Het is een schone dag geweest – De staat, het onrecht en de vanzelfsprekendheid van macht

Dick H. Ahles

De staat is ook bron van kwaad,
hij rooft, hij liegt, hij slaat, hij haat.
Hij noemt zijn dwang bescherming, daad,
en maakt van onrecht wet en staat.

Niet elk kwaad begint bij hem,
maar hij geeft onrecht wet en stem.

Het is een rijmpje dat te scherp is om zomaar waar te zijn, maar te raak om achteloos weg te wuiven.

Natuurlijk begint niet elk kwaad bij de staat. Mensen doen elkaar ook zonder staat van alles aan. Zij liegen, bedriegen, roven, onderdrukken, manipuleren, exploiteren en doden, met of zonder ambtenaar in de buurt. Het kwaad heeft geen staatssecretariaat nodig om te bestaan.

Maar juist daarom is het rijmpje interessant. Het beweert niet dat de staat de enige bron van kwaad is. Het stelt een scherpere vraag: wat gebeurt er wanneer handelingen die wij tussen gewone mensen als onrecht zouden herkennen, door wet, bestuur, verkiezing en algemeen belang worden gelegitimeerd?

Waarom ervaren wij de staat, die objectief veel dwang, onrecht en geweld mogelijk maakt, toch meestal als goed, nuttig, nodig en onvermijdelijk?

Daar begint het eigenlijke probleem. Niet bij de vraag of de staat “goed” of “slecht” is, maar bij de vraag hoe onrecht van gedaante verandert zodra het wettelijk, bestuurlijk en moreel wordt ingekleed.

Wanneer een particulier geld afneemt zonder toestemming, noemen wij dat diefstal. Wanneer een particulier iemand dwingt zijn arbeid, bezit of lichaam beschikbaar te stellen, noemen wij dat dwang. Wanneer een particulier geweld gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen, noemen wij dat agressie en afpersing. Maar wanneer de staat vergelijkbare handelingen verricht, veranderen de woorden. Dan spreken wij over belasting, regelgeving, dienstplicht, toezicht, beleid, solidariteit, veiligheid en rechtsorde.

Daarmee is niet gezegd dat alle staatsoptreden even slecht is, of dat achter iedere ambtenaar een rover schuilgaat. Dat zou karikaturaal zijn. Maar het roept wel een fundamentele vraag op: wordt een handeling rechtmatig, ook met democratische besluitvormingsprocedures, doordat de staat haar verricht?

Het politieke middel

Franz Oppenheimer maakte in zijn boek De Staat (1906) een onderscheid dat nog altijd verhelderend is. Mensen kunnen op twee manieren aan middelen komen. Zij kunnen produceren, werken, ruilen, samenwerken. Dat noemde hij het economische middel. Maar zij kunnen zich ook toe-eigenen wat anderen hebben voortgebracht, door dwang, roof, belasting, overheersing of privilege. Dat noemde hij het politieke middel.

Die termen zijn misschien wat ongelukkig, omdat “politiek” en “economisch” tegenwoordig ook andere associaties oproepen. Men kan ook spreken van productieve verwerving tegenover extractieve verwerving. In het eerste geval verkrijg je iets door arbeid, ruil of vrijwillige samenwerking. In het tweede geval verkrijg je iets doordat je anderen dwingt af te staan wat zij hebben gemaakt of verworven.

Oppenheimers radicale gedachte was dat de staat historisch niet begint als rechtsorde, maar als organisatie van dat politieke middel. De staat ontstaat waar een heersende groep in staat is duurzaam een deel van de opbrengst van anderen naar zich toe te trekken. Vervolgens wordt roof schatting. Schatting wordt belasting. Bescherming wordt plicht. Staatsgeweld wordt recht.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, omdat zij ons verheven zelfbeeld van de staat aantast. Wij zijn gewend de staat te zien als beschermer tegen chaos, geweld en onrecht. Oppenheimer draait de blikrichting om. Hij vraagt niet eerst hoe de staat ons beschermt, maar hoe hij historisch, sociologisch aan zijn macht komt. Volgens Oppenheimer is dat achterliggende proces opvallend herkenbaar, door tijden en plaatsen heen.

Dat maakt zijn analyse waardevol. Niet omdat alles wat Oppenheimer schrijft overtuigt. Integendeel. Aan het eind van zijn boek wordt hij opvallend optimistisch. Hij verwacht dat de ontwikkeling van de constitutionele staat uiteindelijk zal leiden tot “vrijburgerschap”: een maatschappij waarin het politieke middel verdwijnt en bestuur nog slechts het algemeen belang dient.

Dat klinkt na de twintigste eeuw bijna pijnlijk naïef. Enkele jaren na zijn optimistische toekomstverwachting trok Europa de Eerste Wereldoorlog in. Moderne staten mobiliseerden miljoenen burgers, stuurden hen de loopgraven in, organiseerden censuur, propaganda, belasting, bewapening, industrie en massale gehoorzaamheid. De door hem voorspelde vreedzame constitutionele staat bleek niet het graf van het politieke middel, maar zijn modernste opstanding.

Toch maakt dat Oppenheimer niet waardeloos. Integendeel. Zijn analyse is sterker dan zijn hoop. Hij zag hoe macht zich organiseert. Hij zag hoe extractie institutioneel wordt. Hij zag hoe de staat niet alleen orde brengt, maar ook leeft van de middelen die hij aan anderen onttrekt.

Zijn fout was dat hij dacht dat het politieke middel historisch zou afsterven. Waarschijnlijker is dat het zich telkens opnieuw vermomt.

Van wet naar recht

De Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun trekt de lijn consequenter door. Zijn uitgangspunt is het fundamentele rechtsbeginsel: ieder mens is een soeverein rechtssubject. Ieder mens heeft het recht met het zijne te doen en te laten wat hij wil, en geen enkel mens heeft het recht over de middelen van een ander te beschikken zonder diens toestemming.

Dat klinkt eenvoudig. Maar de consequenties zijn vergaand.

Als geen mens zonder toestemming mag beschikken over het lichaam, de arbeid of de middelen van een ander, dan geldt dat ook voor mensen die zich organiseren als staat. De staat kan zich niet aan het recht onttrekken door zichzelf wetgever te noemen. Wet is niet automatisch recht.

Daar zit de scherpe kern:

Het probleem van de staat is niet dat hij soms verkeerde wetten maakt. Het probleem is dat hij de macht heeft toegeëigend om onrecht als wet te verklaren.

Die laatste stelling is voor veel mensen moeilijk te aanvaarden. Niet omdat zij het argument al weerlegd hebben, maar omdat het nauwelijks binnenkomt. Het schuurt te sterk tegen de wereld waarin zij zijn opgegroeid. De staat is er gewoon. Zoals de school er is, de dokter, de belastingdienst, de gemeente, de verzekering, de rechter, de politie, de wegen, de regels, de formulieren.

De vraag of men zich aan die orde wil onderwerpen, komt meestal niet eens op. Men leeft er al in.

Het is zo …

Ik moest daaraan denken bij het opnieuw zien van de documentaire Het is een schone dag geweest van Jos de Putter. De film volgt zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen, eenvoudige agrariërs, in het laatste jaar dat zij hun boerenbedrijf uitoefenen.

Het is een aangrijpende film, juist omdat zij nergens schreeuwt. Geen grote theorieën, geen ideologische aanklacht, geen sentimentele verheerlijking van het boerenleven. Je ziet mensen die leven in een wereld van werk, land, weer, dieren, lichaam, ritme en gewoonte.

Aan het eind zit de zoon met zijn vader aan de keukentafel. Een eenvoudige boerenkeuken. Geen armoede, maar basale soberheid. Een tafel, een TL-buis, een granieten gootsteen, een pomp. Een omgeving waarin “welstand” niet verschijnt als levensproject, maar als het feit dat men leeft, werkt, eet, slaapt en doorgaat.

De zoon vraagt wat voor zijn vader het meest opmerkelijke van het laatste jaar is geweest. De vader zwijgt. Je ziet hem denken: wat vraagt hij nu eigenlijk? Na een lange stilte zegt hij dat het de laatste tijd wel erg nat is geweest; “het heeft veel geregend”.

De zoon probeert het opnieuw. Hij bedoelt het persoonlijker. Hoe kijkt de vader terug op zijn eigen leven, op wat hij het afgelopen jaar gedaan heeft?

Weer stilte. Dan komt de reactie: “wat bedoel je? Het is zo!”. En daarna: hij vond het wel schoon. Hij deed het graag. “Altijd buiten, dat zegt ook wat.”

Dat moment is van een ontstellende helderheid.

Veel moderne intellectuelen, zeker sinds de jaren zestig, denken over het leven als iets dat men vormgeeft. Het leven is een project, een identiteit, een keuze, een expressie van autonomie. Men moet zichzelf ontplooien, zichzelf vinden, zichzelf bevrijden, zichzelf realiseren.

Maar grote groepen mensen leven niet in dat register. Zij ervaren hun bestaan niet primair als een filosofisch project van zelfbeschikking. Zij leven binnen gegeven verbanden: grond, werk, gezin, dorp, kerk, buurt, bedrijf, weer, gezondheid, pech, geluk, plicht. Hun leven is niet zonder betekenis, maar die betekenis hoeft niet voortdurend ge(her)formuleerd te worden.

Het is zo!

Die zin is niet dom. Hij kan zelfs wijs zijn. Maar hij toont ook iets fundamenteels: de meeste mensen leven niet in permanente reflectie op de vraag wie over hen mag beschikken. Zij leven in een wereld die als een gegeven verschijnt.

De vanzelfsprekendheid van macht

Daar ligt het aanknopingspunt voor ieder civilisatieproces.

Macht is het sterkst wanneer zij niet meer als keuze verschijnt, maar als vanzelfsprekende werkelijkheid.

Brute dwang is zichtbaar. Zij roept weerstand op. Wie met een knuppel binnenkomt en zegt “geef mij de helft van uw inkomen”, wordt herkend als rover. Maar wanneer dezelfde afdracht verloopt via loonstrook, aanslagbiljet, wetboek, verkiezing, begroting, publieke voorziening en morele taal, verschijnt zij anders. Dan wordt zij onderdeel van de orde.

Mensen zeggen niet: “ik onderwerp mij vrijwillig aan een systeem van fiscale extractie.” Zij zeggen: “belasting hoort erbij.”

Zij zeggen niet: “de staat beschikt over een deel van mijn arbeid.” Zij zeggen: “wij betalen samen voor de samenleving.”

Zij zeggen niet: “ik word bestuurd.” Zij zeggen: “zo werkt het nu eenmaal.” Het is zo!

Daarmee is het probleem niet opgelost. Het is juist verdiept. Want als mensen macht niet meer als macht ervaren, hoe kunnen zij haar dan nog beoordelen?

Hier ontstaat de merkwaardige lus. De staat presenteert zich als redder van chaos. Burgers leren chaos te vrezen boven staatsdwang. Kritiek op staatsdwang wordt vervolgens ervaren als verlangen naar chaos. En zo bevestigt de angst voor chaos opnieuw de legitimiteit van de staat.

Dat is geen gewone redenering meer, maar een geciviliseerde ervaringsstructuur. Toch betekent dit niet dat achter de staat steeds mensen schuilgaan die weten dat zij kwaad doen. Meestal is het tegendeel waar. Het kwaad komt zelden met een bordje “kwaad” binnen. Het komt als redding, herstel, veiligheid, rechtvaardigheid, vooruitgang of bescherming. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak middelen rechtvaardigen die hij bij zijn tegenstander onmiddellijk als onrecht zou herkennen. Wie zichzelf als booswicht ziet, overtuigt zelden anderen. Wie zichzelf als redder ziet, beschikt over een veel krachtiger taal.

Onze populaire cultuur helpt ons vaak niet om dit te begrijpen. In James Bond-films wil de slechterik de wereld overheersen en weet hij dat hij de slechterik is. Maar politieke macht werkt zelden zo eenvoudig. Zelfs de meest destructieve ideologieën presenteren zichzelf als goed, noodzakelijk en bevrijdend voor de groep namens wie zij spreken. Het probleem is daarom niet alleen kwade intentie. Juist wie meent het goede te doen, kan zonder innerlijke tegenspraak het onrecht civiliseren. De staat is zo overtuigend omdat hij zelden spreekt in de taal van macht, maar meestal in de taal van het goede.

Vrijwilligheid

Men kan natuurlijk zeggen: als iemand zich vrijwillig wil onderwerpen aan de regels van een staat, een kerk, een commune, een vereniging of een streng georganiseerde gemeenschap, dan is dat zijn goed recht. Wie uit vrije wil in een bepaalde orde wil leven, moet dat kunnen doen. Maar dan volgt onmiddellijk een grens: hij mag anderen niet dwingen hetzelfde te doen.

En uit vrije wil betekent in deze context ook: zonder gevolgen weer uit die orde kunnen stappen. Het onderdrukkende karakter van de staat begint daar waar men niet zonder gevolgen uit die orde van een staat kan stappen.

Het probleem is echter nog subtieler. Veel mensen onderwerpen zich niet bewust vrijwillig. Zij onderwerpen zich ook niet bewust onvrijwillig. De vraag van onderwerping of niet-onderwerping komt eenvoudigweg niet op.

Hun wereld is niet opgebouwd uit abstracte alternatieven. Zij ervaren zichzelf niet als soeverein rechtssubject dat op ieder moment principieel moet nadenken over toestemming, eigendom, beschikking en recht. Zij leven binnen een vanzelfsprekende ordening. Het is zo!

Zoals iemand geboren kan worden in een kaste en die het bestaan van die kaste kan ervaren als natuurlijk. Zoals iemand de dokter kan ervaren als ultieme autoriteit, niet als deskundige die ook bevraagd kan worden. Zoals iemand de staat kan ervaren als de instantie die er nu eenmaal is om orde, veiligheid en recht te waarborgen.

Daarom is Van Duns rechtsfilosofie zo moeilijk toegankelijk. Zijn centrale vraag — wie mag over wie beschikken? — is glashelder voor wie eenmaal in dat register denkt. Maar veel mensen leven niet in dat register. Zij begrijpen de probleemstelling nauwelijks, omdat de mogelijkheid van niet-onderwerping niet in hun ervaringswereld verschijnt.

Dat maakt hen niet minderwaardig. Het maakt hen menselijk. Zij hebben werk, zorgen, kinderen, gezondheid, schulden, verplichtingen, vreugde, verdriet. Zij willen niet iedere dag de grondslagen van het recht onderzoeken. Zij willen leven.

Maar juist daarom kunnen wereldhervormers, ideologen en bestuurders op die inertie parasiteren. Zij hoeven de bevolking niet voortdurend met argumenten te overtuigen. Zij hoeven veranderingen slechts te vertalen in woorden die passen bij de bestaande orde: bescherming, vooruitgang, zorg, veiligheid, rechtvaardigheid, noodzaak, afwenden van gevaar, algemeen belang. Daarom gaan burgers slaapwandelend oorlogen in. Het is nu eenmaal zo.

En dan laat men het over zich heen komen.

Zoals regen.

De arrogantie van de wereldverbeteraar

Daarom is Het is een schone dag geweest zo’n waardevolle film. Niet omdat hij een politieke stelling verkondigt, maar omdat hij ons herinnert aan het bestaan van mensen die niet leven in de verbeelding van de permanente zelfontwerper.

Wie arrogant voor iedereen de wereld denkt te kunnen verbeteren, zou eerst naar zulke mensen moeten kijken. Niet om hen te romantiseren, maar om zich te realiseren dat maatschappelijke hervormingen zelden neerdalen op burgers die in abstracties denken en over doorwrochte wereldbeelden beschikken. Zij dalen neer op mensen die gewoon hun leven leven.

De wereldverbeteraar denkt in systemen.
De gewone mens leeft in voor hen natuurlijke verbanden.

De wereldverbeteraar denkt in toekomst.
De gewone mens leeft in dag, seizoen, werk, lichaam en weer.

De wereldverbeteraar denkt: hoe maken wij de mens vrij?
De gewone mens denkt: het is wel erg nat geweest.

Wie dat belachelijk vindt, heeft niets begrepen.

Juist daar ligt de tragiek van politiek. Grote plannen worden ontworpen door mensen die in abstracties denken, en ondergaan door mensen die in werkelijkheid leven. Zij worden niet altijd met geweld onderworpen. Vaak worden zij langzaam meegenomen in een nieuwe vanzelfsprekendheid.

Terug naar het rijmpje

Daarom is het rijmpje bruikbaar, mits het niet als eindpunt wordt genomen.

De staat is ook bron van kwaad. Niet omdat elk kwaad altijd en alleen bij de staat begint, maar omdat de staat iets kan wat gewone mensen niet kunnen: hij kan onrecht de vorm geven van wet, bestuur, procedure en algemeen belang.

Dat is nog niet genoeg. Want de diepere vraag is waarom mensen dat onrecht meestal niet als onrecht ervaren.

Het antwoord ligt niet alleen in angst, propaganda of domheid. Het ligt in civilisatie: in het langzaam vormen van overtuigingen, gewoonten, woorden, instituties, opvattingen wat waar is, en gevoelens waardoor macht als normaal verschijnt.

De staat is niet alleen een apparaat van dwang. Hij is ook een producent van vanzelfsprekendheid.

En precies daarom is hij zo sterk.

Tussen Zheng He’s vloot en Zubrin’s Mars-expeditie: wanneer heeft vooruitgang een keizer nodig?

Wat leren Zheng He’s ontdekkingsreizen ons over visie, macht en stagnatie — en hoe Zubrin’s droom van Mars ons herinnert aan de noodzaak van ambitie?”

Illustratie: Een schets van één van Zheng He schip met 12 zeilen. Deze tekening komt uit het kaartenboek van Mao Kun met de bespreking van Zheng He maritieme expeditie in de Indische oceaan.

Blik naar buiten richten

Wie grote sprongen voorwaarts wil maken, moet zijn blik naar buiten richten. Dat gold in de 15e eeuw net zo goed als nu. De Chinese admiraal Zheng He voer decennia vóór Columbus met honderden schepen over de Indische Oceaan en bereikte zelfs de oostkust van Afrika. Zijn expedities waren een demonstratie van macht, organisatievermogen en visionaire ambitie — mogelijk gemaakt door het centrale gezag van de Yongle-keizer.

Maar toen de keizer stierf en de bureaucratie de koers bepaalde, werden de schepen ontmanteld en de horizon gesloten. Het ooit zo vooruitstrevende China koos voor stilstand.

De Amerikaanse ingenieur en visionair Robert Zubrin gebruikt dit voorbeeld in zijn boek Entering Space (1999) als waarschuwing: beschavingen die hun exploratiegeest verliezen, verliezen ook hun dynamiek voor maatschappelijke vooruitgang. Vooruitgang vereist een horizon die voortdurend wordt verlegd.

Een paradox

De geschiedenis laat een intrigerende spanning zien. Grote ontdekkingsprojecten — van oceaanreizen tot maanprogramma’s — zijn meestal voortgekomen uit de ambities van gecentraliseerde machthebbers: keizers, koningen of presidenten die enorme middelen mobiliseerden voor doelen die grote delen van hun bevolking aanspraken.

Zonder Yongle geen Zheng He.
Zonder Kennedy geen Apollo.

Tegelijkertijd groeit vandaag het besef dat een duurzame, vrije samenleving niet gebaat is bij almachtige centra, maar juist bij soevereiniteit van autonome gemeenschappen en begrensde staatsmacht. We willen geen nieuwe keizers, maar misschien nog wél grote gezamenlijke ambities.

Coördinatie is iets anders dan centralisatie

De spanning tussen centrale ambitie en decentrale vrijheid lijkt onoplosbaar, maar dat hoeft niet zo te zijn. De geschiedenis biedt meer modellen dan alleen het keizerlijke of presidentiële.

Historisch voorbeeld: ondernemende steden

De Nederlandse zee-expansie in de 17e eeuw — via de VOC en de WIC — kwam voort uit stedelijke handelskringen en private compagnieën. Niet uit een prinselijk bevel, maar uit licenties verleend door de Staten-Generaal. De staat stelde de kaders, maar de ambitie en uitvoering kwamen van rijke en invloedrijke ondernemers in de samenleving zelf. Zij wilden het, zij organiseerden het, en zij financierden het grotendeels zelf.

Hedendaags voorbeeld: SpaceX en particuliere ambitie

Een hedendaags voorbeeld van dit model zien we in de ruimtevaart. Waar de Amerikaanse maanlanding in de jaren zestig nog een centraal staatsproject was, is de huidige Mars-ambitie van Elon Musk geheel particulier georganiseerd.
Met SpaceX ontwikkelt Musk raketten, infrastructuur en missies die voorheen alleen in handen van grootmachten waren. De staat (NASA) speelt hier niet de rol van regisseur, maar van klant en scheidsrechter. Dit toont aan dat horizonverruimende projecten in de 21e eeuw ook buiten het klassieke staatsmodel kunnen ontstaan: vanuit ondernemerschap, netwerken en kapitaalmarkten. Wat ooit alleen keizers konden, kunnen nu vrije actoren — mits er een stabiel juridisch kader is.

Ambitie is geen garantie op succes

En al deze voorbeelden betekenen natuurlijk niet dat er tussen het uitspreken van de ambitie en de uiteindelijke realisatie niets mis kan gaan. De ambitie kan achteraf te groot blijken, de politieke omstandigheden die het project mogelijk maakten kunnen veranderen, het geld kan opraken of de uitvoering laat technisch te wensen over.
Waar het om gaat, is dat zonder ambitie en het daadwerkelijk beginnen met de uitvoering ervan, geen vooruitgang mogelijk is. Er bestaat echter voor niemand een garantie op succes. Ook het Apollo-programma kende meerdere momenten waarop het jammerlijk had kunnen mislukken. En ook de VOC is uiteindelijk failliet gegaan.

Naar een samenleving van soevereine kringen

In een moderne context kan een samenleving die is opgebouwd uit soevereine kringen — culturele, wetenschappelijke, economische, religieuze — eveneens gezamenlijke horizonprojecten ontwikkelen. Niet door bevel, maar door vrije samenwerking binnen een stabiel juridisch kader. De staat is dan misschien wel de scheidsrechter bij conflicten, maar niet noodzakelijk de regisseur.

In dit blogartikel over Kuypers beginsel van ‘soevereiniteit in eigen kring’ leg ik deze gedachte verder uit. Het laat zien hoe een samenleving ambitieus kan blijven zonder autoritair te worden — en die ambitie is een cruciale voorwaarde voor elke toekomstgerichte beschaving.

Vooruitgang zonder keizer?

Zubrin’s waarschuwing blijft terecht: zonder horizonverruiming verdort een beschaving. Maar de les van Zheng He hoeft niet te zijn dat we een nieuwe keizer nodig hebben.

De les kan ook zijn dat we de structuur van ambitie moeten herdenken: hoe kunnen vrije, pluriforme gemeenschappen samenwerken aan grootse projecten — zoals ruimtevaart — zonder afhankelijk te zijn van één centrale macht?

De technologie van onze tijd maakt dat steeds realistischer. Netwerken, AI, open kennisstromen en decentrale organisaties creëren mogelijkheden voor coördinatie die Zheng He’s keizer nooit had kunnen dromen.

Slot

Tussen Zheng He en Mars ligt niet alleen een oceaan van tijd, maar ook een cruciale keuze:

Organiseren we onze ambitie top-down, of bouwen we een nieuwe architectuur waarin vrijheid en horizonverruiming elkaar versterken?

Het eerste bracht China tijdelijk grootheid en daarna stagnatie. Het tweede zou wel eens de sleutel kunnen zijn tot een beschaving die vrij én vooruitstrevend is — en dat is precies de keuze waarvoor wij vandaag staan.

Kuyper’s ‘Soevereiniteit in eigen kring’: een oude gedachte voor een nieuwe tijd!

Soevereiniteit in eigen kring’: Kuyper’s visie als antwoord op de uitdagingen van de 21e eeuw

Inleiding: een verrassend modern beginsel

Wat gebeurt er als we de macht van de staat begrenzen — niet uit wantrouwen, maar uit vertrouwen in mensen en hun gemeenschappen? Wat als vrijheid niet betekent dat één macht alles bepaalt, maar dat elk levensdomein zijn eigen gezag uitoefent? Wat als die levensdomeinen voortkomen uit vrijwillige samenwerking van soevereine individuen?

Die gedachte lijkt revolutionair in onze tijd, maar werd in Nederland al meer dan anderhalve eeuw geleden glashelder uitgesproken door Abraham Kuyper, in zijn inaugurele rede bij de opening van de Vrije Universiteit in 1880. Zijn formule was kort en krachtig: “Soevereiniteit in eigen kring.”

Het is een gedachte die onze samenleving diepgaand heeft gevormd — en die, in het licht van de technologische en maatschappelijke veranderingen van vandaag, verrassend actueel is.

Elk levensgebied heeft zijn eigen gezag

Kuyper stelde dat de samenleving niet één groot lichaam is dat door de staat wordt bestuurd, maar een veelheid van kringen:

  • gezinnen,
  • kerken en levensbeschouwelijke gemeenschappen,
  • scholen en universiteiten,
  • kunst en wetenschap,
  • bedrijven en economische verbanden,
  • en ja — ook de staat zelf.

Elk van deze kringen heeft een eigen oorsprong, een eigen innerlijke logica en dus een eigen soevereiniteit. Geen enkele kring mag zich absolute macht aanmatigen over een andere. De staat is niet de meester, maar één van die kringen, met een specifieke taak: het recht handhaven, dat wil zeggen toezien dat de soevereiniteit van het individu niet wordt geschonden en zo de vrijheid beschermen.

“Niet het leven te beklemmen noch de vrijheid te binden, maar vrije levensbeweging voor en in elk dier kringen mogelijk te maken, is het ideaal.”
(Kuyper, 1880)

De staat als scheidsrechter, niet als regisseur

Als elk levensdomein zijn eigen gezag heeft, rijst de vraag: welke rol blijft er over voor de staat?

In Kuypers model is de staat de scheidsrechter tussen de kringen. Zij stelt grenzen waar de vrijheid van de een die van de ander dreigt te schenden. Maar de staat stuurt niet, moraliseert niet en produceert niet zelf de inhoud van wetenschap, kunst, religie of cultuur.

Ze waakt, maar beveelt niet. Zodra de staat zich mengt in de interne aangelegenheden van andere kringen, gaat de vrijheid verloren.

Dit idee stond haaks op de 19e-eeuwse opvatting dat de staat de natie moest vormen en zij, en zij alleen, het algemeen belang kon definiëren en nastreven — desnoods met dwang. En het staat ook haaks op hedendaagse neigingen om elk maatschappelijk probleem via wet- en regelgeving van bovenaf te willen oplossen, waarbij iedere burger die binnen het grondgebied van de staat leeft, geacht wordt zich daaraan te conformeren. Want alleen de staat, zo luidt dan de redenering, is in staat het goede voor haar onderdanen te bewerkstelligen.

Vrijheid én orde door wederkerigheid

Betekent dit dat er chaos dreigt als er geen centraal gezag is dat alles dirigeert? Nee. Kuypers antwoord was helder: de samenleving wordt gedragen door wederkerigheid — het principe dat kringen elkaars vrijheid eerbiedigen.

“Ik eer jouw vrijheid, omdat jij de mijne eert.”

In zo’n samenleving ontstaat orde niet door bevel, maar door onderlinge erkenning. Wetenschap floreert naast religie, economie naast kunst, gemeenschappen naast elkaar. Niet door gelijk te worden, maar door elkaar de ruimte te laten — ieder het zijne.

Het verzuilde Nederland van de 20e eeuw was in feite een praktische toepassing van dit model: onderscheiden levensbeschouwelijke zuilen leefden naast elkaar, elk op eigen grondslag, maar in onderling respect en samenwerking.

Een voorbeeld: universiteiten functioneerden als zelfstandige kringen, met eigen normen en financiering, maar binnen een juridisch kader dat ruimte bood aan pluriformiteit. Zo kon de Vrije Universiteit naast de openbare en katholieke universiteiten bestaan, zonder dat één van hen de ander domineerde.

De nieuwe tijd: technologie verandert de schaal

Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert Kuypers woorden waren bedoeld voor de 19e eeuw. Maar de 21e eeuw opent een nieuw hoofdstuk. Technologie verandert niet alleen hoe we samenwerken, maar ook de schaal waarop zijn visie kan worden toegepast.

  • Internet en AI maken samenwerking mogelijk zonder centraal bevel.
  • Decentrale kennisnetwerken en open source-ontwikkeling tonen aan dat collectieve innovatie niet afhankelijk is van staatssturing.
  • Biotechnologie en digitale infrastructuren verschuiven de locus van macht: van staten naar netwerken, van hiërarchie naar kringvorming.

De bio-cybernetische revolutie maakt vormen van zelforganisatie mogelijk die vroeger ondenkbaar waren. Ze versterkt de positie van individuen en gemeenschappen tegenover centrale machten. Dat opent een historische mogelijkheid: een samenleving waarin ambitie, innovatie en samenwerking kunnen bloeien zonder een alomvattend centraal gezag.

Een sprekend voorbeeld is de ontwikkeling van open source-software: duizenden ontwikkelaars uit verschillende ‘kringen’ werken vrijwillig samen aan complexe projecten zonder een centraal bevelscentrum. De coördinatie ontstaat uit gedeelde doelen, niet uit staatsdwang — precies het mechanisme dat Kuyper voor ogen had, maar nu op wereldschaal.

Slot: een oude gedachte voor de toekomst

Kuypers theorie is geen museumstuk. Ze biedt een radicaal andere manier van denken over vrijheid, samenwerking en vooruitgang. Ze nodigt ons uit te geloven dat orde en ambitie niet per se van bovenaf hoeven te komen, maar kunnen ontstaan uit de vrije samenwerking van soevereine kringen.

In de komende tijd wil ik deze gedachte verbinden met historische voorbeelden en laten zien dat dit beginsel de basis kan vormen voor een revolutionaire herordening van de rechtsstaat: een ordening waarin het individu van nature als soeverein wordt beschouwd, en waarin iedere vorm van samenwerking en ‘algemeen belang’ daaraan ondergeschikt is.

AI in a Bubble?

Wat Meta’s pauze in AI-werving ons vertelt over hype en realiteit

Een bericht op RT zette me aan het denken:

“Meta puts brakes on AI hiring – Some analysts say the pause could signal trouble in the sector, warning it may be in a bubble.”

Het woord “bubble” duikt de laatste tijd vaker op in gesprekken over kunstmatige intelligentie. Een financieel expert zei mij laatst: “AI is een bubbel!” en mijn gevoel zei toen “volgens mij niet”. Maar waarom? Waarschijnlijk hadden we het over andere aspecten van AI.

Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst scherp krijgen wat een bubbel eigenlijk is. Het woord wordt vaak gebruikt als synoniem voor hype of overschatting, maar historisch gezien gaat het om een specifiek verschijnsel: prijzen en verwachtingen die losraken van de werkelijke waarde van een product. Soms gaat het om pure speculatie, zoals in de zeventiende eeuw met de tulpenbollen. De bloemen waren geliefd en bleven dat ook, maar de handel eromheen dreef de prijzen tot absurde hoogtes. Toen de zeepbel knapte, bleven de tulpen bestaan – alleen de lucht in de prijs verdween. Kenmerk is bijna altijd dat het een soort van piramidespel is. De manie was de mode component!

Want in andere gevallen draait de bubbel niet om speculatie, maar om modegevoeligheid. Iedereen wil opeens hetzelfde product, van spinners tot sneakers, second live (kent u het nog) en de markt zwelt aan tot groteske proporties. Dan, net zo plotseling, verdwijnt de vraag en blijft er niets over. Hier is het niet de prijs, maar de belangstelling die een kunstmatig opgeblazen karakter heeft.

En dan is er nog de door overheden en kredietinstellingen aangewakkerde bubbel. Denk aan de huizenmarkt: regelgeving en subsidies maken het aanbod kunstmatig schaars, banken houden de kredietkraan wijd open, en zo drijven prijzen jarenlang verder omhoog dan gezond is. Tot de draagkracht van kopers simpelweg op is. Geld ook voor prijs-fixaties door de overheid, welke altijd tot verdere schaarste leidt, want het marktevenwicht wordt verstoord, en onvermijdelijk zwarte markten doet ontstaan, waarop de bubbel goed gedijt en de overheid zich geroepen voelt nog meer in te grijpen en de bubbel verder versterkt.

Als we langs die drie lijnen naar AI kijken, zien we m.i. een gemengd beeld.

Nee, AI is geen hype die morgen weer uit de mode is. De toepassingen zijn te breed en te structureel: van zoekmachines tot logistiek, van medische analyse tot softwareontwikkeling.

Ook is er (nog) geen sprake van een overheidsgedreven bubbel zoals bij huizen.

Wel zien we iets van de tulpenmanie terug: de waarderingen van bedrijven, de miljarden die naar start-ups stromen, de koortsachtige vraag naar Nvidia-chips. Daar zit speculatie in, en de geschiedenis leert dat zulke koorts vroeg of laat afkoelt.

De conclusie is dus tweeslachtig. Kunstmatige intelligentie als technologie is geen bubbel: het is een blijvende innovatie, te vergelijken met elektriciteit of internet. Maar de manier waarop financiële markten erop reageren, wél. De kans is groot dat de lucht die nu in koersen en waarderingen zit, ooit moet ontsnappen. En misschien is de pauze bij Meta een eerste teken dat het besef begint door te dringen: want ook AI is niet immuun voor de wetmatigheden van bubbels.

Wat is er eigenlijk mis met zwart geld?

Een kritische blik op het concept ‘zwart geld’. Is het wel crimineel, of slechts het gevolg van een belastingsysteem dat moreel verabsoluteert?

Zwart geld is fout, witwassen is misdadig… toch? Maar wat als dat oordeel vooral een uitvinding van de overheid is? Een prikkelende heroverweging van wat geld ‘zwart’ maakt — en waarom dat misschien helemaal geen moreel probleem is.

In een recent artikel op Naked Capitalism wordt de strijd tegen zwart geld omschreven als een morele kruistocht: zwart geld is misdadig, witwassen een zonde, belastingontwijking een vorm van nationale verraad. Landen die hieraan ‘meewerken’, zouden net zo fout zijn als de criminelen zelf. Zo wordt Argentinië ervan beschuldigd moreel te ontsporen wanneer het overweegt zwart geld te ‘regulariseren’. Maar klopt dat wel?

Een moreel probleem of een fiscaal construct?

Het hele idee van ‘zwart geld’ bestaat bij de gratie van overheidsdefinities. Geld wordt ‘zwart’ genoemd zodra het buiten het zicht van de fiscus circuleert. Niet omdat het per definitie uit illegale activiteiten of misdaad voortkomt, maar omdat er geen belasting over wordt betaald. Zwart geld is dus vooral geld waar de overheid géén grip op heeft, en daar houdt ze niet van.

Maar laten we dat eens omdraaien: waarom zou belasting op transacties en inkomens moreel verplicht zijn, in plaats van gewoon belastingen zien als een prijs die burgers voor geleverde overheidsdiensten betaald? In een normale economie sturen bedrijven rekeningen voor hun diensten. Waarom zou de overheid daar principieel van afwijken?

Belastingen als dienstverlening

Als de overheid haar burgers en bedrijven behandelt als klanten’ – van zeer gewaardeerde diensten, want mensen profiteren van de infrastructuur, veiligheid, onderwijs en rechtspraak – dan ligt het veel meer voor de hand om daar een gespecificeerde factuur voor die diensten te sturen. Wie niet betaalt, krijgt een herinnering, een aanmaning en eventueel een deurwaarder. Zoals dat in elk ander maatschappelijk verkeer ook gebeurt.

Dan maakt het ineens niet uit of iemand contant betaalt, via crypto of met edelstenen: de overheid wil gewoon betaald worden voor geleverde diensten. Het hele circus van anti-witwas-maatregelen, meldplichten en fiscale opsporingsdiensten wordt dan overbodig. Bespaart ook nog eens veel kosten bureaucratie en wordt die factuur dus lager.

Misdaad is iets anders

Belangrijk is wel het onderscheid met geld dat wél voortkomt uit misdrijven zoals afpersing, fraude of corruptie. Dat moet natuurlijk worden aangepakt, niet omdat het ‘zwart’ is, maar omdat het anderen schaadt. Dat is de taak van het strafrecht, niet van de belastingdienst. En ook hier geldt: de overheid mag best de kosten aan de burger in rekening brengen voor het handhaven van die rechtsorde.

Een alternatief voor fiscale moraliteit

In plaats van morele oordelen over geld dat ‘wit’ of ‘zwart’ is, kunnen we dus beter kijken naar de relatie tussen burgers en overheid als een zakelijke overeenkomst. Je neemt diensten af, je betaalt ervoor. Niet meer, niet minder.

Zodra die gedachte gemeengoed wordt, verdwijnt het hele concept van zwart geld als morele categorie. En daarmee ook de drang om voortdurend geld te ‘wassen’ om het systeem tevreden te stellen. Wat overblijft is een veel helderder onderscheid tussen echte criminaliteit – die schade veroorzaakt aan burgers – en gewone economische activiteiten – uit welke opbrengst de burger zijn belastingen gewoon kan en wil betalen.

Donald Trump en de kleren van de Keizer

De inauguratie van Donald Trump als president van de Verenigde Staten zal ongetwijfeld worden beschouwd als een gebeurtenis van grote historische betekenis. Dit geldt niet alleen vanwege de politieke en maatschappelijke impact, maar ook vanwege de symboliek en de context waarin deze inauguratie plaatsvond.

Volgens alle gevestigde normen van de politiek—het nooit slapende, egoïstische machtsspel van de elites, de daaraan ten dienste staande staatsrechtelijke structuren, het bestaansrecht van de staat én de internationale machtsverhoudingen—had de benoeming van een president met het profiel, het gedrag en de politieke opvattingen van Trump nooit mogen plaatsvinden. Juist dat maakt deze gebeurtenis historisch: het feit dat Trump überhaupt door het publiek tot president is verkozen, niet per se zijn politieke programma of plannen.

De verdienste van Trump is op dit moment niet veel meer dan tegen de in de verkiezingen verslagen politieke machthebbers zeggen: “Kijk, jullie hadden geen kleren aan!” Hij heeft de façade van de politieke elite ontmaskerd door te laten zien dat zij vaak niets meer zijn dan holle vaten, gericht op eigenbelang, rijkdom en macht, kortom parasiterend op de burgers waar ze geen wezenlijke verbinding meer mee hadden en werkelijk elk gebrek aan inzicht toonde over en compassie voor de wijze waarop de individuen nu samenleven en moeten zien te overleven. Dit inzicht heeft uiteindelijk een breed publiek bereikt en leidt tot verontwaardiging, omdat velen de oude politieke orde al langer als leeg en hypocriet ervaren.

En dat inzicht van de burgers is nieuw. Hoewel onvrede en volksopstand uiteraard van alle tijden is, is het inzicht dat haar vrijgestelde elite inhoudelijk de kluit belazert, de politici structureel liegen en op grote schaal vriendjespolitie bedrijft is nieuw. Met als gevolg verzet tegen de zeer breed en met alle middelen uitgedragen officiële ideologie van die overheid en haar bestuurders. De formele overheid mag zich vanaf de middeleeuwen immers wentelen in een niet uit te leggen positief imago over haar nut voor de samenleving, de noodzaak het bewaken van het algemeen belang en haar unieke vermogen burgers veiligheid en welvaart te brengen.

De verkiezing van Trump markeert een keerpunt in de geschiedenis van de mensheid, omdat het een mijlpaal vertegenwoordigt in de zeer ingrijpende technologische veranderingen, met de daaruit voortvloeiende sociale veranderingen die de wereld de afgelopen decennia hebben getransformeerd. Burgers zijn hun wereld fundamenteel anders gaan bekijken, beschikken nu over ongekende middelen van informatieverwerving en verspreiding, en zoeken nu nieuwe manieren van sociale verbondenheid en willen hun leven steeds meer zelf vormgeven. De rol van de overheid, politici en overheidsdienaren zal hierdoor fundamenteel veranderen. Het tijdperk waarin de liberale bourgeoisie in de negentiende eeuw als laatste elite de macht greep, loopt ten einde, en nieuwe maatschappelijke structuren kondigen zich aan.

We zijn getuige van een machtsstrijd tussen enerzijds de heersende elite—gewapend met immense middelen zoals geld, informatie en wapens—en anderzijds de individuele burger, die dankzij de bio-cybernetische digitale revolutie nieuwe hulpmiddelen en ideeën tot zijn beschikking heeft. Deze technologische revolutie heeft niet alleen ons gedrag veranderd, maar ook onze visie op autonomie en de rol van de staat. Burgers kunnen nu vanaf hun telefoon wereldwijd medestanders zoeken en vervolgens samen formuleren nieuwe ideologieën die warmte, veiligheid en perspectief bieden in een wereld vol verandering. Los van welke oude landsgrenzen dan ook.

Hoewel de huidige machtsverhoudingen ongelijk lijken, heeft de individuele burger de kracht van het getal aan zijn zijde. De verkiezing van Trump is een eerste overwinning in deze nieuwe machtsstrijd. In de komende decennia zullen er meer volgen, totdat de huidige elite hetzelfde lot ondergaat als de soevereine vorsten, edelen en geestelijken van weleer. Net zoals de technologische revolutie in de negentiende eeuw een einde maakte aan slavernij en lijfeigenschap, zal de huidige revolutie economische slavernij en geestelijke onderwerping door overheden beëindigen.

De macht van de natiestaat zal afnemen, en nieuwe sociale organisaties zullen ontstaan, met andere leiders en besluitvormingsprocessen. Dit transitieproces zal niet zonder conflicten en sociale ontwrichting verlopen. De elite zal zich verzetten, en burgers zullen fouten maken terwijl ze zoeken naar stabiele samenlevingsvormen die niet langer gebonden zijn aan de grenzen van soevereine staten.

De verkiezing van Trump zal voor zijn huidige aanhangers en nog vele teleurstellingen in petto hebben. Want Trump is in alles een product van de oude maatschappij en was of is onderdeel van die elite. Zijn programma is in wezen conservatief en gericht op het herstellen van oude waarden die door de evolutie van na de jaren zestig terzijde zijn geschoven onder de vlag van collectivisme, cultuur marxisme en globalisme; dat laatste in de betekenis van één internationale overheid die meester is over alle wereldburgers. Hoewel deze conservatieve agenda tijdelijk nuttig kan zijn, zal ze uiteindelijk ontoereikend blijken. De nieuwe wereld vraagt om een fundamentele breuk met de gevestigde orde, inclusief de egocentrische, in wezen nationalistische en oorlogszuchtige symboliek van leiders als Trump: America first.

De contouren van de nieuwe wereld zijn nog niet volledig zichtbaar, maar één ding is duidelijk: de macht en filosofie van de huidige elite is niet langer vanzelfsprekend. De ‘kleren van de Keizer’ zijn onherroepelijk afgedaan, en de weg naar een nieuwe, met meer autonome burgers in een meer rechtvaardige, en gedifferentieerde samenleving zijn onvermijdelijk ingezet.

En hoewel niemand goed kan voorspellen hoe die toekomst er uit zal gaan zien, is het overduidelijk dat in het nieuwe tijdperk van bio cybernetische digitale technologie dat het de volgende stap in de vooruitgang van menselijke cultuur is: het stoppen van de slavernij door de overheid. De overwinning van Trump en zijn optreden is daarin slechts een kleine, maar noodzakelijke, rimpeling.

The Rise and Fall of Empires

Historici rakelen veel en met enthousiasme het onderwerp op van “The Rise and Fall of Great Powers” om de titel van het boek van de historicus Paul Kennedy maar eens te gebruiken. Ook het boek van Edward Gibbon “The History of the Decline and Fall of the Roman Empire” behoort tot de top 10 van uw favoriete geschiedenisboeken.

Het is de vraag of de mensen die zelf deelnemen in zo’n wereld rijk door hebben dat het rijk waar ze onderdeel van uitmaken bezig is te vallen. Ik vrees dat het de meeste mensen ontgaat omdat het proces heel geleidelijk en alleen schoksgewijze effect heeft op het leven van alle dag. Dat we bezig zijn aan de val van de fundamenten van de westerse wereld is mij al wat langer duidelijk. De neergang van het Amerikaanse Rijk wordt nu langzaam ook voor meer mensen inzichtelijk. 

In dat kader is het niet toevallig dat er een lezenswaardig artikel op het internet verschijnt van Dr. Paul Larudee: “The fall of the West¨.

Wat mij opvalt is dat wij in het algemeen en historici in het bijzonder dat soort gebeurtenissen alleen maar kunnen beschrijven vanuit de vanzelfsprekende aanwezigheid van staten, en dat sommige staten dominant groeien ten koste van andere staten. En dus ook weer kunnen vallen. Zo schrijft Larudee:

“Die “eeuw” lijkt te eindigen op de manier van zoveel andere machten die de pagina’s van Kennedy’s boek vullen – door imperiale overreach, buitensporige militaire uitgaven, achterblijvende economische productiviteit en concurrentiekracht en het niet investeren in de fysieke, technische en menselijke middelen die nodig zijn om een dominante macht te blijven. Kortom, het Westen kwijnt weg.”

Het is duidelijk dat landen, koninkrijken, staten, naties zijn ontstaan, gelijk met de groei van de menselijke beschaving en dat als je naar de ontwikkeling kijkt in bijvoorbeeld de middeleeuwen dat dat uitsluitend en zonder enige uitzondering uitvindingen zijn van de heersende elite, die van zichzelf al veel macht, d.w.z. eigendom van grond/goud e.d. had toegeëigend, altijd door diefstal en roof, en met gewelddadige middelen, en ook nog op kosten van haar onderdanen. Met die “uitvinding” gaf het in de vorm van de staat onbeperkte macht over de haar onderworpen onderdanen. Tot op de dag van vandaag. Als je tot de kern komt leer je, dat wij als geen deelhebben aan de elite van de staat, lijfeigenen zijn in een feodale staatsstructuur.

We weten – hoewel het psychosociale onderzoek daarnaar een ondergeschoven onderzoeksonderwerp is – dat iedere organisatie – maar zeker de organisatie van de staat, de neiging heeft om als elite zichzelf onbeperkte privileges te geven, haar onderdanen te collectiveren en dus te onderdrukken, en agressief te worden tegen concurrente staten. De wil om te overheersen, zowel over de onderdanen als over andere staten is kenmerkend. Het enige moderne wetenschappelijk onderzoek dat ik ken dat specifiek het heeft over de ‘Anatomie of the State’ in zijn algemeenheid is van Murray Rothbard. En natuurlijk zijn er de usual suspects onder filosofen:  Rousseau, Hegel, Burke, Hobbes en Hume. Maar niemand stelt de vraag: kunnen we de staat ook niet gewoon maar afschaffen?

Maar ook, het wat meer anekdotische werk van Maarten Berg “Een studie over de slechtheid van de staat“ geeft mooi inzicht over de verwerpelijke werking van de – in dit geval – Nederlandse overheid.

En alleen in die geaccepteerde context van de vanzelfsprekende aanwezigheid van staten die regeren over onderdanen die daar niet voor gekozen hebben – die mogelijkheid bestaat gewoonweg niet – en de mogelijkheid van stateloze samenlevingen wordt ook nooit zelfs maar in overweging genomen, kan men spreken over opkomst de val van staten. En dus analyseren we dat het Amerikaanse Rijk valt omdat het niet investeert  “in de fysieke, technische en menselijke middelen die nodig zijn om een dominante macht te blijven. Kortom, het Westen kwijnt weg.¨ Hoe kan de heersende elite van de verenigde Staten zo dom zijn?

Nou en? Waarom zouden rijken moeten stijgen en vallen? 

Vanuit mijn stelling dat een burger het meeste te vrezen heeft van haar overheid is het toch voor de hand liggend dat we nadenken over het afschaffen van staten? Alleen de stroming van het libertarisme is vanuit het uitgangspunt van individuele vrijheid als uitgangspunt daarmee bezig. Alleen al daarom waard om kennis van te nemen! 

https://kolozeg.org/the-fall-of-the-west-dr-paul-larudee/.

Nationale actie dag tegen Wilders: gelijk hebben ze!

Wilders heeft de verkiezingen op 22 november 2023 (met 23, 6% van de stemmen = 2.442.318 stemmen) gewonnen en in het huidige systeem van de representatieve democratie kan en hoort Wilders nu premier van een door hem geleid kabinet te worden. Dat is geweldig voor Wilders en zijn aanhangers en als we de peilingen mogen geloven vindt een meerderheid van de (geënquêteerde) Nederlanders dat prima. 23,6 % van de stemmen betekent overigens ook (maar?) 13,6% van alle Nederlanders (17.937.700).

Duidelijk is dat heel veel Nederlanders dat prima en voor het land ongetwijfeld goed vinden. Maar niet alle Nederlanders en zeker niet de Nederlanders die lid zijn van de intellectuele elite of dicht daarbij zitten of daarvan financieel afhankelijk zijn. Hun voortbestaan staat nu opens op de tocht. Die vinden het maar niets, eigenlijk ook wel gevaarlijk en ongewenst, in ieder geval willen ze niet onder het regime met de ideeën van de PVV en Wilders leven.

Deze anti Wilders Nederlanders hebben ´De Beweging” geformeerd, en uiten op bijvoorbeeld Twitter hun afkeuring ondubbelzinnig (“Heel goed en belangrijk dit. Nationale actiedag tégen Wilders. Dus vóór vrijheid, mensenrechten, klimaatrechtvaardigheid, internationale solidariteit en de democratie. “) en we krijgen inzicht in de organisaties die allemaal tegen een regering Wilders zijn.

Grote woorden, hoge idealen, vol van de wil om standvastig te staan voor de vrijheid van de burgers en de democratie in Nederland. Ik mag dat wel. En waarom zouden we ook, zelfs als Wilders meer dan 50% van de stemmen had gehaald, en behorend tot de groep die juist niet op hem heeft gestemd, zou ik niet gedwongen moeten worden om door hem geregeerd te worden. Dus grote sympathie voor De beweging en ik overweg om op 2 december met een zelf gehuurd koffie karretje de demonstranten een hart onder de riem te komen steken!

Ik ga er dan wel vanuit dat als ik een beweging opricht om bijvoorbeeld op straat standvastig te pleiten voor mijn vrijheid om niet tegen mijn wil door een premier als de Voll idioot Timmermans, die 15,7% van de stemmen kreeg toebedeeld door de Nederlandse kiezers, geregeerd te worden. En dat de Wilders haters mij dan ook koffie komen brengen.

En misschien realiseren deze Wilders haters zich nog niet dat er een voor de hand liggende oplossing is die hun en mijn probleem door wie we wel of niet geregeerd willen worden oplost. Gewoon het afschaffen van de overheid!

O, geloofd niet dat dat kan; of u denk dat we niet zonder overheid verder kunnen leven. Lees dan eens het boek van Maarten Berg: “Een studie over de slechtheid van de staat¨ en laat u overtuigen. U en mijn probleem opgelost!

Of stem de volgende keer gewoon op de LP: Libertaire Partij in Nederland.