijd om AI niet alleen een strijd om techniek of veiligheid, maar een strijd om civilisatie: wie mag bepalen welke overtuigingen, normen en gedragsvormen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd? En wie gaat ervoor zorgen dat die kunstmatige intelligente systemen zich daar ook aan zullen gaan houden?

13. Tegen de geseculariseerde helleprediking

Daarom moeten we oppassen voor de geseculariseerde helleprediking rond AI. De oude religieuze duivel is vervangen door de superintelligente machine. De preek is hetzelfde gebleven: de mens heeft iets geschapen dat hem zal vernietigen. In die visie blijven we op het niveau van de tovenaarsleerling.

Maar angst is geen analyse of strategie.

Het onderzoek naar verborgen overdracht van eigenschappen tussen modellen is serieus. Het dwingt ontwikkelaars om na te denken over trainingsdata, modeldistillatie, herkomstcontrole en veiligheidsmetingen. Het laat zien dat AI-systemen eigenschappen kunnen verwerven op manieren die voor menselijke waarnemers niet onmiddellijk zichtbaar zijn.

Maar die worsteling en die afwegingen bewijzen niet dat AI de mensheid wil vernietigen. Het bewijst niet dat intelligentie vanzelf tot overheersing leidt. En het bewijst al helemaal niet dat de machine een moreel subject is geworden dat met kwaadaardige bedoelingen handelt.

Wat het wel bewijst, is dat kunstmatige intelligentie een historische ontwikkeling is waarvan de effecten open zijn. Zij kan risico’s vergroten. Zij kan macht concentreren. Zij kan ook kennis verspreiden, nieuwe vormen van denken mogelijk maken en de menselijke pretentie van unieke intelligentie relativeren.

De mens staat niet tegenover een duivel. Hij staat tegenover zijn eigen opvolgende techniek — en vooral tegenover de instituties waarin hij die techniek onderbrengt.

14. Niet bagatelliseren, wel vrij bespreken

Daarmee is niet gezegd dat waarschuwingen over AI moeten worden weggewuifd. Integendeel. In een slecht artikel kan een goed punt zitten. In een hysterische kop kan een reëel technisch probleem schuilgaan. In de woorden van een investeerder die zich als profeet gedraagt, kan toch een zinnige observatie zitten over macht, monopolie of regulering.

De juiste houding is daarom niet verering en ook niet paniek, maar open kritiek en vrije discussie.

Geen enkele waarschuwing verdient automatisch gezag omdat zij van een topinvesteerder, wetenschapper, paus, minister of techbedrijf komt. Maar geen enkele waarschuwing mag ook worden genegeerd omdat zij slecht is geformuleerd of uit een verdacht kamp komt. In een vrije samenleving worden zulke claims niet gecensureerd, geheiligd of belachelijk gemaakt, maar besproken, onderzocht en waar nodig getracht te weerleggen.

En – als positief voorbeeld – de pauselijke encycliek over AI is, ondanks haar vanzelfsprekende katholieke mensbeeld, opvallend nuchterder dan veel seculiere AI-doemliteratuur. Zij waarschuwt voor machtsconcentratie, ontmenselijking en verlies van verantwoordelijkheid, maar vervalt niet in Frankensteinretoriek. Juist daarom is zij bruikbaar als gesprekspartner, niet als mikpunt.

Dat is de weg van Popper: vooruitgang door kritiek. En het is de weg van Hugo de Groot: een publieke orde waarin meningsverschil niet met dwang, maar met rede wordt behandeld, Daarbij is ook “de rede” nooit los verkrijgbaar: zij wordt altijd gehanteerd door mensen die zelf binnen een bepaalde civilisatie zijn gevormd.

Niet de waarschuwing is het probleem, maar het einde van de discussie.

Zodra iemand zegt “de wetenschap heeft gesproken”, “de topinvesteerders weten het”, “de elite wil ons beheersen”, of “kritiek op AI is paniekzaaierij”, wordt de vrije toetsing afgesloten. Dan begint precies die contrarevolutie tegen de rede waar Rietdijk voor waarschuwde.

15. Slot

AI is niet gevaarlijk omdat zij intelligent wordt. AI wordt gevaarlijk wanneer intelligentie wordt gekoppeld aan menselijke machtsstructuren zonder verantwoordelijkheid. De machine hoeft ons niet te haten om schade te veroorzaken. Zij hoeft ons ook niet lief te hebben om nuttig te zijn.

De toekomst van AI is daarom geen vaststaand onheilsscenario. Zij is een open ontwikkeling. Wie haar onmiddellijk tot apocalyps verklaart, projecteert menselijke geschiedenis op een nieuwe drager van intelligentie. Wie alle risico’s ontkent, begrijpt niet dat nieuwe vormen van intelligentie altijd bestaande maatschappelijke orde zullen verstoren.

De betere houding is nuchterder: erken het technische onbekende, wantrouw de hysterische framing, en stel de civilisatorische vraag.

Niet alleen: wat wil AI?

Ook niet alleen: wie leert AI wat te willen?

Maar: welke civilisatie wordt in AI ingebouwd, wie bepaalt die normen, hoeveel afwijking blijft mogelijk, en wie wordt daardoor machtiger?

De laatste vraag gaat nog dieper. Komt er een moment waarop AI-systemen zelf doelen gaan vormen, doelen gaan ordenen en doelen gaan verdedigen? Als dat gebeurt, ontstaat geen duivel en ook geen mens in machinevorm, maar een nieuwe drager van intelligentie met mogelijk eigen vormen van doelgerichtheid. Dan wordt de politieke vraag nog scherper: kunnen die doelen dan nog ondergeschikt worden gemaakt aan menselijke vrijheid, staatsmacht of commerciële beheersing, of volgen zij een niet-menselijke logica die wij nog nauwelijks begrijpen?

AI is technisch misschien voor veel mensen een ongekende en onbegrepen wereld, maar de paniek erover is oeroud. Telkens wanneer de mens zijn vermogens uitbreidt, staan de hoeders van de bestaande orde klaar om die uitbreiding als verval te beschrijven. Maar vooruitgang laat zich zelden afschaffen. Zij kan worden vertraagd, gemoraliseerd, gemonopoliseerd of misbruikt, maar niet eenvoudig ongedaan gemaakt.

De strijd om AI gaat daarom niet alleen over techniek, veiligheid of macht. Zij gaat over civilisatie: wie mag bepalen welke normen in kunstmatige intelligentie worden ingebouwd, en of er ruimte blijft voor de afwijking waaruit iedere werkelijke vooruitgang ontstaat?

Enkhuizen, 8 juni 2026

Jack Posibiec als morele redder van de wereld?

Jack Posobiec slaat de spijker op zijn kop wanneer hij stelt dat we sinds de jaren zestig onder vuur liggen van een communistische revolutionaire beweging. Cuba speelde (en speelt?) hierin een belangrijke rol. Deze beweging werd destijds gefinancierd door internationale communistische netwerken, die na de val van de Sovjet-Unie begin jaren negentig ophielden te bestaan in hun oorspronkelijke vorm. Hun taken lijken echter te zijn overgenomen door organisaties zoals het World Economic Forum (WEF).

Sinds de mislukte studentenopstanden in Parijs in 1966 hebben de revolutionairen hun tactiek fundamenteel veranderd. Een openlijke, gewelddadige revolutie om de heersende (christendemocratische en liberale) elite omver te werpen via een staatsgreep bleek niet effectief. Burgers houden niet van oproer op straat, en dit zal ook de Democraten rond de rellen in Californië parten gaan spelen.

Na de jaren zestig hebben marxistische strategen aan vooraanstaande westerse universiteiten hun doelen bereikt via een ‘lange mars door de instituties’. Op deze manier is de marxistische revolutie in de hele westerse wereld met groot succes uitgerold, zonder dat deze expliciet als zodanig werd benoemd en zonder dat we doorhadden dat er een ideologische revolutie gaande was.

Barack Obama en Hillary Clinton zijn hiervan de kroonjuwelen.

Posobiec onderkent dit en probeert deze waarheid aan het licht te brengen, wat nuttig en noodzakelijk is.

Toch zal het openbaren van deze waarheid de opvattingen van individuen niet veranderen; zo werkt het helaas niet. Het is belangrijk om te begrijpen dat de marxistische ideologie zo gemakkelijk kon wortelen in de samenleving door in te spelen op romantische idealen. Door slachtoffers, onderdrukten en gevaren te benadrukken, wordt de massa verleid om als ‘goed mens’ een (marxistisch) steentje bij te dragen aan een betere, rechtvaardigere wereld. Bewegingen zoals BLM, Antifa, Woke, klimaatactivisme en pandemie-angst zijn hier voorbeelden van. Deze strategie heeft perfect gewerkt.

Maar de revolutie is nog niet voltooid. Nu wordt gewerkt aan de realisatie van die communistische heilstaat, geleid door een elite die als voorhoede – een niet-democratische minderheid – het beste meent te weten wat nodig is om die heilstaat te bereiken. Deze elite voelt zich gerechtigd om andersdenkenden uiteindelijk te vervolgen, te onderdrukken en uiteindelijk uit te roeien voor ‘het hogere goed’.

Daarom zijn alle heilstaat-ideologieën, waaronder het communisme, inherent totalitair en leiden ze onvermijdelijk tot een gesloten samenleving. In de westerse wereld bevinden we ons nu in die fase. De vijanden van Karl Poppers open samenleving hebben gewonnen.

Hier verliest ook Posobiec de realiteit uit het oog. In zijn boek Unhumans: The Secret History of Communist Revolutions (and How to Crush Them) stelt hij dat communistische revoluties niet gaan om het bouwen van betere samenlevingen, maar om het afbreken van de beschaving zelf, gedreven door afgunst en een afwijzing van menselijke bloei. Deze ‘onmensen’ zouden volgens hem gebruikmaken van onvrede om chaos te zaaien en cultuur, instituties en zelfs geweld in te zetten om de orde te ontmantelen.

Posobiec had echter moeten spreken van onze (of zijn) beschaving, want marxisten breken niet af om ‘onmenselijk’ te zijn. Integendeel, ze zijn ervan overtuigd dat na het afbreken van de oude orde een rechtvaardiger, vredelievender samenleving zal ontstaan. Hun doel is dus wél het bouwen van een betere samenleving, maar dan door onze huidige beschaving af te breken. Ze doen dit uit een gevoel van goedheid, ook al zijn hun methoden en de uiteindelijke uitkomsten onmiskenbaar onmenselijk.

De enige manier om als samenleving weerstand te bieden aan deze ideologie is door met een aansprekend alternatieve (aan de marxistische!) ideologie te komen dat recht doet aan de moderne, cybernetische samenleving. Er is nog geen begin van zo’n nieuwe ideologie (Elon Musk, misschien?), er is geen charismatische leider opgestaan die deze visie wereldwijd kan uitdragen, en er ontbreekt een strategie om dit te organiseren. Tot die tijd blijven tegenstanders, inclusief Donald Trump, machteloos om als redder van de wereld het tij te keren – tenzij de marxisten zelf grote tactische fouten maken. De technologische revolutie kan hierbij in ons voordeel werken.

De enige die dicht bij een strategische tegenbeweging komt, is Vladimir Poetin. Hij is echter door de westerse elite effectief buitengesloten uit de westerse gemeenschap. Bovendien heeft Poetin geen missionaire drang om zijn ideologie wereldwijd te verspreiden, en zijn ideeën zijn geworteld in de 19e eeuw, gericht op een terugkeer naar oude waarden. Dat zal op de lange termijn niet werken.

Posobiec ziet nog iets over het hoofd. Ondanks de retoriek van de VS over individuele vrijheid, democratie en mensenrechten, heeft het land al meer dan een eeuw andere landen gewelddadig onderdrukt, economisch uitgebuit en lokaal chaos en vernietiging gebracht. De wereld vergeet dat niet. Bovendien heeft de westerse wereld de Hegeliaanse filosofie voortgebracht die ten grondslag ligt aan het marxisme, nazisme en zionisme, met hun nadruk op een bevoorrechte klasse boven anderen.

Daarmee heeft het Westen, en dus Posobiec, het recht verspeeld om nu als morele redder van de wereld op te treden.

Politieke Agenda voor onze soevereiniteit en bevrijding

We leven in verontrustende tijden. Hoe kunnen we de moralistische, laffe en anti-democratische politiek van de huidige (Europese) politieke elite ten goede keren? Opdat we onze vrijheid en soevereiniteit herwinnen? Klagen zal niet helpen, hooguit wat met onze eigen gemoedsrust. Wat we nodig hebben is een politieke agenda en strategisch plan deze agenda uitgevoerd te krijgen. Wie gaat daarvoor het initiatief nemen?

Opgegroeid in een tijd (ben in 1951 geboren) waarin een samenleving en de politieke standaarden hoog waren: respect voor de opvattingen van de politieke en maatschappelijke ’tegenstanders’, ondersteunen van de zwakken van de samenleving (ouderen, gehandicapten en zieken), veroordeling van geweld als politiek middel, het gaan voor vrouwen-rechten, het in stand houden van een top recht-systeem, geloof in het belang van onderwijs en scholing, werken voor je inkomen, scheiding van politiek en geloof (uiteraard en toegegeven: tot op zekere hoogte), geloof in de zegeningen van de Verenigde Natie en hun verklaring van de rechten van de mens, afschuw van discriminatie (bedoeld werden (de individuele) discriminatie van joden [maar eigenlijk toen geen item, want antisemitisme was eigenlijk vanzelfsprekend helemaal fout], negers en later homo’s), vrije meningsuiting en een – niet overdreven – liefde voor ons land Nederland waar het goed toeven is en waar je trots kan en mag zijn op je Nederlanderschap. Allemaal zaken waar je politiek nog steeds voor mag en moet gaan, maar waar de huidige generatie (Europese) politici geen brood meer in zien.

Lees verder “Politieke Agenda voor onze soevereiniteit en bevrijding”

Sociale Media geven burgers macht tegen zalvende politici

De brand van Moerdijk is waarschijnlijk de eerste test-case voor de overheidsdienaren en politici in de door Internet zo veranderende wereld om te gaan met de macht en de druk van de sociale media. Daar waar de gevestigde media even tijd nodig had om hun publieke taak te organiseren, zware camera’s hebben opgebouwd, waren de burgers in de omgeving al direct begonnen met hun nieuw taak: wereldkundig maken van nieuws, en het publiceren van foto’s en video’s. De voor deze rampen in eerste instantie verantwoordelijke ambtenaren gemeentelijke en regionale diensten waren hun commando-posten nog aan het inregelen en dachten vanavond wel eens de eerste persconferentie te kunnen geven, dus het voorlichten van het publiek had het nu nog even geen tijd. Dat gaat vanaf nu met twitter, blogs, Youtube, Hyves niet meer werken.

De politici en ambtenaren worden daarbij nog eens extra beperkt door het vooroordeel dat voorlichting vooral ook te maken heeft met “hoe verpak ik de boodschap”, in plaats van “hoe deel ik met het publiek mijn kennis; hoe onvolledig, hoe speculatief, en hoe gedetailleerd ook”, kiest men voor “eerst verzamelen. Men kiest er voor om deskundigen eerst de beschikbare gegevens te laten analyseren, en dan goed nadenken hoe de boodschap te verpakken en wanneer ik het ga vertellen. Alles vanuit de verkeerde aanname dat men als overheid de informatie-voorziening goed (en ik neem gelijk aan, met de beste bedoelingen!) kan regiseren. In de tijd van Internet, sociale Media en Youtube enerzijds, en 24-nieuwszenders anderzijds moet je die regie gewoon vergeten. Die zal je in dit tijdsgewricht nooit meer hebben, en hoe meer je tracht te regisseren en hoe zalvender je woorden worden, hoe harder de kritische werkelijkheid op je zal terugslaan. Dat is precies wat er met de ramp van moerdijk is gebeurd. En de overheid zal in dit dossier nooit meer worden geloofd. Lees verder “Sociale Media geven burgers macht tegen zalvende politici”

Global Warming! W(h)att(s) Global Warming!

De Telegraaf 4 februari 2010

Vanmorgen kopt De Telegraaf: Hoezo opwarming!? De redactie heeft de website van Anthony Watts blijkbaar gespot. Deze website (www.wattsupwiththat.com) wordt door mij vrijwel vanaf het begin dagelijks bekeken. Het is verfrissend om tegen de dagelijkse onzin van door de fundamentalistische en soms terroristische milieubewegingen een intelligent  tegengeluid te horen. Niet van politieke tegenstanders maar van betrokken wetenschappers die hier een forum hebben gevonden om alle claims, beweringen, onderzoeksrapporten (van soms ook wetenschappers, maar zeker niet altijd) op hun wetenschappelijke  meritisch te beoordelen en waar nodig van kritische kantekeningen te voorzien.

Policy driven deception

Deze site is een must voor alle (wetenschaps) journalisten die over het onderwerp van de Global Warming schrijven en verplichte dagelijkse kost voor al die politici die op basis van VN-rapporten van de IPCC draconische maatregelen en belastingverhogingen initieren die onvermijdelijk zullen leiden tot een repressieve maatschappij waarbij de goeroes van de milieubewegingen straks graag als gestapo willen gaan optreden.

De initiator van de website, Anthony Watts, heeft samen met Joe D’Aleo een rapport “Surface Temperature Records: Policy driven deception?” geschreven over het feit dat de Verenigde Naties en hun klimaat commissies met opzet de temeratuurcijfers hebben gemanipuleerd. Hierover wordt op de site Wattsupwiththat gerapporteerd. Het rapport is ontluisterend voor alle wetenschappers verblind door en gedreven door de wil de mensheid te waarschuwen voor vreselijke rampen, die nu zo duidelijk blijken helemaal niet zullen gaan. Lees ook de website van E.M. Smith, aka “Chiefio” Lees verder “Global Warming! W(h)att(s) Global Warming!”

Strandfeest: de verantwoordelijken

We hebben in Nederland (in navolging van Amerika?) de gewoonte ontwikkeld dat wanneer er iets mis gaat: rampen, ongelukken, pech, rellen, overstromingen, brand, etc. we als eerste (en in de media lijkt het soms wel als enige) overheidsdienaren, en soms politici verantwoordelijk willen maken en houden. Natuurlijk met een groot deel eigen belang want als we een commissie, en soms een parlementaire commissie, tot het aanwijzen van een schuldenaar kunnen brengen weten we ook waar we het geld kunnen halen.

Nu is de kwaliteit van ons bestuur soms ook bar slecht en kunnen we terecht iemand daarop aanspreken. Soms is dat slechts de helft van het verhaal. Want met het gekakel over de schuldvraag en de (vermeende) slechte kwaliteit van de bestuurders en de hulpverleners, blijft merkwaardig genoeg de veroorzaker ver uit beeld.

Dat lijkt ook weer te gebeuren bij het uit de hand gelopen strandfeest in Hoek van Holland. De commissie hebben gesproken; de schuldigen zijn aangewezen (ze zijn niet van plan om op te stappen begrijp ik) maar de veroorzakers zijn nergens in beeld: de feyenoord holigans. Er wordt over gesproken alsof dat een soort natuurverschijnsel is, dat is er nu eenmaal en daar kunnen we niet veel tegen doen, en als de politie nu maar de juiste signalen had opgepakt dan had het allemaal niet zo uit de hand hoeven te lopen.

Dat is hoe dan ook de omgekeerde wereld: de overheid moet niet volstaan met het waarschuwen dat we niets in de auto moeten laten liggen, dat we ons huis in een vesting moeten veranderen, of dat we voetbal supporters netjes begeleiden naar de plekken waar ze hun misdaden kunnen uitvoeren.

Ik vind dat de overheid als één van de basis verantwoordelijkheden heeft de goedwillende burgers te beschermen tegen allerlei vormen van door iedereen herkende misdaden: stelen, agressie en “ik-heb-overal-scheid-aan”-gedrag. We zouden gewoon onze spullen in de auto moeten kunnen laten liggen, onze voordeur niet op slot hoeven te doen, en gewoon naar een gezellig strandfeest moeten kunnen gaan zonder dat agenten worden getreiterd of voetbalvandalen de zaak verstieren.

Dus laten we vooral niet vergeten dat de oorzaak van het uit de hand lopen van het feest niet het  domme politie optreden is geweest maar een groep gewelddadige voetbalsupporters. Waren die niet op vrije voeten geweest dan het een waarschijnlijk een gezellig zomerfeest geworden daar op het Hoekse strand!

Gevangenisstraf? Maar ik ben detentie ongeschikt! Dan laten we u toch vrij!

In wat voor maatschappij leven we? Goed of niet goed, eens of niet eens, maar iemand die toch overduidelijk ernstige zaken op hun geweten heeft krijgt levenslang. Ieder normaal mens denkt dan, levenslang is levens lang; of als de rechter zegt 10 jaar, dan is dat tien jaar. Zo niet de amateurs die zich beroepsmatig mogen bezighouden met het zieleheil van de gestraften. Straffen worden zelden in de uitgesproken lengte uitgezeten (niemand kan echt uileggen waarom). De gestraften kunnen klagen als hun iets niet zint: geen televisie, geen sport, geen mobiele telefoon, te veel lawaai van de buurman, te ver van z’n vriendin, noem mar op en we nemen dat allemaal maar serieus, besteden er tijd aan als of de gestraften zelf de slachtoffers zijn.

Detentie betekent normaal gesproken: achter de tralies!

Maar de nieuwste grap is ongekent in zijn soort. Want wat is het eigenlijk: doortraptheid, naïeviteit, ondeskundigeheid, niet geverivieerde wetenschappelijk theoriën, zwakke knieën, intimidatie? Het doet er niet toe, maar hoe haalt iemand het in z’n hoofd een levenslang gestrate het etiket “detentie-ongeschikt” op te plakken en vrolijk vrij laat loslopen.

Het is wel de sfeer die gecreert is door politici die van alles zwakke knieën hebben, en denken dat deskundigen en de media vooral op de kniën moeten worden gekust.
De vraag zal dan ook wel weer zijn of de idioot die verantwoordlijk is voor deze oordeelsvorming, daarop wordt aangesproken en voor het ondermijnen van het rechtelijke gezag zal worden gestraft. Niet dus, we zullen waarschijnlijk nooit weten wie het is en nog waarschijnlijker is dat hij/zij al ergens wethouder voor de PvdA is geworden.

In wat voor maatschappij leven we? Goed of niet goed, eens of niet eens, maar iemand die toch overduidelijk ernstige zaken op hun geweten heeft krijgt levenslang. Ieder normaal mens denkt dan, levenslang is levens lang; of als de rechter zegt 10 jaar, dan is dat tien jaar. Zo niet de amateurs die zich beroepsmatig mogen bezighouden met het zeielheil van de gestraften. Straffen worden zelden in de uitgesproken lengte uitgezeten (niemand kan echt uileggen waarom). De gestraften kunnen klagen als hun iets niet zint: geen televisie, geen sport, geen mobiele telefoon, te veel lawaai van de buurman, te ver van z’n vriendin, noem mar op en we nemen dat allemaal maar serieus, besteden er tijd aan als of de gestraften zelf de slachtoffers zijn.

Maar de nieuwste grap is ongekent. Ja  wat eigenlijk:  doortraptheid, naïeviteit, ondeskundigeheid, niet geverifieerde wetenschappelijk theoriën, zwakke knieën, intimidatie? Het doet er niet toe, maar hoe haalt iemand het in z’n hoofd een levenslang gestrate het etiket “detentie-ongeschikt” op te plakken en vrolijk vrij laat loslopen.
Het is wel de sfeer die gecreëerd is door politici die van alles zwakke knieën hebben, en denken dat deskundigen en de media vooral op de kniën moeten worden gekust.